Part 3
VI.
Bazarof kwam terug, ging zitten en begon thee te drinken, alsof hij van plan was, geen droppel in den samowar te laten. De beide broeders keken zwijgend toe, terwijl Arkadiej van zijn kant hen beschouwde.
--Bent u ver geweest? vroeg Nikolaas eindelijk.
--Tot aan een soort moeras, in de buurt van uw populierenbosch. Daar vlogen een stuk of wat snippen op, die kun je schieten, Arkadiej.
--Jaagt u zelf niet?
--Nee.
--Doet u hoofdzakelijk aan natuurkunde? vroeg Paul.
--Ja, natuurkunde en trouwens alle natuurwetenschappen.
--Men zegt, dat de Germanen groote dingen gedaan hebben in die vakken, de laatste jaren.
--Ja, hierin zijn de Duitschers onze meesters, antwoordde Bazarof onverschillig.
Paul had met ironische bedoeling van Germanen gesproken, maar het had geenerlei uitwerking.
--U koestert zeker groote vereering voor de Duitschers? ging hij met gedwongen beleefdheid voort. Hij voelde diep in zich verzet opkomen. Zijn aristocraten-natuur kon Bazarofs vrije manier van optreden niet verdragen. Die dokterszoon toonde niet alleen niet de minste verlegenheid, maar antwoordde zelfs grof en onbeleefd, de toon van zijn stem had iets, dat naar onbeschaamdheid zweemde.
--De geleerden van dat land zijn verdienstelijke mannen, zei Bazarof.
--Zeker. Waarschijnlijk hebt u een minder vleiend oordeel over de Russische geleerden.
--Niet onmogelijk.
--Deze onpartijdigheid doet u eer aan, zei Paul en richtte zich op, het hoofd min of meer in den nek.--Buitendien heeft Arkadiej ons al verteld, dat u geenerlei autoriteit erkent in wetenschappelijke kwesties. Hoe is dat te rijmen met uw uitspraak van zooeven? Is het waar, dat u geen autoriteit erkent?
--Waarom zou ik? Waaraan zou ik gelooven? Bewijst men mij iets op afdoende wijs, dan geef ik me gewonnen. Voilà tout.
--En dus zeggen de Duitschers alleen maar verstandige dingen? vroeg Paul en zijn gezicht nam een uitdrukking aan van volkomen onverschilligheid en gevoelloosheid, alsof hij immuun geworden was tegen menschelijke ontroeringen.
--Niet altijd, antwoordde Bazarof, met ingehouden geeuw, alsof hij te kennen wilde geven, dat hem die woordenwisseling begon te vervelen.
Paul keek Arkadiej aan met een blik die scheen te zeggen: bizonder beleefd is je vriend niet!
--Wat mij betreft, ging hij niet zonder inspanning voort, ik geef bescheidenlijk toe, dat ik niet houd van de Duitsche heeren. Ik bedoel de echte Duitschers en niet de Duitsche Russen. Vroeger waren ze nog te dulden, ze hadden beroemde namen: Schiller, Goethe. Mijn broeder vereert die dichters buitengewoon. Maar tegenwoordig zie ik niets als chemici en materialisten onder hen.
--Een goed chemicus is meer waard dan de beste dichter! zei Bazarof.
--Inderdaad? antwoordde Paul en trok de wenkbrauwen op, de kunst is dus waardeloos voor u?
--Behalve de kunst geld te verdienen en hemorrhoïden kwijt te raken, riep Bazarof uit met een verachtenden glimlach.
--Heel aardig. U gelieft te schertsen; dat staat gelijk met een volkomen negatie, goed. U gelooft dus niet in de wetenschap?
--Ik had reeds de eer, u te zeggen, dat ik aan volstrekt niets geloof. Wat verstaat u onder het begrip wetenschap in het algemeen? Er zijn wetenschappen zooals er ambachten zijn en beroepen. Een wetenschap zooals u dat bedoelt, bestaat niet.
--In orde. U ontkent zeker ook alle andere beginselen, waarop onze maatschappelijke inrichting steunt?
