Vaders en Zonen

Part 11

Chapter 114,079 wordsPublic domain

--Ze hangen erg aan je.

Bazarof antwoordde niet.

--Weet je, waaraan ik denk? vroeg hij eindelijk, terwijl hij de hand onder zijn hoofd legde.

--Neen, zeg eens.

--Ik vind, dat mijn ouders een heerlijk leven hebben. Mijn vader stelt in alles belang, ofschoon hij over de zestig is. Hij geeft huismiddeltjes, behandelt zieken, speelt den edelmoedige bij de boeren en is daarbij gelukkig als een kind. Mijn moeder heeft ook niet te klagen, ze heeft het zoo druk, zooveel o! en ah!s dat ze geen tijd heeft, tot zichzelf te komen. En ik...

--En jij?

--En ik, ik zeg tegen mezelf: daar lig je nu bij die hooimijt... de plek, die ik noodig heb, is zoo grenzenloos klein tegenover de groote ruimte, waar ik niet ben en waar ik niets te beteekenen heb; en de tijd, die mij geschonken is, is zoo kort tegenover de Eeuwigheid, waarin ik niet geleefd heb en waarin ik nooit leven zal... en toch stroomt het bloed in dit niets, in dit stofje werken hersens en willen nog iets... O, wat een onzin! Wat een dwaasheid.

--Wat je daar zegt, geldt voor alle menschen...

--Juist, antwoordde Bazarof, dat bedoel ik ook. Ik wilde zeggen, dat mijn ouders, die goeierds, zich druk maken over allerlei en geen oogenblik bedenken, dat ze niets zijn. Ze walgen niet van alles, terwijl ik alleen nog haat en verveling kan koesteren.

--Haat? Waarom?

--Waarom? Wat een vraag! Ben je dan vergeten?

--Ik weet alles, maar ik geloof niet, dat je dat recht geeft, te haten. Je bent niet gelukkig, dat geef ik toe.

--Ha, ha, Arkadiej Nikolajitsj, jij vat de liefde op zooals de meeste jongelui van onzen tijd. Je lokt het kippetje, klok, klok, klok, en zoodra het kippetje komt, maak je, dat je wegkomt. Ik doe dat anders. Maar laten we hierover niet spreken. Als een zaak verloren is, moet je haar laten loopen.

Hij keerde zich op een zijde en ging voort:

--Kijk, een mier, die een half-doode mug voortsleept. Vooruit, oudje, vooruit! Bekommer je niet om haar tegenstand. In je hoedanigheid van dier heb je het recht geen erbarmen te kennen. Dat is anders als wij menschen, die ons vrijwillig laten vernietigen en breken.

--Je moet niet zoo spreken, Jevgenij, wanneer ben jij gebroken, zooals je zegt?

Bazarof hief het hoofd op.

--Ik kan er trotsch op zijn. Ik heb me niet zelf gebroken. En een vrouw zal het zeker ook niet kunnen. Basta! Het is gedaan! Je zult geen woord meer van me hooren over dit onderwerp.

Beide vrienden lagen eenigen tijd zwijgend.

--Ja, begon Bazarof toen weer, de mensch is een merkwaardig wezen. Als je naar het leven kijkt, zoo van terzijde en uit de verte en je ziet, wat "de vaderen" alzoo uitvoeren, dan lijkt het wel, of alles volmaakt en gelukkig is. Eet, drink en leef verder zoo geregeld mogelijk, als je denkt, dat goed voor je is. Maar dat geeft niet. De verveling neemt je te pakken. Je voelt behoefte, andere menschen te zien, te spreken, desnoods te vechten met hen, als het maar andere menschen zijn.

--We moesten het leven zoo kunnen inrichten, dat elk oogenblik zijn doel en zin had, antwoordde Arkadiej peinzend.

--Zeker, het is altijd prettig een beteekenis te zoeken, al gebeurt dat ook ten onrechte. Men zou ten slotte genoegen nemen met alles, dat geen zin heeft. Maar die kleinigheden, die armzaligheden, dat is juist het ongeluk!

--Er zijn geen kleinigheden voor wie ze niet zien wil.

