Part 5
En, in de ongepeilde diepten zijner ziel, voelde hij eensklaps, gedurende een oogenblik, niet langer dan één enkel oogenblik, de heldere, vlijmende intuïtie, dat dát de Groote Onbekende Ramp was, die hij, den ganschen middag lang, zoo zwaar op zich had voelen drukken.
PIERKE EN KOOTJE.
_Aan mevrouw A. D._
Toen vader weg was naar de gevangenis, weg met den zegen en de tranen van zijn vrouw en kinderen, kwam moeder, die hem tot aan de eerste elzenstruiken van het pad uitgeleide gedaan had, in het hutje terug, en haalde zij, nog snikkend, uit haar zak het linnen geldbeursje te voorschijn, dat hij haar bij 't laatste afscheid had gegeven.
Het woog niet zwaar. Op den bodem van het vuilgrauw taschje teekende zich onduidelijk de vorm van twee vijffrankstukken af; en toen moeder het strikje losgemaakt en den inhoud in haar hand geledigd had, telde zij juist de som van veertien frank en vijf en zeventig centiemen.
Veertien frank en vijf en zeventig centiemen, iets meer dan één zak aardappels, enkele stukken gerookt zwijnevleesch en een veertigtal kilo's roggemeel, dat was alles wat zij en haar vier kinderen nog bezaten, om, gedurende de zes maanden welke er vóór vaders vrijstelling zouden verloopen, in hun onderhoud te voorzien.
Arme vader....! Het was zijn ontembare passie voor 't wild, die hem opnieuw naar de gevangenis gedreven had, reeds voor de vijfde maal. Hij was zoo goed, steeds zoo opgeruimd van gemoed, en ook zoo werkzaam en zoo sober, maar hij was nu eenmaal aan die ellendige drift van wildstroopen verslaafd; hij kon geen haas of geen patrijs zien zitten zonder er zich meester van te willen maken.
Hij deed het al lachende, al gekscherende, gelijk hij alle dingen deed, volstrekt niet voelend dat hij daarmeê verkeerd kon handelen. Er was niets in hem van de omzichtige loosheid welke doorgaans gepaard gaat met de drift van 't wildstroopen; hij ging er zoo onbezonnen, zoo naïef weg mede te werk, zóó naïef, dat hij schier telkenmale op heeterdaad betrapt werd. Glimlachend, tenauwernood verwonderd dat het telkens zoo gebeurde, liet hij zich door koddebeier of gendarm bij den kraag vatten; glimlachend hoorde hij zich op 't tribunaal berispen en veroordeelen; glimlachend, vast vertrouwend dat hij toch terug zou komen, trok hij naar de gevangenis. Noch voor zich zelf noch voor de zijnen voelde hij de ruwheid van hun arme-menschenleven: hij behoorde tot die gelukkige gemoederen, die alles van de louter goede en optimistische zijde kunnen beschouwen.
En heilzaam werkte steeds een zoo opgeruimde gemoedstemming op het verdriet van zijn gezin. Het was niet mogelijk lang te treuren om een ramp, welke zoo weinig indruk maakte op hem zelf, die er rechtstreeks door getroffen werd; en ditmaal, evenals vroeger, was het, na een paar uren, gedaan met de klachten en de tranen. Nu moest hij reeds in de gevangenis zijn en geene smeekingen noch tranen zouden hem vóór den termijn zijner straf in vrijheid doen stellen. Al wat moeder nog voor hem kon doen was hem telkens om de veertien dagen eens te gaan bezoeken, om een uurtje met hem te praten door de traliën zijner cel, en hem misschien, als de bewaker den rug gekeerd had, een stuk ham of spek in de hand te stoppen.
Getroost rees moeder weldra op van den stoel, waar zij, ineengezakt van droefheid, had zitten te weenen, en na een laatste maal, in een laatsten, snikkenden zucht, met haar blauwe schort haar roodgekreten oogen afgedroogd te hebben, begon zij bedaard den materiëelen toestand te beschouwen, waarin 't vertrek van haren man haar liet.
Zij telde nog eens de veertien frank vijf en zeventig van 't linnen beursje, keek naar de enkele stukken spek die aan de lage zwartgerookte zoldering van het keukentje hingen, en naar het hoopje aardappels die in een der hoeken van het slaapvertrekje lagen; en dan, hare vier jonge kinderen om haar heen roepend, richtte zij ernstig tot hen, als tot groote menschen, deze woorden:
- Ziedoar, kinders, al wa da me nog bezitten om er zes moanden van te leven. As voader uit "het kot"[1] weeromme komt zal 't winter zijn, en we zillen allemaol lang deud zijn van den honger, as ge mij niet en wilt helpen. Zeg, zilde mij helpen in ons onderhaud te veurzien?"
