Uit Vlaanderen

Part 9

Chapter 93,773 wordsPublic domain

Dit alles was de s t o c k, zooals de kleine Zweed het op echt Amerikaansche wijze noemde. Het waren de zieken, de mismaakten, de verminkten, de misdadigers. Het waren vooral deze die van alle middelen tot bestaan ontbloot, en ook deze die, in tegenstrijdigheid met de wet, onder arbeidskontrakt in Amerika gekomen waren. Het waren, met één woord, al degenen, aan wie de vrije toegang tot het land der millionnairs geweigerd werd, en die daar wachtten, in de verworpenheid en in het lijden, in een afgrijselijke gemeenschap van misdaad en ellende, totdat de bevoegde overheid over hun lot beschikte.

* * * * *

Langzaam, het hart gekneld als in een klauw van afschuw en van medelijden, den zakdoek op den mond om mijn walging te bedwingen, liep ik, tusschen de smalle gangen langs de staketsels, bleef er staan, keek, tusschen de latten, naar de akelige, zwarte krielingen van lichamen, waaruit voortdurend een lang en dof gemurmel opsteeg, nu en dan overschreeuwd door een kreet, door een vloek, door een grijnzenden schaterlach. De Zweed, een oogenblik vrij, was weer bij mij gekomen, en vergezelde mij, korte, vlugge uitleggingen gevend. En, zoodra de rampzaligen hem herkend hadden, kwamen zij, evenals gevangen beesten die zich hunkerend aan de staven hunner kooi vastklampen, wanneer de wachter met de levensmiddelen nadert, elkaar verdringen langs de hokken, om met hem te spreken. Enkelen reikten stenend de hand uit, het hoofd scheef en den blik smeekend, als bedelaars die om een aalmoes vragen; anderen balden de vuist naar hem, met dofbrommende verwenschingen, en oogen zwart van haat en wraaklust. En allen hadden hem 't een of 't ander te zeggen: doorgaans langdradige, ingewikkelde verhalen; duistere, onsamenhangende klachten, die zij met vlugge woorden uitten, in alle mogelijke idiomas, terwijl zij ons stap voor stap volgden, achter het latwerk der staketsels.

Hij, opgeruimd en levendig, vergenoegde zich met hen te antwoorden door een welwillenden glimlach, door een verzoenend hoofdgeknik en soms enkele korte woorden, maar zonder eenmaal stil te blijven staan, zonder zich eenmaal boos te maken over de beleedigingen, of zich te laten ontroeren door de smeekbeden, onverschillig geworden door het dagelijks aanschouwen van al die ellenden, gewend aan de tergende halsstarrigheid van al die voortdurend herhaalde klachten en verwenschingen.

En plotseling, als wij aan het verste uiteinde der zaal gekomen waren, wipte hij op een bank en keek door een der hooge valramen, die uitzicht hadden op de zee. Hij slaakte een kreet, sprong haastig weêr beneden, en, mij driftig bij den arm grijpend:

- My God! daar landt reeds de eerste lichter der _Columbia!_" "Hurry up! Komt spoedig binnen in 't bureau, gij zult de landverhuizers zien ontschepen!"

* * * * *

Het onvergetelijk schouwspel....!

Joelend, in dicht opeengeperste horden, de zoldering dreunend onder hun aanhoudende kudden-getrappel, kwamen zij, langs een onzichtbare trap, als stegen zij uit de zee zelve, op den achtergrond van de immense, nare zaal te voorschijn, in een luidruchtigen, ononderbroken vloed. Het was een verbluffende, verbijsterende kakelbontheid van kleederdracht en typen, de populaire typen en kostumen van het gansche oud Europa en zelfs van een deel van Azië. Frischblanke Iersche vrouwen, met ruime, groen- en zwartgeruite plaids over haar lompen; bruingebrande Italianen, met hun schilderachtige, door de zon verkleurde plunje, ten toon spreidend, als een glorie, de gaten hunner drapeerende mantels; blonde Russen met puntige astrakanmutsen; dikke Hongaarsche vrouwen met rijkkleurig-gestikt voorschoot en overvloedige sieraden van klatergoud, met korte rokken en kloeke hooge manslaarzen. Er waren geelbleeke Poolsche joden, wier bovenmatige gekromde neus hun aangezicht convex maakte; er waren mooie, mooie Zeeuwsche meisjes, frisch gelijk kersjes in melk, in haar wit kapje met kanten vleugeltjes en haar bont, over de borst gekruist halsdoekje, dat lichtkens haren hals ontblootte. Een soort verbluftheid hield hen allen even bij hun intrede een poosje als verloren stilstaan, de oogen, nog vol van den weerglans der golven, weifelend in de akelige schemering, de aan reine zeelucht reeds gewende longen stikkend in de walglijke benauwdheid van de nare zaal, tot zij, vooruitgedreven door de tolbeambten en policemen, verder doordrongen, beladen met pakken, valiezen en arbeidsgereedschap, langs de smalle gangen tusschen de staketsels, waarachter de opgezweepte gevangenen met sterkere geluiden, met kreten als van dieren, als 't ware een gejoel van opstand lieten hooren.

