Part 16
--Ja, ja, heette het tegen een arme boerin, die haar kitsjka ophad en in de grove jas van haar man gewikkeld was,--ja, ja en hij gaf haar een glas goulard-water en een potje bilzenkruidzalf,--ja, ja, je mag God wel danken, dat Hij mijn zoon teruggebracht heeft, nu word je behandeld volgens de nieuwste en geleerdste methode. De fransche keizer Napoleon heeft geen beteren dokter!
De boerin had geklaagd, dat ze een gevoel had, alsof ze met handen in de hoogte werd getild (woorden, die ze zelf niet nader verklaren kon.) Ze hoorde Wassili Ivanowitsj aan, maakte een buiging tot op den grond en haalde drie eieren uit haar omslagdoek te voorschijn tot betaling.
Bazarof trok zelfs een tand bij een vreemden koopman. En ofschoon die tand niets bizonders had, bewaarde Wassili Ivanowitsj hem als een zeldzaam stuk en zei meermalen, terwijl hij hem liet zien aan Vader Alexis:
--Kijk eens, Vader, wat een wortels! Jevgenij moet een krachtige hand hebben! Ik zag den koopman omhoog tillen, prachtig, ik geloof waarachtig, een eik zou geen weerstand geboden hebben!
--Inderdaad verdienstelijk! antwoordde de priester die geen kans zag op een andere wijze een einde te maken aan de verrukking van den ouden man.
Een boer uit den omtrek bracht zijn broer, die aan typhus leed, bij Wassili Ivanowitsj. De ongelukkige lag stervend op een hoop hooi, donkere vlekken overdekten zijn lichaam en hij was sedert langen tijd buiten kennis.
Wassili Ivanowitsj sprak er zijn spijt over uit, dat hij niet vroeger gekomen was, en verklaarde, dat hij onmogelijk nog te redden was. En werkelijk kwam de man niet meer thuis. Hij stierf onderweg in zijn kar.
Eenigen tijd later kwam Bazarof zijn vader vragen, of hij ook lapis infernalis voor hem had.
--Jawel, wat wil je daarmee doen?
--Om een wond uit te branden.
--Wie is verwond? Jij? Laat zien de wond.
--Hier, aan mijn vinger. Ik ben van morgen naar het dorp geweest, waar die boer aan typhus gestorven is. Ik weet niet waarom, maar men wilde het lijk openen. En nu had ik die soort operatie lang niet bij de hand gehad.
--Ja, en ...?
--Ik verzocht den distriktsgeneesheer, of ik het mocht doen, en toen heb ik me gesneden.
Wassili Ivanowitsj verbleekte, liep, zonder een woord, naar zijn kamer en kwam met een stuk helschen steen terug. Bazarof wilde ermee de kamer uit gaan.
--In 's hemels naam, riep Wassili Ivanowitsj, laat mij dat doen.
Bazarof glimlachte.
--Wat een hartstocht voor de praktijk!
--Maak nu geen grapjes. Laat je vinger zien. De wond is niet groot. Ik doe je toch niet pijn?
--Druk maar stevig.
Wassili Ivanowitsj hield op.
--Misschien was het beter, met een heet ijzer te branden. Wat denk je?
--Dat hadden we eerst moeten doen. Nu geeft dat niet meer dan dit. Trouwens als ik de ziektestof al opgenomen heb, is er geen middel meer.
--Wat... geen middel meer? stamelde Wassili Ivanowitsj.
--Het is al meer dan vier uur geleden, dat ik me gesneden heb.
Wassili Ivanowitsj drukte de wond weer met den helschen steen.
--Had de dokter daar dan niets?
--Neen.
--Dat is ongeloofelijk. Ieder dokter moet toch lapis hebben.
--Ja, en je had zijn messen moeten zien! antwoordde Bazarof en ging de kamer uit.
