Part 10
Zijn huis bevatte maar zes kleine kamers. Het vertrek, waarheen hij zijn jonge vrienden voerde, heette het kabinet. Een zware, houten tafel, overdekt met bijna zwart berookte papieren, stond tusschen twee vensters. De wanden waren versierd met Turksche geweren, Kozakkenzweepen, een sabel, twee groote landkaarten, anatomische afbeeldingen, een portret van Hufeland, een kroon van haar gevlochten in een zwarte lijst, en een diploma, ook achter glas. Tusschen twee enorme boekekasten van berken wortelhout stond een op verschillende plaatsen gescheurde lederen sofa. Boeken, doozen, opgezette vogels, reageerbuizen, retorten in vakken ingedeeld. In een hoek der kamer eindelijk stond een electriseermachine, die blijkbaar geen dienst meer deed.
--Ik heb jullie direct gezegd, mijn waarde gasten, zei Wassili Ivanitsj, dat we hier om zoo te zeggen in bivak leven...
--Schei toch uit met je excuses, antwoordde Bazarof. Kirsanof weet heel goed, dat we geen Croesussen zijn en dat we in geen paleis wonen. De kwestie is, waar we kunnen slapen.
--Dat komt terecht, Jevgenij, ik heb een fijne kamer in het bijgebouw, je vriend zal zich daar volkomen thuis voelen.
--Heb je tijdens mijn afwezigheid een vleugel laten bijbouwen?
--En of, waar de badkamer is, zei Timofeitsj.
--Naast de badkamer, viel Wassili Ivanovitsj in de rede, ik zal eens gaan zien, of alles in orde is. En ga jij intusschen de bagage van de heeren halen, Timofeitsj. Jij komt natuurlijk in mijn studeerkamer, Jevgenij: Suum cuique.
--Een eigenaardig mensch, zei Bazarof, toen zijn vader weg was, net als jouw vader, maar dan op zijn manier. Hij praat wat te veel.
--Je moeder schijnt ook een lieve vrouw, zei Arkadiej.
--Ja, ze is niet kwaad. Je zult zien, wat we te eten krijgen!
--We verwachtten u niet vandaag, vadertje, zei Timofeitsj, toen hij den koffer bracht, we hebben geen vleesch.
--Dan doen we 't zonder vleesch. Waar niets is, heeft de keizer zijn recht verloren. Armoede is geen schande.
--Hoeveel boeren heeft je vader? vroeg Arkadiej.
--Het goed is niet van hem, het is van moeder en ik geloof, dat het hoogstens vijftien zielen telt.
--Twee en twintig met verlof, zei Timofeitsj, gekrenkt.
Zij hoorden het sloffen van de pantoffels en Wassili Ivanovitsj verscheen weer in zijn kabinet.
--Nog een minuut of wat en de kamer zal gereed zijn, u te ontvangen, Arkadiej--Nikolaitsj... zoo heet u toch, als ik me niet vergis, riep hij uit, en die hier zal u bedienen, zei hij, op een jongen wijzend, die mede binnengekomen was, hij heet Fedka.
Fedka had kort geknipt haar, een blauw hemd met gaten door de elbogen en laarzen, die niet van hem waren.
--U zult voor lief moeten nemen, zeg ik u nog eens, al wil mijn zoon het niet hebben. Overigens kan de jongen uitmuntend een pijp stoppen. U rookt zeker?
--Ik rook meest sigaren, antwoordde Arkadiej.
--Daar hebt u gelijk aan. Ik houd ook meer van sigaren. Maar die zijn hier moeilijk te krijgen, zoo ver van de stad.
--Schei toch uit met die klaagliederen, zei Bazarof, ga liever op de sofa zitten en laat me je eens bekijken.
Wassili Ivanovitsj ging lachend op de sofa zitten. Hij leek op zijn zoon. Alleen zijn voorhoofd was lager en smaller, zijn mond wat breeder, ook haalde hij telkens de schouders op, alsof de armsgaten van zijn jas te nauw waren. Hij knipoogde voortdurend, terwijl zijn zoon veel vrijer was in zijn bewegingen.
