Uren met Schopenhauer

Part 4

Chapter 43,373 wordsPublic domain

Het groote onderscheid tusschen mensch en dier bestaat daarin, dat de mensch een klasse van voorstellingen heeft, welke het dier mist. Wij bedoelen die afgetrokken, uit de aanschouwelijke voorstelling door aftrekking verkregen voorstellingen, welke begrippen heeten. De handelingen der menschen grijpen met niet minder strenge noodzakelijkheid plaats, dan die der dieren; doch daar de mensch begrippen heeft, kan hij zich door een ander soort van beweegredenen dan het dier laten leiden, namelijk door gedachten; hij kan handelen met opzet, met overleg, volgens een plan, volgens stelregels in overeenstemming met anderen enz., in plaats van enkel den impuls op te volgen, welke door aanschouwelijke, bij de hand zijnde voorwerpen wordt uitgeoefend. Zoo ontstaat alles, wat het menschelijk leven rijk, kunstig en verschrikkelijk maakt. De kloof tusschen menschen en dieren wordt ten slotte zoo breed, dat de mensch zijn broeders, de dieren, niet meer kent, ze voor iets geheel anders houdt dan hij zelf is en om zich in dien waan te bevestigen, ze beesten noemt, alle levensverrichtingen, welke hij met de dieren gemeen heeft, met schimpnamen aanduidt, de dieren voor rechteloos uitgeeft en zich, althans hier in het westen, halsstarrig verzet tegen de zich hem opdringende identiteit van wezen bij mensch en dier.

Toch is het eenig verschil, zooals gezegd, enkel dit, dat de mensch niet enkel aanschouwelijke, maar ook afgetrokken voorstellingen heeft, begrippen genaamd, wijl ieder van hen ontelbare dingen onder zich begrijpt. Men kan de begrippen definieeren als voorstellingen uit voorstellingen. Bij hunne vorming worden de volledige, dus aanschouwelijke voorstellingen in hunne bestanddeelen gesplitst, om deze afzonderlijk, ieder voor zich, te kunnen denken als verschillende eigenschappen der dingen of als betrekkingen tusschen de dingen. Wanneer dit plaats grijpt, raken de voorstellingen noodzakelijk haar karakter van aanschouwelijkheid kwijt, gelijk water, dat in zijn elementen wordt ontleed, zijn vloeibaarheid verliest. Want iedere afzonderlijke geabstraheerde eigenschap laat zich wel alleen denken, maar niet op zichzelve ook alleen aanschouwen. De vorming van een begrip grijpt op deze wijze plaats, dat men van het aanschouwelijke veel laat wegvallen, om dan het overblijvende op zichzelf te kunnen denken: men denkt dus minder dan er aanschouwd werd. Heeft men verschillende aanschouwelijke voorstellingen de revue laten passeeren, van ieder dier voorstellingen iets anders doen wegvallen en toch bij allen hetzelfde overgehouden, dan is dat het genus eener soort.... De hoogste, de meest algemeene begrippen, zijn natuurlijk de holste en de armste, ledige hulzen als b.v. zijn, wezen, ding, worden, enz. Men kan begrijpen, hoe oneindig hol en arm, hoe benauwend vervelend wijsgeerige stelsels moeten uitvallen, die uit zulke ledige hulzen worden te voorschijn gesponnen.

Enkel omdat de dieren tot aanschouwelijke voorstelling beperkt zijn, hebben zij geen taal, zelfs al zijn zij in staat woorden uit te spreken; ze verstaan enkel eigennamen. Om dezelfde reden lachen de dieren niet.