Dien avond en den volgenden dag verzon Wassili Ivanowitsj alle mogelijke voorwendsels, om in de kamer van zijn zoon te komen, en ofschoon hij niet over de wond sprak en zijn best deed, zoo onverschillig mogelijk te zijn, lette hij toch scherp op hem en bestudeerde al zijn bewegingen met zulk een opgewondenheid, dat Bazarof ongeduldig werd en zou besluiten heen te gaan. Wassili Ivanowitsj beloofde, niet langer ongerust te zijn, en vooral, toen Arina Vlassievna, die hij niets meegedeeld had, hem trachtte uit te hooren, waarom hij zoo opgewonden was en den geheelen nacht niet had geslapen.
Twee dagen hield hij vol, al verontrustte hem Bazarofs uitzien meer en meer. Den derden dag kon hij niet langer zwijgen.
Zij zaten aan tafel en Bazarof, met neergeslagen oogen, at niets.
--Waarom eet je niet, Jevgenij? vroeg zijn vader, schijnbaar zoo zonder bedoeling.--Het schoteltje vind ik heel goed.
--Ik eet niet, omdat ik geen eetlust heb.
--Geen eetlust, vroeg hij, en hoofdpijn?
--Ja, waarom zou ik geen hoofdpijn hebben?
Arina Vlassievna werd oplettend.
--Word nu niet dadelijk boos, Jevgenij, zei Wassili Ivanowitsj, je moet me toestaan, je pols te voelen.
Bazarof stond op.
--Ik kan je zoo wel zeggen, dat ik verhooging heb.
--Heb je ook koude rillingen?
-- Ja. Ik zal wat gaan liggen. Stuur me wat kamillenthee. Ik zal een kou opgedaan hebben.
--Daarom heb ik je ook hooren hoesten vannacht, zei Arina Vlassievna.
--Ik heb kou gevat, herhaalde Bazarof en verliet de kamer.
Arina Vlassievna zette de thee en Wassili Ivanowitsj liep naar de zijkamer, waar hij zich aan de haren trok zonder een woord te spreken.
Bazarof bleef den geheelen verderen dag in bed en bracht den nacht door in een doffen, afmattenden slaap.
Toen hij tegen éen uur wakker werd, zag hij bij den flauwen schijn van het nachtlicht het bleeke gezicht van zijn vader, die aan zijn bed gezeten was. Hij verzocht hem, te gaan slapen.
De oude man ging heen, maar kwam dadelijk daarop weer terug en bleef achter de half-open deur van een kast verborgen, zijn zoon observeeren. Ook Arina Vlassievna sliep niet, ze kwam telkens aan de kamerdeur, om naar de ademhaling van haar Jenoesja te luisteren en zich ervan te vergewissen, dat Wassili Ivanowitsj nog op zijn post was. Ze kon niets zien als den gebogen rug van haar man, die zich niet bewoog, maar dat was voldoende, om haar eenigszins gerust te stellen.
Toen de dag aanbrak, trachtte Bazarof op te staan. Maar een duizeling beving hem, gevolgd door neusbloedingen en hij ging weer te bed. Wassili Ivanowitsj hielp hem zwijgend. Arina Vlassievna kwam en vroeg, hoe het stond.
--Ik voel me beter, antwoordde hij en keerde zich naar de muur.
Wassili Ivanowitsj beduidde zijn vrouw met beide handen, dat ze weg moest gaan. Zij beet op haar lippen, om niet te weenen en ging.
Het heele huis scheen versomberd. Alle gezichten waren strak en een vreemde stilte heerschte tot op het erf. Een kraaiende haan, die zich zeker verwonderde, werd naar het dorp verwijderd.
Bazarof bleef in bed, het gezicht naar den muur gekeerd.
Wassili Ivanowitsj sprak hem herhaaldelijk toe, maar zijn vragen hinderden den zieke en daarom bleef hij maar in zijn leunstoel zitten en van tijd tot tijd wrong hij alleen zijn handen. Dan ging hij weer een oogenblik den tuin in en stond strak als een standbeeld. Een onuitsprekelijke ontzetting scheen hem aangegrepen te hebben. De uitdrukking van diepste verwondering bleef duidelijk op zijn gezicht te lezen. Toen ging hij weer naar binnen, naar zijn zoon en liep zijn vrouw zoo veel mogelijk uit den weg.
Het gelukte haar eindelijk, hem bij de hand te grijpen en als in een kramp, bijna dreigend vroeg ze:
--Wat heeft hij dan?
Wassili Ivanowitsj trachtte te glimlachen, om haar gerust te stellen, maar tot zijn eigen verbazing ontwrong zich een harde lach aan zijn breeden mond.
's Morgens al had hij een geneesheer uit de stad laten roepen en hij wilde het zijn zoon meedeelen, opdat deze hem geen verwijten zou doen in tegenwoordigheid van een derde.
Bazarof keerde zich plotseling om, keek zijn vader star aan en vroeg drinken.
Wassili Ivanowitsj gaf hem water en maakte van die gelegenheid gebruik, hem de hand op het voorhoofd te leggen. Dit gloeide.
--Oude, zei Bazarof langzaam en met harde stem,--dat loopt mis. Ik heb het gif in mijn lichaam, over een paar dagen zul je me begraven.
Wassili Ivanowitsj wankelde, alsof hij een zwaren slag tegen de beenen had gekregen.
--Wat zeg je daar, jongen, stamelde hij, het is een gewone verkoudheid.
--Kom, een dokter mag zoo iets niet zeggen, antwoordde hij.--Ik heb alle verschijnselen van een besmetting. Dat weet je wel.
--Verschijnselen... van een... o neen... Jevgenij!
--Wat is dit dan? vroeg hij, stroopte den mouw van zijn hemd op en liet zijn vader de onheilspellende roodachtige vlekken zien, die zijn huid bedekten.
Wassili Ivanowitsj verbleekte.
--Gesteld... indien ook al... dat zou... een epidemische...
--Het is pyemie, zei de zoon.
--Ja, een epidemische besmetting.
--Pyemie, herhaalde Bazarof beslist en op ruwen toon:--heb je je dictaatcahiers vergeten?
--Nu ja, dat kan wel. Maar we zullen je beter maken.
--Onzin... Laat ons verstandig praten. Ik dacht niet, zoo gauw al te sterven. Het is een ongeluk, dat, ik geef het toe, niet pleizierig is. Moeder en jij, jullie zult goed doen, je toevlucht in het geloof te zoeken, het is een mooie gelegenheid, dat eens op de proef te stellen.
Hij dronk een slok water.--Ik heb je iets te verzoeken, zoolang mijn hoofd nog helder is. Morgen of overmorgen, zullen mijn hersens ophouden te werken. Het kan best zijn, dat ik me nu al niet duidelijk meer uitdruk. Zoo pas nog dacht ik, dat roodharige honden mij achterna zaten en jij stond ook te loeren, zooals men op jacht een korhaan afwacht. Ik voel me net dronken. Kun je me nog begrijpen?
--Zeker, jongen, je spreekt heel redelijk, zooals altijd.
--Des te beter. Je hebt gezegd, dat je een dokter hebt laten halen. Daarmee heb je jezelf een genoegen gedaan. Doe mij nu ook een genoegen en stuur een ijlbode...
--Aan Arkadiej Nikolajewitsj, viel de oude man in de rede.
--Wie is die Arkadiej Nikolajewitsj? vroeg Bazarof, als in een oogenblik van niet-meer-weten...--o ja, die sijs! Neen, laat die maar loopen, die is nu een raaf geworden. Zet maar geen groote oogen op. Dit is nog geen dilirium. Stuur een ijlbode naar Anna Sergejevna Odintsof, een dame hier in de buurt, (Wassili gaf met het hoofd een teeken dat hij haar kende). Doe haar weten: Eugenij Bazarof laat haar groeten en deelt u mede, dat hij stervende is. Begrijp je mij?
--Het zal gebeuren, maar hoe kun je nu sterven? Jevgenij, jongen, oordeel zelf. Er is toch nog gerechtigheid in de wereld!
