Part 6
Glimlachend luisterde vader toe, den blik op 't curieuze paar, dat nu langs de haag liep, het haantje even fijn kakelend, het eendje nu en dan stilletjes kwakkend, als in een kalm en gelukkig gesprek. Op een gegeven oogenblik slaakte 't haantje scherpere gilletjes, terwijl het met pootjesgetrippel en vlugge pikjes voor een brokje aardappel stilhield. Het eendje, dat enkele stapjes vooruit was, keerde zich om, kwam terug, en met een enkelen schep van zijn langen, gelen bek, slikte het 't stukje aardappel op. Toen liet Pierke opnieuw een fijn gekakel van tevredenheid hooren, en klapwiekte voor Kootje, als tot een blijk van hulde en bescherming.
- Moar dat es percies 't affairen!" riep vader juichend. "Ik zal meneer den avecoat die twee dáár ten geschenk geven. Ze zijn vet en malsch: hij zal d'er heel kontent van zijn!"
- O, nien, da woare zonde, en wa zoûen de kinders schriemen!" sprak moeder haast verschrikt.
Doch vader, die de twee makkertjes in hun wondere vriendschap voor elkaar niet had zien opgroeien, en daardoor de gevoelens zijner vrouw en kinderen niet begrijpen kon, riep spottend:
- Hoe zeu!.... en woa zoe me d'er wel meê doen, as ze nie opgeëten wierden? G'en peist toch zeker niet uit 'nen hoan en 'n oande te kwieken? Ha, ha! zuilk 'n ras van pluimgedierte zoe 'k wel wille zien! Tut, tut, tut, morgen goa 'k er meê noar de stad, zeg ek ou. 'K en wille nie ondankbaar zijn: meneer den avecoat hê mij 'nen te greuten dienst bewezen."
En in 't geheim bewustzijn dat hij wellicht nog het slachtoffer zijner onverbeterlijke drift tot wildstrooperij zou worden:
- Wie weet of da w' hem loater nog nie neudig en hen," besloot hij zijn rede.
Moeder maakte geen opmerking meer, maar gansch den morgen voelde zij zich treurig te moede.
* * * * *
Erger was het toen de kinderen om twaalf uur terugkwamen en vader hun bekend had gemaakt wat er zou geschieden. Guustje, die altijd zoo bleek was van gelaatskleur, werd eensklaps purper en wierp van wanhopige droefheid zijn krukje tegen den muur, terwijl Fonske en Emeranske begonnen te schreien en te snikken. Alleen Liesje zei niets, maar keek ze beurtelings allen ernstig aan, met haar onschuldige blauwe oogjes, waarin een vage uitdrukking van schrik te lezen was. Toen barstte moeder ook in tranen uit; en aller wanhoop werd zóó hevig, dat vader zich haast boos maakte, en hun vroeg of ze wellicht gek werden, zulk een spektakel te maken voor dieren, welker bestemming toch was opgegeten te worden, vroeg of laat, onvermijdelijk.
- Och voader, loat ulder ten minste ien van de twie hoûen?" smeekte moeder.
Doch vader, stijfkoppig in zijn besluit, wilde daar niet van hooren. "Wat, slechts den hoan of 't oandeke geven, was da nui 'n geschenk veur 'nen hiere lijk den avecoat! Nie, nie, hij moest z'alle twie hên."
De kinderen schreiden luider, krompen als van smart ineen. Toen sprak moeder, door een plotse ingeving:
- Moar woarom niet, geef em 't hoantje en loat ons 't oandeken: 't zal eiers leggen."
Vader, die reeds met het hoofd schudde om nogmaals te weigeren, bleef even aarzelend bij die woorden. Een glimlachje kwam op zijn lippen, een vonkje schitterde in zijn oogen.
- Hm.... da woare messchien nog 'n gedacht," antwoordde hij langzaam, na een oogenblik stilzwijgen. "Het hoantje, doar en keunen me niemendale mee doen, en 't moet er aan; moar 't oandeken, inderdoad. Hêet al eiers geleid?"
- Nog niet, moar 't en zal nie lang meer duren."
En, daar de kinderen nu ook vurig smeekten toch een der beide lievelingjes te mogen behouden, werd het aldus besloten. Het haantje alleen zou opgeofferd worden en meneer den "avecoat" zou wel willen begrijpen dat zij toch maar arme sukkels van menschen waren, die gaven wat zij konden.
* * * * *
O, wat een triestige dag....!