Wanneer men een ietwat lange en samenhangende toespraak van een ruw en onbeschaafd mensch ontleedt, dan vindt men daarin nochtans zulk een rijkdom van logische vormen, wendingen, onderscheidingen en fijnheden van iedere soort, behoorlijk door grammatikale buigingen en konstrukties uitgedrukt, dat men van verbazing de handen ineen slaat en een zeer uitgebreid en samenhangend weten daarin ontdekt. Die gansche ontwikkeling rust op den grondslag van aanschouwing en wordt verkregen door het wezen der aanschouwelijke wereld in afgetrokken begrippen om te zetten: door de rede, die als onmisbaar hulpmiddel zich daarbij van de taal bedient, werd het groote werk verricht. Met het aanleeren der taal komt dus het geheele mechanisme der rede, het wezenlijke der logica, tot het bewustzijn van het kind. Natuurlijk geschiedt dit niet zonder groote inspanning des geestes, zonder welwillende opmerkzaamheid, maar daartoe hebben de kinderen de kracht, want hun leergierigheid is sterk, wanneer ze het werkelijk bruikbare en onmisbare tegenover zich zien; slechts dan schijnt die leergierigheid zwak, als men hun datgene wat hun niet voegt wil opdringen. Dus bij het aanleeren der taal met hare tal van wendingen en fijnheden, zoowel door het luisteren naar wat volwassenen zeggen als door zelf te spreken, erlangt het kind, zelfs al wordt het zeer ruw opgevoed, die ontwikkelde rede en verwerft het die konkrete logika, welke niet in de kennis der logische regelen bestaat, maar geschikt maakt om ze onmiddellijk en rechtstreeks toe te passen; zoo leert een mensch van muzikalen aanleg, zonder het lezen van noten en zonder generaalbas, door eenvoudig pianospelen op het gehoor, de regels der harmonie.

Daardoor, dat begrippen minder inhoud hebben dan de voorstellingen, waaruit ze worden geabstraheerd, zijn ze zoo handig. Zij stellen ons in staat, om juist dat deel der voorstellingen te gebruiken, dat men op een gegeven oogenblik noodig heeft, terwijl, wanneer men zich door de fantasie de volledige voorstellingen moest voor den geest roepen, men allerlei ballast zou moeten meenemen en gevaar loopen daaronder te bezwijken. Juist omdat de taal ons veroorlooft overbodig pak weg te werpen, zijn wij denkende wezens. Dat denken verleent den mensch de bezonnenheid, welke bij het dier gemist wordt. Zij stelt hem in staat duizend dingen door een begrip te omvatten en telkens datgene, waarop het aankomt, zich voor den geest te houden, allerlei verschillen, ook die van ruimte en tijd, buiten zijn horizon te bannen, zich het afwezige, het verleden, de toekomst, voor den geest te stellen, terwijl het dier in ieder opzicht aan het heden gebonden is. Het vermogen om zich te bezinnen, tot zichzelf te komen, is de wortel van alle theoretische en praktische verrichtingen, door welke de mensch het dier overtreft; zoo is hij in staat onder terugblik op het verleden voor de toekomst te zorgen, opzettelijk, volgens een vast plan, methodisch te handelen, met velen tot één doel samen te werken, zich aan orde, zich aan een wet te onderwerpen, in een staat te leven.

Alle denken, in den ruimen zin des woords, alle geesteswerkzaamheid, heeft òf woorden, òf fantasiebeelden noodig: van beiden verstoken heeft het geen steun, waarop het rust.

Er zijn waarheden, die wij ontdekken door reflexie, dat is door zelfonderzoek. Zoo bespeuren wij, dat we niet in strijd met de wet der contradictie kunnen denken, want iedere poging daartoe mislukt; we kunnen het evenmin als onze ledematen tegen de richting der gewrichten in bewegen. Voor zulk een proef hebben we voorstellingen, objekten noodig en enkel door met deze te experimenteeren ontdekken we de wetten van het denken. Beproeven we een verandering zonder voorafgaande oorzaak, of wel een ontstaan, of vergaan van materie te denken, dan krijgen we het bewustzijn dat het onmogelijk is; de wortel dier onmogelijkheid is in ons intellekt; anders zouden we haar niet op den subjektieven weg kunnen ontdekken; maar die onmogelijkheid geldt voor objekten; door met objekten proeven te nemen wordt zij opgespoord. Rechtstreeks, zonder behulp van objekten, kan het subjekt zich niet leeren kennen.