--Is dat soms bedoeld als een politiek verhoor? vroeg Bazarof.
Paul werd wat bleek. Nikolaas vond het een geschikte gelegenheid, zich in het gesprek te mengen:
--We zullen later over deze kwesties uitvoeriger spreken, mijn beste Jevgenij Wassiljewitsj. U zult ons dan al uw denkbeelden uiteen zetten en wij u de onze. Wat mij betreft, het doet mij genoegen te hooren, dat u aan natuurwetenschappen doet. Ik hoor dat Liebig merkwaardige ontdekkingen heeft gedaan omtrent de behandeling van den grond. U zoudt me in dit opzicht veel kunnen helpen en goeden raad geven.
--Heel graag, Nikolaas Petrowitsj. Maar laten we Liebig rusten. Aleer men een boek opslaat, moet men kunnen lezen, en wij kennen nog niet eens het ABW...
--Dat is wèl nihilistisch! dacht Nikolaas en hij antwoordde:--Kan zijn, maar ik zal toch zoo vrij zijn, u te vragen bij gelegenheid... Maar moeten we niet met den opzichter spreken, Paul Petrowitsj?
Paul stond op.
--Ja, zei hij, maar tot niemand in het bizonder. Het is ongelukkig, jaren lang op het land te wonen, ver van alle groote geesten. Men verboert zoo langzamerhand. Men doet zijn best, het geleerde niet te vergeten, maar op een dag komt men tot de ontdekking, dat het toch alles dwaasheid is, waar een ontwikkeld man zich niet meer mee bezig houdt! De jeugd schijnt bepaald veel ontwikkelder dan de ouderen.
Paul keerde zich langzaam op de hakken om en verwijderde zich met afgemeten schreden. Zijn broeder volgde.
--Is hij altijd van die kracht? vroeg Bazarof koel.
--Hoor eens, Jevgenij, antwoordde Arkadiej, je bent te ruw tegen hem geweest. Je hebt hem beleedigd.
--Zou je denken? Je moet ze misschien sparen, die land-aristocraten. Dat alles is pure eigenliefde, ingebeeldheden, herinneringen aan den veroveraarstijd. Waarom is hij niet in Petersburg gebleven om zijn rol daar verder te spelen? Hij voelde zich immers geroepen? Maar God zal hem zegenen! Ik heb een zeldzame soort dyticus marginatus gevonden, die zal ik je laten zien.
--Ik heb je zijn geschiedenis beloofd.
--Wiens geschiedenis? Van den kever?
--Och wat, de geschiedenis van mijn oom. Je zult zien, dat hij niet de man is, voor wien jij hem houdt. Je moest hem eerder beklagen, dan hem belachelijk maken.
--Wel mogelijk. Maar waarom verdedig je hem zoo?
--Men moet rechtvaardig zijn, Jevgenij.
--Ik zou niet weten, waarom.
--Schei nu uit, en luister.
Arkadiej vertelde zijn vriend de geschiedenis van zijn oom. De lezer vindt haar hieronder.
VII.
Paul Petrowitsj Kirsanof had zijn prilste jeugd onder het vaderlijk dak doorgebracht, samen met zijn broeder. Toen was hij in het pagekorps gekomen. Van opvallende schoonheid, zelfbewust, wat belachelijk en licht ironisch, moest hij bij ieder in den smaak vallen.
Als officier kwam hij in de groote wereld. Met open armen overal ontvangen, liet hij zich gaan, maakte een verkeerd gebruik van zijn goede eigenschappen, beging allerlei dwaasheden, die hem echter in geen enkel opzicht schaadden. De vrouwen verafgoodden hem, de mannen noemden hem een fat, maar benijdden hem in stilte. Hij leefde nog altijd samen met zijn broeder, van wien hij veel hield, ofschoon deze in geenen deele op hem leek. Nikolaas Petrowitsj hinkte een weinig, had ook wel een aangenaam, maar een ernstig gezicht, zachte, wazige oogen en dun haar. Hij was langzaam, las veel en meed de menschen. Paul was des avonds nooit thuis. Door het in de mode brengen van gymnastiek had hij den roep van vlugheid en kracht verworven, maar lezen deed hij niet veel meer dan een vijf, zes fransche boeken. Op zijn acht en twintigste jaar was hij kapitein en had een schitterende loopbaan voor zich, toen alles plotseling anders werd.