--Klaagliederen, antwoordde Wassili Ivanitsj, verbeeld je maar niet, dat ik probeer, het medelijden van je vriend op te wekken. Hij hoeft niet te denken, dat we hier in de woestijn leven. Ik geloof, dat er voor een denkend mensch in 't geheel geen woestijn bestaat. In ieder geval doe ik mijn best, geen mos op me te laten groeien, zooals het spreekwoord zegt. Ik wil niet bij mijn tijd achterblijven.
Hij haalde een splinternieuwen, geel-zijden zakdoek voor den dag dien hij gehaald had, toen hij de kamer van Arkadiej had geïnspecteerd, en ging voort, terwijl hij met dien zakdoek zwaaide:
--Ik zal me er niet op beroemen, dat ik de boeren aan me verplicht heb door hun de helft van het land af te staan, ofschoon me dat gevoelige verliezen heeft gekost. Ik beschouwde het als mijn plicht, het gezond verstand zegt, zoo te handelen. Ik begrijp niet, dat alle grondbezitters het nog niet gedaan hebben. Ik bedoelde straks de wetenschap en de ontwikkeling in 't algemeen.
--Daar heb je warempel "De Vriend der Gezondheid" liggen voor 't jaar '55! zei Bazarof.
--Een aandenken van een goed vriend, antwoordde Wassili Ivanitsj. En uitsluitend tegen Arkadiej sprekend, ging hij voort:
--Wij hebben ook nog wel eenig denkbeeld van de phrenologie! Hij wees op een kleinen kop van gips, die in een menigte vakjes was ingedeeld, de namen Schönlein en Rademacher zijn ons niet onbekend.
--Gelooft men nog aan Rademacher in het goevernement? vroeg Bazarof.
Wassili Ivanovitsj kuchte.
--In 't goevernement, herhaalde hij, zeker zullen de heeren meer van die dingen af weten, dan wij, er is geen denken aan, dat wij u nog zouden kunnen inhalen. Jullie moeten ons ook opvolgen. Ik weet nog wel, in onzen tijd vonden we den patholoog Hoffman of Browe met zijn vitalisme belachelijk, en toch hadden die opgang gemaakt in hun tijd. Er zal weer een ander geleerde gekomen zijn, om Rademacher te overtroeven en jullie gelooft in hem, maar over twintig jaar zullen ze weer over hem spotten.
--Ik kan je tot je troost zeggen, dat we tegenwoordig over de heele medische wetenschap lachen en geen enkelen leeraar erkennen.
--Hoe kan dat? Je studeert toch medicijnen?
--Jawel, maar het eene sluit het andere niet uit.
Wassili Ivanovitsj haalde zijn pijp uit, waarin nog wat warme asch.
--Kan zijn, zei hij, daar wil ik af wezen. Wat ben ik per slot van rekening? Een gepensioneerde regimentsdokter, voilà tout! En nu ben ik grondeigenaar geworden. Ik stond bij de brigade van uw grootvader, ja, ik heb heel wat gezien in mijn leven, alle mogelijke menschen ontmoet uit alle standen (dit was weer tegen Arkadiej). Ik, zooals ik hier voor u zit, heb vorst Witgenstein en Joekofski den pols gevoeld. En de mannen van den veertienden December [11] heb ik gekend in de Zuid-legers. U begrijpt!
Wassili Ivanovitsj zette deze woorden kracht bij door veelbeteekenend de lippen samen te knijpen.
--Ik heb ze allemaal gekend. Ik kon ze met den vinger aanwijzen. Maar ik bemoei me niet met dingen, die me niet aangaan. Men doet zijn plicht en daarmee basta. Ik moet zeggen, dat uw grootvader een krachtig man was, een echt soldaat!
--Een echte hark, kom er maar voor uit, viel Bazarof in de rede.
--Maar Jevgenij, hoe kan je zoo'n woord gebruiken. Dat is onvergefelijk. 't Is waar, de oude generaal Kirsanof hoorde niet tot...
--Laat hem maar slapen, antwoordde Bazarof, bij de aankomst zag ik met genoegen, dat het berkenboschje mooi opgeschoten is!