--Nu heb je een gemeenplaats omgekeerd.

--Hoe bedoel je?

--Als je me verzekert, dat de beschaving nuttig is, noem ik dat een gemeenplaats. Maar als je beweert, dat ze schadelijk is, dan heet dat een omgekeerde gemeenplaats. Het klinkt wat interessanter, maar het is precies hetzelfde.

--Waar wil je de waarheid dan zoeken?

--Waar? Ik antwoord je als een echo: waar?

--Je bent zwartgallig, vandaag, kerel.

--Ja? De zon brandt ook zoo op mijn kop en we hebben zeker te veel frambozen gegeten.

--We moesten een dutje doen, zei Arkadiej.

--Mij goed, maar dan moet je niet zoo naar me kijken. Want we zien er zoo dom uit, als we slapen.

--Het schijnt je dus niet onverschillig te zijn, wat men van je denkt?

--Wat zal ik daarop antwoorden? Een man, die dien naam verdient, moest zich niet bekommeren om wat men van hem denkt. De echte man is hij, die anderen niets te denken geeft, maar hen dwingt tot gehoorzamen of haten!

--Dat is vreemd, ik haat niemand, zei Arkadiej na een oogenblik.

--Ik wel. Jij hebt een zachte ziel, kneedbaar als boter, hoe zou jij kunnen haten? Jij bent bangig, jij mist zelfvertrouwen.

--En heb jij veel zelfvertrouwen? vroeg Arkadiej,... nòg? Heb je een hoogen dunk van jezelf?

Bazarof antwoordde niet dadelijk.

--Zoodra ik iemand ontmoet, die in mijn tegenwoordigheid niet den kop laat hangen, zei hij langzaam, zal ik de meening over mijzelf wijzigen.--Haten?--Maar wacht eens, laatst, toen wij de mooie, ruime hut van jullie starost [12] voorbijkwamen, heette hij niet Philips, zei jij: Rusland zal niet eerder zijn ware hoogte bereikt hebben, voordat de geringe boer zoo een woning heeft en wij moeten er allen toe bijdragen... Nou, ik haatte onmiddellijk dien boer, voor wiens welzijn ik mij moet inspannen, zonder dat hij dank-u zegt. En toch, wat zou ik aan zijn dankbaarheid hebben? Als hij in een mooi huis woont, ben ik al lang mest voor de brandnetels op het kerkhof. En wat dan?

--Stil, Jevgenij, als men je aanhoort, vandaag, zou men geneigd zijn, die lui gelijk te geven, die ons verwijten, dat we geen principes hebben!

--Je praat als je waardige oom! Er zijn geen beginsels. Wist je dat nog niet? Er zijn alleen gevoeligheden. Alles hangt af van gevoeligheden.

--Hoezoo?

--Ja. Neem mij bijvoorbeeld. Als de geest van tegenspraak en ontkenning mij te pakken heeft, dan komt dat door mijn gevoeligheden. Ik vind het aangenaam, neen te zeggen. Mijn hersens zijn daarop ingesteld. En daarmee uit! Waarom houd ik van chemie? Waarom hou jij van appels? Alles door de gevoeligheden. Hier heb je de waarheid en nooit zullen de menschen dieper komen. We bekennen dat niet graag en ik zal het ook niet voor de tweede maal zeggen!

--Van dit standpunt uit, is de deugd dus ook een gevoeligheid.

--Zeer zeker.

--Jevgenij! antwoordde Arkadiej, met droefheid in zijn stem.

--Och kom, smaakt het wat bitter? vroeg Bazarof, neen, mijn beste kerel, als men besloten heeft, alles omver te maaien, mag men zijn eigen beenen niet sparen. Maar we hebben nu genoeg gefilozofeerd. De natuur noodt tot het genot des sluimers, zegt Poesjkien.

--Dat heeft hij nooit gezegd, antwoordde Arkadiej.

--Kan zijn, maar als dichter had hij het kunnen of moeten zeggen. Apropos, is hij niet soldaat geweest?

--Poesjkien was nooit soldaat.

