Part 2
--Schei uit, papaatje, schei uit alsjeblieft! glimlachte Arkadiej.--Je voor zoo iets verontschuldigen! dacht hij en een gevoel van teedere genegenheid voor dien zwakken en goeden vader, vermengd met een zeker overwicht aan moreele kracht ontwaakte in zijn ziel.
--Laten we ophouden hierover, zei hij nog eens, onwillekeurig genietend van het bewustzijn van eigen geestelijke vrijheid.
Nikolaas Petrowitsj keek naar hem door de vingers van zijn hand, waarmede hij voortging, zijn voorhoofd te wrijven, en iets stak hem in het hart... Maar hij klaagde zich zelve aan.
--Hier beginnen onze velden, sprak hij na een lange poos van zwijgen.
--Maar dat woud daar vóór, hoort dat ook van ons? vroeg Arkadiej.
--Ja, dat is van ons. Maar ik heb het verkocht. Dit jaar nog zal het verdwijnen.
--Waarom hebt u dat verkocht?
--Ik had geld noodig. En buitendien al dit land komt weldra aan de boeren.
--Aan die, welke geen pacht betalen?
--Dat is hun zaak. Maar ten slotte zullen ze wel wat betalen.
--Jammer van het woud, zei Arkadiej en keek in het rond.
De streek, waar ze doorheen reden, was niet bizonder schilderachtig. Velden, alles velden, zich uitstrekkend tot den horizon, zachtjes stijgend en dan weer dalend. Hier en daar kleine boschjes; en begroeid met verschillende soorten laag struikgewas, strekten zich ravijnen uit, herinnerend aan de afbeeldingen op de oude kaarten uit den tijd van Catharina. Men stootte ook op beekjes met kale oevers of op vijvers met afgebrokkelde randen en dorpen met lage hutten onder donkere uitgerafelde rieten daken; en ellendige dorschschuren met wanden van gevlochten takken en gapende openingen; kerken, sommige van baksteen met afschilferend pleisterwerk, andere van hout met scheefstaande kruisen en verwaarloosde doodenakkers.
Het hart van Arkadiej werd min of meer beklemd.
Alsof het met opzet geschiedde, waren alle boeren, die zij tegenkwamen, ongelukkig van uiterlijk, op stumperige paardjes. De wilgen langs den straatweg schenen wel bedelaars met hare kale stammen en afgesneden takken. Koeien, slecht verzorgd, mager en schuw, graasden hongerig langs de slooten. Men zou kunnen denken, dat ze met schrik ontkomen waren aan roofzuchtige klauwen en te midden van de jonge lentepracht herinnerden die arme dieren aan den onbarmhartigen, eindeloozen winter met zijn vorst en sneeuwstormen.
--Neen, peinsde Arkadiej, dat is geen rijk land, geen welstand, geen spoor van arbeid en vlijt. Zoo kan het niet blijven. Daar moet verandering in komen... maar hoe?...
Het voorjaar intusschen groende rondom. Onder den teederen adem van een luwen wind scheen alles te zwellen, het glansde aan boomen, bosschen, velden. Overal klonken zonder ophouden de lange trillers der leeuweriken, kieviten zweefden roepend boven de vochtige weilanden of stapten rustig over de donkere aardkluiten. Kraaien met hun zwart gevederte scherp afstekend tegen het zachte groen, vertoonden zich hier en daar, alleen in de rogge, waren ze moeilijker te onderscheiden, alleen wanneer hun zwarte koppen boven de golvende arenzee kwamen uitsteken. Arkadiej bewonderde dit alles en zijn ernstige gedachten vervluchtigden langzamerhand. Hij ontdeed zich van zijn mantel en keek naar zijn vader zoo opgeruimd en kinderlijk, dat deze niet nalaten kon hem nogmaals te omhelzen.
--Zoodra we dien heuvel voorbij zijn, kunnen we het huis zien liggen, zei hij. We zullen elkaar wel begrijpen, jongen. Jij helpt ons het goed beheeren, als je lust hebt en het je niet verveelt. We moeten elkander goed leeren kennen, ons nauw aaneensluiten, is 't niet?