Wassili Ivanovitsj raakte plotseling in vuur.
--Dat is nog niets. Je moet den tuin zien. Ik heb hem zelf aangelegd. We hebben vruchtboomen, alle mogelijke kleingoed en geneeskundige kruiden. Jullie hebt goed praten, maar de oude Paracelsus heeft toch maar groot gelijk: In herbis, verbis et lapidibus... Ik heb de praktijk opgegeven, zooals je weet. Maar zoo twee, driemaal in de week gebeurt het nog wel, dat ze me komen raadplegen. Dan kan ik de menschen toch niet het huis uitjagen. Dikwijls ook arme lui. Want er is geen dokter in 't dorp. Mijn buurman, de majoor, doet me concurrentie aan. Ik vraag hem op een dag, of hij gestudeerd heeft. Nee, is zijn antwoord, maar hij doet het uit naastenliefde. Haha! Uit naastenliefde, hoe vind je die! Haha!
--Fedka, stop mijn pijp eens, riep Bazarof ruw.
--We hebben nog een anderen dokter, zei Wassili Ivanovitsj weer, maar er lag een zekere angst in zijn stem.--Stel je voor, dat die op een dag bij een zieke komt, die al ad patres is. De knecht wil hem niet binnen laten en zegt: we hebben u niet meer noodig. De dokter, die niet verdacht was op deze mogelijkheid, komt in verwarring en vraagt: Heeft hij benauwdheden gehad, voor hij stierf?
--Ja.--Nog al erg?--Ja.--Ah, dat is uitmuntend.--En hij ging weg! Ha ha!
De oude man was de eenige, die lachte. Arkadiej glimlachte beleefdheidshalve, Bazarof blies een rookwolk in de lucht. Het gesprek duurde ongeveer een uur. Arkadiej ging weer naar zijn kamer, die feitelijk een bij-badkamer was, maar toch zeer geriefelijk ingericht. Eindelijk verscheen Tanioesja en zei, dat het eten gereed was.
Wassili Ivanovitsj stond het eerst op.
--Gaat u mee, heeren? En neem me niet kwalijk, als ik u heb zitten vervelen. Ik hoop, dat mijn vrouw u beter behandelen zal.
Het maal, ofschoon in der haast toebereid, was inderdaad uitmuntend. Alleen de wijn liet te wenschen over. De bijna zwarte sherry, dien Timofeitsj in de stad had gekocht, gaf een nasmaak van kanipholium en koper. Ook de vliegen waren hinderlijk. Gewoonlijk had een jong knechtje ze met een boomtak te verdrijven. Maar Wassili Ivanovitsj had dit ambt opgeheven, ten einde geen kritiek uit te lokken van de jonge "mannen-van-den-vooruitgang". Arina Vlassievna had tijd gevonden, toilet te maken. Ze droeg een kapje met linten en een blauw-gebloemden sjaal. Ze begon weer te schreien, toen ze haar Jenoesja zag, maar haar echtvriend behoefde haar ditmaal niet te helpen, ze droogde van zelf haar tranen, ongetwijfeld bang, haar sjaal te bederven.
De jonge lui bewezen den maaltijd alle eer. De ouders, die 's middags al gegeten hadden, deden niet mee. Fedka, die zeer veel last van zijn laarzen had en een éenoogig vrouwspersoon met mannelijke trekken en die Anfisoesjka heette, bedienden bij tafel. De laatste vereenigde in haar persoon de ambten van keldermeester, waschvrouw en hoenderverzorgster.
Gedurende het eten liep Wassili Ivanovitsj met een van geluk stralend gezicht in de kamer heen en weer en gaf daarbij bespiegelingen ten beste over zijn grooten angst betreffende de politiek van Napoleon III en de duisterheid der Italiaansche kwestie. Arina Vlassievna scheen Arkadiej in het geheel niet te zien. Ze steunde de kin op de hand en haar rond gezicht had een merkwaardig goedige uitdrukking door de kleine, dikke, kersroode lippen en de schoonheidsvlekjes op haar wangen. Ze had de oogen niet van haar zoon en zuchtte maar. Ze had dolgraag geweten, hoe lang hij blijven zou. Maar ze durfde niet vragen. Ze dacht: als hij eens antwoordde: twee dagen... en de schrik sloeg haar om het hart. Na het gebraad verdween Wassili Ivanovitsj, maar kwam dadelijk terug met een halve flesch champagne, die hij open had gemaakt.