--Och kom! Op elke bladzijde roept hij: Te wapen! Te wapen. Voor Ruslands Eer!

--Waar haal je al die verzinsels vandaan? Dat noem ik laster!

--Laster? Och wat! Denk je me bang te maken met dat woord? Wat je ook voor praatjes van een mensch vertelt, hij verdient nog honderdmaal meer!

--Laten we maar gaan slapen, antwoordde Arkadiej gekrenkt.

--Met genoegen, graag.

Maar ze konden den slaap niet vatten, een gevoel van vijandigheid was in hun hart geboren. Na korten tijd sloegen ze de oogen op en keken elkaar zwijgend aan.

--Kijk, dat verdorde blad, zei Arkadiej opeens, het raakt los van den tak, warrelt omlaag, door de lucht, net als een vlindertje. Is dat niet vreemd? Het droevigste en meest doode lijkt op het zonnigste en meest levende!

--Mijn beste vriend Arkadiej Nikolajevitsj, riep Bazarof uit, ik smeek je in 's hemels naam, praat niet zoo poëtisch!

--Ik spreek, zooals ik voel... maar dat grenst aan tyrannie! Waarom zou ik niet zeggen, wat ik denk?

--Goed. Maar waarom zou ik dan ook niet zeggen, wat ik denk? Ik vind het onfatsoenlijk, poëtisch te doen!

--Je vindt het zeker fatsoenlijk, grofheden te debiteeren!

--Hé, hé, je schijnt vast besloten, de voetsporen van je oom te drukken. Wat zou die idioot tevreden zijn, als hij je eens hooren kon.

--Hoe zeg je daar van Paul Petrowitsj?

--Zooals hij verdient: een idioot.

--Dat wordt onduldbaar! riep Arkadiej.

--Aha, de familiezin ontwaakt, zei Bazarof rustig. Ik heb opgemerkt, dat die diep zit bij de meeste menschen. Ze zijn in staat, afstand te doen van alles, van hun vooroordeelen zelfs. Maar tóegeven, dat een broer, die zakdoeken gestolen heeft, een dief is, dat gaat hun krachten te boven. En natuurlijk, iemand, die mij zoo nauw verwant is, "mijn" broeder, zou die geen genie zijn?

--Ik heb een gevoel van rechtvaardigheid en niet van familievereering gevolgd, antwoordde Arkadiej opgewonden, maar aangezien jij geen orgaan hebt, geen begrip voor de familie, aangezien jij deze "gevoeligheid" mist, moest je er liever in 't geheel niet over spreken.

--Dat wil zeggen: Arkadiej Kirsanof staat te hoog, dan dat ik hem zou kunnen begrijpen. Ik buig het hoofd en veroordeel mezelf tot zwijgen.

--Schei toch uit, Jevgenij, we krijgen nog ruzie op die manier.

--Ja, ik bezweer je, Arkadiej, we zullen ruzie maken, we zullen elkaar afranselen, tot alle dierlijke warmte vernietigd is!

--Dat leidt dan tot...

--Tot vuistslagen! viel Bazarof hem in de rede, waarom ook niet? Hier op het hooi, in die idyllische omgeving, ver van de wereld en de menschen, het kon niet beter. Maar jij bent niet tegen mij opgewassen. Ik zal je bij de strot pakken!

Bazarof strekte zijn knokige vingers uit. Arkadiej nam glimlachend een verdedigende houding aan. Maar het gezicht van zijn vriend, het grijnzen van zijn lippen, het sombere vuur dat in zijn oogen gloeide was als een dreigement en onwillekeurig werd hij angstig.

--Eindelijk vind ik jullie dan! riep Wassili Ivanovitsj op dit oogenblik, die gekleed in een jas van zelfgeweven linnen en een thuis gefabriceerden strooien hoed voor de vrienden verscheen.

--Ik heb gezocht en gezocht... Jullie hebt een mooi plekje uitgekozen en bent daar nuttig bezig den hemel te bekijken... Weet jullie, dat die houding zoo een bizondere beteekenis heeft?