Alle vier, in rij vóór haar, knikten toestemmend met het hoofd.
1 De gevangenis.
- Me zille goan scheuïen,"[1] sprak Fonske, de oudste: een mooi, tienjarig ventje met bruin haar, bleeke wangetjes en groote wijze oogen.
- En veugels vangen," riep Guustje, klein en gebrekkelijk, scheef-steunend op zijn krukje, zijn helderen blik op moeder gevestigd.
1 Bedelen.
Liesje, pas vier jaar oud, blond kroezelhoofdje, met serieus-naïeve bruine oogjes, zei niets en bleef schuchter-roerloos, met op haar borst gevouwen handjes naast de anderen staan, wel voelend dat er van gewichtige dingen sprake was, echter nog te jong om dat gewicht te vatten.
Maar Emeranske, het oudere, achtjarig zusje: blozend gezichtje, vlasblonde haren en buitengewoon fel glinsterende, vlasbloemkleurige oogjes, maakte plotseling, als in een groet, een bruske, bijna drieste beweging met het bovenlijf, klapte in haar handjes, en riep juichend, terwijl een sterkere blos haar wangetjes deed kleuren:
- En m'hên euk nog d'hinne die zal broeien op de twoalf oandeneiers! Me zillen twoalf scheune witte oandekes hên, die w'op de moarkt zillen verkeupen as z'ienige weken oud zijn!"
Verrast glimlachte moeder. God! 't was toch de waarheid en zij had het heelemaal vergeten! Zij had niet eenmaal meer gedacht aan de klokhen en de twaalf eendeneieren, welke boer Muijshondt hun weldra moest brengen in betaling van drie dagen arbeids, die vader op zijn hoeve gedaan had.
O, 't was een vreugde! De droefheid over vader was bijna geheel vergeten; Fonske en Guustje juichten; moeder streelde glimlachend Emeranske op het hoofdje en zei dat zij allen brave kinderen waren.
* * * * *
De veertien frank vijf en zeventig in munt, de enkele stukken gerookt zwijnevleesch, de aardappels en 't roggemeel, dat alles met de grootste zuinigheid besteed, duurde, benevens de proviand, welke de kinderen van hun bedeltochten medebrachten, ongeveer twee maanden. Op een zachten Meiavond, avond van zwevende balsemgeuren en droomerig gonzende kevers, was er noch geld noch eten meer in huis. Maar boer Muijshondt had eindelijk de broeihen en de twaalf eendeneieren gebracht, en dát was, in de verbeiding van den nog ver afgelegen dag op welken vader zou terugkomen, de eenige hoop dier vijf levens, welke nu nog alleen aan de publieke liefdadigheid 't bestaan te danken hadden.
Men had haar met haar eieren op een nest van stroo in den donkersten hoek van het houten hokje gezet, waar vader des winters soms in zwingelde; en elken dag kwamen de kinderen vol gretige belangstelling even kijken en haar een weinig voedsel brengen. In de duisternis van 't hokje zagen zij haar rond oog verwilderd glinsteren, en als zij haar van te dichtbij durfden naderen, zette zij al haar veeren overeind en uitte korte, schorre, booze gilletjes, terwijl zij, de vleugels beschermend over haar eieren uitgespreid, rechts en links nijdig in het stroo pikte. Maar de bedoeling der kinderen was niet haar te storen, verre van daar; daarvoor waren ze zich veel te innig hun verantwoordelijkheid en de waarde der hen bewust; zachtkens plaatsten zij het bord met eten en het schoteltje met water binnen haar bereik en gingen heen. Zij waren zóó bang haar schuw te maken, dat zij zelfs niet eenmaal van nabij naar de eieren durfden kijken, als het, hoe zeldzaam ook, gebeurde, dat de hen voor enkele oogenblikken haar nest verliet.
