Part 14
Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde” 32 Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en beweegredenen 33 Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen 35 Geen eerste oorzaak 37 Het begrip substantie: enkel de stof blijft 42 Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn 45 Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn 46 Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn 49 Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen 50 Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt 54 De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen 56 Wanneer komen de wolven? 64
Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung” 66 Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer 66 Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet 70 Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar onafscheidelijk 70 Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn, worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel bij de objekten aangetroffen 71 Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader staaft 72 Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig 81 Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer 84 Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen? 89 Verschil tusschen droom en werkelijkheid 91 Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe 95 Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik 97 De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen 100 Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide 105 Waarom lacht alleen de mensch? 109 Twee soorten van het lachwekkende 110 Over scherts, ernst, ironie en humor 113 Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs 115 En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs 116 De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil 120 Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst 121 In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend 124 Maar die zelfkennis is geen kennis van echte werkelijkheid, daar zij aan den tijdsvorm gebonden is 125 Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hij niet is 125 Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen 126 Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is oorspronkelijk 128 Willen en werken zijn één 136 Verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen 142 De verschijningen van den wil staan op verschillend peil 144 Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideeën af 149 De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd, onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën 150 Definitie van kunst 154 Definitie van genialiteit 155 Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar 156 Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan elkander grenzen 159 Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij? 161 In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid 163 Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool 166 Verschil tusschen het schoone en het verhevene 169 In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen 171 Over bouwkunst 172 Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put 175 Verschil tusschen ideeën en begrippen 176 Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers 177 Over allegorie en symbool 178 Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt 180 Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten hecht 186 Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt 189 Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt 192 Door welke enkel het belang der soort gediend wordt 194 Schopenhauer en Wagner 196
Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur” 197 Copernicus en anderen noemen zwaarte een verlangen der stof 197 Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn 199 Over magie 200 De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk 202 Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van magische gebeurtenissen? 203
Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik” 204 Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren 205 Hoe boosaardigheid te verklaren 207 Hoe gewetensangst te verklaren 209 Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te verklaren 210 Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen 217 Liefde beijvert zich anderen goed te doen 217 Onontbeerlijk zijn goede stelregels 218 Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot medelijden overhellen 219 In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als deugd erkend 220 Onrecht is een positief, recht een negatief begrip 222 De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen opvoedingsinstituut 224 Hongerlijders te voeden is geen „plicht” 226 Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk 228 De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt 229 De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje 230 Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil 234 Raadzaam is het den levenswil te breken 337
Slotwoord 239 Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten 240 Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden 241 Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel 243