Part 12
--Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.
De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden, eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij schenen woedend.
Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrekt niet werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.
Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig, en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig, verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet alleen om de vrouw des huizes was gekomen.
Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.
--U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet om en komt u beiden maar spoedig eens terug.
Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen. Gedurende de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen, Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.
In Marjino werden ze met open armen ontvangen.
De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk, toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken, door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed, dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield kinderlijk-naïef te lachen.
Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.
Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de natuur hem nu eenmaal ontzegd.
Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren, iederen dag. De gehuurde arbeiders brachten hem voortdurend in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening, anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude, half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de "betoovering" had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren, die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter, toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling, omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het dorp. Een troep boeren zag men op een dag, alsof het afgesproken was, plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van achterstallige rente.
--Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets gedaan krijgen.
--Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek peinzend zijn knevel op.
Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis kon het ook moeilijk anders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.
Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden, belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij eindelijk een doel had gevonden.
--U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.
Die gedachte kon hij niet vergeten.
--Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij weer aan hun laatste bezoek op Nikolskoi, en de koele ontvangst en schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.
Maar ten slotte won het toch dat jeugdige "wie weet"..., het stille verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers te onderzoeken, waartoe men in staat is...
Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar stad en van daar naar Nikolskoi.
De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld streden in zijn hart. "Niet nadenken," drong hij zich zelf voortdurend.
De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...
En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde zijn paarden niet.
Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.
--Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was niet meer mogelijk.
De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met schreeuwen en fluiten.
Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.
--Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.
Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk, dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid, geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:
--Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb je hem gevonden Katja?
--Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.
--U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.
XXII.
Bazarof begon, nadat hij zijn vriend met woorden van ironische spijtigheid en wel-begrijpen-waarheen-de-reis-ging, uitgeleide had gedaan, geheel in zich zelf teruggetrokken te leven, Arbeidswoede scheen zich van hem meester gemaakt te hebben. Hij redetwistte niet meer met Paul Petrowitsj, dewijl deze bij zulke gelegenheden al te aristocratisch deed door niet met woorden, maar met losse klanken te antwoorden. Eenmaal had Paul zich tot een woordenstrijd met den nihilist laten verleiden. Dat ging over de rechten van den adel in de Baltische provincies, een actueele kwestie in die dagen. Maar opeens had hij een einde aan de discussie gemaakt door de koel-beleefde opmerking:
--Wij zullen het nooit eens worden. Ik heb tenminste niet de eer, u te begrijpen.
--Dat betwijfel ik, was Bazarofs antwoord, de mensch kan alles begrijpen: de trillingen van den aether en de wijzigingen, die de zon ondergaat; maar hij zal nooit begrijpen, dat hij zijn neus op een andere manier zou kunnen snuiten, dan hij doet.
--Vindt u dat geestig? antwoordde Paul en ging terzijde.
Toch kwam hij er toe, Bazarof te vragen, of hij zijn proefnemingen mocht bijwonen. Zelfs boog hij eens zijn met zeldzame essences geparfumeerd gezicht over den microscoop, om te zien, hoe een doorzichtig infusiediertje een groenachtig atoom verslond, dat het met een soort grijpvingers om en om draaide. Paul Petrowitsj kwam vaker op Bazarofs kamer dan Nikolaas. Hij zou iederen dag komen, om les te nemen, zooals hij zei, indien de zaken hem niet elders riepen. Hij stoorde den jongen natuuronderzoeker allerminst. Hij bleef in een hoek der kamer, volgde de onderzoekingen zwijgend en oplettend en veroorloofde zich slechts zelden een bescheiden vraag. Bij middag- en avondmaaltijd trachtte hij het gesprek op physica, geologie of chemie te brengen, want alle andere onderwerpen, zelfs landbouwkundige kwesties, om van politieke in 't geheel niet te spreken, konden twist of onaangename uiteenzettingen ten gevolge hebben.
Nikolaas was er zeker van, dat de antipathie van zijn broeder tegen Bazarof niet verminderd was. Een onbelangrijke omstandigheid bevestigde hem in die meening.
