Part 4
--Kijk, Paul, jij hier! klonk opeens de stem van Kirsanof. Paul wendde zich om. Er kwamen harde trekken op zijn gezicht. Maar er lag zooveel geluk en dankbaarheid in de oogen van zijn broeder, dat het hem onmogelijk was, anders dan met een glimlach te antwoorden.
--Je jongen is prachtig, zei hij en keek op zijn horloge. Ik was binnengegaan om thee te bestellen.
Daarop verliet hij de kamer met zijn gewone onverschilligheid.
--Is hij uit zich zelf gekomen? vroeg Kirsanof.
--Ja, hij klopte aan en kwam binnen.
--En Arkasja, is die sedert niet bij je geweest?
--Nee; zou het misschien niet beter zijn, als ik mijn oude kamer weer betrok, Nikolaas Petrowitsj?
--Waarom?
--Ik geloof, dat het goed zou zijn voor den eersten tijd.
--Nee... nee, antwoordde Nikolaas aarzelend. In ieder geval is het nu te laat;--dag, dikkerd, ging hij plotseling voort, levendig en kuste het kind; toen boog hij over de hand, die Mitia vasthield en kuste die, melk-wit afstekend van het roode kinderhemdje.
--Wat doet u, Nikolaas Petrowitsj? fluisterde zij en sloeg de oogen neer, maar keek hem toen weer aan.
Betooverend was die blik, als ze van onder af, naief en teer glimlachend iemand aanzag.
Kirsanof had haar zóó leeren kennen.
Voor drie jaren moest hij den nacht doorbrengen in de herberg van een klein dorpje, vrij ver van zijn woonplaats verwijderd. Al dadelijk viel hem de helderheid van het linnen en de reinheid in de kamer op. Zou de vrouw een Duitsche zijn? dacht hij. Maar ze was een Russin van een vijftig jaar, goed gekleed, een intelligent, zacht gezicht en ernstig. Hij praatte met haar bij de thee en ze beviel hem goed. Hij had zich pas ingericht in zijn nieuwe huis en zocht vrije bedienden, omdat hij geen lijfeigenen meer wilde. De herbergierster klaagde over de weinig reizigers, de slechte tijden. Hij bood haar een huishoudstersplaats in zijn huis aan en zij sloeg toe. Haar man was reeds lang gestorven, ze had een dochter, Fenitsjka. Drie weken later kwam Arina Sawisjna met haar dochter in Marjino en werd in den vleugel van het huis ondergebracht. Het geluk was Kirsanof mee geweest. Arina bleek een voortreffelijke huishoudster. Niemand bemoeide zich toen met Fenitsjka, die al zeventien jaar oud was. Ze leefde stil als een muisje in haar holletje. Alleen Zondags in de kerk kon Nikolaas het fijne profiel van een teer meisjesgezicht opmerken. Zoo ging een jaar voorbij.
Toen verscheen op een morgen Arina in Kirsanofs werkkamer, groette hem eerbiedig naar gewoonte en vroeg, of hij geen middel wist, haar dochter te helpen, die een vonk in haar oog had gekregen. Nikolaas Petrowitsj speelde, als alle landgoedeigenaren den huisdokter en bezat een homoeopathische apotheek. Hij liet onmiddellijk Fenitsjka roepen. Toen deze hoorde, dat de heer haar geroepen had, schrok ze heftig, maar ging met haar moeder mee. Kirsanof bracht haar bij het raam en nam het hoofd tusschen beide handen, onderzocht het rood-ontstoken oog en schreef omslagen voor met een water, dat hij zelf had toebereid. Daarop scheurde hij een lap van zijn zakdoek en liet zien, hoe het gedaan moest worden. Fenitsjka wilde nu weg, maar Arina riep: Geef den heer een handkus, domkopje! Kirsanof liet dat niet toe, maar kuste haar, in eigenaardige verwarring op het voorhoofd, terwijl zij voor hem boog. Het oog was weldra genezen, maar den indruk, dien zij op Kirsanof had gemaakt, niet zoo spoedig uitgewischt. Hij dacht nog altijd, die zijdezachte haren tusschen de vingers te hebben, dat bleek-blanke, schuchter-onschuldige gezichtje te zien en dien half-open mond met de kleine parel-fonkelende tanden. Sedert lette hij met veel meer aandacht op haar, Zondags in de kerk, en zocht gelegenheid, met haar te spreken. In 't begin bleef ze schuw-teruggetrokken. En toen ze hem eens 's avonds op het smalle paadje tusschen roggevelden ontmoette, wierp ze zich in het golvende graan, om niet gezien te worden. Maar hij zag haar hoofdje tusschen de aren door en riep haar vriendelijk toe:
--Goeien avond, Fenitsjka, ik zal niet bijten.
