"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 14
En Markens dacht, dat wie opstaat zijn plaats kwijt is. Nu, na zooveel jaren dienst, nu eerst begon hij wat geld te krijgen; en dat monterde hem zoo op bij zijn veelvuldig huiselijk verdriet! Want de berichten uit Holland over zijn jongens waren heel ongunstig; het kostte al zijn invloed en de grootste moeite voor zijn gemachtigde om ze niet van de eene school vóór, de andere ná te zien wegzenden. Wat hij met zijn twee zonen moest aanvangen,—als hij daaraan dacht.... neen, men zou hem niet zoo gemakkelijk uit den dienst krijgen!
„Waarom zouden we naar Europa gaan?” vroeg Lugtens, toen Clara, die er wel zin in had, hem vertelde, hoe onder dames het idee haar was aangepraat. „We krijgen hier immers net zoo goed alles. ’t Duurt wat langer, dat is het eenige. We krijgen nu ook ’t spoor!”
Hij moest erom lachen! Als dat spoor ooit opbracht, aan de aandeelhouders, wat het voor de kongsi had opgeleverd, dan waren ze wèl af!
„We zullen ’n groot feest vieren bij de opening.”
„Nu ja, ’n heerenfeest.”
„Voor jullie ook. En dan heb ik nog een plan. Zoo’n openingsfeest is goed en wel,—maar toch ’n beetje te veel voor Jan-en-alleman.”
„Wat wou-je dan?”
„We moeten een extra trein laten loopen. Ik zal een buitenpartij organiseeren, zooals er nog nooit een in Indië is vertoond.”
Het denkbeeld vervulde hem; ’t was zoo vorstelijk, zoo echt grootscheeps, vond hij, en Clara lachte die partij ook toe; niet om dien trein, maar omdat ze erg in haar nadeel was veranderd na Geber’s dood, dien ze zich echter minder had aangetrokken op zichzelf, overtuigd, dat de zelfmoord den een of anderen dag gebeuren moest en zou. Nu hij dood was, scheen een band te zijn losgeraakt, dien ze vroeger nooit had gevoeld, en die toch moest bestaan hebben; zij was minziek geworden in den meest gewonen zin. Reeds was zij op een leeftijd, dat veel moest verborgen worden door de hulpmiddelen van het toilet; zij deed dat met tact en overleg, en zij wist zich zóó te vertoonen, dat zij voor een man ’n aangename verschijning was. En dáárop werkte zij nu, zonder veel terughouding.
Het al bekende plan wierp voor velen als een schaduw over het algemeene feest der spoorwegopening. Zouden zij gevraagd worden op de groote buitenpartij waarheen ’n extra trein zou rijden? Menigeen dacht bedrukt aan een mogelijk voorbijgaan. Ze waren zóó ontzaglijk hoog en rijk, die menschen! Daar kon niemand eigenlijk bij.
En toen de groote dag kwam, stond voor het perron van het nieuwe spoorwegstation des ochtends de eerste extra trein op de jonge lijn, in de groen en bruin glanzende nieuwheid zijner personenwagens; de locomotief, zachtjes stoom opmakend, in zwarte deftigheid met als goud schitterend kopermontuur ervoor; onder de vroolijk grijsgele marquise met zonnestraaltjes lichtend door haar ijzeren lofwerk omhoog, hing de verflucht van het nieuwe, en alles zag eruit frisch, net, vriendelijk, als pas uit een reuzenspeelgoeddoos gehaald en met zorg opgezet.
De gasten, al opgewonden, in helder wit gekleed meest, met ’t kleurig rood en blauw ertusschen van de linten en strikken der dames, stapten de treden op der wagens. De voorste eerste-klas-coupé werd ingenomen door Markens, Lugtens, Twissels en Uhlstra en hun drie dames; zij zaten, nu, tegenover de kijkende smalle gemeente van op het perron achtergebleven klerken en beambten, die rondslenterend of bij elkaar staande ’n sigaar rookten,—in deftige ongenaakbaarheid, als ’n eigenlijk afzonderlijke soort menschen, ver boven de rest.