Zoo kwamen zij aan 't bureau. Dáár, langs beide zijden stil gehouden vóór een ijzeren draaiboom, werden zij door de agenten der landverhuizing ondervraagd:

- Uw naam? Uw ouderdom? Van welk land? Waar gaat gij heen? Welk is uw vak of ambacht? Niet door kontrakt verbonden? Bezit u geld? Hoeveel?"

Die vlugge vragen, geformuleerd in allerhande talen, wisselden af met de antwoorden, in 't midden van een oorverdoovend geraas. Toen knarste de draaiboom, en de landverhuizer, voldoende aan de eischen der Amerikaansche wet, stapte vrij door, 't gelaat stralend van vreugd, naar den uitgang, waar verwanten en vrienden hem wachten.

Maar somtijds bleef de draaiboom vast gesloten en stapte de landverhuizer niet door. Een kort, levendig gesprek ontstond in 't Engelsch tusschen tolbeambten en policemen; papieren, registers werden geraadpleegd; men wenkte den rampzalige, die onthutst wachtte, binnen in 't bureau. En, 't oogenblik daarna, doorgaans na een zeer korte woordenwisseling, leidde een reusachtig policeman hem in een der afsluitingen, achter het staketsel, bij 't overige van den s t o c k.

Ten hoogste ontroerd en geïnteresseerd hield ik mij naast den kleinen Zweed, dicht bij den linkerdraaiboom. Hij scheen zichzelven te vermenigvuldigen, hij huppelde rechts en links, trillend van oplettendheid en bedrijvigheid, elk oogenblik een lijvig pak papieren: de dossiers der landverhuizers die aangehouden moesten worden, raadplegend. En, opgewekt en levendig als hij daar stond, had men kunnen denken dat hij die overweldigende taak tot zijn louter genoegen verrichtte. Van tijd tot tijd, tusschen twee vragen, wisselde hij kwinkslagen met zijn ambtgenooten; en telkens wanneer een mooi meisje, wier papieren in orde waren, te voorschijn kwam, hield hij haar even staan om haar onder de kin te streelen, en haar schertsend, met geruste vermetelheid en een flikkering van ondeugende begeerte in de oogen toe te roepen: "O, gij, kunt gerust zijn. Als men er zoo uit ziet en 't verstand heeft zijne ware te doen gelden, hoeft men in dit land voor geen materieelen tegenspoed bevreesd te zijn," Toen keerde hij zich om tot mij, en schalksch knipoogend naar de mooie passagierster, die vertrok:

- Wat voor een klucht, wat een comediespel is toch het leven!" Ziedaar eene die haar gansche fortuin op den rug draagt, en over een jaar, met een weinig geluk, kan zij een millionaire zijn. Oh! ik ken ze zoo goed, die type van landverhuisster daàr! Pas daar vooral mee op! Zij weten maar te goed hoe al te bereidwillig de Amerikaansche wet de vrouw beschermt, en als men zich met haar een weinigje te ver durft wagen, men huwt ze, of men betaalt de schade. En welke schade, My God! 't Is ongelooflijk welke gelden zij soms aan rijke Amerikanen afpersen!"

Doch af en toe werd zijn vroolijk-levendig gelaat een oogenblik zeer ernstig; hij luisterde, roerloos, de wenkbrauwen laag, met ingespannen aandacht, naar de doffe antwoorden van een ongelukkige. Dan deed hij, na een langzaam hoofdschudden, zijn tong klappen in een uiting van medelijden, als bij een wanhopend geval. En, half tot mij gekeerd, murmelde hij, in het gedruisch der zaal:

- Ziet eens, luistert eens; dit is geen comedie, 't is tragedie...."