--Goeien avond, fluisterde ze en bleef als een wild diertje in haar schuilhoek.
Langzamerhand werd ze minder angstig. Haar moeder stierf aan de cholera. Wat moest ze nu beginnen? Ordelievendheid en gezond verstand had ze meegekregen van Arina, maar ze was zoo jong, zoo alleen, en Nikolaas scheen zoo goed, zoo vol piëteit...
En wat volgde, behoeven we niet te vertellen.
--En mijn broeder is dus zoo maar binnen gekomen?
--Ja.
--Zoo, dat is goed. Laat me Mitia eens vasthouden.
En Nikolaas Petrowitsj zwaaide zijn zoon tot aan de zoldering op, tot groot plezier van het kind, maar tot angst van zijn moeder, die met uitgestrekte armen telkens naar zijn bloote beentjes greep.
Paul had zich teruggetrokken in zijn smaakvolle kamer, een fraai behangen vertrek met een wapenrek boven een perzisch tapijt, notenhouten meubels met donker-groen trijp, eiken boekekast in renaissance stijl, bronzen beelden op rijk bureau ministre en marmeren schoorsteenmantel. Hij wierp zich op den divan, handen onder het hoofd, en bleef met een blik van wanhoop bijna voor zich uitstaren. Plotseling stond hij op, schoof de zware gordijnen dicht, waarschijnlijk om de uitdrukking van zijn gezicht in donker te verbergen en strekte zich weer op den divan uit.
IX.
Dienzelfden dag leerde ook Bazarof Fenitsjka kennen. Hij liep met Arkadiej in den tuin en legde hem uit, waarom sommige boomen en vooral enkele jonge eiken niet wilden opschieten.
--Hier moesten meer dennen en populieren staan of linden, maar dan ook veel meer aarde. Het prieel daar staat goed, want acacia's en vlier zijn goede kinderen. Die hebben geen verzorging noodig. Stil, is daar niet iemand in het prieel?
Het was Fenitsjka met Doeniasja en Mitia. Bazarof bleef staan en Arkadiej groette haar als een goede kennis.
--Wie is dat? vroeg Bazarof, toen ze wat verderop waren, die is niet kwaad!
--Wie bedoel je?
--Wat een vraag, daar was toch maar één mooi!
Arkadiej vertelde hem nu met weinig woorden, maar niet zonder verlegenheid Fenitsjka's positie in huis.
--Aha, je vader schijnt van lekkere hapjes te houden. Hij bevalt me. Een beste kerel. Maar ik wil kennis maken--en daarmee keerde hij naar het boschje om.
--Eugène, wees verstandig, ik smeek je, riep Arkadiej hem verschrikt na.
--Hou je gemak, antwoordde Bazarof, ik ken de wereld.
Daarmee naderde hij Fenitsjka en nam zijn hoed af.
--Mag ik me even voorstellen? begon hij lachend. Ik ben een vriend van Arkadiej en een zeer vredelievend man.
Fenitsjka keek hem aan, zonder te antwoorden.