--Ik kijk alleen naar den hemel, als ik moet niezen, zei Bazarof onvriendelijk, en naar Arkadiej toe, zachter: het spijt me, dat hij tusschen beide gekomen is.

--Kom, nu is het genoeg, zei Arkadiej en drukte hem steelsgewijze de hand.

--Ik zie jullie aan, jonge vrienden, ging Wassili Ivanovitsj voort, schudde het hoofd en leunde, de handen gevouwen op een stok, dien hij zelf kunstig spiraalvormig gewonden had en van boven met een Turkschen kop versierd,

--Ik zie jullie aan en kan er niet genoeg van krijgen. Hoeveel kracht, jeugd, talent, kundigheden liggen niet in jullie verborgen... Castor en Pollux!

--Mooi! riep Bazarof uit, nu gaat hij aan mythologie doen. Je kunt wel merken, dat hij in zijn tijd erg knap in het Latijn is geweest. Heb je nooit de zilveren medaille gekregen voor je schoolwerk?

--Dioskuren! Dioskuren! herhaalde Wassili Ivanovitsj.

--Kom, vader, wees toch verstandiger. Wat minder teederheid alsjeblief.

--Een enkel maal zoo nu en dan is toch zoo erg niet, aarzelde de oude man. Maar ik ben niet gekomen om jullie complimenten te maken, maar in de eerste plaats om je mee te deelen, dat we gauw gaan eten en in de tweede plaats, Jevgenij... je bent een jongen met geest, je kent de menschen en zult dus weten te vergeven, je moeder wil dankgebeden voor je aankomst laten houden. Maak je niet ongerust, dat ik je vragen zal daarbij tegenwoordig te zijn. De ceremonie is al afgeloopen. Maar Vader Alexis...

--De priester?

--Ja, de priester is thuis en zal blijven eten. Ik was er niet op verdacht en ried het hem ook af. Ik weet niet, hoe dat zoo opeens gekomen is... hij begreep me zeker niet... en buitendien is Arina Vlassievna... Maar hij is een verstandig en aangenaam mensch.

--Ik hoop, dat hij mijn portie niet op zal eten? vroeg Bazarof.

--O neen, zei Wassili Ivanovitsj en lachte.

--Meer verlang ik niet. En dan kun je voor mijn part laten mee eten, wie je wilt!

--Ik wist wel, dat je boven alle vooroordeelen verheven zoudt zijn. Het zou ook wel kras zijn, anders. Ik met mijn twee en zestig jaren heb ze niet eens. (Wassili Ivanovitsj durfde niet bekennen, dat hij die gebeden even belangrijk vond als zijn vrouw, omdat hij net zoo vroom was). Maar Vader Alexis wilde je graag leeren kennen. Ik ben overtuigd, dat hij je mee zal vallen. Hij houdt van een spelletje en, maar dat blijft onder ons, rookt zelfs zijn pijpje.

--Nu, na tafel zullen we een partij jeralasj spelen en dan zal ik jullie al je geld afnemen.

--Hm, hm, hm, dat zullen we zien, zei grootmoeder altijd.

--Wilde je soms van zekere bekwaamheden misbruik maken? vroeg Bazarof met klemtoon.

Een blos kleurde de bronzen wangen van Wassili Ivanovitsj.

--Schaam je je niet, Jevgenij? Wat voorbij is, is voorbij. Nu ja, ik wil wel bekennen dat ik vroeger een hartstochtelijk speler was, maar dat heb ik duur geboet... Wat is het drukkend vandaag. Mag ik naast jullie komen zitten of stoor ik soms?

--Volstrekt niet, antwoordde Arkadiej.

Wassili Ivanovitsj ging op het gras zitten en begon met iets klagends in zijn stem:

--Deze ligplaats herinnert me aan mijn soldatenleven, aan bivak en ambulance. Dat was ook altijd naast een hooischelf, als er ten minste éen was in de buurt,--hij zuchtte--och, ik heb vreeselijke dingen gezien in mijn leven. Ik wil jullie, als je wilt, wat vertellen van de pestepidemie, die ons in Bessarabië decimeerde.