--Zeer zeker, antwoordde Arkadiej,--wat een heerlijke dag!
--Ter eere van jouw komst, mijn jongen. Ja, de lente staat nu op haar mooist. Trouwens, het gaat mij als Poesjkien. Herinner je je, Jevgeni Onegin:
Hoe weemoedig maakt gij mij, Lente, lentetijd van liefde, Hoe...
--Arkadiej!--klonk Bazarofs stem uit den tarantas, stuur me lucifers. Ik kan mijn pijp niet aankrijgen!
Nikolaas Petrowitsj zweeg en Arkadiej, die met eenige bevreemding, maar niet zonder belangstelling geluisterd had, haastte zich Peter met een zilveren doosje naar Bazarof te sturen.
--Wil je een sigaar? vroeg deze.
--Graag, antwoordde Arkadiej.
Peter bracht met het doosje een dikke, zwarte sigaar mede terug, die Arkadiej dadelijk opstak, maar die zoo zwaar rookte, dat Kirsanof, die nog nooit gerookt had, het hoofd afwendde, zonder echter zijn zoon, dien hij niet wilde storen, zijn tegenzin te toonen.
Een kwartier later hielden de beide voertuigen stil voor het bordes van een houten, nog nieuw huis met grijs bepleisterde muren en rood-ijzeren dak.
Dit was Marjino, ook wel het nieuwe Erf of door de boeren het Oude mannenhuis genoemd.
IV.
De aankomst der heeren veroorzaakte niet dien samenloop van huisbedienden, zooals dat vroeger het geval was. Een klein, twaalfjarig meisje kwam aan de deur en kort daarop een jongen, in grijze livrei met witte knoopen, die nog al op Peter leek. Dit was de bediende van Paul Petrowitsj. Zonder te spreken opende hij het portier en sloeg het spatleder van de tarantas neer. Kirsanof, zijn zoon en Bazarof liepen door een donker, slecht gemeubeld vertrek, in welks achtergrond een oogenblik de gestalte van een jonge vrouw zichtbaar werd.
Toen leidde hij zijn gasten binnen in een naar den laatsten smaak ingerichte kamer.
--Daar zijn we dan! zei Kirsanof, nam zijn muts af en schudde zijn haren. Nu zullen we eens wat eten en dan uitrusten.
--Daar voel ik veel voor, antwoordde Bazarof, rekte zich uit en liet zich op de sofa vallen.
--Ja, ja, gauw het avondeten! riep Kirsanof en stampte met den voet op den grond, zonder eigenlijk te weten, waarom.
--Daar komt juist Prokofitsj aan!
Een magere man, een zestiger, met wit haar en een donker gezicht was binnen gekomen. Hij droeg een kastanjebruinen rok met koperen knoopen en een rose-rood doekje om den hals. Hij kuste Arkadiej de hand, begroette Bazarof en vatte, met de handen op den rug, bij de deur post.
--Daar hebben we hem dan, Prokofitsj, sprak Nikolaas Petrowitsj hem toe. Eindelijk hebben we hem dan weer. En, hoe vind je hem?
--In allerbeste conditie! antwoordde de oude man glimlachend. Maar onmiddellijk trok hij zijn wenkbrauwen samen en zette weer een ernstig gezicht.
--Zal ik de tafel dekken? vroeg hij gewichtig.
--Ja, maar zou Jevgenij Wassiljewitsj niet eerst een oogenblik naar zijn kamer willen gaan?
--Nee, dank u. Maar u wilt misschien wel zoo goed zijn mijn koffertje en dit vod daar heen te laten brengen? vroeg hij, terwijl hij zijn mantel uittrok.
--Natuurlijk. Prokofitsj, neem de jas van mijnheer mee.
De oude kamerdienaar nam het vod met eenige verbazing aan, hield het boven zijn hoofd en ging op zijn teenen heen.
--En wil jij niet eerst je kamer zien, Arkadiej?