--Al wonen we ook in een wilde streek, zei hij, we kunnen toch wel wat ter opvroolijking vinden bij belangrijke gelegenheden.
Hij schonk drie groote en een klein glas in, verklaarde op het welzijn der dierbare bezoekers te drinken, dronk zijn glas in éen slok leeg en dwong Arina Vlassievna haar kleine glas geheel te ledigen. Toen de ingemaakte vruchten verschenen, meende Arkadiej, die zoete spijzen niet kon verdragen, toch van vier nieuwe soorten te moeten proeven, te meer, daar Bazarof rondweg weigerde en zijn sigaar opstak. Na het dessert kwam thee met room, krakelingen en boter. Toen bracht Wassili Ivanovitsj zijn gasten in den tuin, om van den heerlijken avond te genieten. Bij een bank fluisterde hij Arkadiej in het oor:
--Hier zit ik graag te mijmeren en naar den zonsondergang te kijken, dat gaat goed voor den kluizenaar. Een eind verderop heb ik Jevgenijs lievelingsboomen geplant.
--Wat voor boomen? vroeg Bazarof ruw.
--Nu... acacia's...
Bazarof gaapte.
--Ik geloof, dat onze reizigers goed deden, te gaan slapen, zei Wassili Ivanovitsj.
--Dat wil zeggen, dat het tijd is, naar bed te gaan, begon Bazarof, ik vind het goed. Vooruit maar!
En toen zei hij zijn moeder goeden nacht en kuste haar op het voorhoofd. Zij sloeg intusschen driemaal een kruis achter zijn rug. Wassili Ivanovitsj bracht Arkadiej naar zijn kamer en verliet hem met den wensch, dat hij "dezelfde rust zou genieten als hij in zijn jeugd had gekend." Inderdaad sliep Arkadiej goed in zijn klein kamertje. Het rook er naar versche houtkrullen en twee krekeltjes achter de kachel maakten een zachte, slaapwekkende muziek. Wassili Ivanovitsj ging naar zijn eigen kabinet, ging bij zijn zoon op bed zitten, dat wil zeggen op de sofa, en wilde wat praten, maar Bazarof vroeg hem weg te gaan, omdat hij slaap had, zooals hij zei. Toch deed hij den geheelen nacht geen oog dicht. Hij liet zijn blikken, hard, zweven door de duisternis. Jeugdherinneringen hadden geen macht over hem, maar de droeve ervaringen van den vorigen dag hielden hem nog altijd bezig.
Arina Vlassievna lag voor haar Heiligenbeelden te bidden en bleef toen nog langen tijd bij Anfisoesjka, die als een steenen beeld voor haar meesteres stond, die ze met haar éene oog aanstaarde, terwijl ze haar geheimzinnig en langzaam allerlei opmerkingen en vermoedens omtrent Jevgenij Wassiljewitsj meedeelde.
Door blijdschap, wijn en tabaksrook was haar brein zoo beneveld, dat het haar duizelde. Haar man wilde nog met haar praten, maar hij zag er van af en ging met een berustende handbeweging weg.