--Wat een lief kind, ging hij voort. Stel u gerust, ik heb nog nooit iemand ongeluk gebracht. Waarom zijn zijn wangetjes zoo rood? Komen de tanden door?
--Ja, antwoordde Fenitsjka.--Hij heeft al vier en het tandvleesch is weer ontstoken.
--Laat mij eens zien. Wees maar niet bang, ik ben medicus. Bazarof nam het kind op den arm. Zonder verzet of angst liet Mitia dit gebeuren, tot verwondering der beide vrouwen.
--Ik zie het al, hindert niet. Hij krijgt prachtige tanden. Als hij wat heeft, laat u mij dan maar roepen. Voelt u u zelf goed?
--Ja goddank.
--Gezondheid is ook het kostbaarst bezit. En u? vroeg hij Doeniasja.
Doeniasja, thuis een stil meisje, maar buitenshuis uitgelaten, barstte in lachen uit.
--Zoo is 't goed. Hier, neem uw dikzak maar weer over.
Fenitsjka nam het kind.
--Wat was hij stil bij u, zei ze zacht.
--Alle kinderen zijn zoo bij mij. Daar bezit ik een geheim middel voor!
--Kinderen voelen dadelijk, of iemand van ze houdt, zei Doeniasja.
--Dat is zoo, vond Fenitsjka.--Mitia wil niet bij iedereen.
--Zou hij ook graag bij mij komen? vroeg Arkadiej, die op eenigen afstand stond.
Maar toen hij Mitia op den arm wilde nemen, draaide het kind zijn hoofdje af en begon te schreeuwen, waardoor Fenitsjka verlegen werd.
--Een ander maal dan, hij is nog niet aan mij gewend, zei Arkadiej goedig en de beide vrienden gingen verder.
--Hoe zeg je, dat ze heet? vroeg Bazarof.
--Fenitsjka--Fedosia, antwoordde Arkadiej.
--En haar oudernaam? Het kan nooit kwaad, dien ook te kennen.
--Nikolajevna.
--Bene. Ze is gelukkig niet al te verlegen. Dat vinden sommigen niet goed. Onzin. Waarom zou ze verlegen zijn? Ze is moeder! En dus in haar recht.
--Zeker, zei Arkadiej, maar mijn vader?
--Die ook.
--Dat ben ik niet heelemaal met je eens.
--Om de verdeeling van de erfenis?
--Schaam je je niet, zóo van me te denken? riep Arkadiej verontwaardigd. Van dit standpunt verwijt ik hem niets. Maar hij had haar moeten trouwen....
--Kom, kom, wat een zielenadel! Het huwelijk heeft dus nog zin voor jou! Dat had ik niet van je gedacht.
Het gesprek stokte en zij liepen zwijgend voort.
--Ik heb het landgoed van je vader terdeeg bekeken, zei Bazarof. Het trekvee verkeert in slechte conditie en de paarden eveneens. En zoo staat het ook met de opstallen en de werklui schijnen ware luilakken. Jullie opzichter is een doerak of een idioot. Ik ben het over hem met me zelf nog niet eens.
--Je bent bizonder streng vandaag.
--En jullie brave boeren zullen je vader nog wat te stellen geven. Dat zie ik aankomen. Je kent het spreekwoord: Roeski moezjiek, Boga slonajet! [7]
--Ik begin te gelooven, dat oom gelijk heeft. Je hebt een slecht denkbeeld van de Russen.
--En terecht! De eenige verdienste van den Rus bestaat hierin, dat hij een slechten dunk van zich zelf heeft. En dat kan hem dan verder niet schelen! Het is veel belangrijker te weten, dat tweemaal twee vier is. De rest heeft niets te beteekenen!
--Wat? Ook de natuur dus niet? antwoordde Arkadiej en liet zijn blik weiden over de bonte velden, die baadden in het zachte licht der ondergaande zon.