--Ja, ik zou me wel graag wat willen wasschen, antwoordde deze. Maar toen hij naar de deur ging, kwam er een man binnen, die een engelsch pak van donkere kleur, een modieuze das en lage lakschoenen droeg. Het was Paul Petrowitsj. Hij scheen een vijf en veertig jaar. Zijn kort geknipte haren waren grijs, maar glanzend; de trekken in zijn jeugdig-glad gelaat, zeer regelmatig en fijn geteekend. Men kon zien, dat hij een opvallend, mannelijk-schoon gehad moest hebben en zijn donkere, ovaal-vormige oogen, vochtig-glanzend, trokken onmiddellijk de aandacht. In zijn elegante verschijning leefde nog dat jeugdig harmonische en iets edel-om-hoog-willends, dat de zwaarheid der aarde niet schijnt te kennen en gewoonlijk met het twintigste jaar verdwijnt.
Paul nam zijn wel-verzorgde hand met de roze nagels, een hand, welker schoonheid werd verhoogd door blinkend witte manchetten, waaraan opalen knoopen, uit den broekzak en stak haar zijn neef toe. En na deze Europeesche shake-handsformaliteit gaf hij hem op Russische wijze drie kussen, dat wil zeggen, hij raakte met zijn geparfumeerde snor driemaal de wang van den ander en zei:
--Welkom.
Zijn broeder stelde hem aan Bazarof voor, wien hij echter niet de hand reikte, hij boog nauwelijks even licht het hoofd.
--Ik dacht al, dat jullie niet meer zouden komen vandaag, zeide hij met hooge, aangename stem, toonde daarbij zijn blanke, mooie tanden en wiegde lichtelijk in de heupen.
--Is jullie iets overkomen onderweg?
--Ons is niets overkomen, antwoordde Arkadiej. Maar we hebben het op ons gemak gedaan. Maar nu hebben we honger als de wolven. Laat Prokofitsj wat voortmaken, papa. Ik ben dadelijk terug.
--Wacht, ik ga met je mee, riep Bazarof en sprong van de sofa op. En de jonge lieden gingen de kamer uit.
--Wie is die man? vroeg Paul Petrowitsj.
--Een vriend van Arkadiej. Een zeer intelligent mensch, zooals hij zegt.
--Blijft hij hier logeeren?
--Ja.
--Die ongelikte beer?
--Waarschijnlijk.
Paul trommelde met zijn vingers op de tafel.
--Ik vind, dat Arkadiej s'est dégourdi, ging hij voort. Het doet me genoegen, hem weer eens te zien.
Het eten verliep vrijwel in stilte. Bazarof sprak nagenoeg niet, maar at des te meer. Kirsanof vertelde allerlei voorvallen uit zijn pachtersleven, zooals hij het noemde, en gaf zijn denkbeelden ten beste over de maatregelen, die de regeering ten opzichte der maatschappelijke kwesties had te nemen. Paul, die nooit at 's avonds, liep langzaam op en neer, dronk nu en dan een teug wijn uit een klein glas en antwoordde maar heel zelden met een enkel: Hm! Zoo! Ja...
Arkadiej vertelde nieuwtjes uit Petersburg, hij voelde zich wat verlegen. Hij gebruikte onnoodig lange zinnen, vermeed het woord papa uit te spreken en verving het zelfs soms door "Vader." Maar aarzelend en nauwelijks verstaanbaar. Met gemaakte onverschilligheid schonk hij zich veel meer wijn in dan hem smaakte en achtte het zijn plicht, ook zooveel te drinken. Prokofitsj verloor hem niet uit het oog en bewoog voortdurend de lippen, alsof hij kauwde. Bijna dadelijk na het avondeten, ging men uiteen.
--Weet je, die oom van jou is een rare. snijboon! zei Bazarof, die op Arkadiej's bed was gaan zitten en een kort pijpje rookte.
--Zoo een dandy op het platte land, dat is zeldzaam! En die nagels. Die zouden naar een tentoonstelling kunnen!
--Weet je niet, dat hij een veroveraar was in zijn tijd? antwoordde Arkadiej. Ik heb je eens zijn geschiedenis verteld. Hij was een betooverend man en bracht alle vrouwen het hoofd op hol.