Arina Vlassievna was het type van den kleinen Russischen adel uit den goeden ouden tijd. Ze had twee eeuwen vroeger, in den tijd van de grootvorsten van Moscou geboren moeten zijn. Uitermate gevoelig en innig-vroom, geloofde ze aan voorteekens, voorgevoelens, tooverij en droomen, aan spotgeesten, huis- en woudgodheden, ongeluk brengende ontmoetingen, aan "het Booze Oog", aan huismiddeltjes, aan de kracht van het zout op de altaren op Groenen Donderdag en den aanstaanden ondergang der wereld. Ze geloofde, dat er een goede boekweitoogst zou zijn, als de kaarsen in de Paaschnachtmis niet uitgingen, dat de champignons niet meer groeiden, zoodra de blik des menschen hen trof, dat de duivel gaarne kwam op plaatsen waar veel water is, en dat alle Joden een bloedvlek hebben op de borst. Ze was bang voor muizen, adders, kikvorschen, musschen, bloedegels, den donder, koud water, tocht, paarden, bokken, roodharige menschen en zwarte katten en vond krekels en honden onreine schepsels. Ze at kalfsvleesch noch duiven, kreeft noch kaas, asperges noch hazen, noch watermeloenen (omdat een opengesneden meloen deed denken aan het afgeslagen hoofd van Johannes den Dooper) en de gedachte alleen aan oesters, die ze nog nooit had gezien, deed haar rillen. Ze at graag veel en goed en hield zich streng aan de vastendagen. Ze sliep tien uur daags. Het eenige boek, dat ze gelezen had, heette Alexis of de hut in het woud, ze schreef éen, hoogstens twee brieven in het jaar en kon overheerlijk vruchten inmaken en groente, ofschoon ze zelf niets deed en zich niet graag bewoog.
Overigens was ze niet zonder gezond verstand. Ze wist, dat er heeren zijn om te bevelen en knechten om te gehoorzamen. Ze had dan ook geen bezwaar tegen de onderdanigheid der bedienden en hun diepe eerbewijzen. Maar ze behandelde hen met groote zachtzinnigheid, liet geen bedelaar zonder aalmoes gaan en veroordeelde niemand, zonder afkeerig te zijn van kletspraatjes. Ze was niet leelijk geweest in haar jeugd, speelde piano en sprak een beetje Fransch. Maar gedurende het vele reizen van haar man, met wien ze tegen haar wil was getrouwd, was ze dik geworden, en had haar muziek en Fransch verleerd. Ze aanbad haar zoon, maar was erg bang voor hem. Wassili Ivanovitsj beheerde haar goed en ze liet hem volkomen vrij in dit opzicht. Ze begon te zuchten, en waaierde zich met haar zakdoek en trok de wenkbrauwen hoog op, wanneer haar man begon te spreken over hervormingen of over zijn eigen plannen. Ze was wantrouwend, verwachtte voortdurend een of ander groot ongeluk en begon te weenen, zoodra ze aan iets droevigs dacht... Zulke vrouwen beginnen zeldzaam te worden. Misschien moeten we ons daarover verheugen...
Zoodra Arkadiej was opgestaan, deed hij het venster open en het eerste wat hij zag was Wassili Ivanovitsj, in chalaat (chambre cloak), een zakdoek om het middel, aan het werk in den moestuin. Toen hij zijn jongen gast gewaar werd, leunde hij op zijn schop en riep hem toe:
--Goeden morgen. Hoe heb je geslapen?
--Heel goed, antwoordde Arkadiej.
--Je ziet een soort Cincinnatus voor je, ging de oude man voort, ik ben bezig met een bed herfstrapen. We leven in een tijd, en ik beklaag me daar in het geheel niet over, dat ieder de handen uit de mouw moet steken voor zijn dagelijksch brood. Je kunt je niet op anderen verlaten. Je moet zelf aanpakken. Jean Jacques Rousseau had gelijk, al beweren ze ook van niet. Een half uur geleden had u me aan heel ander werk bezig kunnen zien, mijn beste heer. De boerin kwam me consulteeren over buikloop. Ik heb haar, hoe zal ik zeggen, ik heb haar een dosis opium ingegeven. En een andere heb ik een tand getrokken. Ik had haar willen verdooven met chloroform, maar ze wilde niet. Natuurlijk doe ik dat allemaal voor niets--en amateur. Maar daar schaam ik me heelemaal niet voor. Ik ben plebejer, een homo novus, ik voer geen wapen, zooals mijn teergeliefde echtgenoote... maar zou u niet eens hier in de schaduw vòòr het ontbijt de frissche morgenlucht willen inademen?
Arkadiej kwam naar buiten.