Zij hadden zich nog nooit zoo gevoeld als in dien coupé van den extra trein; nog nooit, scheen het hun toe, had de glorie van hun fortuin zóó geschitterd, waren zij zóó geweest on the top of the tree. En toen de stoomfluit de bel beantwoordde, en de trein wegtrok onder de schaduw uit in de zon op de lange ijzeren baan, keken de achterblijvers de reizigers na met afgunst en bewondering. Wat waren, dachten ze, die menschen toch rijk en gelukkig!
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE PSEUDO-PRINS VAN JAVA.
Het was een mooie langzaam vallende zomeravond, en ’t wemelde van bezoekers op het plein voor de Kurzaal te Wiesbaden. In het wijkend licht schitterden de myriaden uiteenspattende droppels der reuzenfonteinen in den grooten vijver; zacht teekenden zich op den van hoog geboomte donkeren achtergrond de strenge witte lijnen der kolommen en de scherpe omtrekken van het frontespice. Onder de hooge zware bladerkronen van het park wandelde een menigte onverschillig dooreen, gekomen uit alle windstreken, van allen rang, stand, ras en natie. Hier en daar ving het pas ontstoken licht eener lantaarn aan den natuurlijken overgang te breken en zag er nog geel en onfrisch uit, ontijdig geboren. In de drukte der vele menschen werd op dat alles niet gelet; men kwam om te ondergaan, niet om zich rekenschap te geven.
Men kwam óók wel om te genieten, maar niet zóó; niet van lichtschakeering, kleurenwisseling of perspectief, dat was zoo mal! Plezier kwam men maken; materieel genot zoeken, door wat het lichaam in- en het lichaam uitgaat; in wat het lichaam en aan wat het om heeft; in een dronkenmakende vermoeienis naast een onovertroffen luiheid,—in wat men uitspanning noemt en dat inspanning is.
Het hinderde de drie jonge mannen niet, die, niet luidruchtig als boemelende studenten, doch met iets indolents in hun langzamen stap, tusschen de badgasten doorgingen; zij deden niettemin ook mee, het hardst van allen, aan de vermaken, die ze onbeduidend vonden, reeds half geblaseerd op deze kunstreis, komend van Londen en Parijs, gaande naar Weenen, en steeds erop uit zooveel geld mogelijk zoek te maken.
En zij trokken de aandacht.
Elken dag zagen de badgasten hen op de wandeling, den een, reeds lang heelemaal ’n man, met ’n bruin gezicht, goedig, vroolijk, uit groote zwarte oogen familiaar rondkijkend, breed en sterk gebouwd, met donkeren baard, te mooi gekleed door profusie van kostbaarheden, in het midden; aan weerskanten twee slanke blonde jongelui, elegant gekleed, aristocratisch van profiel door zuiver besneden buitenlijnen, afgeleefd en ploertig van wezen in trekken vol gemeenheid.
„Het begint hier saai te worden,” zei Freddy Markens geeuwend, zonder ook maar ’n poging om zijn verveling te verbergen.
„Och, ’t gaat nogal,” antwoordde Henri Uhlstra ook nu weer met welbehagen rondkijkend. „’t Is hier verduiveld lekker.”
„Nu,” ging op zijn beurt Eddy voort, luid sprekend en in ’t Fransch, „als het Uw Hoogheid hier bevalt, is niets ons aangenamer.”
Zij konden zich haast niet goedhouden van bedwongen lachen! Het was een formidabele ui, vonden ze, en dat de vlieger zoo voortreffelijk opging was buitengewoon amusant. Henri liet het zich welgevallen, had er zelfs in stilte enorm veel genot van.
Toen zijn vader gestorven was, had hij met zijn broer samen Tji-Ori gekocht uit den boedel en Koeningan erbij.
Daar had hij geld voor moeten opnemen en dat ging ook best; men bood ’t hem aan, men zou als ’t ware gevochten hebben om het voorrecht op die vrije en mooie groote landen geld te mogen geven als hypotheek.