--Dat is het dus. Hij leeft nog in de herinnering aan dien tijd. Jammer, dat hier geen veroveringen te maken zijn. Ik kan er niet genoeg van krijgen, hem te bestudeeren. Wat een boord! Lijkt wel van marmer! En zoo fijn geschoren! Weet je wel, dat dat eigenlijk erg belachelijk is?
--Dat geef ik toe, maar hij is toch een uitmuntend mensch.
--Een echt stuk antiquiteit. Je vader, dat is een kerel! alleen moest hij niet zooveel gedichten lezen. Hij zal wel niet veel begrijpen van argricultuur. Maar 't is een braaf man!
--Mijn vader is een zeldzaam mensch.
--Heb je gemerkt, hoe verlegen hij was? Arkadiej hief het hoofd op, om te bewijzen, dat hij het niet was.
--Een eigenaardig slag menschen, die grijsharige romantici. Ze hechten zooveel gewicht aan hun zenuwstelsel, dat het evenwicht verloren gaat. Maar laten we nu gaan slapen. Ik heb wel een engelsche waschtafel in mijn kamer. Maar de deur sluit niet goed. Maar dat is minder. Die Engelsche waschinrichting is tenminste een vooruitgang.
Bazarof ging en Arkadiej gevoelde zich diep-behagelijk. Het is goed, te slapen onder vaders dak, in het welbekende, oude bed, onder dekens, die bevriende handen hebben genaaid, teedere, nooit vermoeide handen van een zoogster, die het kind heeft groot gebracht. Arkadiej dacht aan Jegorovna en wenschte haar de eeuwige gelukzaligheid. Bidden deed hij echter niet.
De jonge menschen sliepen weldra. Andere bewoners van het huis evenwel niet. De komst van Arkadiej had Kirsanof ten zeerste opgewonden. Hij ging wel te bed, maar liet het licht branden. Het hoofd op den arm gesteund, lag hij peinzend, langen tijd.
Zijn broeder bleef in een grooten leunstoel tot na middernacht bij het kolenvuur zitten. Hij had zich niet uitgekleed, alleen de lakschoenen waren vervangen door roode, chineesche muilen. Hij had het laatste deel van Galignani in de hand, maar las niet. Zijn oogen droomden naar het kolenvuur, waar een vage vlam flakkerde. God weet, wat hij dacht. Maar het was niet alleen het verleden. Iets sombers, in zich gekeerds lag over zijn wezen...
En in een klein kamertje, aan de achterzijde van het huis, zat een jonge vrouw, Fenitsjka, een blauw manteltje om en een witten doek over het hoofd. Ofschoon ze zich nauwelijks wakker kon houden, was haar aandacht gericht op een half-openstaande deur, waardoor een bedje te zien was, met een slapend kind, dat gelijkmatig adem haalde.
V.
Bazarof was het eerst wakker den volgenden morgen en ging weldra naar buiten.
--Mooi is het land bepaald niet, dacht hij. Toen Kirsanof zijn boeren vrij gemaakt had, hield hij voor zich ongeveer vier desjatienen vlak en onbebouwd terrein. Hierop zette hij zijn huis en de andere gebouwen. Terzijde liet hij een tuin aanleggen met een vijver en twee bronnen. Maar de boomen wilden niet goed, de vijver slibde dicht en de bronnen hadden te groot zoutgehalte. Alleen was er een prieel van vlierstruiken en acacia's, die wel eenigen schaduw gaven, en nu was men gewoon, daar te middagmalen en thee te drinken. Bazarof doorliep haastig alle paden van den tuin, bezichtigde hoenderhof en stal, trof twee erfknechtjes, met wie hij dadelijk kennis maakte en nam hen mee naar een poel, op eenigen afstand van het huis, om kikvorschen te vangen.
--Waar hebt u die voor noodig, heer? vroeg een van de jongens.
--Dat zal ik je zeggen, antwoordde Bazarof, die de bizondere gave bezat, menschen uit het volk vertrouwen in te boezemen, ofschoon hij hen toch, nauw merkbaar, op een afstand wist te houden.
