"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 30
Eddy hielp zijn vrouw het rijtuig uit en het bruggetje over; zij gingen voort over een glibberig paadje met gesloten chineesche warongs aan de eene zijde en ’n levend paggertje aan de andere, tot ze op een open plek kwamen met in het midden een voor deze omgeving groot schijnend houten huis, waarvan het atappen dak ver en laag afhing. Aan een vuile tafel vol vetvlekken en oude kringetjes van natte kopjes en glaasjes, zat op een wipstoel de jarige mevrouw Uhlstra, een rood gestreept wollen deken over de stijve beenen; mevrouw Markens in een zwarte japon, de eenige die gekleed was, naast haar; dáárnaast mevrouw Lugtens en verder onbekende vrouwen van leeftijd, allen in sarong en kabaai.
Uit een binnenkamer achter den naakten houten wand kwamen stemmen, en toen een sitsen gordijn, dat voor den ingang hing, even weg werd geschoven, zag Lena, de eene trede opkomend, daarachter haar nichten Lisa, Roos en zelfs de onwettige weduwe van Twissels, druk aan het kaartspelen met chineesche vrouwen.
Aan de andere zijde van de galerij zaten de heeren, en een paar chineesche sobats, hollandsch en maleisch sprekend dooreen. Henri, met een suf gezicht al, had een groote jeneverkaraf vlak bij zijn rechterhand staan, als waakte hij er angstvallig over; Piet en de broers van Lena zaten er ook bij met anderen. Allen stonden op; de ontvangst was hartelijk. Tante Lena ontving, aangedaan, het verjaarscadeau, dat ze allen bekeken en erg mooi vonden; ’t was het eenige geweest! Zij moesten gaan zitten, en men zette Lena zóó, dat ze niet kon zien wat achter het gordijn gebeurde; Eddy, afstekend in zijn nette kleeren bij de slordigheid der anderen, die óf in nachtbroek en kabaai waren, óf alleronmogelijkst door inlanders gemaakt goed droegen, moest bij „de heeren” komen zitten om een sigaar te rooken en iets te drinken, wat hij niet deed, want zij zaten, hij en zijne vrouw, op heete kolen. In het huis hing een overheerschende nare lucht van nieuw bamboes, die hem om ’t hart sloeg; er kwam een akelig mixtum bij: geurtjes van slechte sigaren, jenever, melati, knoflook, trasi en rozen, die in een stijven bouquet op tafel stonden ter eere van de jarige.
Toen ze na een half uurtje zeiden weêr weg te moeten, „om het kind,” trachtte niemand hen terug te houden. Er had een geweldige gêne geheerscht; de anderen waren maar blij, dat ze weggingen; ze mochten dan zoo goed en hulpvaardig zijn als ze wilden die twee,—ze hoorden niet meer bij de familie; de jongeren haatten hen, met den intensen haat van slechte menschenkarakters voor personen aan wie ze groote verplichtingen hebben, tegenover wie ze zich schuldig voelen, en voor den oudere was hun gaan ook een verlichting, omdat die zich beschaamd en verlegen vonden in tegenwoordigheid van de twee, die alleen nog behoorden tot de maatschappelijke klasse, waaruit zij waren weggezonken.
Samen scharrelden ze terug over de ruime open plek naar den uitgang bij het glibberig paadje, blij dat die moeilijke tocht achter den rug was. En vóór dat paadje te betreden om weg te gaan, keken ze samen nog eens om, door den lichtgrijzen nevel naar het houten huis, waarvan de gele lamplichten weêrkaatsten in de modderplasjes tusschen de karrevoren in het wegje erlangs.
Daar waren ze nu allen bijeen, die nog zoo weinig jaren geleden de rijksten waren van de plaats; die in huizen woonden als groote villa’s op den eersten stand! Dat was er overgebleven van den grooten ondernemer, den rijken planter, den hooggeplaatsten ambtenaar, den voornamen koopman.
„’t Is toch vreeselijk, ja, Ed!” zei Lena met tranen in haar stem.
„Kom in Godsnaam mee, kind,” zei hij, haar zacht voortduwend.
Toen ze in den wagen zaten, was het maar goed, dat ze zijn bleek gezicht niet zien kon. Telkens streek hij de hand langs de oogen, beproevend het beeld van indisch verval weg te wisschen, dat dáár zoo levendig en schrikkelijk voor zijn oogen had gestaan. En ze spraken er, terugrijdend, niet verder over; maar toen ze de achterbuurten uit waren en weêr op den gewonen grooten weg kwamen, zuchtten ze diep, allebei.