Het had geen moeite gekost om het haantje te pakken: daar het volkomen tam was, had moeder maar eventjes moeten roepen "Pierke! Pierke!" en fijntjes kakelend, door het eendje gevolgd was het op haar schoot komen springen. Het spartelde een weinig met de pootjes, toen vader het vastgreep, maar toen het in 't net zat waarin vader het ter stad zou brengen, hield het zich heel stil, heel wijs, terwijl alleen zijn ronde glinsterende oogjes van zijn verschrikte verbazing getuigden. Toen het eendje haar makkertje gevangen zag, had het een paar keeren gekwakt, waarna het met groot vlerkengefladder in zijn kuipje was gaan zwemmen.
De kinderen, diep neerslachtig, barstten weer in tranen uit op het oogenblik dat vader zou vertrekken. Beurtelings kwamen zij een laatste maal hun lievelingje streelen in het net, en namen er teeder afscheid van. Zelfs dat aardig krullekopje van een Liesje, die nog te jong was om dat alles te begrijpen, kwam haar zoete lipjes tegen de mazen steken, en kuste 't arme makkertje op zijn oogjes. En toen vader na den eten opstond en het net optilde om er mee heen te gaan, sprak Fonske zuchtend, deze, voor een kind van zijn leeftijd, diepe woorden uit:
- O, as menier den avecoat wist hoe geirne da we da biestje zien, hij en zoe 't nie willen opeten."
* * * * *
Met de schemering was vader terug, opgeruimd en levenslustig, zooals immer.
Moeder en de kinderen zaten aan den disch en aten zonder trek. Hij zette zich bij hen en onder het eten vertelde hij van zijn reisje.
Meneer den "avecoat" was zóó tevreden, zóó aangenaam verrast geweest door vaders blijk van dankbaarheid. En haast met geweld had hij hem een stuk van twee frank in de hand gestopt. Twee frank! God, het haantje was lang zooveel niet waard! Glimlachend had meneer den "avecoat" het beestje in de hand gewogen, het even bevoeld op de borst, gevraagd aan vader of hij het wilde dooden en plukken.
Een kreet van smart steeg bij die woorden om de tafel op, de kinderen begonnen weer te schreien. En van daarbuiten, als een echo hunner klachten, kwam het geluid van een herhaald gekwak, treurig geslaakt door het thans eenzaam eendje.
Zonder op hun smart te letten, vertelde vader verder van zijn reis.
Wat voor een prachtig huis toch was die woning van den jongen "avecoat". Overal met goud omlijste spiegels, welke de kamers tot in het oneindige schenen te verdiepen, tapijten zacht als mos, waarop men haast den voet niet durfde zetten; stoelen en zetels breed en mollig als bedden. En overal planten en bloemen, en in den gang een vloer van wit-marmer; en in het gansche huis een zoo fijne reuk van spijzen dat hem het water in den mond gekomen was. Trouwens hij was ook in de keuken geweest, o, eene zóó ruime, mooie keuken, vol glinsterend tin- en koperwerk, waar een jonge, hupsche meid in sneeuwwitte schort, hem bier en vleesch had voorgedischt, zooveel hij maar wilde. Meneer den "avecoat" was belangstellend aan zijn zijde komen staan en had hem lachend gevraagd of hij nog altijd zoo levenslustig en zoo vroolijk van gemoed was.
Hij kon van zijn bezoek daar ginds maar niet zwijgen; hij praatte maar aanhoudend door, onbekommerd over het neerslachtig stilzwijgen zijner vrouw en kinderen, nog gansch overweldigd door het zien van al die ongeloofelijke pracht. Het was of hij vertelde voor zijn louter persoonlijk genoegen; en slechts van tijd tot tijd keerde hij even het hoofd om naar de achterdeur, als gestoord door het onophoudend gekwak, dat daar voortdurend in het tuintje bleef weergalmen.
- Moar woa es da doar toch veur 'n roazend gekwak?" vroeg hij eindelijk, op haast wreveligen toon.
- Da duurt azeu al hiel den dag; 't es 't oandeken die noar 't hoantje roept," antwoordde moeder stil.
Vader trok zijn schouders op.
- Woa da ge toch peist," sprak hij minachtend. "Smijt 'em woa eten en 't zal zwijgen."
- 't Pleintje ligt vul mee stikskes breud en eirdappels en 't en proeft er nie van," zei moeder.
- Bah, bah! 't zal der wel van proeven as 't honger krijgt," besloot hij achteloos.
De kinderen zwegen, met verkroppende keeltjes roerloos luisterend naar het geluid daarbuiten.