Hij bleef zelf met zijn broer ’t beheer voeren, en ze werkten hard aan, jaar in, jaar uit, strikt betalend op tijd rente en aflossingen.
Maar als hij op ’t kantoor kwam, was het altijd ’t zelfde: een der beide chefs was òf naar Europa, òf kwam er vandaan, òf stond op het punt er heen te gaan. En men sprak hem ook telkens daarover. Waarom zou hij niet?
Hij overlegde het eens met zijn vrouw, die druk in de kleine en grootere kinderen zat en er voor haarzelf niet aan dacht op reis te gaan. Doch wat Henri betrof,—nu, dat mocht wel, vond ze, in het aangename vooruitzicht, net als haar schoonzuster Roos vroeger, ook op Tji-Ori te kunnen heerschen meer dan nu.
Toen hij ’t Markens vertelde, die toch wel had moeten eindigen met pensioen te vragen, maar zeer net woonde en er goed van leven kon, dank zij de financieele verbeteringen in de laatste jaren van zijn dienst, kreeg hij dadelijk het adres mee van Eddy en Freddy, en een ongelukkig toeval wilde, dat hij in Holland deze jongelui ook dadelijk bezocht. Hij vond hen in moeielijke omstandigheden, pas afgewezen na een examen, zonder geld, berooid, zich beklagend dat hun vader in ’t geheel niet antwoordde op hun brieven, en zelfs die aan hun moeder onderschepte en terughield.
Goedhartig, royaal, de waarde van het geld niet kennend, rijk, en zich onbeholpen en niet op z’n plaats voelend in de groote beweging van het europeesche leven, kreeg Henri Uhlstra ineens ’n gedachte.
„Weet je wat,” zei hij. „Ga met mij mee ’n reisje door Europa doen.”
„Je hebt mooi praten,” zei Eddy schamper met een duim- en vingerbeweging, die koerang oewang aanduidde.
„Never mind,” blufte de andere, „wat het kost, betaal ik.”
De twee keken elkaar eens aan. ’t Was om gek te worden van de jool, vonden ze zoo’n vette gans, zichzelf aanbiedend om geplukt te worden. En in elkaars oogen lazen ze de belofte, dat ze die welgevulde portefeuille secuur à faire zouden nemen.
„Het zou waarlijk te onbescheiden zijn,” merkte Freddy schijnbaar verlegen op.
Maar zoo onbescheiden het dan was,—ze gingen mee op de reis door Europa. Reeds te Parijs, waarheen men natuurlijk het eerst trok, vonden ze de aardigheid uit, dat Henri Uhlstra zou doorgaan voor een incognito reizenden oosterschen prins; Freddy en Eddy voor zijn secretarissen. En het publiek in hotels en op openbare plaatsen geloofde het dadelijk, niet enkel door ’t bruine gezicht van den „prins,” maar ook door zijn veel en blank geld. Voor Henri Uhlstra was het om gek te worden van ijdelheid; soms wist hij na een nacht van dolle pret bijna niet meer of het slechts een dwaze vertooning was of werkelijkheid. Overal, heel Europa door, werd hij met den grootsten eerbied bejegend; voor den prins van Java ontblootten de autoriteiten in Duitschland, in Frankrijk, in Italië eerbiedig het hoofd, diep en reverentelijk buigend met geheimzinnige gezichten van: we weten wel, dat je een vorst bent, maar we doen maar, om u te believen, alsof ons dat niet bekend is.
Onder hun drieën lachten zij erom, maar Henri, totnogtoe een eenvoudige goede indische jongen, was er voor altijd bedorven door: hij had in zijn bewegingen een gemanireerde voornaamheid gekregen, die inderdaad aan oostersche vorsten deed denken, en voor zichzelf kreeg hij zoetjes-aan de overtuiging, dat hij eigenlijk behoorde te zijn, wat hij nu slechts voor de grap scheen te wezen.
