Uren met Schopenhauer

Part 11

Chapter 113,595 wordsPublic domain

Alle verliefdheid, hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen, wortelt enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald, op dit of dat individu gericht instinkt. Wanneer men, dit in aanmerking nemende, de gewichtige rol gadeslaat, welke de liefde, in al haar graden en schakeeringen, niet enkel op het tooneel en in de romans, maar ook in de werkelijke wereld vervult, waar zij, naast de liefde tot het leven zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart, de helft der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag neemt, het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is, op de gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt, de ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken, soms zelfs de helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt, zich niet ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen, haar liefdesbrieven en haarlokken, zelfs in portefeuilles van ministers en manuscripten van philosofen, weet binnen te smokkelen, niet minder dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden, de hechtste banden verscheurt, betrekkingen van de allerhoogste waarde ontbindt, nu eens leven of gezondheid, dan weer rijkdom, aanzien en voorspoed tot haar offer kiest, ja den braafste gewetenloos, den trouwste verraderlijk maakt, dus over het geheel genomen als een vijandige demon optreedt, die er op uit is verwarring te stichten en alles omver te werpen;—dan móet men wel uitroepen: Waartoe al die drukte? Waartoe dat dringen en razen, die angst en die nood? Het komt er toch maar op aan, dat ieder Hans zijn Gretchen krijgt: waarom moet zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen, en telkens stoornis en verwarring te weeg brengen in het wèl geordende menschelijke leven?—De geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen denker: het is geen kleinigheid die hier op het spel staat, het geldt hier een zaak, gewichtiger dan alle andere doeleinden, en daarom de diepe ernst, waarmee ieder haar behartigt, ten volle waard. Dàt namelijk, wat hier beslist moet worden, is niets minder dan de samenstelling der volgende generatie. Door die beuzelachtige minnarijen wordt uitgemaakt, welke handelende personen op het tooneel zullen werkzaam zijn, wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden. En van de samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze later komende geslachten af. Dit hooge gewicht der zaak, waarbij het niet om wèl en wee van thans levende individuen, maar om bestaan en karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat, heeft ten gevolge, dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als wil der soort te voorschijn treedt; dit is het, waarop het pathetische en het verhevene van alle liefdesaangelegenheden, het alles te boven gaande van hare verrukkingen en smarten berust, wat de dichters in talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons voor oogen te stellen; geen onderwerp is zoo belangrijk als dit, daar het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige, welke slechts het welzijn der enkelingen raken, zich als een lichaam tot een vlak verhoudt. Daarom juist is het zoo moeielijk een drama zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een thema, dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt.

Wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een bepaald individu gericht, is op zich zelf de wil als een bepaald individu geboren te worden. In dit geval weet de geslachtsdrift, ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte, zeer geschikt het masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om den tuin te leiden; tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur die krijgslist van noode. Dat het echter, hoe objektief en hoe verheven ook die bewondering moge schijnen, bij alle verliefdheid toch enkel om de voortbrenging van een bepaald individu te doen is, wordt vooral daardoor bevestigd, dat niet weerkeerige liefde, maar bezit, als hoofdzaak hier beschouwd wordt. De zekerheid van beantwoorde liefde kan nooit over het gemis aan bezit troosten; integendeel heeft menigmaal zulk een toestand tot zelfmoord geleid. Daarentegen neemt iemand, die hevig verliefd is, wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen, het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of ook met verkrachting voor lief. Bij iederen liefdesroman is het doel, ook al begrijpen de partijen het zelve niet, dat er dit of dat bepaalde kind worde verwekt; de manier, waarop dit doel bereikt wordt, is bijzaak. Hoe luide ook de gevoelvolle, verliefde paartjes zich tegen het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten, toch dwalen zij. Werkelijk is het de toekomstige generatie in haar individueele bepaaldheid, die, bij al de omslachtigheden en eindelooze bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw, er naar hunkert om te voorschijn te treden. De aanwassende genegenheid van een minnend paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu, dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken; ja, in de blikken vol verlangen, waarmede zij elkander aanzien, ontvlamt reeds het nieuwe leven en kondigt het zich aan als een toekomstige, harmonisch samengestelde individualiteit.