* * * * *
Het lampje werd uitgedoofd en allen gingen te bed. Maar de kinderen, die niet konden slapen, hoorden den ganschen nacht het wanhopig gekwak van het eendje.
Met den dageraad stonden zij op en liepen in het tuintje.
Niets was gegeten van al het voedsel dat op het pleintje gestrooid lag.
Zij riepen: "Kootje! Kootje! Kootje!"
Terstond kwam het kwakkend uit het hokje gefladderd. Zij wierpen versche kruimeltjes brood en versche brokjes aardappel. Maar zonder er zelfs naar te kijken hief het zijn geel bekje naar hen op en kwakte onophoudend door, halsstarig vragend naar het makkertje.
Diep bedroefd streelden de kinderen zijn gladde vlerkjes en vertrokken op hun dagelijksche bedeltochten.
Den ganschen dag, den ganschen avond en een groot deel van den volgenden nacht liep het eendje kwakkend in het tuintje. Soms zweeg het even en ging het zwemmen in het kuipje, maar na enkele oogenblikken kwam het er rusteloos weer uit, en schudde gejaagd zijn vlerken en begon opnieuw te kwakken. Eerst laat in den nacht hoorden de kinderen zijn akelig geschreeuw niet meer.
- 't Zal geëten hen, 't zal 't nog geweune worden," sprak droevig Fonske tot Guustje, toen zij den volgenden morgen samen van den zolder kwamen.
En spoedig openden zij 't achterdeurtje en riepen in het tuintje:
- Kootje! Kootje! Kootje!"
Maar ditmaal kwam Kootje uit het hokje niet gevlogen.
Door een akelig voorgevoel aangegrepen snelden de kinderen er henen.
Kootje lag roerloos op de plank naast de vroegere rustplaats van Pierke, de gele pootjes omhoog, het kopje scheef afhangend, dood.
Luid schreiend snelden de kinderen naar huis.
Vader en moeder, Emeranske en Liesje kwamen hen tegemoet.
- Woa est er gebeurd!" riep de eerste verschrikt.
- Kootjen es deud! Kootjen es deud!"
Allen liepen naar 't hokje terug. Vader trad er het eerst binnen, nam Het doode eendje in de hand, bevoelde het met de vingers, en zei geringschattend:
- Peuh!.... 't en weeg nie zwoar mier; 't en zal nie veel aan t' eten zijn."
O! Kootje opeten, gelijk meneer den "avecoat" Pierke opgegeten had!.... De kinderen schreiden luider en verwijderden zich van het eendje, als voelden zij nu een vrees gemengd met afkeer om hun rampzalig lievelingje nog aan te roeren....
Behalve dat blond krullekopje van een Liesje, die, nog te jong om te begrijpen, haar zoete lipjes naar het eendje uitstak, en het zoende op een der gesloten oogleden, zooals zij twee dagen te voren het ongelukkig haantje had gezoend, door de mazen van het net.
HET PAARD.
Het is een kort, aangrijpend tafereeltje geweest...
In 't midden van den pas gerepareerden straatweg waren drie kinderen bezig met in 't zand te spelen. Ik zie ze nog heel goed alle drie vóór mijn oogen, en 't komt mij voor, dat ik ze steeds zal blijven zien, evenals ik me, mijn leven lang, 't tooneel dat volgde, zal herinneren....
't Was eerst een meisje, van acht of negen jaren, rozepoppig gezichtje met helderblauwe oogen, en zwarte haren, in slordige verwarring hangend in den nek en om de wangen; dan een knaap van vijf of zes, dik, rood en blond, met iets van een kabouter in zijn grauw gelapt en gescheurd broekje dat veel te wijd en veel te groot was, omhoog gehouden door versletene bretels, waarvan de ongelijke knoopen haast tot aan zijn smalle schoudertjes reikten; en eindelijk een baby, anderhalf jaar misschien, nog met een rokje aan en neergehurkt in 't zand, een aardig klein kereltje met groote wijze oogen en een blond bolrond hoofdje, heel fijntjes gekruld.
Ik weet niet meer welk spel zij speelden. Geen spel, wellicht; een beetje ploeteren in 't zand met hunne vuile handjes, en dartelen in de zon, en gelijk kleine vrije beestjes heerlijk-onbewust genieten van de zachte, frissche lentelucht. Niemand sloeg ze gade: het heel kleine gehuchtje lag als ingesluimerd in de middagwarmte, de enkele witgekalkte hutjes als verlaten, aan beide zijden van den eindeloozen rechten weg, bezoomd met statige beuken, die van de eene verre stad naar de andere leidde.
