Vaders en Zonen

Part 17

Chapter 173,284 wordsPublic domain

Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.

Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.

Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een afscheidsmaal.

Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken, nadat ze den jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.

Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.

Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten zaten naast hun vrouwen.

Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.

Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.

In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig, indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:

--Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...

Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had, een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen met haar. Hij stond op, het was tegen het einde van den maaltijd, een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:

--Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej, neem jij het woord voor mij.

--Neen, papa, ik ben in 't geheel niet voorbereid.

--Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen, gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk weer bij ons terug.

Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:

-- Weest gelukkig vrienden, farewell!

Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer ontroerd.

--Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en drukte haar alleen de hand.

En hiermede is dit verhaal ten einde.

Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende personen op het oogenblik gaat.

Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.

Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was, een mariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek der volgende jaren te spelen.

Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.

Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.

Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed brengt aanzienlijke rente op.

Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de verlichte heeren edellieden, die over de "(é)mancipation" zwaarwichtig of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze "mancipation" hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.

Dezen zoowel als genen vinden hem te "slap".

Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje, dat loopen en praten kan.

Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalve van echtgenoot en kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano speelt, wijkt ze niet van haar zijde.

Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers, omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar zelfs lakschoenen bezat!

Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen, geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingen der slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russische beau monde zeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren "lapot" [18] als aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen een soort vereering voor hem te koesteren.

Niemand kan zoo gemakkelijk als "Baron van Kirsanof" een introductie krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk, droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een kruis slaat.

Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen, maar architectuur en heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld doen staan over hun juist oordeel, maar weldra door hun verregaande luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.

Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd het "werk" van Bazarof voort in compagnieschap met "den grooten" Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te zullen zijn.

Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn vrouw noemt hem een domkop en een "letterkundige".

In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid, vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er, dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt. Het is omgeven door een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.

Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.

Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen, leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun kind denken te zijn.

Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?

Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?

O... neen... neen....

Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust, van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...

EINDE.

NAWOORD.

--En hoe vindt u dat boek, Vaders en Zonen?

--Moeten we het weer over literatuur hebben? Dat is moeilijk te zeggen, juffrouw, we zijn op het oogenblik in 1918...

--Wat heeft de tijd met een kunstwerk...?

--Pardon, niets en alles. Vooral een boek als dit, dat de schreeuw van een tijd is. En die tijd is lang voorbij, al zult u de antagonie tusschen aristocraat en plebejer zelden scherper geteekend vinden.

--Dus...

--Och, juffrouw, het "moderne" is zoo gauw oud. En de menschen zijn zoo ondankbaar, zoo vergeetachtig en zoo ingebeeld, vooral de "moderne". Maar toch leeft dit boek nog met een diep-stroomend, doorzichtig, gevoelig leven.

--Echt Russisch.

--Ja, juffrouw, ik weet, wat u zeggen wilt. Maar drinkt u uw thee eens op. Nog een koekje?

--Dank u. Ik bedoelde, in Russische boeken, zijn daar niet altijd van die rare menschen?

--Pardon, raar zegt u? Dat had ik niet verwacht. Ja... nee... dat geloof ik niet. Maar u vindt, dat je in dit boek eigenlijk niet van die rare menschen ontmoet? Die Bazarof is nog de gekste, noemt zich een nihilist, gelooft aan geen enkele autoriteit. Dat vindt u niets vreemd, wel? Overwonnen standpunt. 1918! In Américain zitten ze nog veel gekker tegenwoordig en met theorieën! Heeft u gezien...

--Ja.

--Maar vergeet u niet, dat die Bazarof een eersteling was in de literatuur. Toergenef heeft voor hem het woord nihilist uitgevonden. En hebt u gemerkt, hoe de conservatieve edele landeigenaren daarvan schrokken? Eerstelingen kunnen de menschen nooit goed verdragen. Vandaar dat Paul Kirsanof met Bazarof duelleert.

--Wat is het landleven van die Russische heeren fijn geteekend.

--Ja, zoo eenvoudig-reëel en tegelijk zoo dichterlijk.

--Zou dat komen, omdat het leven werkelijk zoo dichterlijk is, of omdat de schrijver het zoo ziet?

-- Een beetje dilettantisch die vraag. Ik denk allebei. Leest u er den eersten besten kunst-betweter criticus maar op na. Nog een kopje thee? Maar even inschenken?

--Dank u. Maar vindt u ook niet, dat een Russisch boek altijd zoo een eigen atmosfeer heeft, zoo iets anders...