Het egoïsme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen dat, wil men ze aan het werk zetten, zelfzuchtige doeleinden de eenige zijn, waarop men met zekerheid rekenen kan. Nu heeft zeker de soort op het individu een nader, hooger en ouder recht dan het voorbijgaande individu op zich zelf: wanneer echter het individu voor bestaan en welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet, dan kan aan zijn intellekt, dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na te streven, het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden gemaakt, dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt. Derhalve kan in zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken, dat zij den individu een zekeren waan in het gemoed plant, ten gevolge van welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid slechts een goed voor de soort is, zoodat hij de soort dient, terwijl hij meent zich zelf te dienen; bij welke gebeurtenis hem een hersenschim voor den geest zweeft, die als beweegkracht de plaats van werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen. Deze waan is het instinkt. In de allermeeste gevallen is instinkt de genius der soort, welke datgene wat der soort ten nutte komt door den wil verrichten doet. De uitwendige verschijning van het instinkt nemen wij het best bij de dieren waar, doch de binnenzijde er van kunnen wij, gelijk al het innerlijke, enkel aan ons zelven leeren kennen. Nu is het een zeer bepaald, hoogst samengesteld instinkt, dat de keuze van een individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt... De duizelingwekkende verrukking, die zich van den man bij den aanblik van juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met haar als het hoogste goed voorspiegelt, is een instinkt, dat op het welzijn der soort is gericht, terwijl de mensch zich verbeeldt enkel zijn eigen genot te zoeken. Inderdaad ontsluiert zich hier het wezen van alle instinkt. Het is een werken, dat meestal door een bepaald doel, n.l. het welzijn der soort, wordt geleid, terwijl in werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu komt. De zorgvuldigheid, waarmede een insekt een bepaalde bloem of vrucht of de een of andere larve opzoekt, om juist dáár zijn eieren te leggen, en, om dat te bereiken, moeite noch gevaar ontziet, vertoont groote overeenkomst met die, waarmede een man de vrouw uitkiest tot geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel weet te bereiken, en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te dienen. Een waan is het, die den man voorgoochelt, dat hij in de armen van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter bevrediging zal vinden; dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite en opoffering te getroosten, terwijl het er enkel om te doen is, dat een bepaald individu, dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn, in het aanzijn zal treden. Overeenkomstig deze opvatting ziet ieder verliefde, wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft, zich wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem, dat de hartstochtelijk begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk, dan hij ook elders had kunnen vinden.

Dit alles werpt licht op het instinkt, dat den vogel zijn nest doet bouwen, het insekt naar prooi doet jagen, die, voor dat diertje zelf ongenietbaar, als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren wordt gelegd. Al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid, welke den dienst der soort achter het masker van een egoïstisch doel verbergt.

In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken, terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man. Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:

Het liefdesverlangen, door de dichters van alle tijden op alle wijzen bezongen, terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft, dat verlangen, waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt, terwijl de gedachte dat zij buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet lijden, dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de behoeften van een vergankelijk individu; hier hooren wij de verzuchtingen van den genius der soort, welke in tegenstelling met den individu oneindig leven heeft, en dus voor oneindige wenschen en oneindige smarten vatbaar is. Maar die wenschen en smarten zijn opgesloten in de enge borst van een sterveling, welke onder dien machtigen druk schijnt te willen barsten. Alleen de genius der soort is in staat om met één blik te zien, welke waarde voor hare doeleinden een zeker paar menschen kan hebben. De groote hartstochten ontstaan dan ook in den regel bij den eersten aanblik. Daarom is het verlies der geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar een smart, die alle andere te boven gaat. Zij treft hem niet enkel als individu, maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen, in het leven der soort, tot welks lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd. Om die reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen. Een held schaamt er zich voor jammerkreten te slaken, maar liefdesklachten laat hij hooren, want in dezen is het niet hij zelf, maar de soort, die haar schreiende stem verheft.

Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.

FRAGMENTEN UIT „UEBER DEN WILLEN IN DER NATUR”

Reeds Copernicus heeft gezegd: „Ik geloof, dat de zwaarte niets anders is dan een natuurlijk verlangen, hetwelk aan alle deelen der stof door den Schepper is ingeblazen, zoodat zij er naar streven zich saam te voegen en een kogelgestalte aannemen. Dit streven schijnt ook aan zon, maan en andere planeten eigen te zijn, waardoor zij hunne ronde gestalte handhaven”. Ook Herschel heeft duidelijk ingezien, dat, wanneer wij niet gelijk Cartesius alle beweging door van buiten komenden stoot willen verklaren, wij een wil moeten aannemen, welke in de dingen woont. Wij staan voor dit alternatief: òf den oorsprong van iedere beweging in een uitwendige oorzaak te zoeken, òf in het bewogene zelf een innerlijken drang te leggen. Zoodanigen drang kunnen wij ons niet anders verklaren dan als verwant aan datgene, wat in ons wil is. Het verschil tusschen ons en de niet-bewerktuigde natuur is enkel dit, dat bij ons de richting van den wil niet eenzijdig loodrecht op het middelpunt der aarde is gericht, maar, naar gelang van de beelden die het intellekt ons verschaft, met noodwendigheid nu eens hierheen dan weder daarheen streeft. Dat het wezen der krachten in de ons omringende natuur identisch is met den wil in ons, kan door niemand, die ernstig nadenkt, betwijfeld worden. Wanneer die waarheid een paradox schijnt, bewijst dat enkel, dat zij een zeer gewichtige ontdekking moet heeten.

Het is duidelijk dat als wij het woord wil in zoo ruimen zin nemen, het enkel een term is voor een onbekende zaak. Wat wij in onszelf als wil aantreffen, is volgens Schopenhauer geen „An sich”, maar een verschijnsel er van. Hij noemt het een „Urphænomen”, een oorspronkelijk verschijnsel, maar dan is het onbetwistbaar toch niet de werkelijkheid, welke aan alle verschijnselen ten grondslag ligt.

Leugen en bedrog, die overal in de wereld veelvuldig zijn, hebben nergens een zoo vrije speelruimte als daar, waar de wetten der natuur verklaard worden te zijn opgeheven. Intusschen kan er aan de werkelijkheid van dierlijk magnetisme en van sommige sympathetische genezingen niet getwijfeld worden. Om aan al zoodanige geheimzinnige verschijnselen met een voornamen glimlach voorbij te gaan, moet men de wereld al zeer begrijpelijk vinden, er niet het minste besef van hebben, dat wij door een zee van raadselen zijn omgeven en rechtstreeks noch de dingen, noch ons zelve doorgronden. Juist de aan deze oppervlakkige gezindheid tegengestelde bewerkt, dat bijna alle groote mannen van alle tijden en alle volken een zekeren zweem van bijgeloof hebben vertoond. Wanneer onze natuurlijke wijze van kennen een zoodanige ware, dat ze rechtstreeks de dingen op zich zelve en de verhoudingen, waarin ze tot elkander staan, ons deed peilen, dan zouden wij inderdaad het recht kunnen hebben alle voorwetenschap van de toekomst, alle verschijningen van afwezigen, van stervenden, ja van gestorvenen, alle magische inwerking bij voorbaat en onvoorwaardelijk te verwerpen. Wanneer echter, zooals Kant meent, wat wij leeren kennen enkel verschijnselen zijn, wier vormen en wetten niet voor de dingen op zich zelve gelden, dan is zoodanige verwerping voorbarig, daar in dat geval de dingen op zich zelve, waartoe ook ons eigen innerlijk zelf behoort, niet aan die wetten onderworpen zijn. Die dingen kunnen dus in verhoudingen tot ons staan, die magische gebeurtenissen ten gevolge hebben, en alleen de ervaring moet in dat geval beslissen, of en in hoever dat plaats grijpt.