Al doende trok hij maar wissels, de een voor, de andere na, tot hij op een goeden dag, te midden van het vroolijkste leven te Weenen, per telegram werd opgeroepen naar huis. Een zijner kinderen was gestorven, en zijn goede hart sprak. Hij wou niet huilen, maar als het ook maar eenigszins overeen was te brengen geweest met de positie van een oosterschen prins, zou hij gehuild hebben. In elk geval moest hij dadelijk naar huis.
Toen zij te Amsterdam terugkwamen, hadden zij geen verdere plannen gevormd. Freddy vond een brief van zijn vader, Markens, zeer teleurgesteld over het mislukt examen, maar alweêr half verzoend door het samen reizen met Uhlstra voor diens rekening. Och, tegen dit laatste had hij geen bezwaar. Waar was ’n particulier eigenlijk anders goed voor? Nu, vond hij, moesten ze in godsnaam maar naar Indië komen. Dáár zou hij wel probeeren „iets” voor hen te vinden; en hij zond het geld voor hun overtocht erbij.
Zoo reisden ze terug, onbezorgd, vroolijk, ’n beetje laag neerziend op de „baren,” die na hard gewerkt te hebben, ook na examens, een benoeming hadden gekregen of in ’t particuliere een overeenkomst hadden aangegaan, en die nu vol hoop op de toekomst naar het oosten trokken.
„We gaan toch niet onder slechte conditiën,” zei Eddy een der eerste avonden aan boord tegen zijn broer. Zij hadden samen een hut en op den rand der couchette, bij het flauwe schijnsel van ’n halflicht, spraken ze zacht, wetend hoe gehoorig het is aan boord.
„Dat zal waar zijn! Maar nooit iets zeggen hoor! Aan pa ook niet.”
„Hoeveel is het bij mekaar?”
„Tweeëntwintig mille.”
Eddy schudde met ’n bedenkelijk gezicht, de wenkbrauwen en de onderlip omhoog, langzaam het hoofd.
„’t Valt me niet mee. Als ik de kas had gehouden, zou het meer zijn geweest.”
„Zanik niet. Er zijn zoo eeuwig veel duiten stukgeslagen.”
„Juist dáárom, Fred. ’t Had het dubbele kunnen zijn. Aan elf duizend pop heb ik niks. Jij zou daar ook niks aan hebben.”
„Zou.... zou.... Je denkt toch zeker niet, dat ik je te kort doe?”
Eddy antwoordde niet. Hij dacht het wel, maar wat zou het helpen er ruzie om te maken.
„Als het waar was,” zei hij, „zou het een smerige streek van je zijn.”
De andere zwoer de duurste eeden, dat hij „eerlijk” had gezegd, wat hij „getikt” had, terwijl hij op reis de administratie voor Uhlstra voerde. Doch hoe plechtiger hij dat bezwoer, met het overtuigendste accent der waarheid in z’n stem, des te vaster werd Eddy’s overtuiging, dat zijn broer hem gruwelijk had „bestolen.” En dat had hij ook.
Aan boord was door ’t beleid der jongelui Markens het effect juist anders dan ’t aan den wal was geweest. Henri dacht, naarmate de stoomer grooter mijlencijfer achter ’t roer kreeg, meer aan zijn huisgezin en zijn zaken. Freddy en Eddy bluften op het geld, dat „pa” hun gezonden had en telkens offreerden ze met zeker vertoon ’n glas champagne aan Uhlstra, die zelf daar niet op lette, maar van wien vreemden aan boord allicht konden denken, dat hij klapliep.
Op het kantoor in Indië ontving men hem gemoedelijk. ’t Was heel vriendelijk en vriendschappelijk, maar toch lang niet het enthousiasme van vroeger.
„Je bent me daar even aan ’t pierewaaien geweest!” was na de begroeting de eerste opmerking.
„Ja,” zei Uhlstra losjes. „Ik heb aardig geld verteerd, geloof ik.”
Ze knikten toestemmend, maar als menschen die een feit erkennen, waarover ze verstomd staan.