--Ik snijd de beesten open, om te zien, wat daar van binnen gebeurt. Wij zijn ook zulke kikvorschen, jij en ik, maar dan op twee beenen. En zoo leer ik dus, wat er bij ons van binnen gebeurt.
--En waarom wilt u dat weten?
--Om me niet te vergissen, wanneer jij ziek wordt en ik je helpen moet.
--Bent u dan een dokter?
--Ja.
--Waska, hoor je dat? De heer zegt, dat wij kikvorschen zijn!
--Ik ben bang voor kikvorschen, antwoordde Waska. Hij was nog heel jong, een jaar of zeven, liep blootsvoets, had wit vlashaar en droeg een buis van grof, grauw doek.
--Waarom zou je bang voor ze zijn? Ze bijten toch niet? Vooruit, filosofen, het water in!
Kort na Bazarofs uitgaan, ontwaakte ook Kirsanof en stond op. Hij ging naar Arkadiej's kamer. Deze was reeds gekleed. Vader en zoon betraden het terras. Een stoomende samowar stond gereed onder de marquise. Het kleine meisje, dat den vorigen dag de heeren had opgewacht, kwam met fijne stem meedeelen:
--Fedosia Nikolajevna voelt zich niet wel en laat vragen, of u de thee zelf klaar wilt maken, of dat ze Doeniasja zal sturen?
--We zullen hem zelf klaar maken, antwoordde Kirsanof snel. Wat wil je liever, Arkadiej, room of citroen?
--Room liever, zei Arkadiej en na een oogenblik, ging hij voort op vragenden toon:
--Papa?...
Nikolaas Petrowitsj keek zijn zoon eenigszins verlegen aan.
--Wat is er? vroeg hij.
Arkadiej sloeg de oogen neer.
--Neem me niet kwalijk, papa, als mijn vraag u onaangenaam is. Maar uw openhartigheid van gisteren, geeft mij het recht, ook openhartig te zijn. Zult u niet boos zijn?
--Spreek maar...
--U moedigt me aan... Als Fe... als zij niet komt voor de thee, ben ik daar de schuld van?
Kirsanof wendde het hoofd af.
--Misschien, antwoordde hij. Ze denkt... ze schaamt zich...
Arkadiej wierp een snellen blik naar zijn vader.
--Dan heeft ze groot ongelijk, antwoordde hij. U kent mijn opvattingen. Het zou mij bizonder onaangenaam zijn, indien ik ook maar de minste stoornis te weeg zou brengen in uw levenswijs. Buitendien weet ik, dat u geen slechte keus hebt gedaan, en dat zij het ook verdient, onder uw dak te leven, wanneer u haar dat hebt toegestaan. En verder is de zoon niet de rechter over zijn vader, allerminst een vader als u, die mijn vrijheid nooit in eenig opzicht hebt beperkt...
Arkadiej had de eerste woorden met bevende stem gesproken. Hij vond zich zelf edelmoedig en toch voelde hij tevens, dat het den schijn had, alsof hij zijn vader de les las. Maar wij geven ons gaarne aan de betoovering der eigen stem over en Arkadiej droeg het einde van zijn speech voor met overtuiging en zelfs min of meer rhetorisch.
--Dank je, mijn jongen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj met onderdrukte stem, terwijl hij met de hand over voorhoofd en oogen streek.--Je vermoedens zijn gegrond. Als dat meisje niet zekere goede eigenschappen bezat... Het is meer dan een gril... het brengt me wel wat in verlegenheid, over die dingen met jou te spreken, maar je zult begrijpen, dat het haar wel heel moeilijk moest vallen, vandaag, de eerste dag van je verblijf ten onzent, te verschijnen.
--Als dat zoo is, zal ik zelf naar haar toe gaan, riep Arkadiej in een nieuwe opwelling van edelmoedigheid. En hij sprong op van zijn stoel.--Ik zal haar zeggen, dat ze zich voor mij niet behoeft te schamen.
--Dat gaat niet, antwoordde de ander en stond ook op.--Doe me het genoegen en ga niet... het kan niet... er is... ik heb het je nog niet kunnen zeggen...