--En die je de Wladimirorde bezorgd heeft, zei Bazarof, dat ken ik, dat ken ik. Maar waarom draag je hem niet?

--Ik zei je daarnet immers, dat ik geen vooroordeelen heb, antwoordde Wassili Ivanovitsj verlegen.

Hij had het roode lintje den vorigen dag pas weggenomen uit zijn knoopsgat. En begon de episode te vertellen.

--Zie je hem? Hij is ingeslapen, fluisterde hij plotseling Arkadiej toe, en wees naar Bazarof, terwijl hij vertrouwelijk knipoogde.

--Wakker, Jevgenij! riep hij hard, we moeten eten.

Vader Alexis, een krachtige, volle gestalte, met dik, goed verzorgd haar en een breeden, gestikten gordel om de lila-zijden soutane, gedroeg zich verstandig en taktvol. Hij begon met den vrienden een hand te geven, als wist hij, dat zijn zegen hun onverschillig was, en zonder zijn stand iets te kort te doen, zorgde hij ervoor, niemand te grieven. Hij aarzelde niet, over het Latijn, dat in de seminariën gedoceerd werd, lichtelijk te spotten, en nam dadelijk daarop zijn aartsbisschop in bescherming. Na twee glazen wijn, weigerde hij het derde. Hij accepteerde de sigaar, die Arkadiej hem aanbood, rookte echter niet, maar zei, dat hij ze mee wilde nemen. Ook had hij de onaangename gewoonte, telkens de hand voorzichtig en langzaam naar het gezicht te brengen, om de vliegen te vangen en herhaaldelijk sloeg hij ze dan plat. Hij nam aan de speeltafel plaats, zonder daarbij veel belangstelling te toonen en won ten slotte twee roebel vijftig-papier van Bazarof. Van berekening in zilver had men nog geen voorstelling ten huize van Arina Vlassievna. Arina, die nooit speelde, zat naast haar zoon, de hand tegen de wang, zooals haar gewoonte was, en stond alleen op, om ververschingen gereed te maken. Ze was bang, te zeer alleen voor Bazarof oog te hebben, hij moedigde haar trouwens volstrekt niet aan. Bovendien had Wassili Ivanovitsj haar op het hart gedrukt, hem niet te lastig te vallen. De jonge lui houden daar niet van, zei hij.

Wij mogen niet nalaten te vermelden, dat er niets gespaard was voor het middagmaal. Timofeitsj was met het aanbreken van den dag naar stad gegaan, om eerste kwaliteit vleesch te koopen, de oudste knecht was elders heen gezonden om visch en kreeft te bemachtigen, terwijl twee en veertig kopeken in koper betaald werd aan de boerenvrouwen voor eetbare zwammen.

In Arina's blik, onafgebroken op Bazarof gericht, lag echter niet alleen teederheid en toewijding, ook een zekere droefheid, vermengd met angst, nieuwsgierigheid en stil verwijt.

Maar Bazarof bekommerde zich niet om wat er te lezen was in de oogen zijner moeder, hij sprak nauwelijks met haar en deed slechts nu en dan een korte vraag, maar wel vroeg hij, hem haar hand te geven, in de verwachting, dat dat geluk aanbrengen zou.

Arina Vlassievna legde haar week tenger handje in de ruwe breede hand van haar zoon.

--En, vroeg ze een oogenblik later, helpt het?

--Het gaat nog slechter, antwoordde hij met een onverschilligen glimlach.

--Mijnheer speelt te roekeloos, zei Vader Alexis op meewarigen toon en streek door zijn mooien baard.

--Zoo deed Napoleon het, vadertje, zei Wassili Ivanovitsj en speelde een aas uit.

--En zoo moet Napoleon op het eiland St. Helena gestorven zijn, antwoordde Vader Alexis en nam de aas met een troef.

--Jenoesjenka! Wil je een glas bessenwijn? vroeg Arina Vlassievna haar zoon.

Bazarof haalde alleen de schouders even op.