Eindelijk zei er een:
„’t Gezamenlijk bedrag, waarover je hebt gedisponeerd, loopt naar de twee ton.”
Daar schrok Henri van. Hij had het montant zijner chèques al reizende niet precies opgeteld, en het aan boord uitgesteld, bang voor de waarheid.
En toch had hij het geweten; was het als had een andere mensch in hem er nota van gehouden en het opgeteld. Dat het twee ton of daaromtrent wezen zou, had hij aanhoudend gevreesd met een vage hoop op meevallen en hij schrikte eigenlijk van niets anders, dan van een hem zoo goed als bekend schuldcijfer.
„Enfin,” zei hij, „ik heb er pleizier van gehad. We zullen ’t wel weer bijwerken.”
„Is het waar, dat je gereisd hebt met die zoons van Markens?”
„Ja; ze zijn met me mee geweest.”
„En heb je gefigureerd voor een oosterschen prins?”
Verlegen bloosde hij zwart.
„Hoe weten jullie dat?”
„God,” zeiden ze spotlachend, „dat weet hier iedereen.”
Henri Uhlstra keek er gek van op. Dáár had hij nooit aan gedacht! Hoe kwam men in Indië toch zoo onaangenaam op de hoogte van wat in Europa met indische menschen voorvalt; van hun doen en laten?
„Och!” zei hij met ’n kort lachje. „Het is ’n enkele maal gebeurd voor de grap.”
„Nu,” hernam een der kantoorheeren, „men vertelt dat hier anders. Jullie moeten maanden achtereen formeel zoo gereisd hebben.”
„Overdrijving,” jokte Uhlstra. „Er is niets van aan. Ik zeg je: het was voor de aardigheid. ’n Enkele maal.... ik weet niet eens meer waar.”
„Je kunt niet begrijpen, hoe ze daar hier om hebben gelachen! Als ze in de soes over je spraken, dan heette je altijd den zwarten prins!”
Met een onverschillig gezicht trok Uhlstra de wenkbrauwen en schouders op, willend te kennen geven, dat hem al die praatjes onverschillig waren. Maar inwendig was hij diep beschaamd, kreeg in zijn for intérieur meer en meer een gevoel de overhand dat hij zich voor niemand meer durfde vertoonen.
„Nou, en dan te Weenen,” vervolgde een der anderen onverbiddelijk.
„Wat te Weenen,” vroeg Uhlstra.
„Houd je maar niet van de dommen. Het is wel wat erg geweest voor.... een getrouwd man.”
„Maar dat is bespottelijk! Er is te Weenen niets gebeurd, dan waarvoor, voor den donder! iedereen toch naar Europa gaat: concerten, musea, opera’s....”
„Jawel, maar balletdanseressen, die men appartementen meubelt en equipage geeft, behooren niet noodwendig op het program.”
„Heb ik....?”
„Wees niet kinderachtig! Dat je ’n onnoozel gezicht trekt straks bij je vrouw op Tji-Ori is tot daartoe; hier behoef je je niet te geneeren.”
„Integendeel,” voegde er een ander bij. „We zouden er heel graag iets van hooren. Kom, Uhlstra, wees nu niet zoo beroerd gesloten. Als men zooveel geld heeft verteerd en zoo’n pret heeft gemaakt, mag men ’n ander wel ’t verhaal gunnen.”
„Maar ik bezweer jullie, dat die balletdanseres ’n puur verzinsel is.”
Zij lachten hem uit in z’n gezicht, met onderlinge blikken van slimme verstandhouding; gezichten, waarop hij kon lezen, dat ze hem nu eigenlijk slimmer vonden, dan zij ooit gedacht hadden, dat hij wezen zou.
„Het is natuurlijk best te begrijpen, dat je er in ’t publiek niet voor wilt uitkomen.”
Henri zuchtte erom, den linkerarm opheffend in een gebaar van verzet, dat door de anderen rustig werd afgeweerd.