--Welkom, welkom, ging Wassili Ivanovitsj voort en bracht militair de hand aan het vettige kalotje op zijn hoofd,--ik weet, dat u de grootste weelde gewend bent, maar zelfs de grooten dezer aarde versmaden het niet, een enkele maal in een hut te overnachten.
--Hoe kunt u mij een groote dezer aarde noemen? riep Arkadiej--en dan moet ik u beleefd verzoeken, niet te denken, dat ik aan weelde gewend ben.
--Jawel, jawel, antwoordde Wassili Ivanovitsj glimlachend,--ik ben nu wel oud roest, maar ik heb toch genoeg in de wereld rondgekeken, om een vogel aan zijn veeren te kennen. Ook verbeeld ik me een beetje psycholoog en gezichtskundige te zijn. Zonder dat zou ik allang verloren zijn geweest. De menschen zouden me vertrapt hebben, ellendig aardwormpje, dat ik ben. Ik kom er rond voor uit: de vriendschap, die er tusschen u en mijn zoon bestaat, doet me oprecht pleizier. Ik kom juist van hem vandaan. Hij is oudergewoonte vroeg opgestaan en stroopt den omtrek af. Mag ik u vragen: duurt die vriendschap al lang?
--Verleden winter hebben we elkaar ontmoet.
--Ja? Mag ik dan nog een vraag... maar zullen we niet gaan zitten? Mag ik u met de vrijmoedigheid van een vader vragen, wat u denkt van mijn zoon?
--Uw zoon is een van de uitnemendste mannen, die ik ooit ontmoet heb! antwoordde Arkadiej levendig.
Wassili Ivanovitsj spalkte zijn oogen wijd open, een lichte blos kleurde zijn wangen. Hij liet zijn schop vallen.
--U denkt dus... begon hij weer.
--Ik ben overtuigd, dat uw zoon een groote toekomst voor zich heeft, ging Arkadiej voort. Hij zal uw naam beroemd maken. Daarvan was ik bij onze eerste kennismaking al overtuigd.
--U zegt?... hè?... kwam er moeilijk uit. Een trotsche glimlach ontplooide zijn breeden mond en bleef daar.
--Wilt u weten, hoe we elkaar leerden kennen?
--Ja... en...
Arkadiej sprak met nog grooter bewondering over zijn vriend, als op dien eersten avond met mevrouw Odintsof in de balzaal.
Wassili Ivanovitsj hoorde toe, snoot zijn neus, verfrommelde zijn zakdoek met beide handen, kuchte, streek door zijn haar, maar kon zich eindelijk niet langer inhouden, pakte Arkadiej en kuste hem op den schouder.
--U hebt den gelukkigsten mensch van me gemaakt, zei hij en glimlachte. Ik moet u bekennen, dat ik, dat ik mijn zoon verafgood. Ik spreek niet van mijn vrouw, zij is moeder en voelt als moeder. Maar ik durf mijn zoon niet bekennen, hoe ik hem liefheb, want dat zou hem niet aangenaam zijn. Hij kan zulke ontboezemingen niet verdragen. Sommigen verwijten hem die karaktervastheid en houden het voor gevoelloosheid en valschen trots. Maar mannen als hij kunnen niet met dezelfde maat gemeten worden als gewone stervelingen. Een ander zou in zijn plaats zijn vaders beurs hebben geplunderd. Maar hij heeft nog nooit een kopeke te veel gevraagd, dat verzeker ik je!
--Hij is een onzelfzuchtig, feilloos man, zei Arkadiej.
--Zooals je zegt een toonbeeld van onzelfzuchtigheid. Wat mij betreft, ik verafgood hem niet alleen, ik ben ook trotsch op hem en wat mijn trots het meest streelt is, dat men eens in zijn biografie zal lezen: hij was de zoon van een eenvoudig officier van gezondheid, die vroegtijdig zijn talent ontdekte en alles deed voor zijn ontwikkeling, wat...
Hij kon niet verder spreken.
Arkadiej drukte hem de hand.
--Wat denkt u? vroeg Wassili Ivanovitsj na eenigen tijd, zou hij als medicus den roem verwerven, dien u hem voorspelt?
--Zeer zeker niet, al zal hij ook in dit vak tot de geleerdste mannen behooren.