Dat duurde zoo een drietal weken. Dan, op een morgen, toen zij in het hokje kwamen, hoorden zij een fijn getjilp. Op hun geroep kwam moeder aansnellen, verdreef schier met geweld de hen, die ruw en wild, met schrille gillen in haar handen pikte; haalde, van onder haar veeren, een klein spartelend ding te voorschijn. Eén enkel, en, o wonder, toen zij het in 't klare daglicht bracht, bemerkten zij allen met verbazing dat het geen eendje, maar wel een kuikentje was. Een kuikentje uit eendeneieren, hoe was zulks mogelijk! Moeder gaf het spoedig aan Fonske, die het met eindelooze voorzichtigheid tusschen zijn beide handjes verborgen hield; en, teruggaande naar den achterhoek van 't hok, tilde zij er de hen, die nu schreeuwde of zij vermoord werd, van haar nest op.
De twaalf groote, groenachtige eendeneieren lagen ongeschonden in het stroo, maar op den rand van 't nest lag de gebroken dop van een dertiende ei: een kippenei.
Toen begreep moeder was er moest gebeurd zijn. Ofschoon de hen broeide op de eendeneieren, had zij er nog een van haar eigen eieren bij gelegd, en, daar het kippenei sneller uitbroeit dan het eendenei, was het kuikentje 't eerst op de wereld gekomen.
Moeder moest er hartelijk om lachen en de kinderen klapten juichend in hun handjes. En spoedig liet men de hen, die woedend-klokkend rond het hok liep, op haar nest terugkeeren, en stak men 't tjilpend kuikentje onder haar veêren, opdat zij het er warm zou houden.
* * * * *
Opnieuw verliepen acht dagen, in een schier angstige verwachting van geheel het huisgezin. Het kuikentje groeide op dat het een echt genoegen was, maar zouden de eentjes er dan heelemaal niet komen? De kinderen werden er treurig om; elken morgen, met den dageraad, snelden zij met vernieuwde, steeds teleurgestelde hoop naar 't hokje; elken middag, als zij terugkwamen van hun bedeltochten in het dorp, was hun eerste vraag tot moeder: "nog geen oandjes?" En als moeder telkens ontkennend "neen" antwoordde, waren zij haast op 't punt om te schreien. Eens toen Fonske ernstig zei dat het voor hen allen een groot ongeluk zou zijn indien er geen eendjes tot stand kwamen, begonnen Guustje en Emeranske werkelijk te schreien, terwijl dat blond krullekopje van een Liesje, nog te jong om te begrijpen, hen heel serieus met haar schuldelooze blauwe oogjes aanstaarde, de handjes roerloos saamgevouwen.
Eindelijk zou het er toch van komen! Op een morgen, net zooals 't gebeurd was met het kuikentje, hoorde moeder, zoodra zij 't deurtje opende, een welbekend getjilp in 't hokje. En alvorens ze zelfs in 't achterhoekje was, vloog de hen wild van haar nest op, schudde haar veeren dat het stof er afwaaide, en snelde klokkend, met sleepende vlerken naar de deur, gevolgd van haar kuiken en van één enkel, nog gansch gele eendje, dat haar waggelend en wanhopig tjilpend achterna liep.
Verbaasd versperde moeder de klokhen den weg, greep haar vast ondanks de vleugelslagen en het razend gepik, zette haar weer op de eieren, met het eendje onder haar. Als verdwaasd, met ronde, verwilderde oogen, bleef het beest er enkele oogenblikken roerloos zitten, maar eensklaps vloog het met een krijschenden gil weer op, en zóó geweldig, dat het een der eieren verbrijzelde.
Een walgelijke stank vervulde heel het zwingelhok: het ei was bedorven.
Op het geluid waren de kinderen aangesneld. Moeder beval hun de hen, die volstrekt met hare kleinen buiten wilde, te bewaken, en naderde 't verlaten nest. Het hoofd afgewend raapte zij het gebroken ei op, en ging het op den mesthoop gooien. Toen kwam zij in 't hokje terug, nam éen voor éen de overblijvende eieren uit het nest, woog ze even in haar hand, hield ze omhoog, naar 't daglicht.
Met een stokje brak zij voorzichtig een der schalen. Pouah!.... De hand vóór den mond en 't water in de oogen, liep ze buiten. Het ei was ook bedorven, net als dat welk de hen zelve gebroken had.
De kinderen stonden verslagen.
Toen nam moeder het geheele nest op en bracht het buiten in het gras. Het een na het ander wierp zij van verre de eieren op den mesthoop, en allen barstten er open, een walgelijken stank verspreidend. In geen enkel was er nog een eendje, allen waren bedorven. Van het gansche gebroed waren er enkel die twee te recht gekomen welke nu in den heerlijken Julimorgen naast de klokhen op het zonnig graspleintje liepen: het kippetje en het eendje.