--Ook de natuur heeft niets te beteekenen in dien zin, die jij haar op het oogenblik geeft. De natuur is geen tempel, maar een werkplaats en de mensch is de werkman.
Opeens werd hun oor getroffen door de gedragen tonen van een cello van uit het huis. De speler legde gevoel in zijn spel, maar nog ongeoefend klonk Schuberts Erwartung, en deze zoete melodie doordrong de lucht als honinggeur.
--Wat is dat? vroeg Bazarof verwonderd.
--Dat is mijn vader.
--Speelt je vader cello?
--Ja.
--Hoe oud is hij dan?
--Vier en veertig.
Bazarof barstte in lachen uit.
--Waarom lach je?
--Hè? Een man van vier en veertig jaar, een pater familias in het goevernement speelt cello...?
Bazarof lachte nog luider.
Maar Arkadiej was het onmogelijk in deze vreugde te deelen, hoe groot zijn eerbied ook voor den leermeester was.
X.
Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren, lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paul haatte en verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had, hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een "heer" in hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend, als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat, evenals Paul.
Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond 's morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens, toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.
--Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond onbewegelijk.
--Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.
Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De "uitgediende" bleef nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.
--Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.
--Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.
--Begin met "Kracht en Stof" van Büchner.
--Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is gemakkelijk te begrijpen.
--Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bij Arkadiej en nu zie ik, hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen elkaar niet meer.
--In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.--Die nihilist heeft hem dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van natuurkunde.
--Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!
--En die inbeelding, onuitstaanbaar!
--Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem ingericht, waarom ze me "den roode" noemen in het goevernement, ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.
--Hoe zoo?
--Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met "de Zigeuners" beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen, neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek, voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.
--En wat voor een boek heeft hij je gegeven?
--Hier is het.
En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk van Büchners veelbesproken boek voor den dag.
Paul bladerde er in.
--Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?
--Ik ben begonnen.
--En...?
--Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal wel aan mij liggen.
--Ken je je Duitsch nog?
--Zeker.
Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden zwegen.
--Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.
--Van Mathias Ilitsj?
--Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.
--Denk je te gaan? vroeg Paul.
--Nee, en jij?
--Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.
--Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.
--Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik wil nog eens vechten met dien fraaien dokter. Reken daarop.
Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog het oogenblik van den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid "der oude Kirsanofs", zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over een eigenaar uit den omtrek.
--Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij kende hem van Petersburg.
--Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde beteekenis hebben.
--Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk onverschillig zijn thee.
--Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De aristocratie was het, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij is Engelands trouwste steunpilaar.
--Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat wilt u daarmee zeggen?
--Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf--gevoelens, eigen aan het wezen der aristocratie--elke solide grondslag voor het bien public zou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak, mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots, want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel, ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie, maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf den mensch.
--Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof, u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar geslagen armen. Wat heeft het bien public daaraan? Ook zonder die achting voor uzelf, zou u niet anders "handelen."
Paul Petrowitsj verbleekte.
--Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder principes kunnen leven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet zoo, Nikolaas?
Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.
--Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen hebben.
--Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De logica der geschiedenis eischt...
--Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.
--Wat?
--U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?
Paul hief zijn handen op.
--Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?
--Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit erkennen.
--Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.
--Alles?
--Volstrekt alles.
--Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...
--Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.
Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.
--Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles, of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.
--Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.
--De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht, ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.
Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie, d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.
--Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie, het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...
--Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof, ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.
--Maar als ik gelijk heb...
--Dan is daarmee nog niets bewezen.
--Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en zich daardoor niet laat afschrikken.
--Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.--U scheidt u dus af van uw volk!
--En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?
--Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.
--Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch, vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.
--En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.
--Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo door u verdedigd wordt?
--Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!
--Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?
--Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas Petrowitsj en stond op.
Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde hem weer op zijn stoel.
--Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist doordat ik dat gevoel van eigenwaarde bezit, dat deze heer zoo bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:
--U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd onbevredigend.
--Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.--Voor alles zeg ik, dat wij niet preeken.
--Wat doet u dan?