--In welk vak denkt u dan, dat hij...
--Dat is zoo niet te zeggen, maar hij zal een beroemd man zijn.
--Een beroemd man! herhaalde de vader en gaf zich aan zijn droomen over.
--Arina Vlassievna laat vragen, of u thee komt drinken, zei Anfisoesjka, die met een groote schaal frambozen voorbij kwam.
Wassili Ivanovitsj schrikte op.
--Is er room bij de frambozen? vroeg hij.
--Ja, die is er.
--Maar hij moet goed koud zijn, hoor je. Geneer je niet, Arkadiej Nikolajitsj, neem nog maar meer. Waar zit Jevgenij zoo lang?
--Ik zit hier, riep Bazarof van uit Arkadiej's kamer.
Wassili Ivanovitsj keerde zich snel om.
--Je wilde je gast zeker verrassen. Maar je komt te laat, amice, we zijn al een uur aan het praten samen. Kom mee thee drinken, je moeder wacht ons. Apropos, ik moet je wat vragen.
--Wat?
--Er is hier een boer, die aan icterus lijdt.
--Hij heeft dus geelzucht.
--Ja, hij heeft een aanval van chronischen en hardnekkigen icterus. Ik heb hem duizendguldenkruid en hondsgras gegeven. Ook liet ik hem worteltjes eten en sodawater drinken. Maar dat zijn maar huismiddeltjes. Hij moet wat sterkers hebben. Je spot wel met de medicijnen, maar misschien kun je me toch raad geven.
--Daar kunnen we later over spreken. Laten we eerst thee gaan drinken.
Wassili Ivanovitsj stond vlug op van de bank en begon te zingen het lied uit Robert le Diable:
De wijn, de wijn, het spel, de meisjes daar houd, daar houd, daar houd ik van alleen.
--Wat een vitaliteit! zei Bazarof en ging van het venster weg.
Het was middag, en drukkend heet, al hing een fijn gordijn van blanke wolken voor den hemel. Stilte heerschte rondom, alleen de hanen kraaiden in het dorp, en die gerekte klanken brachten een gevoel van traagheid en verveling over de menschen. Nu en dan snerpte boven uit een boom de doordringende schreeuw van een jongen sperwer als een wreede klacht.
Arkadiej en Bazarof lagen in de schaduw van een hooimijt uitgestrekt op een hoop pas afgemaaid gras, dat bij iedere beweging ritselde, ofschoon het nog groen en geurig was.
--Die populier, zei Bazarof, herinnert mij aan mijn kindsheid. Hij staat aan den rand van een droge sloot, die zich gevormd heeft op de plaats van een vroegere pannenbakkerij. Ik was overtuigd, dat die boom en die kuil de kracht van een talisman hadden. Ik verveelde me nooit, als ik daar was. Ik begreep toen nog niet, dat ik me alleen daarom niet verveelde, omdat ik een kind was. Nu heeft die talisman zijn beteekenis verloren.
--Hoeveel jaren heb je hier doorgebracht? vroeg Arkadiej.
--Twee jaar aan éen stuk. Later kwamen we nu en dan terug. We leidden een zwerversleven en trokken altijd van de eene stad naar de andere.
--Staat het huis allang?
--Ja, mijn grootvader heeft het gebouwd, de vader van mijn moeder.
--Wat was je grootvader?
--Dat weet ik waarachtig niet. Ik geloof majoor tweede klasse. Hij heeft nog onder Soeworof gediend en vertelde altijd, hoe ze over de Alpen waren getrokken. Hij zal wel flink hebben opgesneden.
--Hangt daarom het portret van Soeworof in jullie eetkamer? Ik houd van zulke oude, warme huisjes als dat van jullie. Ze hebben zoo een eigenaardige lucht.
--Ja, olie en zeep, antwoordde Bazarof, en al die muggen in die lieve huisjes, bah!
--Hebben ze je kort gehouden, vroeger? vroeg Arkadiej na eenig zwijgen.
--Je kent mijn ouders toch. Het zijn geen menscheneters.
--Hou je van ze?
--O ja, Arkadiej.