Den volgenden morgen zei hij tegen Arkadiej:

--Neen, ik moet morgen weer weg. Ik verveel me. Ik zou willen werken. Maar het is me onmogelijk, iets te doen. Ik wil naar jullie terug. Ik heb bij jullie al mijn werk gelaten. Bij jullie kan men tenminste alleen zijn. Maar hier is het den heelen dag: je kunt over mijn studeerkamer beschikken, daar ben je alleen. Maar zelf laat mijn vader me geen oogenblik met rust. En ik kan de deur toch niet voor hem sluiten. Moeder is even lastig. Ik hoor haar voortdurend zuchten in haar kamer en als ik bij haar ben, weet ik niet wat ik zeggen moet.

--Ze zal erg bedroefd zijn, als je weggaat, en je vader ook, antwoordde Arkadiej.

--Ik kom terug.

--Wanneer?

--Als we weer naar Petersburg gaan.

--Ik heb te doen met je moeder.

--Waarom? Omdat jij zulke lekkere ingemaakte vruchten van haar krijgt?

Arkadiej sloeg de oogen neer.

--Je kent je moeder niet, zei hij. Ze heeft niet alleen een hart van goud, maar ze is een verstandige vrouw ook. We hebben van morgen langer dan een half uur samen gepraat en dat was erg onderhoudend en lang niet dom.

--Ik was het onderwerp van gesprek?

--We hebben ook over andere dingen gesproken.

--Best mogelijk, dat je gelijk hebt. Als toeschouwer zie je die dingen beter. Als een vrouw in staat is een half uur lang een gesprek gaande te houden, dan is dat een goed teeken. Maar dat kan mij niet van mijn plan afbrengen.

--Ik weet niet, hoe je hun dat zult meedeelen. Zij schijnen te denken, dat we minstens nog veertien dagen blijven.

--Dat gaat niet. Buitendien was ik zoo dom, mijn vader te plagen, omdat hij laatst een boer had laten afranselen en niet ten onrechte. Ja, met recht, kijk me maar niet zoo aan. 't Was een onverbeterlijke dief en dronkenlap. Maar mijn vader wist niet, dat ik er alles van wist. Hij was erg onder den indruk. En daarom is 't een beetje lam, dat ik hem nu weer verdriet moet doen. Maar wat doet het er ook toe!... Het zal wel weer overgaan.

Ofschoon Bazarof dit nog al onverschillig had gezegd, kon hij het toch niet van zich verkrijgen, eerder over zijn vertrek te spreken dan op het oogenblik van goeden nacht zeggen in de studeerkamer. Met bedwongen geeuw, zei hij:

--Ja, nog wat... ik had bijna vergeten het te zeggen, de paarden moeten morgen vooruit gebracht worden naar Fedot.

Wassili Ivanovitsj bleef als versuft staan.

--Wil Arkadiej Kirsanof ons verlaten? vroeg hij eindelijk.

--Ja, en ik ga met hem mee.

Wassili Ivanovitsj schrok terug.

--Wil je weg?

--Ja, ik moet werken. Wil je de paarden vooruit sturen?

--Ja, ja, stotterde de oude man, naar de wisselplaats... goed... goed... maar... hoe kan dat nou?...

--Ik moet een paar dagen naar de Kirsanofs. Dan kom ik terug.

--O? Een paar dagen?... Goed...

Wassili Ivanovitsj nam zijn zakdoek, snoot en bukte zich bijna tot den vloer.

--Goed... ja,... ik zal er voor zorgen. Maar ik hoopte, dat je langer... dan drie dagen... na drie jaar afwezigheid... het is niet veel, Jevgenij.

--Ik zei toch al, dat ik terugkom. Maar het moet nu...

--Moet... nu ja... Zijn plicht moet men doen. Je wilt de paarden vooruit hebben? Het is goed, maar we hadden daar niet op gerekend, je moeder en ik. Ze heeft net bloemen laten halen voor je kamer.

Wassili Ivanovitsj zei er niet bij, dat hij elken morgen met het aanbreken van den dag op zijn pantoffels Timofeitsj opzocht en hem een gescheurd bankbiljet in de hand stopte, dat bestemd was voor allerlei eetwaren en rooden wijn, waarvan de jongelui zooveel hielden.