Hij scheen gansch innig vergenoegd over, die twee door hem gevonden termen: "comedie, tragedie," die overigens nog al juist de beide humoristische en lamentabele zijden van het voortdurend zich voor ons vertoonend schouwspel samenvatten; en hij herhaalde ze elk oogenblik, met een soort kinderachtige ijdelheid, beurtelings daarmee de korte vlugge scènes kenschetsend. Maar 't was weldra niet moeielijk vast te stellen met wat een onheilspellende kracht de tragedie over de comedie zegepraalde. Zij waren wel overtollig, de snaaksche opmerkingen van den kleinen Zweed; en hoevelen gingen er niet voorbij, wier "papieren in orde waren," maar wier angstige, ontdane gezichten, toch de opperste rampzaligheid verrieden! Tragedie, mijnheer Waldorf, die doodsbleeke vrouw dáár, met haar groote, holle oogen, die gij zonder een opmerking hebt laten voorbijgaan, een kind op den arm en een andere bij de hand, en die buiten de balustrade blijft staan, zwijmend geleund tegen een paal van 't staketsel, om te hoesten: een holle droge, reutelende hoest, afschuwelijk om aan te hooren! Tragedie, die andere, dáár, die jonge, man, welke zooeven voorbij liep, den glimlach op de lippen en den glans in de oogen, als gaande naar een geluk, en wien een tolbeambte, bij het afroepen van zijn naam, een telegram overhandigt. Zie toch!.... hij wordt lijkbleek.... hij waggelt,.... hij drukt de handen op zijn slapen, als kreeg hij een slag. Ik loop er heen, ik informeer; 't is zijn vrouw, mijnheer Waldorf, zijn vrouw, die met de kinderen op een vorig schip, waar hij geen plaats kon vinden, vertrok, en daags na haar aankomst te New York, aan typhus in het hospitaal gestorven is! Tragedie, die gansche eindlooze stoet van hongerige wezens, van uitgemergelde gestalten, van zwarte armoede! Tragedie, al die vuile lompen, al die kleederen aan flarden, al dat arbeidersgereedschap wegend en drukkend als kruisen, als foltertuigen op al die gebogene schouders! Tragedie, die afgrijselijke, verpeste zaal, daverend van voetengetrappel, dreunend van kreten, snikken en verwenschingen! Tragedie, die zee, welke het akelig gebouw omringt, en waarvan de opkomende vloed reeds dof tegen de fondamenten aanbuldert, als de enorme dreiging der Natuur zelve, tegen die verdrukten van het menschdom. Neen, neen, mijnheer Waldorf, wees toch niet grappig, niet spiritueel meer: nergens ontwaar ik hier comedie; ik zie niets dan tragedie, sombere, sombere Tragedie....!

II.

Deze zoo treurige herinnering, ziehier wat ze mij weer in het geheugen heeft gebracht.

Wij woonden, 's zomers, op een buitentje. Een afgezonderd plekje, verloren in de velden, in 't midden van de rijke Vlaamsche velden: een wit juweeltje tusschen 't weelderige groen, dat door de vier opene vensters van de eenige verdieping, als door bewonderende oogen, naar den verrukkelijken omtrek scheen te kijken. Het was er groen, groen, men zag er niets anders dan groen; alleen aan het uiteinde van den boomgaard was een boerenhuisje: een hoevetje met herberg, dat aan den zoom van den landweg stond, en welks huurder--half opzichter half tuinman--het eigendom gedurende onze afwezigheid oppastte.

Hij heette Adams. Het was een man van een vijftigtal jaren, een goedig, bolrond, blozend aangezicht, altijd tevreden en glimlachend; en zóó beleefd, zóó dienstwillig, dat wij hem, daarom alleen, reeds genegen waren. Zijn vrouw, geelbleek van gelaatskleur, met een ronden mond en groote, zwarte oogen, arbeidde van den morgen tot den avond; de zoon, een lange, magere, achttienjarige knaap, was steeds zijn vader behulpzaam; het meisje, thuis overbodig, woonde als dienstmeid in de stad.

Met hun groote kloekmoedigheid en hun onverpoosd zwoegen hadden zij een nog al aardig sommetje vergaderd. Wel brachten de herberg en het hoevetje niet veel op, maar zij bezaten ook een andere en betere hulpbron. Zij kochten 's zomers allerhande fruit van de boeren in den omtrek en verzonden dit in groote hoeveelheid naar de Londensche markt.