De bewegingen van het eigen lichaam zijn ten volle onverklaarbaar en moeten aan een bovennatuurlijken invloed van den wil worden toegeschreven. Waarom, zoo dacht men, zou die wil zich ook niet tot andere lichamen kunnen uitstrekken? Hiertoe den weg te vinden, de afzondering, waarin de wil zich in ieder individu bevindt, op te heffen, de sfeer van het rechtstreeksche willen te verruimen en het verder te doen reiken dan het eigen lichaam van den willenden persoon, ziedaar de taak, welke de magie zich stelt.

Dierlijk magnetisme en sympathetische genezingen kunnen niets anders zijn dan een werken, waarbij de wil, die anders enkel binnen de grenzen van den willenden individu zijn rechtstreeksche kracht openbaart, ook daar buiten optreedt. Door ondubbelzinnige getuigenissen is aan te toonen, dat zij, die in de oude magie dieper waren ingewijd, eenstemmig al haar werkingen aan den wil van den zoogenaamden toovenaar vastknoopten. Dit is een sterk empirisch bewijs voor mijne leer, dat datgene, wat er nog buiten de voorstelling bestaat, niets anders is dan wat wij in ons zelve als wil aantreffen.

Wat men het verbond met den Satan noemt is niets anders dan de inwerking van den boozen wil, welke, bijvoorbeeld door afgesneden haren te verbranden of door figuurtjes van was met naalden te doorboren, zich wreekt op den een of anderen persoon. Het is wel merkwaardig dat zoodanige hekserij op de meest verschillende plaatsen der wereld en in alle tijden inheemsch is. Theurgie en dæmonologie daarentegen zijn onzin. Wat magischen invloed uitoefent is niets anders dan de wil. Mogelijk is het, zegt Paraselsus, dat zonder behulp van mijn lichaam, enkel ten gevolge van mijn vurig begeeren, mijn zwaard een vijand doorboort.

In het jaar 1854 heb ik het geluk gehad Regazoni uit Bergamo te zien werken. Zijne met hem in rapport staande somnambule bracht hij, zoodra hij verkoos, in een toestand van katalepsie; hij kon bloot door zijn wil, zonder een enkel gebaar te maken, achter haar staande haar op den rug doen vallen. Hij kon haar verlammen, in verstijvende kramp brengen, haar uitgezette pupillen en volledige gevoelloosheid bezorgen. Een dame uit het publiek liet hij piano spelen, en plotseling vijftien schreden achter haar staande verlamde hij haar, enkel door zijn wil, zoodat zij geen noot meer kon ten gehoore brengen. Hij tooverde haar vast tegen een zuil, zoodat zij, ondanks de grootste inspanning, geen vin verroeren kon.

Schopenhauer leert elders, dat de onkreukbaarheid der natuurwetten schier huiveringwekkend is en dat het aan haar is toe te schrijven, wanneer, heden zoo goed als voor duizend jaren, onder gelijke omstandigheden gelijke verschijnselen plaats grijpen. Het bevreemdende van dien regelmaat verdwijnt echter volgens hem, wanneer men in aanmerking neemt, dat ruimte, tijd en causaliteit enkel vormen onzer kennis zijn en niets met den wil, niets met het ding op zich zelf, te maken hebben. Iedere zich openbarende natuurkracht is enkel de wil op een bepaalden trap van zijn verschijning en dus onveranderlijk. Wie dit voorziet, begrijpt tevens dat uitzonderingen op natuurwetten onmogelijk zijn, dat dus de keten der oorzaken en werkingen nergens en nooit door een oorspronkelijke kracht kan verbroken worden. De vraag is hoe Schopenhauer in strijd met dat alles magische verschijnselen kon aannemen. Die vraag klemt te meer, wanneer men in aanmerking neemt, dat volgens Schopenhauer ieder lichaam zichtbare wil is. Het lichaam van den mensch is de zichtbare wil om als een mensch te leven, de hersenmassa van een mensch de zichtbare wil om als een mensch te kennen en te denken. Wil en wereld zijn twee zijden van een en het zelfde. Dan begrijp ik niet hoe de eene zijde kan ingrijpen in de andere.