--Er is niets heerlijkers dan de vrijheid, dat is mijn opvatting. Je moet de menschen niet dwingen, je moet...

Wassili Ivanovitsj zweeg plotseling en ging naar de deur.

--We zien elkaar gauw weer, vader, dat beloof ik je.

Maar Wassili Ivanovitsj keek niet meer om, hij ging de kamer uit. Op zijn slaapkamer vond hij Arina Vlassievna ingeslapen. Hij bad zachtjes, om haar niet te storen, maar ze ontwaakte.

--Ben jij het, Wassili Ivanovitsj? vroeg ze.

--Ja, moedertje.

--Kom je van Jenoesja? Ligt hij wel goed op die sofa? Ik heb Anfisoesjka gezegd, dat ze hem jouw oude veldbed en de nieuwe kussens moet geven. Ik had hem graag het veeren bed gegeven. Maar hij ligt, geloof ik, niet graag week.

--Dat hindert niet, moedertje, hij heeft over niets te klagen. Wees maar gerust... Heer, vergeef ons onze zonden! bad hij voort.

Meer zei Wassili Ivanovitsj niet. Hij wilde zijn vrouw het nieuws niet vertellen. Want het zou haar nachtrust verstoord hebben.

Den volgenden morgen reisden de jonge lieden af. Alles in huis was terneergedrukt. Anfisoesjka liet borden vallen, Fedka scheen versuft en trok zijn laarzen uit. Wassili Ivanovitsj had het nog drukker dan anders. Hij deed zich geweld aan, zijn verdriet te verbergen, praatte erg hard-op en deed luidruchtig. Maar zijn gezicht was ingevallen en hij vermeed het, zijn zoon aan te zien. Arina Vlassievna weende stil. Ze zou het hoofd geheel verloren hebben, als Wassili Ivanovitsj haar niet heel in de vroegte een preek gehouden had.

Maar toen Bazarof zich eindelijk, na herhaalde verzekeringen dat hij binnen een maand terug zou zijn, uit de armen, die hem vasthielden, had losgewerkt, en in het rijtuig zat, toen de paarden aanzetten en het geluid der bellen zich mengde met het kraken der wielen en verder--verder klonk, toen het niet meer baatte, den tarantas nog langer na te kijken, toen het stof weer opgetrokken en Timofeitsj, gebroken, zijn slaapplaats had opgezocht, toen eindelijk de beide oudjes weer alleen waren in hun huis, dat hun nu nog nauwer en meer vervallen toescheen, liet Wassili Ivanovitsj, die daareven nog zoo trotsch en sterk gewuifd had met zijn zakdoek, zich in zijn leunstoel vallen en het hoofd zinken op de borst...

--Hij heeft ons verlaten, beefden zijn lippen, verlaten... hij verveelde zich bij ons. Nu ben ik weer alleen, alleen... alleen... en hij strekte den wijsvinger van zijn rechterhand uit.

Arina Vlassievna trad op hem toe, legde haar grijze hoofd tegen zijn grijs hoofd en zei:

--Wat is er aan te doen, Wassili? Een kind is als een stuk goed, dat laat los. Een zoon lijkt op een valk. Het behaagt hem te komen en hij komt. Hij wil gaan, en hij gaat. Maar wij beiden, jij en ik, wij zijn twee kleine zwammen in een hollen boom. En zoo leven we naast elkaar, stilletjes aan. Ik zal jou niet alleen laten en jij zult mij niet alleen laten en jij zult mij niet verlaten...

Wassili Ivanovitsj hief zijn hoofd op en drukte haar tegen zich aan, inniger dan hij het ooit gedaan had, ook, toen zij nog jong waren.

Ze had hem troost gegeven in zijn oud verdriet.

XXI.

De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote's huis. Bazarof was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.

Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat, vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.

Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn woning, links naar mevrouw Odintsof.

Hij keek Bazarof aan.

--Links, Jevgenij? vroeg hij.

Bazarof keek hem niet aan.

--Onzin, mompelde hij.

--Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.--Maar wat zou dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.

Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.

--Zooals je wilt, zei hij.