* * * * *
't Was een erbarmelijke teleurstelling gemengd met woede. Guustje was zóó boos dat hij zijn kruk achter de klokhen gooide, en Fonske en Emeranske huilden bittere tranen, terwijl Liesje stilzwijgend, met groote, wijze oogen, alles afluisterde en aanstaarde. En eensklaps riep moeder met een schorre stem dat het de moeite niet was die twee te behouden, en dat men ook dadelijk de hen zou dooden en opeten.
Maar toen ze zulks hoorden begonnen de kinderen nog luider te schreien en smeekten zij moeder dat ze 't niet zou doen. Zij hingen aan haar japon en Guustje ging hinkend zijn krukje uit het gras weer oprapen opdat moeder er de hen niet meê zou doodslaan, terwijl Emeranske in allerijl om kruimeltjes brood en stukjes gekookte aardappel liep, voor de kleintjes.
- Nie nie, moeder,.... niet deud doen!.... onz' hinneke niet deud doen!
* * * * *
Toen het eerste oogenblik van teleurstelling en gramschap over was, sprak moeder trouwens zelve niet meer van de klokhen te dooden. Zij brak ontzenuwd in tranen los, zuchtend dat zij toch ál te ongelukkig waren en dat zij allen zouden sterven van den honger, lang vóór vader uit de gevangenis terugkwam. Toen ging ze, de oogen rood en nog snikkend, van den zolder een oud kippenhok halen, waarin de hen werd opgesloten en waar de kleintjes gemakkelijk in en uit konden loopen. In 't midden van het grasveldje werd een kommetje gegraven waarin men een waschkuip met water plaatste, opdat het eendje zou kunnen zwemmen; en binnen en rondom de kooi werden er rijst, kruimeltjes brood en stukjes aardappel gestrooid. De hen, al hare veeren overeind en hare vlerken sleepend, draaide klokkend in 't hok heen en weer; de kleintjes slokten gulzig het eten op, het kuikentje fijn kakelend, het eendje met gretig uitgerekt bekje kwakkwakkend; en de gramschap en de droefheid waren nu weêr heelemaal vergeten: moeder keek glimlachend, door haar tranen heen, naar het gemoedelijk tafereeltje, en de kinderen, gansch opgewekt, omringden 't hok met kreetjes van geestdrift en juichend gehuppel.
* * * * *
En van lieverlede werd het iets zoo grappigs, zoo aardig-verrukkends.
De beide kleintjes, precies als broeder en zuster, verlieten elkander geen oogenblik, liepen gansche dagen naast elkaar rondom het hok en op het grasveldje: het kuikentje na enkele weken reeds goudbruin van veeren, hoog en slank op zijn pootjes, wijd stappend met een air van hoogmoed: het eendje heel en al wit en 't lijfje tegen den grond, de gele platvoetjes scheef, den gang waggelend, gelijk een te zwaar beladen boerinnetje. Zoodra het kippetje in 't gras een wormpje vond, riep het scherp kakelend, met pootjesgetrippel en vlugge pikjes, het eendje bij zich, en spoedig kwam dit aangewaggeld, en staarde het aas met zijn rond zwart oog aan, even kwakkwakkend dat dit voor hem geen geschikt voedsel was; zoodra het eendje in het kuipje zwom, sloeg het zijn vlerken open en kwakte gretig-luid opdat het makkertje zou komen zien. En dit kwam dadelijk op het houten randje gesprongen en huppelde kakelend naast het eendje rondom 't kuipje mee, zich even, verdwaasd, in 't water spiegelend, somtijds, met uitgerekten hals en opgeheven bekje een teugje er van drinkend, als om, op de eenige manier dat hem zulks mogelijk was, 't genoegen van zijn makkertje te deelen. Na ruim een maand kon men vaststellen dat het kuikentje een haantje was, en het eendje een wijfje. Maar reeds was het eendje aanzienlijk meer ontwikkeld en zwaarder dan het haantje; en toen zij beiden 's avonds in het hokje, waar men de kooi telkens terug droeg, onder de vlerken van de klokhen kropen om te slapen, zat deze gansch schuin neergehurkt, als een op anker liggend, scheef geladen schuitje.