Dat was het tijdstip van buitengewoon ruwen arbeid. Van vóór twee ure 's morgens af waren zij op, en, na een kort ontbijt, bestaande uit een kop zwarte koffie en een roggesmouterham, gingen vader en zoon op weg. Reeds met den dageraad kwamen zij op een of ander verre hoeve aan, en klommen er in de boomen, om het fruit te plukken. Den ganschen dag, tot den invallenden nacht, werkten zij door. De vermoeidheid maakte hun lendenen stram; zij konden soms, van de hevige pijn in den nek, het hoofd niet meer bewegen; vaak moesten zij, als in een duizeling, even de oogen sluiten, en zich krampachtig, met de beide handen, aan de takken vasthouden, om niet naar beneden te storten. Zij gebruikten hun maaltijden op de hoeve waar zij het fruit plukten, aan de gemeenschappelijke tafel van meesters en dienstboden; en 's avonds bracht de wagen van den boer hun het geplukte ooft naar huis, in groote teenen korven. Nog andere wagens, karren, kruiwagens en manden kwamen aan, allen beladen, óverladen met fruit; en het wegen begon. Na het wegen de sorteering, het pakken in kleinere korfjes en kistjes. Daarna de verzending met wagens naar 't naburig spoorwegstation. Zelden gebeurde 't, dat zij vóór elf uur te bed lagen, om den volgenden morgen, van vóór twee uur, weer op te staan.

En, den ganschen zomer door, behalve korte tusschenpoosjes rust, ging het zoo voort. Eerst waren het de kersen, dan de vroege peren, daarna de krieken en de pruimen, eindelijk de groote pluk der late peren en der appels, die weken duurde. Dan werden zij vaak van oververmoeidheid ziek, en verloor hun lichaam, na enkele weken, twintig, dertig pond van zijn gewicht. Maar zij verdienden een weinig geld, enkele honderden franken, somtijds een duizend, en dat vergoedde alles. Zeker waren er ook wel jaren, dat zij niets verdienden, dat zij zelfs geld verloren: dat hing af van de min of meer gelukkige uitkomst der speculatie. Want een weinig speculeeren moest men toch: de boomgaarden werden doorgaans bij den hoop verkocht, na den bloei, als de vruchten begonnen te zetten en reeds een vermoedelijk denkbeeld van de opbrengst konden geven. Zoo niet, dan kwam er een concurrent, die u het gras voor de voeten wegmaaide.

Wat de verkoop betrof, dat was het onbekende! De vruchten vertrokken naar den vreemde, naar Engeland, naar die reusachtige markt van Londen, welke die eenvoudige menschen zich voorstelden als een soort van nooit verzadigde en almachtige veelvraat, die hen door een gril rijk kon maken, die hen door een gril kon ruïneeren. Er was daar een agent, een heer, dien zij nooit gezien hadden, maar die alles aanvaardde wat men hem stuurde, en die dan een rekening van verkoop en geld afzond: een rekening die zij blindelings moesten gelooven, een somma die zij zonder beroep in betaling moesten aannemen. O, veel liever zouden zij op een andere wijze onderhandeld hebben, veel liever hadden zij ten minste willen weten aan wien ze verkochten, om zoo niet, als met handen en voeten gebonden, overgeleverd te zijn aan de willekeur eener onpersoonlijke almacht, aan de grillen van een onbekenden en almachtigen veelvraat. Maar 't was onmogelijk: in Vlaanderen bestaan er niet, zooals in Frankrijk, ciderfabrieken; de overtollige vruchten moeten er wel in den vreemde verkocht worden. En er is maar een enkel ernstig débouché: Londen.

Londen--de Veelvraat--dicteert zijn voorwaarden, en het nederig handelaartje onzer streken aanvaardt ze, gedwee, uit noodzaak onderworpen.

Welnu, dat jaar was de bloei der fruitboomen, begunstigd door een heerlijk zacht weer, gansch buitengewoon geslaagd en overvloedig. Adams en zijn zoon, op weg langs de zonnige velden, zagen ten allen kante de hoevedaken onder de reusachtige, wit-en-roze bloemtuilen der boomgaarden verdwijnen; en, bij het gezicht van die overtollige prachtweelde door een soort schrik bevangen, zeiden zij tot elkaar: "Loaten wij zeer veurzichtig zijn, loaten wij niets biên dan zeer loage prijzen." En zij boden buitengewoon lage prijzen, die de boeren van de hand wezen. Doch deze, van lieverlede ook beangstigd door den ongeloofelijken overvloed, dien dat jaar scheen te belooven, bedachten zich even, bediscuteerden de geboden prijzen, poogden een weinig meer te krijgen, eindigden met den koop toe te slaan. In enkele weken tijds kocht Adams zoo zijn ganschen voorraad in.