--Ik begrijp je niet. Maar stuur hem nu weg.
--Dadelijk en ik zal hem een brief meegeven.
--Nee, dat hoeft niet. Laat haar maar groeten, dat is genoeg. En nu ga ik weer naar mijn roode honden. Vreemd, ik wilde aan den dood denken, maar dat gaat niet. Ik zie een soort nevelvlek, anders niets.
Hij keerde zich weer moeilijk om en Wassili Ivanovitsj verliet de kamer. In het vertrek bij zijn vrouw, viel hij voor de Heiligenbeelden neer.
--Laat ons bidden, Arina, laat ons God bidden, snikte hij.--onze zoon sterft!
De distriktsgeneesheer, dezelfde, die geen lapis had, kwam en ried aan, een afwachtende houding aan te nemen. En dan sprak hij nog een paar frazes, die hoop op herstel moesten wekken.
--U hebt dus menschen gezien in mijn toestand en die niet naar de Elyzeesche velden zijn vertrokken? vroeg Bazarof en stootte met zijn voet tegen een zware tafel bij het bed, zoodat deze wankelde.
--Ik heb nog mijn volle kracht, zei hij, mijn volle kracht, en toch moet ik sterven. Een grijsaard heeft tenminste tijd gehad om het leven af te wennen. Maar ik... ontkennen; ontkennen... Ja, ontken den dood maar eens. Hij ontkent óns. Daarmee is alles gezegd. Ik hoor weenen daar ginds... en na een oogenblik:... het is mijn moeder, arme vrouw, voor wien zal ze nu haar heerlijken borsj klaar maken? En jou, vader, staat ook het huilen nader dan het lachen. Als je christelijk geloof je niet helpt, probeer het dan met de filosofie, denk aan de Stoïcijnen. Beweerde je niet filosoof te zijn?
--Ik filosoof? riep Wassili Ivanowitsj en de tranen stroomden hem over zijn wangen.
Bazarofs toestand werd ieder uur erger. De ziekte greep razend snel om zich heen, zooals gewoonlijk bij dergelijke bloedvergiftigingen. Hij had nog zijn volle bewustzijn en begreep alles, wat er gesproken werd. Hij streed nog,--ik wil niet ijlen, dacht hij,... dat is te gek... En hij balde de vuisten... tien min acht, dat is ...? Wassili Ivanowitsj liep als een gek in de kamer heen en weer, bedacht allerlei middelen en dekte in zijn machteloosheid, telkens en telkens weer de voeten van den zieke toe.
--Koude omslagen--een braakmiddel--mosterdpleister op de maag--aderlaten--steunde hij.
De geneesheer, dien hij verzocht had te blijven, stemde in alles toe, gaf den zieke limonade te drinken en vroeg zelf iets versterkends en verwarmends, een borrel. Arina Vlassievna zat op een stoeltje bij de deur en ging daar alleen vandaan om te bidden. Een paar dagen geleden had ze haar spiegel laten vallen, en die was gebroken. En dat beschouwde ze als een slecht voorteeken. Zelfs Anfisoesjka kon haar geen troostwoord geven.
Timofeitsj was naar mevrouw Odintsof gegaan.
De nacht was slecht. De koorts gloeide door zijn lichaam en verteerde het. Met het aanbreken van den dag kwam wat ontspanning. Hij vroeg Arina Vlassievna, zijn haar te kammen, kuste haar de hand en slikte twee lepels thee. Wassili Ivanowitsj kreeg weer wat hoop.
--Goddank, zei hij herhaaldelijk.--De crisis is voorbij. Dat was de crisis...
--Zoo zie je de kracht van een woord, zei Bazarof,--het woord crisis komt hem in den zin en dat kalmeert hem. Vreemd, de invloed, dien de woorden hebben op de menschen... Zeg iemand, dat hij een idioot is, je hoeft hem niet te slaan, en hij is onder den indruk. Wensch hem geluk met zijn intellect, je hoeft hem geen geld te geven, en hij voelt zich gelukkig...