FRAGMENTEN UIT „DIE BEIDEN GRUNDPROBLEME DER ETHIK, BEHANDELT IN ZWEI AKADEMISCHEN PREISSCHRIFTEN”

Enkel door tijd en ruimte is er veelheid van het gelijksoortige, verscheidenheid van individuen mogelijk. Maar tijd en ruimte zijn slechts kenvormen. Het is dus schijn, dat de wil zich in een veelheid van individuen splitst. Deze veelheid treft niet den wil als ding op zich zelf, maar enkel zijne verschijning; in ieder individu is de wil geheel en ongesplitst voorhanden, en aanschouwt hij om zich heen het tallooze malen herhaalde beeld van zijn eigen wezen. Dit wezen, het in den echten zin werkelijke, vindt ieder rechtstreeks in zijn innerlijk. Daarom wil ieder alles voor zich, wenscht alles te bezitten, ten minste te beheerschen; wat hem weerstand biedt, zou hij willen vernietigen. Hierbij komt, dat, althans bij de kennende wezens, het individu tevens subjekt en dit drager der wereld is; m.a.w. de geheele natuur daar buiten, alle overige individuen inkluis, bestaan in zijn voorstelling; hij heeft er bewustzijn van dat al zijn medeschepselen in zoover afhangen van zijn eigen bestaan, dat met zijn bewustzijn noodzakelijk ook zijn wereld te gronde gaat. Ieder individu is dus mikrokosmos, kleine wereld, in zoover met den makrokosmos, de groote wereld, gelijkwaardig. De altijd en overal waarachtige natuur zelve geeft hem, oorspronkelijk en onafhankelijk van alle nadenken, deze eenvoudige en onmiddellijk zekere kennis. Dat is de reden, waarom ieder in het grenzeloos heelal verdwijnend individu zich zelf tot middelpunt der wereld maakt, zijn eigen bestaan en welzijn boven al het overige behartigt, ja al het andere bereid is daaraan op te offeren, de wereld zou willen vernietigen om slechts zijn eigen zelf, dien druppel in de zee, iets langer in aanzijn te doen blijven. Deze gezindheid is het egoïsme, dat ieder schepsel aankleeft. In haar openbaart zich op vreeselijke wijze de innerlijke tweespalt van den wil met zich zelf. Want zij wortelt in de tegenstelling tusschen mikrokosmos en makrokosmos. Zij vindt daarin haar grond, dat de wil in den vorm der individualiteit verschijnt, zoo ontelbare malen en wel telkens op tweeërlei wijze, als wil en voorstelling, geheel en volledig optreedt. Terwijl ieder dus zich zelf als wil in zijn geheel en als subjekt der wereld gevoelt, gaan hem eigen bestaan en eigen welzijn boven alles ter harte. Naar zijn eigen dood ziet ieder uit als naar het einde der wereld, terwijl hij het overlijden van zijn bekenden als een tamelijk onverschillige zaak opvat, wanneer hij niet persoonlijk daarbij betrokken is. Waar het bewustzijn, gelijk bij den mensch, den hoogsten graad erlangt, moet ook het zelfgevoel in de hoogste mate te voorschijn treden, en dus de strijd tusschen de individuen onderling op de meest ontzettende wijze gevoerd worden. Het duidelijkst blijkt dit, wanneer wet en overheid tijdelijk met onmacht geslagen zijn. Dan tracht ieder aan den ander te ontrukken wat hij zelf hebben wil, en dat niet alleen, maar, om het eigen welzijn ook maar eenigszins te vermeerderen, worden geluk en leven van anderen opgeofferd. Deze oorspronkelijke tweespalt van den wil met zich zelven is een onuitputtelijke bron van lijden, ondanks alle dammen, welke men daartegen heeft opgeworpen; ja zij is de hoofdbron der ellende, welke alle leven onvermijdelijk vergezelt.