En elken dag, naar huis komend door de betooverende velden, sprak hij als volgt, met zijn zoon:

- 't Es woar, den bloei es buitengeweun overvloedig en scheune geweest, en 't fruit hé gespoand[1] onder de beste veurwoarden, moar loat nou 'ne kier 'n nachtelijke vust[2] komen, of 'ne storm, of 'n hoagelbuie, en ge zilt de jonge vruchten zien vallen lijk deude vliegen, mee duuzenden en duuzenden, van iederen beum. As da gebeurt, as 't fruit, in den tijd van de leveringe, moar zijn geweune prijs goat, es 't 'n fortune veur ons. Op zijn irgste genomen, al was euk d' opbrengste zeu overvloedig as ze moar en kan, zal 't toch nog altijd 'n geweun goe joar veur ons blijven, 't en kan nie anders. Noeit en zal de moarkt doalen onder de prijzen woartoe da w' ons verbonden hên. In elk geval was 't toch de moeite weird de kanse te woagen. 'T en spijt mij niet da 'k het gedoan hê."

1 Gezet.

2 Vorst.

De lente ging voorbij, de zomer kwam aan. Er was geen nachtelijke vorst, geen onweer, geen hagel. De vruchten groeiden, rijpten, in een nooit geziene pracht en overvloed. Het krioelde en wemelde er van; overal, op de boomgaarden, moest men de te zwaar beladen takken stutten. De kerseboomen waren als één groote, roodronde rechtopstaande tros; de pruimeboomen schenen zwart; de pereboomen, gansch geel van de vruchten, hadden haast geen bladeren meer.

En, gelijk ieder jaar, met de kersen, begon de pluk. In den beginne ging het nog al goed. De Veelvraat, sinds lange maanden van kersen gespeend, had een gulzigen eetlust. Hij wilde er hebben, meer en meer, hij scheen onverzadelijk; en hij betuigde zijn dankbaarheid in schoone klinkende munt, in heerlijke vijffrankstukken, die niet allen, neen neen niet allen, in de koffers van de boeren vielen. Adams mocht er een ruim, een zeer ruim deel van oppotten. Maar, van lieverlede, werd de Veelvraat beu en lastig. Hij vitte op de hoeveelheid, op de hoedanigheid; en hij betaalde ook minder, hoe langer hoe minder elken dag, tot hij eindelijk riep, brutaal:

"Genoeg met de kersen! iets anders nu....! Genoeg met de kersen....! En Adams die er nog zooveel te plukken had! Adams en zijn zoon, die nog onophoudend nieuwe boomen onderhanden namen, boomen des morgens zoo rood als pioenen, des avonds nauwelijks verbleekt....! Hij smeekte den Veelvraat; hij bood hem de kersen tegen den inkoopprijs aan; hij bood ze hem aan met verlies. Tevergeefs; de Veelvraat weigerde, hij was oververzadigd. Adams moest zelf de overige kersen elders aan de markt brengen en ze tegen een spotprijs laten verkoopen.

Toen kwam de beurt der krieken en der pruimen. De krieken, minder overvloedig, raakten er nog door, maar de pruimen....! De Veelvraat proefde ze gedurende acht dagen; en daarna wilde hij er niet meer van weten, om het even voor welken prijs. Adams moest er zich met verlies van ontdoen, evenals van de kersen.

Doch het was vooral met de peren dat de echte ramp begon. Er waren er zóó overvloedig veel, zij hadden gewoekerd met een zóó wilde overtolligheid, dat men niet meer wist wat er meê te doen. En gansche dagen, wanhopig sjouwend in de toppen van de boomen, zag Adams zich verarmen in die overvloedige weelde der Natuur.

De prijzen daalden, daalden; De Veelvraat, weerspannig en walgend, werd als een boosaardig en wantrouwend beest, van een verfoeielijke ondankbaarheid, woedend voor de mildheid zelve, waarmede hij bediend werd. Weldra dekte de verkoopprijs nog nauwelijks de arbeidsonkosten; de dag kwam waarop hij ze niet meer dekte. Toen staakten Adams en zijn zoon hun uitputtenden arbeid en lieten de vruchten zonder waarde op de boomen rotten. De rijkheid der Natuur had hen geruïneerd.