Voor de kinderen was deze wondere vriendschap der twee diertjes een onuitputtelijke bron van genoegen geworden. Reeds van de eerste dagen hadden zij het haantje als "Pierke" en het eendje als "Kootje" gedoopt; en zoodra zij van hun dagelijksche bedeltochten thuis waren, liepen zij haastig, haastig naar het tuintje, om er bewonderend den handel en wandel der twee vriendjes waar te nemen. Altijd hadden zij de een of andere lekkernij mee, en zoodra de diertjes hen ontwaarden kwamen zij haast vliegend toegesneld en aten zij uit hunne handjes. Zij waren zóó tam geworden dat de kinderen ze op hunne knieën konden nemen en ze streelen over de gladde veeren zonder ze te doen vluchten. Na zes weken sliepen zij niet meer onder de vlerken der moeder, die nu weêr in vrijheid werd gesteld, doch bleven roesten in het zwingelhok. Elken avond, ongeveer een uurtje vóór zonsondergang, zag men ze samen: het eendje waggelend, met scheeve staartbewegingen, het haantje breed-schrijdend met een air van bescherming, gelijk verliefden naar hun hokje trekken. Daar het haantje op 't rek moest om te slapen, sprong het op een der sporten van een laddertje welk daar stond, en altijd fladderde 't eendje, dat een effen vlak noodig had om te rusten, op een plank daarnaast, zoo dicht mogelijk bij het makkertje.
De hen, onverschillig, zag naar beiden niet meer om, en roestte[2] alleen, boven het achterhuisje van het hutje.
2 [Nota van de bewerker] _Roesten_: (van kippen; gew. ook van mensen) op de roest, op stok zitten synoniem: slapen (Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal 14)
* * * * *
Een avond, met de schemering, terwijl moeder en de kinderen reeds aan tafel zaten voor het maal, ging de voordeur open, en stond vader glimlachend vóór hen. Het gebeurde zóó plotseling, zóó vreemd, zóó onverwacht, dat allen als verstomd bleven, den paplepel roerloos in de hand, de oogen wijd open. Vader zelf schoot in gullen lach, en, zijn pakje op een stoel gooiend, wreef hij zich opgeruimd de handen, als kwam hij van een feest, terwijl hij uitriep:
- Dat es nui wat, hè! Zeu vroeg en hêtte mij toch nie verwacht! Hoe goat 't mee ulder allemaol?"
Neen, zeker, zóó vroeg hadden zij hem lang niet verwacht. Het gebeurde wel eens dat hij een drietal weken vóór den termijn vrijgelaten werd, maar nu had hij volgens zijn veroordeeling, nog minstens twee maanden in de gevangenis te blijven. Hij was er dus uitgevlucht, en in dat geval zouden de gendarmen hem spoedig opnieuw komen aanhouden!
Een heele minuut duurde het alvorens de vrouw en de kinderen van hun stomme verslagenheid herstelden. Toen stonden zij allen op, en schuw en aarzelend viel hun de geijkte Vlaamsche groet van de lippen:
- Man ge zij welgekomen...."
- Voader, ge zij welgekomen...."
En bleek van schrik kon moeder het niet langer bedwingen:
- O!...... zijde dan uit "'t kot" gevlucht?
Opnieuw schoot vader in een luiden lach:
- Gevlucht....! gevlucht!" riep hij, als was hij ten hoogste verrukt door die gedachte. "Nien, nien, ek, zulle! wacht moar, 'k zal 't ulder wel goan vertellen."
Allen waren weêr gaan zitten en vader zelf had luidruchtig naast hen aan den disch plaats genomen. Hij was uitgehongerd, zijn flikkerende oogen loerden schuins naar de groote papkom, die in 't midden van de tafel stond, en nogmaals wreef hij zich krachtig de handen, terwijl moeder hem spoedig een houten lepel toestak en hem een paar dikke roggesmouterhammen voorsneed. Gedurende ettelijke oogenblikken at hij gulzig door, 't gelaat ernstig, den rug gekromd, den mond vol roggebrood, slikkend de witte pap met een geslurp der lippen. Toen slaakte hij een grooten zucht van verluchting, barstte nogmaals uit in een gullen, onbekommerden lach, en, langzamer voort etend, begon hij zijn geschiedenisje te vertellen.
't Was aan zijn "avecoat" dat hij zijn vrijstelling te danken had.... Die jonge man, welke een zonderling belang in hem scheen te stellen, was hem herhaaldelijk in de gevangenis komen bezoeken, en telkens had hij zijn verbazing uitgedrukt vader zoo volkomen verschillend te vinden van andere gevangenen, steeds zoo opgeruimd en levenslustig, terwijl de meesten--en niet zonder reden--ter neer gedrukt en ongelukkig waren. "Zitte gij dan zeu geirn in 't kot?" had de "avecoat" hem eens gevraagd. "Verduuveld nien ek, menier den avecoat, moar es 't nie beter van d'r om te lachen dan te schriemen? had vader vroolijk geantwoord. "Eiwel," had de "avecoat" daarop gezegd, "ge ziet er gij mij nog al 'nen braove meinsch uit, en 'k zal ne kier probeeren of dan z'ou nie en beetjen eer en wille losloaten." Vader had den "avecoat" een woord van dank gezegd, zonder echter veel hoop in zijn belofte te stellen. Hij had er zelfs niet eenmaal, uit vrees voor een teleurstelling, aan moeder van gesproken, als deze hem de laatste maal in de gevangenis was komen opzoeken; en hij dacht er ook niet verder meer over na, toen de bewaker dien namiddag, om vier ure juist, de deur van zijne cel kwam openen en hem zei:
- Komaon, ge zij vrij....!
- Hoe zeu! 'k ben vrij! ge wil mij zeker woa wijs maoken!" had vader verbaasd uitgeroepen.
- Oh,.... as ge liever nog woa blijft...." had de bewaker lachend geantwoord, met een gebaar als om de celdeur weêr te sluiten.
Maar of vader er uit snelde!.... De bewaker had hem tot aan het hek van de gevangenis vergezeld, en daar vader hem enkele woorden van dankbetuiging zei:
- 't En es _mij_ niet die ge moet danken, moar wel ouwen avecoat," was hem de man in de rede gevallen. "'t Es te danken aan _zijn_ tusschenkomste da ge twie moanden veur den tijd in vrijheid wordt gesteld."
En daarop was vader maar spoedig vertrokken. Hij was recht naar zijn dorpje, naar zijn hutje teruggekeerd, doch nu zou het stellig zijn eerste werk zijn, den braven jongen "avecoat" in zijn huis te gaan bedanken en een geschenkje voor hem meê te nemen.
Een geschenkje....! Toen vader den volgenden ochtend na een langen, verkwikkenden slaap, nog zonder bezigheid rondom zijn huisje slenterde, met volle longen de verkwikkende zomermorgenlucht inademend, verrukt het schouwspel der natuur bewonderend, die hij sinds maanden niet meer gezien had, dacht hij er over na wat hij den "avecoat" wel zoude kunnen geven.
Een geschenk...., en er was geen centiem meer in huis! En niet alleen was er geen geld meer, maar wel verscheidene frank schuld voor allerlei onontbeerlijke dingen, die moeder op crediet in de winkeltjes van het gehucht gehaald had. Zelfs indien hij de goede kans had onverwijld ergens werk te vinden, wat lang niet waarschijnlijk was, zou hij weken en weken moeten arbeiden om de oude schuld uit te dooven en iets te kunnen sparen. En toch wilde hij zijn plan ten uitvoer brengen. Er trilde in zijn rechtschapen en blijmoedig hart een snaar van dankbaarheid, die hem geen rust zou laten, zoolang hij de weldaad van zijn "avecoat" niet door een blijk van erkentelijkheid vergoed had.
En daar hij spijtig het hoofd schudde om die volslagen armoede welke hem anders toch zoo weinig raakte, vielen zijn oogen op Pierke en Kootje, die juist uit het zwingelhokje kwamen om hun dagelijksch, gemoedelijk wandeltochtje aan te vangen.
Wat was dát toch? Wat beteekende dat? Waar kwam dat vandaan? Verbaasd riep vader zijn vrouw, die in het achterkeukentje aan 't wasschen was, en vroeg haar de uitlegging van 't vreemd verschijnsel.
Lachend vertelde zij hem het gansche geschiedenisje, waarvan zij allen, in de verraste ontroering van den vorigen avond, vergeten hadden te gewagen: de twaalf eendeneieren van boer Muijshondt, de klokhen die er nog een had bijgelegd, en al de eieren bedorven, behalve twee waaruit het eendje en het kuikentje gesproten waren: die twee wonderbare vriendjes dáár, die het geluk van de kinderen uitmaakten en de grappige verbazing verwekten van al wie ze samen in 't tuintje zag wandelen.