* * * * *
Alleen in de schaduw, op een bank, vóór de eenige herberg van 't gehuchtje, was ik zelf een weinig ingesoesd, vermoeid van mijn langen rijwieltocht. Ik had reeds, op dien warmen, prachtigen Meidag, een veertig kilometers afgelegd; ik had er nog wel even veel te doen, alvorens het doel van mijn uitstapje te bereiken. Ik was een beetje ingesluimerd, den elboog op de leuning van de bank, de oogen dicht, werktuigelijk nog af en toe een walmpje rook ophalend uit mijn kort bruin engelsch pijpje. Mijn wiel, mijn heerlijk rijwiel, stond als een trouw hondje aan mijn zij.
* * * * *
Scherpe kreten, gegil, gehuil, schrikken mij eensklaps wakker. Ik vlieg op, en, als in een weerlicht, zie ik een schouwspel, dat mij van afschuw doet ijzen.
Vlak vóór mij, in 't midden van den steenweg, dáár, op de plaats zelve waar zooeven de kinderen speelden, komt nu, in zacht geschommel over 't mulle zand, een hooge, zware, met een donker dekzeil overdekte vrachtwagen gereden. En, met één en zelfden blik, als in den gloed van één en zelfde weerlicht, terwijl mijn sidderende handen zich op mijne slapen drukken, en mijn mond wijd open gaat van angst zonder een klank te kunnen uitstooten, zie ik: den voerman van 't vehikel slapend onder 't dekzeil uitgestrekt, de beide oudste kinderen schreiend op zij gevlucht, en 't kleintje steeds maar rustig voortspelend in 't zand, onbewust van het verschrikkelijk gevaar. Ik heb niet eens den tijd om toe te snellen: daar rijdt het paard 't kind omver!
Doch neen,.... het rijdt het niet omver!.... Op het oogenblik zelf dat ik dit afgrijselijk schouwspel meen bij te wonen, zie ik dat goede beest, misschien gedurende een kwart seconde, den kop naar 't kind buigen, als om het te beruiken, en dan, de beenen wijd uitgespreid, er langzaam met den wagen over heen gaan, zonder het aan te raken.
* * * * *
Lawaai, alarmkreten, deuren wild opengerukt, menschen toesnellend. Het meisje en de jongen huilend onder oorvegen; en een vrouw, die, verwilderd-hollend, het jongste kind ongedeerd opneemt. En dan de voerman, die, door het woest geraas ontwaakt, van zijn wagen springt, en, min of meer beseffend wat er moet gebeurd zijn, uit al zijn macht, onder vreeselijk gevloek, met de zweep op zijn paard begint te slaan.
Eerst dan spring ik toe, met tranen in de oogen. Ik voel dat ik dien man zou kunnen worgen. Maar, eer ik zelfs bij hem ben, en zonder te kunnen begrijpen hoe of dat gebeurt, voel ik mij eensklaps heel kalm, heel bedaard. En 't is ook met een zachte, kalme stem van goedheid en verzoening, dat ik, even de hand op zijn arm leggend, zeg:
- Vriend, sla dat beest liever niet; kom hier liever met mij een glas bier nemen.
Hij keert zich om, houdt op met slaan, en kijkt mij aan met een wantrouwend oog, nog flikkerend van toorn. En, tusschen ons, in den tijd van een weerlicht, gaat er iets om, speelt zich een onopgelost en onoplosbaar drama af. Indien hij nog slaat, indien hij nog een enkelen keer met zijn zweep op het beest slaat, dan spring ik op hem, werp hem op den grond, worg hem. Ik voel dat; dat is zeker. Indien hij niet meer slaat vergeef ik hem alles, en 'k voel dat ik een goede daad volbracht zal hebben, dat mijn zachtheid, voor de eerste maal zijns levens, in zijn hart een snaar van goedheid en menschlievendheid zal hebben doen ontwaken, die in 't vervolg nog dikwijls trillen zal.
Hij slaat niet meer,.... hij heeft het gelezen, in de vreemde schittering van mijn blik, wat fataal gebeurd zou zijn. Hij heeft gevoeld, in zijn ruwe ziel, in een aanraking van geheime sympathie, de zachtheid en piëteit, die vloeiden uit de mijne. O, ja, hij is in eens heel goed en zacht geworden; hij gooit zijn zweep onder het zeil en houdt zijn wagen stil.