* * * * *

't Is dan dat ik die ongelukkige menschen tot hun laatsten cent heb zien betalen....

Ik heb den vader, zittend vóór een tafeltje, met bevende handen de hoopen vijffrankstukken zien tellen, welke de boeren opstreken en in hun zakken verborgen, terwijl de zoon, ziek door overmaat van arbeid, koortsachtig-huiverend naast den haard zat, en de moeder, doodsbleek, met wijde oogen van afschuw en verwildering, zuchtend en zonder doel in haar geruïneerd huisje heen en weer liep. Zij hebben alles gegeven, al wat zij hadden; en toch, ondanks alles, hebben zij, op een morgen, voor schuldeischers gestaan, welke zij niet meer konden voldoen....

Verslagen, vernield, hebben zij dan enkele dagen uitstel gevraagd, die hun toegestaan werden. En kort daarop zijn ze mij komen spreken. Zij hebben mij een besluit, o, voor lieden van hun leeftijd een zoo treurig besluit bekend gemaakt; en, met de diepste droefheid, beseffend dat dáár alleen nog hunne laatste toevlucht was, heb ik mijn best gedaan om ze te helpen. Ik heb plaatsen voor hen genomen op de eerste afvarende stoomboot naar New York; ik heb ze vergezeld naar Antwerpen; ik heb ze zien vertrekken....

O, vertrekken op dien leeftijd, zijn vaderland verlaten zonder hoop van terugkomst, dan als het gansche wezen, het gansche leven met al zijn verledene vreugden en herinneringen zoo innig-sterk in 't nederig geboorteplekje vastgeworteld is......!

Zij zagen er zóó triestig uit, zóó ongelukkig, zóó verloren in 't gewoel der landverhuizers, op dat reusachtig schip! De vader, zijn beide handen op de verschansing geleund, heeft mij gegroet tot op het laatste oogenblik met zijn beleefden, nederigen groet van arme stakkerd, die nog, dwars door allen rampspoed heen, zijn dankbaarheid voor een verkregen weldaad wil betuigen. De moeder, haar mond en oogen wijd open van angst, wendde voortdurend, met schrikgebaren, het hoofd rechts en links, om naar de masten, de schoorsteenen, de dekken, de gansche daverende reuzenmassa van het overweldigende schip te kijken; en Emiel huilde, naast zijn vader met beide handen op de verschansing geleund, roerloos en mager, met nog een gepijnigde poging om mij toe te lachen, door zijn bittere tranen heen....

Ach! mijnheer Waldorf, als gij nog in dienst zijt op 't bureel der landverhuizing, ginds, in die nieuwe gevangenis der Ellende, die men daar gebouwd heeft op een eilandje der New Yorksche baai, en die men zegt minder akelig en walgelijk te zijn dan Castle-Garden, doch waar toch steeds dezelfde stoet van menschensmart en armoede zal blijven defileeren; ach! ik vraag u, wanneer dit groote schip aan uw kade zal landen, en gij in dien lamentabelen optocht van rampzaligen een man met goedig aangezicht ontwaren zult, welke beleefd tot u zal naderen, met zijne pet in de hand, gevolgd door een vrouw met angstige oogen, en door een zacht-bedeesden knaap, ach, neen, mijnheer Waldorf, ik bid u, wees deze keer niet grappig, maak geen leuke opmerkingen, 't is geen "Comedie" die tot u komt....

Laat ze maar gaan, mijnheer Waldorf, "hunne papieren zijn in orde" en, wat het overige betreft, zal u wellicht minder belang inboezemen: het overige is Tragedie, mijnheer Waldorf... Tragedie... sombere Tragedie.

DUKSKE. Mieux on connait la vie, plus on aime son chien. (Vieux refrain.)

Hij was nog zeer zeer klein en jong, twee maanden geboren en pas bekwaam alleen te eten, toen Foncke, de pachter van het hoevetje, hem op een morgen bij zijn eigenaars bracht, verborgen onder een blauw schort, in het teenen korfje, waarmee hij naar de markt gekomen was. Hij was bruin, heel en al bruin van kleur, gelijk zijn moeder, met zijdeachtig-glanzend, licht-kroezend haar; met reeds lange, neerhangende oortjes en een puntig staartje; met bleekblauwe, zoete oogjes en een blinkend neusje, koudnat bij het aanraken, als vochtig marokijn.