En Wassili Ivanowitsj herinnerde zich gesprekken uit gezonder dagen en verrukt riep hij:
--Bravo! Dat is goed gezegd. Bravo!
En hij deed, of hij in zijn handen klapte.
Bazarof glimlachte moe.
--Wat denk je eigenlijk? vroeg hij zijn vader, is de crisis voorbij of moet ze nog komen?
--Het gaat beter, dat zie ik en dat verheugt me, antwoordde hij.
--Gelukkig. Het is goed, als men zich verheugt. Maar is er een boodschap daar heen? je weet wel...
--Ja, zeker.
De rustige oogenblikken duurden niet lang. De aanvallen kwamen weer. Wassilli Ivanowitsj week niet van het ziekbed. Een vreeselijke angst scheen hem te kwellen. Hij probeerde telkens te spreken.
--Jevgenij! riep hij eindelijk,--mijn lieve, goede zoon!
Deze onverwachte uitroep maakte indruk op Bazarof. Hij bewoog het hoofd even en trachtte blijkbaar den last, die zijn geest drukte, af te wentelen, hij zei:
--Wat, vader?
--Jevgenij, ging Wassili Ivanowitsj voort en liet zich op de knieën vallen bij het bed. Maar Bazarof zag het niet, want hij had de oogen gesloten.--Jevgenij, je voelt je beter en zult met Gods hulp geheel herstellen. Maar maak van dit oogenblik gebruik en doe wat je moeder en mij zoo een rust zou geven. Je plicht als Christen. Het valt me zwaar, je dat te vragen. Maar het zou nog erger zijn... het gaat om de eeuwigheid, Jevgenij, bedenk dat wel...
Hij kon niet meer spreken en een vreemd trekken gleed over het gezicht van den zoon, langzaam en zonderling. Zijn oogen bleven gesloten.
--Als het jullie rust kan geven, heb ik er niets tegen; zei hij eindelijk.--Maar dat heeft toch geen haast. Je zei daar toch, dat het beter met me ging.
--Beter, zeker, maar wie kan alles weten. Alles hangt af van Gods wil. En een plicht nakomen...
--Ik wil nog wachten, zei Bazarof,--je zegt zelf, dat de crisis begonnen is. En als we ons vergissen, wat hindert dat? Een zieke krijgt zijn absolutie, ook als hij bewusteloos is...
--Om 's hemels wil, Eugenij...
--Ik wil nog wachten. Ik wil eerst slapen. Laat me... En hij legde het hoofd weer op het kussen.
De oude man stond op, ging in zijn leunstoel zitten, stutte het hoofd met de hand en beet zijn nagels stuk...
Het geluid, dat een rijtuig op veeren maakt, dat geluid, dat in de stilte van het land zoo duidelijk te onderscheiden is, bereikte het gehoor van den ouden man. Het rollen der lichte wielen, het snuiven der paarden en het getrappel der hoeven was duidelijk waar te nemen.
Wassili Ivanowitsj sprong op en haastte zich naar het venster. Een reiswagen met vier paarden bespannen, reed zijn erf op. Zonder zich af te vragen, wat dat beteekende en onwillekeurig doortinteld met een blij gevoel, liep hij naar de deur.
Een palfrenier sloeg het portier open en een gesluierde vrouw in zwarten mantel steeg uit.
--Ik ben mevrouw Odintsof, zei ze,--leeft Eugenij Wassiljewitsj nog? U bent zijn vader? Ik heb een geneesheer meegebracht.
--Gods zegen over u! riep Wassili Ivanowitsj, nam haar hand en drukte die krampachtig aan zijn lippen, terwijl de geneesheer, van wien mevrouw Odintsof gesproken had, een kleine man met een bril en een Duitsch gezicht, langzaam den reiswagen verliet.
--Hij leeft nog, mijn Jenoesja, en nu zal hij gered worden. Vrouw! Vrouw! Een engel uit den hemel is neergedaald.
--Wat is er? God! stotterde Arina Vlassievna, die uit de woonkamer kwam en in het voorvertrek Anna Sergejevna te voet viel en den zoom van haar rok begon te kussen.