Ik keer mij om, ik roep, dáár, in de drukte van de menigte, naar de herbergiersvrouw. Ik bestel haar twee glazen bier. Dan ga ik naar het paard, neem zijn gebogen kop tusschen mijn beide handen, en streel hem, streel hem, met trillende ontroering.
- Voerman, mag het niet een beetje haver hebben? vraag ik.
- Als 't u belieft, meneer, antwoordt de man zacht, als beschaamd.
Daar komt de vrouw met de glazen. Wij klinken aan. Ik vraag haar een portie haver, voor het paard. Zij brengt het, in een teenen korf.
De voerman doet zijn beest het mondstuk los. En, terwijl het paard uit mijn rechterhand eet, streel ik het voort, met mijne linkerhand, het voorhoofd en de manen. Ik doe het langzaam, zacht, met lange, steeds herhaalde streken, nog eens en nog de zelfde plaatsen streelend; en eensklaps, overweldigd van emotie, begin ik dwaasweg te huilen. Ik kan mijn tranen niet weerhouden, zij vloeien ondanks al mijn pogingen, zij vloeien en zij moeten vloeien, zij vallen als een zachten dauw over de laatste graantjes, die het goede beest uit mijn hand naleest, snuffelend met de lippen.
Zie zoo, 't is gedaan. 't Korfje is leeg, de man maakt het mondstuk weer vast, en de wagen rijdt voort. Ik reik den voerman eene hand toe, waarin ik twee franken verberg.
- Ziedaar om nog een glas te nemen onderweg.
De man was zoo ontroerd dat hij niet meer kon spreken. Slechts een blik dankte mij.
* * * * *
Ik ben nog even blijven staan om hem te zien vertrekken. Er moet een oogenblik iets gehaperd hebben, want, na een tiental passen, heeft hij 't paard weer stil gehouden, en is hij uit het vehikel gesprongen. Ik heb hem aan 't gareel van 't paard zien voelen, en 'k weet niet wat er aan veranderen. En, toen dit gedaan was, alvorens weer onder 't dekzeil te kruipen, heeft hij het beest even gestreeld in de manen, en op den hals geklapt, met vriendelijke hand. Toen is hij weer in den wagen gestegen, en van onder 't zeil heb ik de zweep zien uitkomen, zacht vroolijk-klappend in de lucht hoog boven 't paard, als een beschermende aanmoediging, als een gezang....
En, met een zucht van verlichting, ben ik dan heen gegaan.
DE DOOP.
Met hun drieën, in de verblindende namiddagzon, hebben zij 't hoevetje verlaten....
Zij volgen den bochtigen, blonden landweg tusschen het gelende koren, schitterend van roode en blauwe bloemen.
De peter, lang en mager, zakkende schouders en steltige beenen, frisch geschoren, bruingebrand beenderig gezicht onder een zwart-zijden pet, stapt in het midden. Aan zijne rechterhand loopt de meter,--de zuster der kraamvrouw--een prachtige meid met langen, zwart-glimmende kapmantel en bont-gekleurde kanten muts; aan zijne linkerhand loopt de baker, gezet en klein, met korte, vlugge stapjes, ook in langen zwarten kapmantel, 't gelaat zoo effen geel als rijpe haver, met twee ronde, wakkere, lichtblauwe oogjes, onder een witte, gepijpte kap, die heelemaal het haar, en een groot deel van 't voorhoofd bedekt. Beider armen, onder de lange slippen van de kapmantels verborgen, zijn onzichtbaar. Slechts door een reet, als de beweging van haar gang de slippen eventjes doet opwaaien, komt iets wits te voorschijn. Zij dragen, naar de dorpskerk, de 's ochtends pas geboren tweelingen van zeven maanden, ten doop.
* * * * *
Langs den weg, begrensd door bouwakkers, door boomgaarden en hoeven, komen mannen en vrouwen op den voorbijtocht van den kleinen stoet nieuwsgierig aansnellen.
't Is dan toch waar, tweelingen van zeven maanden, en die leven! Men ondervraagt, men gilt het van verbazing uit, men slaat de handen van verwondering in elkaar. En telkens houden de twee vrouwen even stil, keeren zich met den rug naar de zon, halen de mantels om, en laten de wichtjes even zien, zoo nietig klein onder hun witte windsels, de oogen dicht en de gezichtjes popperig, tusschen de langzaam bewegende handjes. Dan halen zij, met een mysterieusen glimlach, de slippen der mantels er weer over, en verder schitterende korenvelden, den peter langs den landweg, zich haastend om te komen aan het kerkje, welks spitse torentje, vrij verre nog, over de hooge boomen uitpunt.
* * * * *
Eensklaps vaart er, door het lichaam van de baker, als een korte schok....
Een wondere trilling, mysterieus-inwendig, gevolgd als van een stilstand, van iets dat plotseling ophoudt te bewegen....
Gedurende den tijd van een weerlicht houdt zij zelve even stil, bleek, met verwilderde oogen, en een mond die zich opent, als om een kreet te slaken. Doch ze bedwingt zich instinctmatig, zegt niets, loopt zwijgend verder, naast den peter en de meter, die ook niets hebben gemerkt.
Met hun drieën loopen ze zoo zwijgend een tijd door. Zonder reden is het gesprek eensklaps gestaakt; zonder reden, als in geheim accoord, verhaasten zij den stap onder de blakerende zon, tusschen de schitterende korenvelden. De zwarte mantel van de meter klappert af en toe onder haar flinken stap van kloeke, knappe deerne; de peter, met zijn lange, schrale beenen, jaagt nu en dan een wolkje zand op; de baker huppelt door, met korte, vlugge pasjes, 't gezicht zeer bleek, de oogen angstig vóór zich starend, de zenuwachtig-trillende lippen half open, in 't hijgend jagen van haar hartslag.
* * * * *
Zij zijn niet verre meer van 't dorpje, over vijf minuten zullen zij aan 't kerkje zijn....
Maar,.... ziedaar weer menschen vóór hun deur, die ze bij zich wenken en roepen, die de tweelingen willen zien. En reeds opent de meter, welwillend en ontroerd, haar mantel, toen de baker koortsachtig-gejaagd in 't midden treedt:
-Nie, nie, en doe da nie mier; 't es nou genoeg, we 'n hên nou gienen tijd mier."
De nieuwsgierigen protesteeren, dringen aan. De jonge meter eindigt met haar zuigeling te laten zien, heel fluksjes. De baker, ondanks alle smeekingen, weigert hardnekkig het hare te toonen. Zij siddert en stampvoet, hare verwilderde oogen zijn vol schrik en toorn, ze snelt vooruit, de anderen moeten haast hollen om haar in te halen.
Eindelijk komen zij in 't dorp. De koster, die ze verwacht en ze voorbij heeft zien gaan, voegt zich bij hen, gaat zijn pastoor verwittigen. Zij klimmen de twee arduinsteenen treden van het kerkhof op, ze staan vóór de gesloten deur van het witgekalkt kerkje.
* * * * *
Zij hoeven slechts een oogenblik te wachten. Dadelijk is de koster daar terug, met den pastoor, en de deur van het kerkportaal wordt geopend. In groep treden zij binnen, en blijven achteraan staan, onder 't orgel, bij de doopvont, in 't frisch, haast kil halfduister van den hoogen middenbeuk, terwijl de pastoor in de sacristie zijn koorhemd gaat aantrekken. Ziezoo, ze zijn klaar. Zij verschijnen met de noodige toebereidsels, de doopvont wordt geopend, men kan beginnen. Wie eerst?
- Gij, zegt met schorre stem de baker tot de meter. Heel haar lichaam beeft van ontsteltenis, en 't zweet parelt in dikke droppels op haar wangen. Haar aangezicht is lijkwit geworden, zoo wit als 't gepijpte ruusje van haar muts; het kind, het nietig kleine wichtje weegt op haar armen, weegt op haar lijf als lood.
De plechtigheid begint. De meter heeft haar kapmantel geopend, de koster neemt het kind, en houdt het over de doopvont. Het wordt gebet met lauw water, het schreeuwt heel even, en kwijlt van afkeer, als de pastoor hem het traditioneel snuifje zout op de tong legt. Het krijgt zijn christelijke voornaam, terwijl de peter en de meter om dezelfde brandende waskaars hunne rechterhand houden.
* * * * *
De tweede nu....
Met een trillende hand heeft de baker haar mantel half geopend. Zij ontbloot even 't kind, reikt het aan den koster, haar hoofd als in schrik op zij wendend. Die enkele beweging doet haar, als van flauwte, waggelen. Door een vlug grijpen naar haar arm, houdt de peter haar recht.
Reeds houdt de koster het kind boven de doopvont, en de plechtigheid is begonnen, toen de pastoor, plotseling ophoudend, zich buigt, om, bij het schijnsel van de waskaars, het kind van dichter bij te aanschouwen.