--Omdat er wel een Russische ziel is, maar geen (west)-europeesche. Ten minste nu niet. Omstreeks 1800 wel, toen leefde de romantiek. Hebt u gemerkt, hoe die Russen eigenlijk nog vol-bloed romantici zijn. Ten minste de ouderen, de "vaders". Bazarof gaat daar als nihilist d. w. z. materialist tegen te keer. Hij wil immers niet gevoelig zijn. Hij leest niet Poesjkien, maar Büchner! Heel Europa is later vermaterializeerd. In West-Europa zijn dat de winkeliers, de kaaskoopers, de effectenhandelaars, de fabrikanten geworden.

--De bourgeoisie?

--Ja, vooral zonder hoofdletter! De Jan Salie van Potgieter, de Droogstoppel van Multatuli, de Jan Publiek van tegenwoordig. In Rusland is het heel anders gegaan. Daar heb je geen bourgeoisie, geen middenstand, geen "ontwikkelde burgerij".

--Zalig land.

--Past u op, want de "nette burger" heeft geweldige argumenten, die zijn bloei schijnen te rechtvaardigen.--In Rusland bleef de romantiek in den landedelman, met zijn patriarchale tradities, in den boer, met zijn innige religieuziteit en onderworpenheid aan het gezag, in den student, die met heel zijn nihilisme en anarchistische neigingen voor een waarheid strijdt en lijdt, voor een ideaal. Praat, praat en droomt... daar hebt u de Russische ziel. Maar steekt u een sigaret op, dan zal ik wat licht maken... zoo... dat is gezelliger...

--Maar leeft die ziel ook niet in Bazarof's moeder, fanatiek-bijgeloovig en zoo vol liefde, dat ze haar zoon niet durft vragen, hoe lang hij blijven wil, uit vrees, dat hij zeggen zal, ik ga morgen weer weg...

--Ja, angst voor de machten en overgave aan het ideaal.

--En dan die vader, zoo zwak, onzeker en vol vertrouwen. En al die anderen, die zooveel zwaarwichtig redeneeren en zoo weinig doen... Wij houden toch meer van handelen.

--In theorie. Maar dikwijls blijft het bij het "houden van". Dat is immers begrijpelijk en in-menschelijk. En dat is nu ook Russisch: daar rond voor uitkomen. West-Europa huichelt; de west-europeesche burger huichelt op zijn kantoor en in zijn salon, op zijn straat en in zijn schouwburg, overal en altijd. De Rus zegt alles, leeft naar zijn innerlijkst beleven. Daarom sprak u straks van raar.

--Dostojefski...

--Laten we hem laten rusten. Toergenef was zijn tijdgenoot, maar beter gesitueerd en dus rustiger, blijmoediger. Maar zijn gevoeligheid voor wat zwak, droevig en teeder is, zijn ironische glimlach voor wat er onder de menschen beglimlachenswaard is, heeft hij met alle romantici gemeen. De gevoelens zijn eeuwig, maar de gedachten wisselen. En al schijnt dit boek een strijdschrift, een uiteenzetting van theorieën, een tegenover elkander plaatsing van oud en nieuw (zijn tijdgenooten verweten hem, den draak met het heilige nieuwe te steken!), toch is het in de eerste plaats een lied van stemmingen, het lied van de Russische maatschappij in 1860, en weer eens blijkt ons de machteloosheid en de gevoelsrijkdom van het zuiver-menschelijke. Bazarof is een tragische figuur, omdat ook hij tot niets komt. Vóor hij aan de daad toe is, achterhaalt hem de dood. Dit heeft een dieper zin; op zijn sterfbed fluistert hij zijn bijna-geliefde toe: "een vertrapte worm, die nog kronkelt. Ik dacht nog veel te doen. Ik had een taak, en nu heb ik alleen nog maar flink te sterven, al kan dat niemand ook wat schelen"... En ook hij, de materialist, de cynicus, de afbreker van al het bestaande, is een armzalig idealist... een mensch... Hij belichaamt de fataliteit van alle menschelijk streven, de ondergang in den opgang. En dit is de stille en diepe daad van een kunstenaar, dat hij altijd weer laat zien, hoe de daad, of zelfs al de wil-tot-de-daad zichzelf verslindt, opgaat in den onafgebroken stil-ruischenden droom, die het leven heet.

--En zijn vriend Arkadiej is niet veel...

--Nee, de even-prater, de naïeve enthousiast, de middelmatigheid in persoon, het soort, dat u zoo gewoonlijk ontmoet.

--Maar de vrouwen?

--O, de vrouwen, dat is een nieuw hoofdstuk. Maar wilt u niet eens die mocca krakelingetjes probeeren?

--Nee, dank u, maar wel graag een sigaret.

--Alstublieft... ja, dat zullen ze wel een beetje raar vinden, als ze dat lezen. Die Anna Sergejevna en dat zusje van haar, zijn niet eens hyst..., o pardon, ik bedoel, niet eens modern.