De dieren hebben enkel verstand. De mensch is tevens een redelijk wezen. Dat de dieren verstand hebben, blijkt daaruit, dat ook zij uit hunne gewaarwordingen door toepassing van de wet der causaliteit tot aanschouwing van voorwerpen in de ruimte opklimmen. Maar de mensch, die in een wereld van begrippen leeft en een sprekend wezen is, dus tot bezonnenheid en echt menschelijke verrichtingen in staat, is in het bezit der rede. Zoo heeft men te allen tijde tot dusverre de grens getrokken, maar in den laatsten tijd hebben de philosofieprofessoren goed gevonden om in strijd met het spraakgebruik verstand te noemen wat tot dusverre rede heette en driestweg met den naam van rede een nieuw door hen uitgedacht vermogen aan te duiden, een vermogen om door een zich openend venster in een bovennatuurlijke wereld te schouwen en zoo waarheden betreffende het zoogenaamd absolute, betreffende de Idee in ontvangst te nemen. Ook schermen ze dan veel op gemoedelijken en sentimenteelen toon met ideeën, als het goede, het ware, het schoone, welke op de keper beschouwd slechts zeer ruime en hoogst abstrakte, immers uit een oneindig getal van dingen en betrekkingen afgetrokken, dus aan inhoud uiterst arme begrippen zijn.

Kennis kan, volgens Schopenhauer, enkel wat haar vorm betreft, a priori zijn. Daarentegen moet alle inhoud van kennis uit de ervaring zijn geput. Vorm van kennis is steeds voorwaarde van kennis, aan welke het kennend subjekt bij waarneming en denken gebonden is.

Als de rede een vermogen ware, berekend om kundigheden, ook wat haar stof betreft, te leveren en dus inzichten te geven aangaande wat de mogelijkheid van alle ervaring te boven gaat, dan moest er over de onderwerpen der metaphysica, welke dezelfde zijn als die van den godsdienst, een even groote overeenstemming onder de menschen heerschen, als over de onderwerpen der mathesis; het gevolg zou zijn, dat wanneer iemand er afwijkende inzichten op nahield, hij als niet recht bij zijn verstand zou worden beschouwd. Maar juist het omgekeerde grijpt plaats. Sedert de menschen denken, staan overal de philosofische stelsels ten deele diametraal tegenover elkander; en sedert de menschen gelooven, wat van nog ouder datum is, bestrijden de godsdiensten elkander te vuur en te zwaard met vervloekingen en kerkregels. Voor alleen loopende ketters waren er in den tijd van het levende geloof geen krankzinnigenhuizen, maar kerkers der inquisitie met wat er bij behoort. Dus ook hier spreekt de ervaring luide en onloochenbaar tegen het leugenachtig voorwenden van een rede, die een vermogen tot onmiddellijke metaphysische kundigheden, of, duidelijker gezegd, tot ingevingen uit den hooge ware, over welke het dus wel tijd is een streng gericht te houden; het is afschuwelijk welk een lamme leugentaal sedert een halve eeuw in Duitschland overal wordt gekolporteerd, jaar in jaar uit van den katheder naar de studentenbanken en dan weder van de banken naar den katheder verhuist; ja zelfs in Frankrijk zijn er thans een paar onnoozele bloeden, die zich het sprookje hebben laten diets maken en het nu onder hunne landgenooten rondventen; echter zal de bon sens der Franschen aan de raison transcendentale wel spoedig de deur wijzen.