--Wat doet u? Wat doet u? vroeg mevrouw Odintsof. Maar Arina Vlassievna hoorde niet en Wassili Ivanowitsj herhaalde maar: Een engel! Een engel is gekomen!
--Wo is der Kranke? vroeg de geneesheer blijkbaar ongeduldig.
Die woorden gaven Wassili Ivanowitsj zijn tegenwoordigheid van geest terug.
--Hier, hier. Wilt u mij maar volgen, waarde collega! voegde hij er in het Duitsch bij en dacht aan zijn vroeger ambt.
--Ah! zei de ander met een wrang lachje.
Wassili Ivanowitsj bracht hem in zijn studeerkamer.
--Hier is een dokter, door Anna Sergejevna Odintsof gezonden, zei hij, aan het oor van zijn zoon,--en zij zelf is ook hier.
Bazarof sloeg dadelijk de oogen op.
--Wat zeg je?
--Ik zeg, dat Anna Sergejevna Odintsof hier is en dezen geleerden dokter heeft meegebracht.
Bazarof zocht met zijn oogen door de kamer.
--Is ze hier? Ik wil haar zien...
--Je zult haar zien, Jevgenij, maar we moeten eerst met den dokter spreken. Ik zal hem het ziekteverloop vertellen, want Sidor Sidoritsj (de distriktsgeneesheer) is weggegaan. Dan kunnen we consult houden.
Bazarof keek den Duitscher aan.
--Goed, maar dan zoo gauw mogelijk. Maar praat geen latijn. Want ik weet, wat dat beteekent: jam moritur.
--Mijnheer schijnt Duitsch te kennen, zei de vreemde geneesheer wederom in het Duitsch.
--Ikke... aber... spreekt u maar liever Russisch, dat gaat toch beter, antwoordde Wassili Ivanowitsj.
--Aha... goed.
En het consult begon.
Een kwartier later kwam Anna Sergejevna met Wassili Ivanowitsj binnen. De dokter had gelegenheid gevonden, haar toe te fluisteren, dat de toestand hopeloos was.
Ze keek naar Bazarof en bleef in de deuropening staan, ontsteld door dat rood-opgezwollen gezicht en die vreemd-zoekende oogen. Een ijzige kilheid, een beklemmende angst greep haar aan. En de zekerheid, dat ze iets geheel anders gevoeld zou hebben, als ze van hem gehouden had, maakte haar machteloos--beschaamd bijna.
--Dank u, zei hij opgewonden,--ik had het niet gedacht. Dat is goed. We zien elkaar dus nog eens, zooals u gezegd hebt.
--Anna Sergejevna heeft de goedheid gehad...
--Vader, laat ons alleen... Anna Sergejevna, u vindt het goed? Ik geloof, dat het nu...
Ze knikte en scheen daarmee te willen zeggen, dat ze niets meer te vreezen had van een stervende.
Wassili Ivanowitsj ging heen.
--Ik dank u, herhaalde Bazarof, dat is een vorstelijke daad. Komen koningen zoo niet aan het leger van stervenden?
--Eugenij Wassiljewitsj, ik hoop...
--Neen, Anna Sergejevna, laten we oprecht zijn. Voor mij is alles gedaan. Ik ben onder het groote Wiel gekomen. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik van de toekomst niets wilde weten? Sterven is een oude geschiedenis, en blijft toch altijd nieuw voor iedereen. Tot op het oogenblik voel ik geen angst, dan zal ik het bewustzijn verliezen en fff... (hierbij bewoog hij even de hand). Maar wat wilde ik u nog zeggen? Dat ik u heb liefgehad? Dat had vroeger geen zin en nu nog veel minder. De liefde is een gevormdheid en mijn eigen vorm is zijn vervluchtiging nabij. Ik wil u liever zeggen, dat u mooi bent... ja, zooals ik u hier voor me zie...
Anna Sergejevna beefde onwillekeurig.