„’t Is ook wel ’n beetje kras,” ging de ander voort. „Iedereen ziet wel in, dat men niet op zoo’n vorstelijke manier door Europa reist, nog wel als een oostersche prins, zonder.... enfin.... we begrijpen elkaar.”
„Nou soedah!” riep Henri boos.
„Goed, daar weten we alles van. Maar je zoo te afficheeren.... Zie je, men moet toch een beetje denken om z’n positie. En dan zoo in ’t openbaar een balletdanseres.... ’t Is niet om aanmerkingen te maken, maar ik vermeen toch, dat het.... verkeerd van je is geweest.”
Doch de nieuwsgierige onder de kantoorlui voegde erbij:
„In elk geval: het is zoo het is, en je kondt nu ook wel eens gezellige bijzonderheden erover loslaten.”
Doch Henri Uhlstra kon dat niet, want het was inderdaad niet waar. Hij beproefde nog hun dit aan het verstand te brengen, maar vruchteloos; zij lieten zich die balletdanseres niet uit het hoofd praten. Ten slotte vertelde hij hun enkele zijner ervaringen, die ze gretig opvingen.
„En hoe is het nu hier gegaan?” vroeg hij.
Zij keken elkaar eens aan.
„Och.... goed. Je weet wat we je geschreven hebben.”
De waarheid was, dat Henri Uhlstra het niet wist; een trommel in een zijner koffers was vol allerlei half gelezen, even ingekeken, zelfs geheel ongeopende brieven; zaken had hij zich op reis niet willen aantrekken, en voor een indischen landheer zijn tien van de twaalf brieven „der” firma altijd minder aangenaam.
„Dat is te zeggen, ik kan natuurlijk alleen oordeelen over wat ik heb ontvangen.”
’t Was, vonden ze, waar, en zij erkenden dat duidelijk, tot vreugde van Henri, die in geen geval voor zijn onverschilligheid en gebrek aan belangstelling kon uitkomen.
In het kopieboek werden de brieven opgeslagen en gelezen, het groote feit, dat hem in ’t gezicht vloog, was: zijn broer niet meer op het land, administrateur een vreemde; rente en aflossing niet op tijd betaald.... Verslagen en telkens ’t hoofd schuddend keek hij op de ritselende velletjes vloeipapier met de flauw overgedrukte letters van een loopende koopmanshand. Zijn pleizierreisje begon hem nu te wegen als lood en nadat hij zijn folio had gezien in de boeken, ging hij heen met een bezwaard gemoed, het gevoel van een misdadiger, heel anders dan hij was gekomen: le coeur léger, met de enkele gedachte: wij zullen het wel bijwerken. Zijn goederen had hij vooruitgezonden; er waren koffers bij vol kostbare geschenken, voor Lize, zijn vrouw. Hij had zich véél van haar vreugde en verrassing voorgesteld, maar dat was tamelijk wel habis nu. Wat moest hij doen? Dien vreemden administrateur kon hij toch niet houden, de eerste in hun zaken en niet van de Uhlstra’s! En den man wegjagen, die er gekomen was door „de” firma, ’t ging toch ook niet.
Zoo reed hij den weg op, mismoedig, niet wetend hoe hij uit dat alles zou geraken, op welke wijze de knoop moest worden doorgehakt. Hij dacht aan zijn vader; dien braven, soliden man. Maar die had ook z’n land niet onder ander dan eigen persoonlijk beheer gelaten, zoolang het zijn bezitting was!
Zoo, in zijn bendy eenigszins voorover gebogen, zat hij onaangenaam te pikeren in de randschaduw van zijn witten hoed, met de teugels los, het paard in een lam gangetje; geen schijn van een oosterschen prins! Al wat hij om zich heen zag, kende hij door en door, maar toch was ’t hem vreemd geworden; de lange stoffige weg vooruit keek hem aan alsof ze in vele jaren elkander niet gezien hadden, en de gamelang, die hij hoorde bij ’t naderen der grenzen van zijn land, waar hij feestelijk werd ingehaald, deed hem zuchten; de „schöne blaue Donau” klonk toch heel anders!