Ik moet bekennen, het is niemand minder dan Kant, die met zijn praktische rede en zijn kategorischen imperatief tot al dat gezwets aanleiding heeft gegeven. Toen die praktische rede eenmaal was aangenomen, was er niets meer noodig dan haar een theoretische rede als tweelingzuster toe te voegen, die eveneens ex tripode bovennatuurlijke waarheden zou verkondigen... Het is een vloek, die ten gevolge van zijn verwantschap met het verkeerde en slechte op het geslacht der tweevoeters drukt, dat van het werk der groote geesten juist de gebreken het meest bekoren; zij worden geprezen en bewonderd, maar het werkelijk groote laat men terzijde liggen. Wat diep is in de philosophie van Kant is slechts aan uiterst weinigen bekend: zijn geschriften worden enkel ter loops gelezen door lieden, die meenen, dat eerst na hem het rechte gekomen is; aan hun spreken merkt men dadelijk, dat zij enkel de schaal, de buitenzijde kennen, een vagen omtrek ervan mee naar huis hebben genomen, maar nooit in den diepen zin en den geest zijn doorgedrongen.

Thans is eindelijk een tijdperk ingetreden, dat reeds lang voorspeld was geworden; de kerk wankelt, wankelt zoo sterk, dat zich vragen laat of zij ooit haar zwaartepunt zal terugvinden. Het getal van hen, die een zekere graad en omvang van kundigheden ongeschikt maakt om te gelooven, is bedenkelijk groot geworden. Daarvan getuigt de algemeene verbreiding van het platte rationalisme, dat zijn bulhondentronie steeds breeder maakt. De diepe mysteriën van het christendom, over welke de eeuwen gebroed en gestreden hebben, worden met een kleermakersel uitgemeten en veroordeeld. Het hoofddogma van het christendom, de leer van de erfzonde, is bij de rationalistische plathoofden een thema van kinderspot geworden, want niets schijnt hun klaarder en zekerder, dan dat het bestaan van ieder met zijn geboorte aanvangt en hij dus onmogelijk met schuld beladen op de wereld kan zijn gekomen. Hoe scherpzinnig!—En gelijk, wanneer verarming en verwaarloozing gestadig toenemen, de wolven aanvangen zich in het dorp te vertoonen, zoo verheft onder deze omstandigheden het steeds op de loer liggende materialisme het hoofd en komt met zijn geleider, het bestialisme, aan de hand aanwandelen. Met het onvermogen om te gelooven groeit echter de behoefte aan kennis.

FRAGMENTEN UIT „WELT ALS WILLE UND VORSTELLUNG”

Locke zegt: „Het is duidelijk, dat de geest de dingen niet rechtstreeks kent, maar enkel door tusschenkomst van ideeën of voorstellingen, welke de dingen vertegenwoordigen; bijgevolg is onze kennis slechts in zooverre juist als er overeenkomst bestaat tusschen onze ideeën en de voorwerpen, waarop die ideeën betrekking hebben”.

Deze theorie, volgens welke er bij de waarneming ideeën of beelden tusschen ons en de dingen zouden in staan, leidt tot scepticisme. Hoe zullen we onze ideeën met hare modellen, d.i. met de werkelijkheid zelve, vergelijken, indien, zooals wordt ondersteld, men tot de werkelijkheid geen anderen toegang heeft dan door middel van idee of beeld? Wij willen ons vergewissen of het beeld, dat wij ons van gindschen boom gevormd hebben, al dan niet aan den boom beantwoordt; wat kunnen wij nu volgens Locke’s hypothese anders doen dan naar den boom kijken en ons zoo een nieuw beeld van den boom verwerven, dat wij met het oude beeld vergelijken? Maar zoo blijven wij steeds binnen den kring van beelden of voorstellingen opgesloten. Vandaar dat de beroemde Euler in zijn „Brieven aan een duitsche prinses” kon schrijven: „Ik meen dat de gewaarwordingen der zinnen nog iets meer behelzen dan de philosofen zich inbeelden. Zij zijn niet maar waarnemingen van zekere in de hersenen gemaakte indrukken. Zij geven niet maar aan de ziel ideeën van dingen, doch zij stellen haar tevens werkelijk de dingen voor, die buiten haar bestaan, ook al kan men niet begrijpen, hoe dat eigenlijk in zijn werk gaat”. Schopenhauer is het met een gedeelte van deze opmerking van Euler volkomen eens. Ook hij is van oordeel, dat wij de dingen zelve buiten ons waarnemen, doch, voegt hij er aan toe: die dingen zelve zijn onze voorstellingen, onze ideeën. Door deze uitspraak doet Schopenhauer zich als idealist kennen. Natuurlijk heeft men bij dit gebruik van het woord niet aan geestdrift voor idealen te denken, maar enkel aan vereenzelviging van ideeën en dingen.