De cholera verscheen in het distrikt en had reeds twee bewoners van Marjino weggerukt. Paul had eens 's nachts een vrij hevigen aanval te verduren. Hij leed pijnen tot de morgen aanbrak, maar wilde niet de kunst van Bazarof beproeven. Toen deze hem bezocht en vroeg, waarom hij hem niet had laten roepen, antwoordde hij nog bleek, maar toch zorgvuldig gekamd en geschoren:
--Heb ik u niet eens hooren zeggen, dat u niet gelooft in de medicijnen?
Bazarof zette intusschen zijn eenzame onderzoekingen voort.
Iemand echter was er in huis, voor wie hij wel niet zijn hart opende, maar wier gezelschap hem toch bijzonder aangenaam was:
Fenitsjka.
Hij ontmoette haar meestal 's morgens vroeg in den tuin of bij de woningen. Hij kwam nooit in haar kamer en zij was één enkel maal aan zijn deur geweest, om te vragen, of ze Mitia zou mogen baden. Ze stelde een onbeperkt vertrouwen in hem en gevoelde zich in zijn tegenwoordigheid vrijer en ongedwongener dan tegenover Nikolaas Petrowitsj. Het is nog al moeilijk, de oorzaak hiervan aan te geven. Misschien begreep ze instinctmatig, dat Bazarof niets van den hoogen heer, van den edele, niets van die hoogheid had, die tegelijk aantrekt en bang maakt. Hij was in haar oogen een uitmuntend geneesheer en een goed mensch. In zijn tegenwoordigheid kon ze voortgaan, haar kind te verzorgen en eens bij een aanval van duizeligheid en hoofdpijn nam ze uit zijn hand een drankje in.
Als Nikolaas Petrowitsj er bij was, gedroeg ze zich minder gemeenzaam tegenover Bazarof, niet uit berekening, maar omdat het zoo hoorde... Voor Paul gevoelde ze meer angstig ontzag dan ooit. Hij scheen haar doen en laten sedert eenigen tijd te bespieden en kon plotseling, als uit den grond opgerezen, in zijn engelsch pak, met zijn onbewogen gezicht, zijn doordringenden blik en de handen in de zakken, van achter haar rug te voorschijn komen.
--Hij kan je zóo laten schrikken, zei ze tegen Doeniasja, en die antwoordde dan met een zucht, omdat zij aan een anderen gevoellooze werd herinnerd. En dat was Bazarof, die zonder het te weten, de wreede tyran van haar hart geworden was.
Bazarof beantwoordde de vereering van Fenitsjka. Als hij met haar praatte, kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking, vroolijker, lichter, bijna zacht en tegelijk kwam er iets spottend-vriendelijks in zijn meestal onverschillige houding. Fenitsjka werd bij den dag mooier. Er is een tijd voor jonge vrouwen, dat ze zich gaan ontplooien en openbloeien als de zomerrozen; die tijd was voor Fenitsjka aangebroken. En alles droeg daartoe bij, zelfs de hitte van de Julimaand. In haar licht zomerkleedje scheen ze nog blanker en lichter zelf. De zon bruinde haar niet en de warmte, die men niet ontloopen kon, gaf haar wangen en ooren een teeder rose, spreidde over haar wezen een liefelijke matheid en gaf haar oogen iets smachtend-droomends van een onweerstaanbare teederheid. Ze kon bijna niet werken, de handen schenen als het ware bij het werk neer te glijden. Ze kon nauwelijks loopen en klaagde, klaagde maar over een grappig-lieve machteloosheid.
--Je moet meer koude baden nemen, zei Nikolaas. Hij had hiertoe een groot zeildoek laten spannen over éen van de vijvers, die nog niet geheel opgedroogd was.
--Och, Nikolaas Petrowitsj, ik ben dood, eer ik aan den vijver kom, of ik sterf op den terugweg, antwoordde ze dan.--Er is heelemaal geen schaduw in den tuin.
--Dat is waar, gaf Nikolaas toe en wreef zijn voorhoofd.