--Het is niets, maak u niet ongerust... gaat u daar zitten, nee, niet dichterbij. Mijn ziekte is besmettelijk.
Anna Sergejevna kwam naar hem toe, snel, door de kamer, en ging zitten in den leunstoel bij het bed.
--Die adel, fluisterde Bazarof,--wat is ze nu dichtbij, zoo jong, zoo sterk, zoo rein in dit smerige hok... vaarwel, leeft u lang, heel lang, iets beters kan men niet doen en geniet het leven, zoolang het nog niet te laat is. Ziet u die afschuwelijke vertooning, een half platgetrapte worm, die nog kronkelt. Ik had gehoopt nog veel te kunnen doen... Sterven? Ik?... Bah!... Ik heb een opdracht... ik ben een reus. En de heele opdracht van dien reus is nu alleen nog maar, behoorlijk te sterven, al kan dat niemand wat schelen... Wat doet het ertoe?... maar ik wil in een hoek kruipen als een hond.
Hij zweeg en tastte met de hand naar zijn glas. Anna Sergejevna hielp hem drinken, ze had handschoenen aan en hield den adem in.
--U zult me vergeten, ging hij voort, de dooden zijn niets voor de levenden. Mijn vader zal u vertellen, dat Rusland een man verliest, die groote waarde had voor het land... Dat is opsnijderij, maar laat den ouden man zijn illusie... U weet... Voor een kind...
Tracht u hem en mijn moeder te troosten. In uw wereld zult u zulke menschen niet aantreffen, al zocht u ze met een lantarentje... ik... noodig voor Rusland!... Och nee, zeker niet. Maar wie is dan wel noodig? Een schoenmaker, een kleermaker, een slager, die verkoopt vleesch... een slager... stil... ik raaskal... dit is een plank...
Hij legde de hand op zijn voorhoofd.
Mevrouw Odintsof boog over hem heen.
--Eugenij Wassiljewitsj, ik ben er nog...
Hij nam zijn hand weg en richtte zich plotseling op.
--Vaarwel! zei hij hardop, en zijn oogen glansden voor de laatste maal.--Vaarwel... luister... ik heb je toen niet gekust... blaas de stervende lamp uit, uit...
Mevrouw Odintsof drukte haar lippen op het voorhoofd van den stervende.
--Ja... goed... fluisterde hij en zijn hoofd viel terug... nu de duisternis...
Mevrouw Odintsof verliet geruischloos de kamer.
--En?... vroeg Wassili Ivanowitsj zacht.
--Hij is ingeslapen, antwoordde ze nog zachter.
Bazarof ontwaakte niet meer. Tegen den avond verloor hij het bewustzijn en des morgens stierf hij. Vader Alexis schonk hem den laatsten troost. Maar toen de gewijde olie op zijn borst drupte, ging éen zijner oogen even open, en het was, of bij het zien van dien priester in zijn ornaat, het rookende wierookvat en de brandende kaarsen een rillende ontzetting voer over het misvormde gezicht... dit duurde maar een oogenblik. Toen hij den laatsten snik gegeven had en het huis in weeklachten jammerde, greep een plotselinge waanzin den ouden vader aan.
--Ik heb gezworen, in opstand te komen! schreeuwde hij met schorre stem. Zijn gezicht stond vertrokken en wild-gloeiend en met gebalde vuisten, als dreigend, liep hij rond:
--Ik heb gezworen! En ik zal in opstand komen! Ik zal in opstand...
Maar Arina Vlassievna, enkel tranen, viel hem om den hals en beiden lagen voorover op den grond, "als twee lammeren" zooals Anfisoesjka later vertelde, als twee lammeren, bevangen door de hitte... tegelijkertijd en zij aan zij vielen ze neer.
Maar de warmte van den dag vergaat, de avond komt, en dan de nacht, de nacht, die alle zwaarbeproefden en zielsvermoeiden een stille rustplaats biedt...
XXVII.
Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen van zijn sneeuwbuien.
De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende paarden draven met verdubbelde snelheid.