De waarneming is volgens Schopenhauer niet onbegrijpelijk, daar zij door toepassing van de ons a priori bewuste wet der causaliteit op de gewaarwordingen ontstaat; zoo besluiten wij, bij het zien, van de werking, de gezichtsgewaarwording, tot haar oorzaak, het aanschouwde ding; maar die overgang van werking tot oorzaak grijpt zoo snel plaats, dat zij niet in het bewustzijn valt, en de zinnelijke gewaarwording, de stof waaruit het aanschouwde ding wordt opgebouwd, zich niet laat afscheiden van de door het verstand gevormde voorstelling. Dat wij den oorsprong onzer zinnelijke gewaarwordingen bij het niet-ik zoeken, is aan de wet der causaliteit te danken, die het menschelijk intellekt beheerscht. Dat wij het niet-ik als uitgebreid waarnemen, ligt daaraan, dat de ruimte een noodzakelijke vorm van ons aanschouwingsvermogen is. Doch daar ruimte en causaliteit bij ons behooren, zijn de dingen, die wij rechtstreeks waarnemen, tegelijkertijd slechts onze voorstellingen. De overgang bij de waarneming van de gewaarwording tot haar oorzaak laat zich, wat haar onmiddellijkheid en bewusteloosheid betreft, ophelderen door een analoge gebeurtenis, die bij het afgetrokken voorstellen of denken plaats grijpt. Bij het lezen en hooren worden ons enkel woorden verschaft, maar van deze gaan we zoo onmiddellijk tot de daardoor aangeduide begrippen over, dat het is, alsof we rechtstreeks de begrippen ontvingen. Vandaar dat we soms niet weten, in welke taal we gister iets, dat we ons herinneren, gelezen hebben. Dat de overgang nochtans telkens plaats grijpt, wordt bespeurd, wanneer wij eens bij uitzondering, doordat we verstrooid zijn, gedachteloos lezen en vervolgens bemerken, dat wij enkel letters en woorden gezien, maar niets begrepen hebben. Zoo is het in de dagen van het schrikbewind in Frankrijk gebeurd dat een klerk, die talrijke doodvonnissen had te kopieeren, zijn eigen doodvonnis neerschreef, zonder dat het door hem bemerkt werd. Enkel wanneer we van abstrakte begrippen tot beelden der fantasie overgaan, b.v. bij de arke Noachs ons een reusachtig houten gevaarte op de zwarte, golvende watermassa verbeelden, komt de omzetting van het woord in wat er door beteekend wordt, tot ons bewustzijn.

De grondfout van alle stelsels is volgens Schopenhauer miskenning van deze waarheid, dat het intellekt en de materie korrelata zijn, d.i. dat het eene er enkel voor het andere is, dat beide met elkander staan en vallen, dat zij elkander afspiegelen, ja dat zij eigenlijk een en hetzelfde zijn, van twee tegengestelde zijden beschouwd. Laat hier bij voorbaat gezegd worden dat dit ééne verschijning is van den wil, van het ding op zich zelf. Intellekt en materie zijn dus geen van beide oorspronkelijk en het is verkeerd om gelijk alle stelsels, het Spinozisme uitgezonderd, deden, den oorsprong der dingen bij één van beide te zoeken. Als de materie er zich op beroemt den oneindigen tijd te doorleven en de oneindige ruimte te vullen, dan moet haar geantwoord worden, dat tijd en ruimte enkel in het subjekt, d.i. in het intellekt, voorhanden zijn, alleen als vormen zijner voorstelling bestaan, vormen in welke de materie zich vertoont en zonder welke zij er niet zou zijn. Kon het intellekt of het subjekt zelf vernietigd worden, dan zou die vernietiging tevens de materie treffen: dood treft dan ook enkel het lichaam, dat gedurende korten tijd drager is van het intellekt en, gelijk al het overige, voorwerp van het intellekt.