Maar de zoon luisterde al niet meer. Hij had het terras verlaten. Kirsanof volgde hem met de oogen en zonk toen angstig-onrustig in zijn stoel terug. Zijn hart klopte heftig. Het was niet uit te maken, of hem die eigenaardige verhouding, die een verwijdering kon brengen tusschen vader en zoon, duidelijk tot bewustzijn kwam... had Arkadiej niet onkundig moeten blijven omtrent den toestand, en had hij geen reden, zich zelfverwijten te doen om zijn zwakheid? Al deze gedachten woelden dooreen in zijn brein. De roode vlekken op zijn voorhoofd werden feller, en zijn hart klopte hinderlijk.
Toen verscheen Arkadiej weer op het terras met snelle schreden.
--We hebben kennis gemaakt, vader! riep hij triumfeerend en teeder tegelijk.--Fedosia Nikolajevna voelt zich werkelijk niet wel en zal straks komen. Maar waarom hebt u me niet dadelijk gezegd, dat ik een broertje heb? Ik zou het dadelijk gekust hebben met dezelfde vreugde, als daar even!
Nikolaas Petrowitsj wilde antwoorden, opstaan en de armen uitstrekken. Arkadiej viel hem om den hals.
--Nog niet genoeg omhelsd? riep Pauls stem achter hen.
Zijn komst was vader en zoon zeer welkom. Het is ons niet zelden aangenaam, wanneer van buiten af een einde gemaakt wordt aan een roerende situatie.
--Vind je dat zoo vreemd? vroeg Kirsanof opgewekt.--Na zooveel tijd komt hij eindelijk terug. Ik heb nog niet eens tijd gehad, hem goed aan te zien.
--Ik vind het volstrekt niet vreemd, antwoordde Paul, het gaat mij evenzoo.
Arkadiej trad op zijn oom toe, die wederom met zijn geparfumeerde snor zijn wangen streelde.
Paul ging zitten. Hij droeg een elegant Engelsch pak; een kleine fez had hij op het hoofd. Dit hoofddeksel en de losgestrikte das moesten het ongedwongene van het landleven aanduiden. Zijn stijve gekleurde boord echter (zoo hoorde het bij zulk een morgencostuum!) omsloot streng den goedgeschoren hals.
--Waar is je nieuwe vriend? vroeg hij.
--Die is al uit. Hij staat gewoonlijk vroeg op. Bekommer u maar niet om hem. Hij houdt niet van vormelijkheid.
--Ja, dat schijnt wel.
Paul smeerde langzaam boter op zijn brood.
--Denkt hij lang hier te blijven?
--Dat weet ik niet. Hij is van plan, ook zijn vader op te zoeken.
--Waar woont die?
--In ons goevernement, een tachtig werst van hier. Daar heeft hij een bescheiden landgoed. Hij is oud-officier van gezondheid.
--Zoo... Den naam ken ik, geloof ik. Herinner jij je niet een dokter Bazarof, bij de divisie van papa, Nikolaas?
--Ja, ik meen van wel.
--Zeker. Dus die dokter is zijn vader, zei Paul.--Maar wat is eigenlijk de zoon? voegde hij er bedachtzaam bij.
--Wat hij is? lachte Arkadiej, zal ik u zeggen, wat hij eigenlijk is, oom?
--Wees zoo goed, beste neef.
--Hij is nihilist.
--Wat? vroeg de vader. Paul hief zijn mes op, waaraan een klontje boter en zat onbewegelijk.
--Ja, hij is nihilist, herhaalde Arkadiej.
--Nihilist! zeide Kirsanof, dat woord moet afgeleid zijn van het Latijnsche nihil, dat beduidt niets en dat is dus iemand, die niets erkennen wil, voor zoover ik het begrijpen kan.
--Of liever, die niets eerbiedigt, zei Paul, die weer zijn boterham aan het smeren was.
--Iemand, die alles beschouwt van een critisch standpunt, antwoordde de zoon.
--Komt dat niet op hetzelfde neer? vroeg de oom.