Op een morgen tegen zeven uur vond Bazarof, van een wandeling teruggekeerd, Fenitsjka in het vlierboschje, dat reeds uitgebloeid, maar toch nog groen en frisch aandeed. Zij zat op de bank, een witte zakdoek over het hoofd. Naast haar lagen roode en witte rozen, nog bedauwd. Hij wenschte haar goeden morgen.
--Ah, Jevgenij Wassilitsj, zei ze en hief een punt van den zakdoek op, om hem aan te zien. Hierbij kwam een arm tot den elleboog bloot.
--Wat doet u hier? vroeg Bazarof en ging naast haar zitten.--Bloemen?
--Ja, voor de ontbijttafel. Nikolaas Petrowitsj houdt daar zoo van.
--Maar we ontbijten toch nog lang niet. Wat een massa bloemen!
--Ik heb ze daarnet geplukt. Anders is het te heet. Men kan alleen 's morgens vroeg adem halen. Ik kan die hitte niet meer verdragen. Ik geloof, dat ik ziek word...
--Och kom, waar denkt u aan! Laat uw pols eens voelen.
Bazarof nam haar hand, legde zijn duim op den onder teer-vochtige huid verborgen polsslagader, maar telde niet eens de rustige slagen.
--U wordt honderd jaar, zei hij, en liet haar hand los.
--O, alstublieft niet! riep ze uit.
--Waarom? Wilt u dan niet graag lang leven?
--Honderd jaar? Mijn grootmoeder is tachtig jaar geworden en dat was treurig om te zien, heelemaal zwart, doof, mismaakt, altijd hoesten, zich zelf tot last. Is dat leven?
--'t Is dus beter, jong te zijn?
--Ik zou het wel denken.
--En zeg nu eens, waarom!
--Neemt u mij bij voorbeeld. Ik ben nog jong en kan alles doen. Ik ga, kom, zorg voor mezelf en heb niemand noodig. Is dat niet heerlijk?
--Mij kan het niet schelen, of ik jong ben of oud. Dat is me onverschillig.
--Hoe kunt u dat zeggen, dat u dat onverschillig is! Het is niet mogelijk, dat u zoo denkt.
--Oordeel zelf maar, Fedosia Nikolajevna, wat heb ik aan mijn jong-zijn? Ik leef eenzaam... een vrijgezel...
--Dat ligt aan u zelf.
--Dat is niet waar. Niemand bekommert zich om mij.
Fenitsjka keek hem even aan, maar antwoordde niet.
--Wat hebt u daar voor een boek? vroeg ze eenige oogenblikken later.
--Dat is een geleerd boek en moeilijk te begrijpen.
--U studeert altijd. Verveelt dat niet? U moet toch nu wel alles weten, denk ik.
--Dat denk ik niet. Probeer eens te lezen in dat boek.
--Ik zal er niets van begrijpen. Is het Russisch? vroeg ze, terwijl ze het boek met beide handen aannam.--Wat is het dik!
--Ja, het is Russisch.
--Dat doet er niet toe, ik begrijp het toch niet.
--Dat weet ik wel. Maar ik wilde u zien lezen. Het puntje van uw neus beweegt zoo aardig, als u leest.
Fenitsjka, die begonnen was hardop een verhandeling over creosoot te lezen, lachte en gaf het boek terug, dat op den grond viel.
--Ik houd ook van uw lachen, zei Bazarof.
--Scheidt u toch uit!
--Ik vind het ook prettig, je te hooren spreken. Dat klinkt als het gemurmel van een beekje.
Fenitsjka keerde zich af.
--Wat bent u toch raar, zei ze en streelde haar bloemen, hoe kunt u naar mij willen luisteren, u hebt toch al met zooveel geleerde dames gesproken.
--Och Fedosia Nikolajevna, alle geleerde dames op de wereld zijn niet zooveel waard als jouw ellebogen!
--Wat een onzin! zei Fenitsjka zacht en drukte haar ellebogen in de zijden.
Bazarof raapte het boek op.
--Dat is een medisch boek. Waarom heb je dat op den grond gegooid?
--Een medisch boek? herhaalde ze en keek hem aan.--Weet u nog, dat u me droppels gegeven hebt voor Mitja? Sedert slaapt hij als een roos. Dat dank ik u. U bent goed.