In dezen tijd liet zich in Petersburg nu en dan een zekere vorstin R. zien, gehuwd met een man van opvoeding, maar wat geborneerd, en zonder kinderen. De vorstin ging op zekeren dag op reis, voor langen tijd, keerde onverwachts terug en gedroeg zich sedert nog al opvallend; men oordeelde haar lichtzinnig en een kokette, ze deed mee aan alle feesten, hartstochtelijk, danste tot het laatste oogenblik door, liet zich gaan met jonge mannen, die ze vóór het diner in schemerlicht ontving, maar bracht haar nachten biddend en weenend door, zonder rust te kunnen vinden. Dikwijls bleef ze tot het aanbreken van den dag, aan angst en smart ter prooi, in haar kamer, bleek en koud gebogen over een of ander heilig boek. Maar overdag was ze weer de elegante vrouw-van-de-wereld, legde bezoeken af, ontving, lachte en gaf zich aan alle verstrooiingen der groote stad gedachteloos over. Zij was een edele verschijning, het haar blond en zwaar als goud; toch werd ze niet tot de schoonheden gerekend. Want in haar gezicht waren alleen de oogen mooi, en misschien is zelfs dit te veel gezegd. Want het waren kleine, grijze oogen, maar zeldzaam levend en diep, overmoedig-zorgeloos en troosteloos-droomend, raadselachtig en betooverend. Iets ongewoons leefde in die oogen, ook bij het gewoonste dag-gesprek. Haar kleeding was ook altijd opvallend.
Paul ontmoette haar op een bal, danste met haar een mazurka, waarbij ze niets bizonders sprak, maar sedert was het met zijn gemoedsrust gedaan. Gewend aan gemakkelijke overwinningen, ging het ook nu voorspoedig, maar ditmaal maakte hem de snelheid der overwinning niet onverschillig. Integendeel, die vrouw wist hem steeds vaster te binden, misschien wel doordat ze ook in oogenblikken van volkomen overgave, een zekere onbegrepenheid, een raadsel achter hield. Het was, of bovennatuurlijke krachten haar beheerschten, naar welgevallen, alsof haar lang niet superieure persoonlijkheid niet in staat was, zich te bevrijden, in sterken strijd. Heel haar wezen scheen vol tegenstrijdigheden. Ze schreef brieven aan een man, dien ze nauwelijks kende, waardoor ze vermoedens van haar echtgenoot en de wereld moest opwekken. Ze had lief, maar met een geheimzinnig voorbehoud, een vreemde smartelijkheid. Ze lachte en vermaakte zich niet met den uitverkorene, maar keek en luisterde naar hem met een soort diepe verwondering. Veelal en dan onverwachts werd die verwondering tot stillen schrik, en in haar trekken trok dan een sombere, wilde angst. Ze sloot zich op, en de kamenier, die luisterde, hoorde een dof steunen. Herhaaldelijk na een teeder samenzijn met haar, gevoelde Paul dat bittere, dat het mislukken, het einde eener liefde aankondigt.
--Heb ik niet alles verkregen, wat ik wilde? vroeg hij zich zelf dan af en toch was het hem wee te moede. Eens gaf hij haar een ring met een steen, waarin een sfinx gegraveerd was.
--Wat is dat? vroeg ze, een sfinx?
--Ja, en die sfinx ben jij...
--Ik? en ze keek hem aan met dien vreemden blik,... ik gevoel me daardoor gevleid... en ze glimlachte vaag.
Paul leed, zoolang hij haar liefhad. En toen ze onverschillig begon te worden (dit gebeurde al spoedig) verloor hij bijna zijn verstand. Wanhoop en ijverzucht verteerden hem, hij liet haar geen rust, vervolgde haar overal. Ze ging op reis, moe van zijn aandringen. Paul ging uit den dienst, ten spijt van het smeeken van zijn vrienden, den raad zijner meerderen, en volgde haar. Zoo reisde hij vier jaar lang in vreemde landen, nu eens samen met haar, dan weer haar ontloopend, met het vaste voornemen haar nooit weer te zien. Hij schaamde zich over zijn zwakheid, vervloekte die, maar het hielp niet. Hij kon het beeld dezer vrouw, dat magische beeld, niet vergeten. In Baden scheen alles weer goed. Haar liefde bloeide schooner dan ooit. Maar dat duurde geen maand. De vlam doofde en nu voor goed. Paul voorzag de breuk en wilde tenminste haar vriend blijven, alsof dat mogelijk is met zulk een vrouw. Ze ging ongemerkt weg uit Baden, ontvluchtte, meed hem sedert. Paul kwam in Rusland terug en trachtte vergeefs zijn oude levenswijze te hervatten. Als door een slang gestoken, doolde hij van plaats tot plaats, kon geen rust vinden, ging weer op reis; toch bezocht hij de salons en bleef homme du monde. Zijn ijdelheid kon zich streelen met twee of drie nieuwe veroveringen; maar eigenlijk wanhoopte hij aan zich zelf en aan de menschen en stelde in niets meer belang. Hij werd vroeg oud, grijs, en begon zijn avonden in de club door te brengen, waar hij, bitter en verveeld, mee deed in het gesprek, onverschillig en norsch. Hij dacht natuurlijk niet aan trouwen. Zoo gingen verwonderlijk snel tien nuttelooze, leege jaren voorbij.
Nergens vergaat de tijd sneller dan in Rusland, behalve dan in de gevangenis. Op een avond, terwijl hij in de club dineerde, hoorde hij, dat vorstin R. in Parijs gestorven was in een toestand, die aan waanzin grensde. Hij stond op en liep langen tijd door de zalen heen en weer, bleef staan staren bij de speeltafels. Op het gewone uur keerde hij huiswaarts. Kort daarop ontving hij een pakje met den ring, dien hij haar eens gegeven had. Ze had een kruis getrokken over de sfinx met de opdracht, Paul te zeggen, dat dit de oplossing van het raadsel was.
Dit was gebeurd in het begin van het jaar 1848, denzelfden tijd, toen Nikolaas Petrowitsj na het verlies van zijn vrouw naar Petersburg was gekomen. Paul had zijn broeder, sedert diens verblijf op het land nauwelijks gezien. Hij was getrouwd in den eersten tijd van Pauls vriendschap met de vorstin. Na zijn terugkomst uit het buitenland had Paul zijn broeder wel bezocht en zich voorgenomen, eenige maanden bij hem door te brengen, maar na een week was hij reeds vertrokken. Hun denkbeelden liepen toenmaals te zeer uiteen. Dit was in '48 anders geworden. Nikolaas was weduwnaar geworden en Paul op zijn manier eveneens! Kirsanof had een geregeld leven geleid, zijn zoon groeide onder zijn oogen op. Maar Paul ging als jonggezel dat beklagenswaardige tijdperk des levens tegemoet, waarin de jeugd voorbij en de ouderdom nog niet gekomen is, waarin hoop en hopeloosheid zooveel op elkander lijken. Vooral voor Paul moest deze tijd bizonder smartelijk zijn. Met zijn verleden had hij alles verloren. En hij trachtte te vergeten...
--Ik noodig je niet meer uit, op Marjino te komen, zei Kirsanof tot hem, (die naam was een herinnering aan zijn vrouw).--Je verveelde je daar al bij Maria's leven, dus nu nog veel meer!
--Ik was toen zoo onrustig en dwaas, antwoordde Paul. Nu ben ik rustig en misschien wijzer. Als je het goed vindt, wil ik met je meegaan en voorgoed bij je blijven wonen.
Nikolaas omhelsde zijn broeder als eenig antwoord. Maar het duurde nog anderhalf jaar, eer Paul uitvoering gaf aan zijn besluit. Maar toen hij er eenmaal zat, ging hij niet meer weg, ook niet in de wintermaanden, die Nikolaas bij zijn zoon in Petersburg doorbracht. Hij las veel, vooral Engelsche boeken, en zijn geheele levenshouding kreeg een Engelsch stempel. Hij ging zelden op bezoek bij de naburige eigenaars en bezocht alleen soms de kiesvergaderingen, waar hij meestal zweeg en alleen met liberale denkbeelden en grapjes de conservatieve grondeigenaren schrik aanjoeg, zonder zich overigens modern te gevoelen. Men verweet hem hoogmoedigheid, maar achtte hem terwille van zijn aristocratische manieren en het geluk, dat hij altijd bij vrouwen had gehad, terwille van zijn goeden smaak in kleeding en omdat hij altijd de mooiste kamers in de eerste hotels bewoonde, van fijn eten hield en eens zelfs met Wellington bij Louis Philippe had gedineerd, omdat hij op reis altijd een zilver nécessaire en een badapparaat bij zich had, omdat hij goede, zeer gedistingeerde parfums gebruikte, uitnemend whist speelde en toch altijd verloor, en tenslotte omdat hij volkomen betrouwbaar was. De dames van het goevernement vonden hem een zeer aantrekkelijk melancholicus, maar hij nam volstrekt geen notitie van haar.
--Je zult me toegeven, Jevgenij, zei Arkadiej, dat je mijn oom verkeerd beoordeeld hebt. Ik wil niet spreken van de vele diensten, die hij mijn vader bewezen heeft. Menigmaal gaf hij hem al zijn beschikbaar geld (ze bezitten het goed gemeenschappelijk). En ik verzeker je, dat hij voor iedereen de welwillendheid zelve is, dat hij het altijd voor de boeren opneemt, ofschoon hij nooit met hen omgaat zonder eau de cologne te gebruiken.
--Dat zijn de zenuwen, antwoordde Bazarof.
--Kan zijn. Maar hij heeft een goed hart. Hij is ook een man van geest. En dikwijls heeft hij me goeden raad gegeven, vooral met betrekking tot de vrouwen.
--Aha. Na svojem malakje obzjogsja, na tsjoezjoejoe wadoe doejet. [6] Dat kennen we!
--Hij is heel ongelukkig, dat is zeker. Het zou niet goed zijn, hem daarover hard te vallen, ging Arkadiej voort.
--Wie doet dat dan? Maar ik beweer toch, antwoordde Bazarof, dat een man, die zijn leven op één enkele kaart van "Hartenvrouw" heeft gezet en als hij die kaart verliest, zich dat zoo aantrekt, dat hij voor niets meer deugt, geen man is, geen wezen van het mannelijk geslacht. Je zegt, dat hij ongelukkig is, jij zult dat wel beter weten, maar zijn dwaasheid heeft hij nog niet overwonnen. Ik ben overtuigd, dat hij zich voortreffelijk vindt, omdat hij Galignani leest en nu en dan een boer tegen een tuchtiging beschermt.
--Vergeet de opvoeding niet, die hij genoten heeft, den tijd, waarin hij jong was; antwoordde Arkadiej.
--Zijn opvoeding? riep Bazarof uit, een man moet zich zelf opvoeden, zooals ik heb gedaan. En wat den tijd betreft, waarom moet ik van den tijd afhankelijk zijn? Die moet juist van mij afhangen. Nee, ik zie niets als zwakheid en halfheid in dat alles. En dan, wat is dat voor onzin, die zoogenaamde mysterieuze betrekkingen tusschen man en vrouw? Wij physiologen weten wel beter! Bestudeer het oog en zeg me, of je daar iets vindt van dat raadselachtige, waarvan je sprak. Dat is romantiek, gezeur, praatjes. Laat ons liever eens naar mijn kever gaan kijken.
Daarmede gingen zij naar Bazarofs kamer, waar een medisch-chirurgische lucht zich mengde met slechten tabaksrook.
VIII.
Paul bleef niet lang tegenwoordig bij het gesprek van zijn broeder met den opzichter. Deze, een man van hooge gestalte, mager, sluwe oogen, honig-zoete vleistem, antwoordde op de woorden van Kirsanof met een stereotiep: zeer zeker, zonder twijfel! en hield niet op de boeren voor drinkebroers en dieven uit te schelden. Het nieuwe bedrijfssysteem werkte nog niet glad, maar Kirsanof liet zich daardoor niet afschrikken, al zuchtte hij ook en peinsde, peinsde... Hij begreep wel, dat de zaak niet loopen kon zonder geld en geld was het juist, wat hem ontbrak. Arkadiej had de waarheid gezegd: Paul Petrowitsj had zijn broeder meer dan eens geholpen; meer dan eens, als hij zag, hoe deze zich vergeefs inspande, middelen te vinden, was hij langzaam naar het venster gegaan en had gefluisterd:
--Mais je puis vous donner de l'argent.
En dat had hij ook dikwijls gedaan. Maar ditmaal stond hij er zelf slecht voor en daarom was hij maar liever weggegaan. Huishoudelijke uiteenzettingen waren hem trouwens altijd onaangenaam. En buitendien was hij van oordeel, dat Kirsanof, hoezeer hij ook zijn best deed, de zaken verkeerd aanpakte, maar zelf was hij niet in staat te zeggen, hoe het dan wèl moest. Mijn broeder is niet practisch, zei hij dan. Hij wordt bedrogen.
Nikolaas echter had een hoog denkbeeld van Pauls inzicht en vroeg hem altijd om raad.
--Ik ben een besluiteloos, zwak man zonder ervaring, zei hij dan; jij hebt in de wereld geleefd, jij kent de menschen, je hebt een adelaarsblik.
Zonder te antwoorden, draaide Paul zich dan om, maar deed niets om zijn broeder tot andere gedachten te brengen.
Ook ditmaal liet hij hem aan zijn lot over en liep door de gang. Voor een kleine deur bleef hij staan, scheen een oogenblik te aarzelen, streek zijn snor op en klopte zachtjes.
--Wie daar? Binnen, zei Fenitsjka.
--Ik, antwoordde Paul en trad binnen. Fenitsjka sprong op, het kind in den arm, dat zij dadelijk overgaf aan een meisje, dat ermede heenging. Zelf haastte zij zich, haar halsdoek in orde te brengen.
--Vergeef me, als ik stoor, zei Paul, zonder haar aan te zien, ik wilde alleen vragen... er gaat vandaag, geloof ik, iemand naar de stad... ik had graag groenen thee.
--Hoeveel wilt u? vroeg Fenitsjka.
--Een half pond is genoeg.--Het is hier veranderd, als ik me niet vergis, ging hij voort en keek rond, terwijl zijn blik ook langs Fenitsjka ging.--Ik bedoel de gordijnen, zei hij, daar ze hem blijkbaar niet begreep.
--Ja. Nikolaas Petrowitsj gaf ze me cadeau. Maar ze hangen allang.
--Het is ook allang geleden, sedert ik hier was. Het is hier nu aardig.
--Dank zij Nikolaas Petrowitsj, antwoordde zij zacht.
--Vind je het hier prettiger, dan in je vorige woning op het erf? vroeg hij vriendelijk, maar bleef ernstig.
--O ja, veel prettiger.
--Wie woont nu in die oude kamers?
--De waschvrouwen.
--O!
Paul zweeg. Nu zal hij wel gaan, dacht Fenitsjka. Maar hij ging niet, en zij bleef stil staan voor hem en speelde verlegen met haar vingers.
--Waarom liet je den kleine wegbrengen? vroeg hij eindelijk. Ik houd van kinderen. Laat hem eens zien.
Fenitsjka bloosde van verlegenheid en blijdschap. Ze was bang voor Paul. Hij sprak maar zelden met haar.
--Doeniasja! riep ze. Brengt u Mitia eens binnen. Maar nee, wacht even. Hij moet eerst verkleed worden. (Ze tutoyeerde niemand in huis.)