--Volstrekt niet. Een nihilist is een mensch, die voor geen enkele autoriteit buigt, die geen beginsel aanvaardt zonder het critisch onderzocht te hebben, al wordt het ook algemeen aangenomen.
--En daarmee ben jij het eens? Is dat juist? vroeg de oom.
--Zooals men het opvat, er zijn menschen, die zich daar gemakkelijk in kunnen denken, anderen weer niet.
--Zoo? Nu, dat gaat mijn begrip te boven. Wij, ouderwetsche menschen zijn van oordeel, dat men sommige principes (Paul sprak dit woord in Franschen tongval, nasaal uit) moet accepteeren, zonder critisch onderzoek, zooals jij dat noemt. Vous avez changé tout cela. Geluk er mee! [4] Wij ouderen, zullen ons ermee tevreden stellen, jullie... hoe zei je ook, te bewonderen!
--Nihilisten! antwoordde Arkadiej en beklemtoonde iedere lettergreep.
--Ja, wij hadden in onzen tijd Hegelianen. Nu zijn het Nihilisten. [5] Wij zullen zien, hoe jullie dat klaar speelt, in het luchtledige, in het niets te leven. Maar, beste broeder, wil je nu eens bellen? Ik zou mijn chocolade willen gebruiken!
Nikolaas Petrowitsj belde en riep: Doeniasja!
Maar in plaats van deze verscheen Fenitsjka zelf, een jonge vrouw van een drie en twintig jaar, blank en mollig, met zwarte haren en donkere oogen. Haar lippen rood en vol, als bij een kind, en haar handen fijn en welgevormd. Ze droeg een katoenen japon en een blauwen, erg-nieuwen halsdoek over haar ronde schouders. Een groote kop chocolade kwam ze brengen. Terwijl ze die voor Paul neerzette, scheen ze erg zenuwachtig en de fijne gezichtshuid kleurde rood. Ze sloeg de oogen neer en bleef staan bij de tafel, waarop ze met de vingertoppen steunde. Ze scheen beschaamd over haar aanwezigheid, die ze toch voelde als iets noodzakelijks.
Paul fronste de wenkbrauwen, Nikolaas was geheel in de war.
--Morgen, Fenitsjka, mompelde hij ten slotte.
--Goeden morgen, antwoordde ze, niet hard, maar wel-luidend. Toen ging ze langzaam weg na een steelschen blik naar Akadiej, door dezen vriendelijk glimlachend beantwoord. Ze wiegde ietwat in de heupen bij het loopen, maar dat stond aardig.
Toen ze weg was, zwegen allen op het terras. Paul dronk zijn chocolade. Langzaam hief hij het hoofd.
--Daar heb je mijnheer de nihilist, wien het eindelijk eens behaagt te verschijnen! zei hij zacht.
En werkelijk kwam Bazarof, over de perken heen, door den tuin aangestapt. Zijn overjas en linnen broek bemodderd, een moerasplant om den ouden, slappen hoed geslingerd. In de rechter hand hield hij een zakje, waarin iets scheen te bewegen. Met groote stappen liep hij op het terras toe, boog even het hoofd en sprak:
--Morgen, heeren, neemt u me niet kwalijk, als ik wat laat kom thee drinken. Ik ben in een oogenblik terug. Ik moet eerst even mijn gevangene verzorgen.
--Zijn dat bloedegels? vroeg Paul.
--Nee, kikvorschen.
--Wilt u die eten of laten paren?
--Ik heb ze noodig voor experimenten, antwoordde hij onverschillig en verdween in huis.
--Waarschijnlijk vivisectie, zei Paul.--Hij gelooft niet aan beginsels, maar wel aan kikvorschen.
Arkadiej keek zijn oom medelijdend aan en Kirsanof trok nauw merkbaar de schouders op. Paul begreep trouwens, dat zijn geestigheid mislukt was en begon over landbouwzaken te spreken, vertelde, dat de nieuwe opzichter over Foka geklaagd had, een boeren-arbeider, met wien hij niet kon opschieten. Een soort Ezopus, zei de opzichter, voor wien iedereen een kruis slaat, onbruikbaar bij het werk, en die er telkens tusschen uit gaat...