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
MIJNHEER HUNZMAN.
Henri Uhlstra hield zich goed tegenover Lize, die, zeer bewogen, hem schreiend verwelkomde. Maar van zijn familie was niemand op het land, en dat trof hem diep. Niet zeer vriendschappelijk bekeek hij den administrateur, een rustig man met ’n glad geschoren gezicht en ’n bril op z’n scherpen neus, geen man om te wantrouwen, maar ook geen om bij voorkeur onaangenaamheden mee te zoeken; een imponeerende kalmte.
„Dat is mijnheer Hunzman, die in de plaats van je broer is gekomen,” dus stelde Lize hem voor.
En meneer Hunzman maakte het kort en duidelijk.
„Het zal u wel eenigszins vreemd zijn, meneer Uhlstra,” zei hij, „mij hier aan het werk te vinden.”
„Ja.... ik kan ’t niet ontkennen. Papa en ik hebben ’t altijd zelf gedaan.”
„Welnu, dat kan weer heel gemakkelijk, wat u betreft. Ik heb de betrekking van administrateur alleen aangenomen op de voorwaarde, dat als het na uw terugkomst raadzamer schijnt, wij dadelijk van elkaâr af kunnen.”
„Heeft men die voorwaarde gesteld?”
„Pardon, die heb ik gesteld.”
Verwonderd keek Uhlstra zijn vrouw aan. Tegenover die rustige zelfstandigheid, die onafhankelijkheid van positie, dat volslagen gemis aan onderdanigheid, kwam zijn oostersch gemoed in stillen opstand, hij voelde dat hij nu reeds den toestand niet meer meester was, en dat hij, met Hunzman tot administrateur, volstrekt niets meer zou te zeggen hebben, dan wat recht en billijk was. Hij zou dan ’n landheer zijn, beperkt in zijn vrijheid door allerlei onderhandsche bepalingen niet alleen, niet enkel bovendien door zijn geldschieters, maar ook door zijn eigen personeel op het land! En op ’t gezicht van Lize las hij de bezorgdheid, de vrees, dat het tot een conflict zou komen en Hunzman zou heengaan. Dàt verdroeg hij niet. Nooit!
„Wel, dat is heel verstandig,” antwoordde hij. „Er kunnen ook hier geen twee koetsiers zitten op één bok.”
„Dat begreep ik dadelijk. Men zei mij, dat de positie van u als eigenaar en van mij als beheerder wel te regelen was, maar ik begreep, dat ’t niet gaan zou.”
Het kwam er alles uit als een manlijk woord, volkomen goed overdacht, zonder de minste agitatie, onbevreesd, doch beleefd van toon. Juist dit wond Henri meer en meer op.
„Wij zullen dan vanavond daarover wel verder spreken, als u wilt,” zei hij onvriendelijk en uit de hoogte.
„Ik ben geheel tot uw dienst.”
Toen Uhlstra en Lize binnen waren met de kinderen, gingen ze er eerst maar niet op door. Hij meende, dat het zou lijken op gebrek aan hartelijkheid; het lag hem echter op de tong, en toen hij zag, dat zijn vrouw ’t huilen nader stond dan het lachen, hield hij het niet langer uit.
„Hoe ben je er toch toe gekomen standjes met Piet te maken!” riep hij uit, doelende op zijn jongeren broer, dien hij destijds met de administratie had belast.
Zij stond zeer ontroerd tegenover hem, maar zei niets.
„Hij was toch van alles goed op de hoogte en werkzaam; kon je dus geen vrede met hem houden? Waarom moet ik hier zoo’n vreemden onaangenamen vent in onze zaken vinden, die me ontvangt op ’n manier of hij hier baas en meester is.”
„Piet kon niet blijven!”
„Waarom dan niet?”
„O, Henri, hij is een gemeene kerel! En hij heeft hier geleefd.... Je moest alles eens weten!”
Met groote oogen keek hij haar aan. Wat zou hij over zijn broer hooren? Had die den boel bestolen?