En ze ging naar de zijkamer.
--Dat is niet noodig, riep Paul haar na.
--Het duurt niet lang, antwoordde ze en verdween.
Paul, alleen, keek nu aandachtig rond. De kleine kamer was uittermate zindelijk. Het rook naar kamille en pepermunt, vermengd met een lucht van olie, want de vloer was opnieuw geverfd. Langs de wanden stonden stoelen met liervormige ruggen, die de oude generaal van zijn laatsten veldtocht in Polen had meegebracht. In een hoek stond een bed met katoenen gordijn, daarnaast een koffer met ijzeren beslag en gewelfd deksel. In den anderen hoek brandde een koperen lampje voor een groote en sombere beeltenis van den H. Nikolaas. Een klein ei van porselein hing aan een rood koordje op de borst van den Heilige. Op de vensterbanken stonden goed gesloten potten met ingemaakte vruchten van het vorig jaar. Fenitsjka had zelf met groote letters daarop geschreven Zwarte Bessen. Kirsanof hield verreweg het meest van deze vrucht. Aan de zoldering hing aan een lang koord een vogelkooi, waarin een groen sijsje, dat onophoudelijk rondsprong en zong, zoodat de kooi in zwevende beweging was en er voordurend zaadkorrels met lichte geluidjes op den vloer vielen. Aan den wand tusschen de twee vensters hingen boven een commode verscheiden beeltenissen van Kirsanof in diverse houdingen, door een rondtrekkend kunstenaar vervaardigd. Ook een portret van Fenitsjka hing daar, een gezicht zonder oogen, met een gedwongen lachje, meer was niet te onderscheiden. Boven dit portret fronste generaal Jermolof, in dolman, donkere wenkbrauwen en keek naar de verre bergen van den Kaukasus. Zijn voorhoofd werd overschaduwd door een zijden schoentje voor spelden, aan denzelfden spijker gehangen.
Vijf minuten ongeveer duurde het geluid van voetstappen en stemmen in het zijvertrek. Paul nam intusschen een beduimeld boek van de commode. Het was een deel van Massalski's roman: De Strelitsen. Terwijl hij erin bladerde, ging de deur open en Fenitsjka trad binnen, Mitia op den arm. Het kind droeg een rood, aan den hals gefestoneerd hemdje. Zijn moeder had hem gewasschen en gekamd, hij blies hardop, zwaaide met armen en beentjes, zooals gezonde kinderen doen. Zijn mooie hemdje miste de uitwerking niet op zijn humeur, want zijn vol-rond gezichtje drukte hoogste tevredenheid uit. Fenitsjka had ook zichzelf niet vergeten, het haar herzien en een ander kraagje omgedaan. Dat was overigens overbodig. Want is er iets aantrekkelijkers dan een mooie, jonge moeder met haar gezond kind op den arm?
--Wat een jongen! zei Paul vriendelijk en streelde Mitia's kin met de nagelpunt van zijn rechter wijsvinger. Het kind keek naar het sijsje en begon te lachen.
--Dat is oom, zei Fenitsjka, boog het hoofd naar den jongen en wiegde hem zachtjes, terwijl Doeniasja gauw een welriekend rook-kaarsje op een koper muntje onder het venster zette.
--Hoe oud is-ie? vroeg Paul.
--Zes maanden. De elfde wordt hij zeven.
--Is het niet acht, Fedosia Nikolajevna? waagde Doeniasja op te merken.
--Nee, zeven, heel zeker.
Het kind keek naar den koffer, lachte en greep plotseling met het geheele handje zijn moeder bij neus en lippen.
--Ondeugd, zei Fenitsjka en liet hem begaan.
--Hij lijkt op mijn broeder, zei Paul.
--Op wien zou hij anders lijken? dacht zij.
--Ja, ging Paul voort, alsof hij met zich zelf gesproken had, de gelijkenis is frappant.
Hij beschouwde Fenitsjka oplettend, bijna treurig.
--Dat is oom, herhaalde zij, bijna onhoorbaar.