--Zoo ouderwetsch.

--Zoo koel... anæsthesie noemen ze dat meen ik tegenwoordig. En ze zullen het niet gelooven, als iemand zegt, dat daar diepe krachten verborgen zijn. Leest u hoofdstuk 18 en 19 en voel, hoe dat innerlijk trilt en zoekt en huilt van verlangen en schaamte en... onmacht tot liefde.

--Niet kunnen lief hebben, dat is vreeselijk.

--U zucht, juffrouw, ja, dat is wel vreeselijk, maar hier ligt ook de hoofdoorzaak van het "moderne conflict", van Strindberg af tot wie u maar wilt uit uw naaste omgeving. Dat hangt samen met de ontwikkeling van het materialisme en met de "cultuur". Kijk eens, hoe sterk en mooi Bazarof is in zijn begeeren, hoe eerlijk en gezond, maar "Zij" is fijn en valsch en gecultiveerde femme du monde.

--En haar zusje?

--O, die laat zich gewoon ten huwelijk vragen, en zegt ja, als het slachtoffer een kwartiertje leugentjes gestotterd heeft. Toergenef zegt fijntjes: het succes van zulke meisjes hangt af van haar manier van zuchten op het juiste oogenblik...

--Maar het meisje van nu is niet meer zoo...

--Natuurlijk niet, juffrouw, maar zulke domme jongens zijn er ook niet meer, ten minste... lacht u?

--Nu ja, omdat u lacht.

--O... Maar weet u, wat echt niet meer bestaat? Zoo'n Fenitsjka, dat eenvoudige meisje, dat den ouden Kirsanof haar leven en een kind gegeven heeft en nu in zijn huis woont er er een zonnetje is... en toch niet zijn vrouw... Want ze heeft hem zoo innig lief. Is dat negende hoofdstukje niet een idylle, die aan Herman en Dorothea doet denken? Noem dat gerust romantische liefde, maar een leelijk woord duld ik hier niet. Want dat zou een laagheid zijn.

--Nog één ding, de compositie van den roman is me opgevallen.

--Eenvoudig, naïef bijna, vond u niet? Zoo eenvoudig, als de karakters scherp, met duizend fijnheden geteekend zijn en leven, leven... Toergenef brengt zijn menschen gewoonweg ergens onder dak, laat ze daar leven en praten en droomen. En als hij nieuwe combinaties noodig heeft, dan laat hij ze op reis gaan. De paarden draven langs den weg. Een ander huis verschijnt. En de menschen leven, praten en droomen weer in een andere verhouding. De menschen handelen niet, zij worden gehandeld. En dit is erg bekoorlijk... Weet u nog uit onzen genialen tijd: Man glaubt zu schieben, und man wird geschoben?

--Ja, die herinneringen,... toen woonde u in een klein kamertje...

--In de W... straat.

--En iederen Dinsdagavond...

--Och ja, die Russen zijn wel wijs in hun naïeveteit. Vergeeft u me die gemeenplaats, maar men dweept tegenwoordig zoo met de Russen...

--... misschien niet ten onrechte... het is zoo: menschen praten met elkaar in een kamer, en er komt iets tusschen hen... en dan gaan ze weg, in een ander huis... en daar zijn ook weer menschen.

--En dat wordt dan de roman!

--"Uit het leven".

--Juist, juffrouw.

--Weet u niet meer, hoe ik heet?

--Jawel, maar laten we niet persoonlijk worden...

Januari 1918. S.

AANTEEKENINGEN

[1] Jevgenij Onegin, een roman in verzen van 1825.

[2] Elias.

[3] mjesjtsjanien = "klein burger", niet onze "burger".

[4] Russ.: daj vam Bog zdarovja i generalski tsjin = geef u god gezondheid en den generaalsrang.

[5] Russ.: Hegelisti i Nigelisti.

[6] Russisch spreekwoord: aan zijn eigen melk brandt hij zich, nu blaast hij koud water.

[7] De Russische boer verslindt zelfs God.

[8] Russisch spreekwoord: Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!

[9] De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.

[10] Russisch spreekwoord.

[11] n.l. 1825: samenzweerders tegen Nicolaas I, de dekabristen.

[12] Dorpshoofd en -oudste.

[13] Jasen = esch, jasni = vroolijk, opgewekt.

[14] Russisch spreekwoord = Wie zich het oude herinnert, dien (moet) een oog eruit.

[15] Zuurkoolsoep

[16] Roode bietensoep.

[17] Russ. Mir = wereld, en gemeente; er bestaat een traditie, dat de wereld op drie visschen rust.

[18] Boerenschoeisel van berkenbast.