Datgene, wat alles kent en nooit gekend wordt, is het subjekt. Het is onontbeerlijke voorwaarde van al het verschijnende, van ieder objekt, want enkel voor het subjekt is er alles wat bestaat. Als dat subjekt vindt ieder zichzelf, echter slechts in zoover als hij kent, niet in zoover als hij voorwerp van kennis is. Voorwerp is reeds het lichaam, het is een objekt te midden van objekten en aan de wetten der lichamen onderworpen. Het bestaat dus gelijk alle objekten der waarneming in de vormen van alle kennis, in tijd en ruimte, door welke de veelheid er is. Het subjekt echter, het kennende, nooit gekende, bestaat niet in ruimte en tijd, daar het integendeel door ruimte en tijd ondersteld wordt. Van het subjekt kan dus evenmin gezegd worden dat het veelheid als dat het eenheid is. Het wordt niet gekend, omdat het datgene is, wat alles kent.

De wereld als voorstelling bestaat uit twee van elkander onafscheidelijke helften. De eene is het objekt, welks vorm is: ruimte en tijd; aan dien vorm heeft het te danken dat het een veelheid is. De andere helft, het subjekt, ligt niet in ruimte of tijd: zij is geheel en onverdeeld in ieder kennend wezen voorhanden; dus is een eenig van deze wezens voldoende om met het objekt de wereld als voorstelling kompleet te doen zijn; daartoe zijn niet de bestaande millioenen noodig; verdween ten slotte ook dat eenige wezen, dan zou de wereld als voorstelling er niet meer zijn. Deze helften zijn dus voor elkander onmisbaar, zelfs in de gedachte: want ieder van beide heeft slechts door en voor de andere beteekenis en aanzijn, is er met haar en verdwijnt met haar. Zij begrenzen elkander onmiddellijk: waar het objekt aanvangt, houdt het subjekt op. De gemeenschappelijkheid dier grens toont zich juist daarin, dat de onontbeerlijke en dus algemeene vormen van alle objekt, welke tijd, ruimte en causaliteit zijn, van het subjekt uit gevonden en volledig gekend kunnen worden of, om hetzelfde in Kant’s spraakgebruik uit te drukken, a priori in ons bewustzijn liggen. Dit ontdekt te hebben is de zeer groote hoofdverdienste van Kant.

Dat de mathematische betrekkingen, juist zoo als ik ze bij de dingen denk, in alle mogelijke ervaring steeds moeten voorhanden zijn, dat er dus, zooals Kant het uitdrukt, synthetische oordeelen a priori mogelijk zijn, is door dien reus onder de denkers aangetoond en verklaard geworden. Aan ieder dringen zich vragen als de volgende op: wat is tijd? wat is dat voor een ding, dat nooit stilstaat, louter beweging is, zonder iets dat zich beweegt? En wat is ruimte, dat alomtegenwoordige niets, waaruit geen ding kan wegsluipen, zonder op te houden iets te zijn?

Kant heeft ontdekt, dat tijd en ruimte het subjekt aanhangen, de manier zijn, waarop alle waarneming van objekten voltrokken wordt, gelijk reeds daaruit blijkt, dat men wel alles, wat in tijd en ruimte voorkomt, maar niet tijd en ruimte zelve kan wegdenken. Zoo kan de hand alles loslaten, alleen zich zelve niet. Intusschen kunnen er nog andere bewijzen dan die door Kant gegeven werden voor de waarheid van zijne stelling worden aangevoerd.