--Eigenlijk moest ieder doktersadvies betaald worden, glimlachte Bazarof. Dokters zijn inhalige lui.
Fenitsjka keek Bazarof aan. Het witte licht over haar gezicht maakte den gloed in haar oogen dieper. Ze wist niet, of hij schertste of niet.
--Goed, antwoordde ze.--Maar dan moet ik daarover even spreken met Nikolaas Petrowitsj.
--Je denkt dus, dat ik geld wil, hernam Bazarof.--Neen, geld wil ik niet van je.
--Wat dan?
--Raad eens.
--Ik weet het niet.
--Dan zal ik het zeggen. Ik wil een van die rozen.
Fenitsjka begon weer te lachen en klapte in de handen, zoo vreemd vond ze het verzoek van Bazarof. En tegelijkertijd gevoelde ze zich zeer gevleid. Bazarof keek haar vast aan.
--Graag, graag, zei ze en bukte zich, om een bloem uit te zoeken.--Wilt u een roode of een witte?
--Een roode, en geen groote.
Fenitsjka richtte zich weer op.
--Hier, zei ze, maar meteen trok ze haar hand weer terug, beet op de lippen, keek rond en luisterde.
--Wat is er? vroeg Bazarof, is Nikolaas Petrowitsj daar?
--Neen, hij is op het land. En ik ben ook niet bang voor hem. Maar Paul Petrowitsj... ik dacht...
--Ben je dan bang voor Paul Petrowitsj?
--Hij maakt me bang. Hij spreekt wel niet tegen me, maar hij kan me zoo vreemd aankijken. U houdt ook niet van hem, wel? Ik herinner me, dat u altijd met hem kibbelde. Ik wist niet, waarom, maar ik begreep, dat u hem flink de waarheid zei... zoo... zoo...
Fenitsjka illustreerde met haar hand, hoe ze zich voorstelde, dat dit gebeurde.
Bazarof glimlachte.
--En zou je me geholpen hebben, als hij mij in het nauw gedreven had?
--Kan ik u dan helpen? Maar tegen u kunnen ze niet zoo gemakkelijk op.
--Denk je? Maar ik weet een hand, die mij met één vingerstoot omver heeft!
--Wat is dat voor een hand?
--Dat weet je wel! Hier, ruik die roos eens, heerlijk, hé?
Fenitsjka boog over de bloem. De zakdoek viel van haar hoofd en toonde het volle, glanzend-zwarte haar.
--Ik wil ook ruiken, zei Bazarof, en drukte een krachtigen kus op de half-open lippen van de jonge vrouw.
Zij trilde en duwde beide handen tegen Bazarofs borst, maar zwakjes en hij kon haar nog eens kussen.
Een droge kuch klonk van achter het struikgewas. Fenitsjka vloog naar de andere zijde van de bank.
Paul kwam te voorschijn, groette licht en zei langzaam, met iets bitter-droevigs in zijn stem:
--Bent u hier?--en ging verder.
Fenitsjka raapte haar rozen bijeen en stond op.
--Dat is vreeselijk voor u, Jevgenij Wassiljewitsj, fluisterde ze en snelde huiswaarts.
Bazarof herinnerde zich een dergelijk tooneel, niet lang geleden. Die herinnering wekte een gevoel van schaamte en zelfverachting in zijn ziel. Maar toen schudde hij het hoofd, wenschte zich geluk niet zonder ironie en ging naar zijn kamer.
Paul verliet den tuin en ging langzaam boschwaarts. Hij bleef lang weg en toen het ontbijt verscheen, vroeg zijn broeder of hij onwel was, want zijn gelaat was somber.
--Je weet, dat ik lijd aan overloop van gal, antwoordde hij kalm.
XXIII.
Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt.
--Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),--maar ik acht mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer.
--Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel zag overschrijden.
--Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen.
--Een vraag? En die is?
--Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in 't algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen?
Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren, ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar.
--Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt het me een andere kwestie!
--Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw theoretische opvatting over het duel ter zijde schuift en niet zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor te verlangen.
--U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen.
--Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten...
--Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen...