Uit Vlaanderen

Part 4

Chapter 43,767 wordsPublic domain

Het schuitje was voorbij, het bruggetje gesloten, de barbier weer vertrokken. En, uit de menigvuldige sensaties en gedachten, welke nu plotseling zijn geest bevingen, kwam er zich langzaam een ontwikkelen, scherper en duidelijker dan de andere: de gedachte aan zijn jongste zoontje, aan hem dien hij "zijn kleine" noemde, en dien hij, instinctmatig, liever had dan zijn overige kinderen.

Het was een negenjarige knaap, van een zeldzaam vroegrijpe schranderheid. Buitengewoon bedorven en verwend, omdat hij de jongste was, had hij tot dus ver alleen naar zijn zin geleefd, eigenwillig en tuchteloos, als een echt natuurkind. Na enkele maanden van haast dagelijks spijbelen, had hij heelemaal naar school niet meer gewild, en, toen hij, op zevenjarigen leeftijd, evenals zijn oudere broers, naar een boerderij gezonden werd als koewachter, liep hij den derden dag weg, en bedreigingen noch smeekingen konden er hem weer terug doen komen.

Hij voerde niets uit, in 't geheel niets. Hij leefde als een plant, als een boompje, als een beestje, in de langzame en natuurlijke ontwikkeling zijner instinctieve krachten. Maanden lang liep hij doelloos rondom het ouderlijk hutje, heel klein en eenzaam als een kaboutertje onder de hooge sombere gewassen van 't kasteelpark, doelloos maar oplettend voor al de verschijnselen van het hem omringend natuurleven, loopend of hij naar iets zocht of naar iets wachtte, niet wetend nog waaraan zijn ontwakende krachten te besteden.

Plotseling vond hij 't.

Wat sterk de kinderen frappeert is de overvloed van iets in hun directe omgeving. Zij houden van wat hun groot schijnt, van al wat ruim en overtollig is. En de knaap, altijd op zoek in de weiden en rondom de slooten van het groote park, werd getroffen door de overweldigende hoeveelheid kikkers die hij er ontmoette. Hij begon ze ga te slaan, ze te volgen, zich amuseerend, met hun breede sprongen in het gras. Hij plaagde ze met een stokje, bootste met vreugdekreten hunne sprongen na, joeg ze voor zich op naar de donkere slooten om de hagen van het park, om ze te zien duiken en zwemmen. Als de beesten, vermoeid of weerspannig, weigerden te gehoorzamen, dan trapte hij ze dood, ze verpletterend met den hiel, in een gegrinnik van wreedheid en toorn.

Gedurende verscheidene weken vermaakte hij zich aldus buitengewoon, deed hij niets anders meer dan kikkers najagen. Maar, daar er toch in ieder wezen de impulsie en zelfs de behoefte is iets nuttigs te verrichten, zoo spanden zich weldra zijn jeugdige krachten in, om uit die nuttelooze jacht eenig voordeel te trekken. Eens, in de wei, zag hij jonge koewachters kikvorschen vangen, er 't vel aftrekken, er de beentjes van afsnijden, deze braden en opeten. Men liet er hem van proeven. Hij vond het heerlijk. Hij zei niets, maar bleef den ganschen dag bij de koewachtertjes, peinzend in zichzelf teruggetrokken. Den volgenden morgen, reeds met den dageraad, was hij in weiden, een korf om den arm, een stok in de hand. Om twaalf uur kwam hij weer thuis, den korf half vol met kikkerbeentjes, het vel er afgestroopt en heel netjes gewasschen.

Zijn moeder, heel verwonderd, zei hem dat het zeer lekker eten was, maar dat zij geen verstand had om het klaar te maken. Zij raadde hem aan, de opbrengst van zijn vangst in 't dorp te gaan verkoopen. Dadelijk trok hij er heen, en, toen hij terugkwam, had hij twee zilverstukjes in de hand, die hij, zeer getrouw, aan zijn moeder gaf.

Zoo was 't begonnen. En sinds dien dag, zoolang de lente en de zomer duurden, deed hij niets dan kikkers vangen. Hij zuiverde er van de weiden en de slooten in den ganschen omtrek van het groot kasteel, en men hoorde ze niet meer, op zwoele stille zomernachten, tusschen het kroos der vijvers kwakken; hij ging ze zoeken tot verre vandaan, in 't veld, in de boomgaarden, aan den rand der bosschen, overal waar eenige kans was ze te vinden. En aldoor, heel wijs, heel braaf, volkomen onbaatzuchtig, gaf hij de geldelijke opbrengst aan zijn moeder.

* * * * *

Werktuigelijk, met zijn gekadanseerden stap, volgde de barbier nu een der smalle slingerpaadjes tusschen 't hooge koren, ontwarend reeds, over de blonde golving der gebogen aren, het verre gehuchtje van groene boomgaarden en witte hoevetjes met roode daken, einddoel van zijn langen tocht. En, met een vreemde obsessie, achtervolgde hem het tafereel gezien bij het gedraaide bruggetje, gemengd met het beeld van zijn jong zoontje. Ofschoon ongenaakbaar voor overdreven teergevoeligheid, toch ergerde en bedroefde hem het bijgewoonde schouwspel, om zijn wreedaardige ruwheid. En, hij wist niet hoe, maar een sensatie van gevaar kwam er nog bij; 't gevaar waaraan al die jonge knapen, waaronder wellicht velen die niet konden zwemmen, zich in dat te diepe en te breede water blootstelden. En aldoor ook, wat hij ook deed om die kwellende obsessie te verjagen, aldoor kwam 't beeld van zijn jong zoontje zich bij 't akelig schouwspel voegen, in één en dezelfde narigheid van wreedheid en gevaar.

Opnieuw, in zijn onbillijke, maar niet te overwinnen voorliefde voor zijn jongsten bengel, betreurde hij het veel te klein gezag dat hij over hem voerde, en deed hij zich verwijten dat hij hem zoo liet loopen, zonder eenige tucht, gelijk een kind van landloopers of wilden. Wat moest er eindelijk van worden als dat niet veranderde? Waartoe zou hij later deugen als hij niet van jongs af gewend werd aan regelmatig, eerlijk werk? De vader voelde dringend dat dat heelemaal anders moest worden, maar hij had niet de moreele kracht het ernstig te bewerken. Wat hij zonder de minste moeite voor zijn andere kinderen had kunnen doen, werd hem onmogelijk, onmógelijk, zoodra 't den kleine gold. En aldoor loopende, onder de drukking eener toenemende neerslachtigheid, ging zijn gekwelde geest aan 't zoeken en aan 't peinzen, treurig peilend in veronderstellingen de toekomst van 't geliefde kind. Hij zag hem, in verbeelding, ontwend aan alle plichtbesef, van kikkerjager wildstrooper worden, van wildstrooper vagebond, van vagebond dief, van dief moordenaar. Hij zag hem voor de rechtbank, tusschen twee gendarmen; hij zag hem in de gevangenis; hij zag hem op 't schavot. IJzend bleef hij stil bij die gedachte, huiverend poogde hij de toekomst minder somber in te zien. Ach! ondanks al zijn stugge weerspannigheid was de kleine in den grond toch zoo zacht, zoo goed, zoo schrander. Wie weet of hem, integendeel, geen schitterende toekomst was bewaard? Hij zou zich toch niet altijd bezig houden met kikkers na te jagen, met tuchteloos in het wilde te loopen; hij zou op minder barbaarsche wijze zijn levensonderhoud verdienen, hij zou wel eindigen met eerlijk, degelijk werk te doen. Hoeveel waren er niet, die, van koewachters, van straatbengels, van kleine vagebonden, machtig en rijk geworden waren, bewonderd, geëerbiedigd en gevreesd? Wie weet of hij, ondanks alles, dat ook niet worden zou?....

Nu volgde hem de kwellende obsessie als zijn schaduw, zonder hem meer los te laten. Het was als iets dat met hem medeging, iets dat hij even buiten aan de deur liet van de boerderijen waar hij binnentrad, dat hij een oogenblik vergat, terwijl hij, inzeepend en scherend, de praatjes van den dag aanhoorde; maar iets dat dadelijk weer in hem gedrongen kwam zoodra hij buiten was, hem vergezellend naar de volgende hoeve. En aldoor weer rees voor zijn geest 't barbaarsche tafereel aan 't bruggetje, als aanvulling en lijst der knagende gedachte: aldoor zag hij den kikker spartelend hangen aan het touwtje, den naakten knaap uit al zijn macht met den stok slaande, de andere knapen vechtend en ploeterend in 't omgewoelde water, om er 't lillend, van elkaar gescheurde slachtoffer, elkander uit de hand te rukken. En aldoor ook, sarrend-eentonig als een onophoudelijk herhaald deuntje, kwam de gedachte van 't gevaar, 't gevaar voor al die naakte, schrale kinderen, in dat te breed en diepe water.

* * * * *

Droevig-sombere obsessie: nu kwamen weer vóór zijn geest, door 't treurig denkbeeld ingeroepen, al de bittere en smartvolle herinneringen van zijn gansche leven. Zijn jeugd van zwoegen en ontberingen, den slavenarbeid op de hoeven, het sjouwen in brandende hitte, het sjouwen in nijpende koude, het sjouwen met de folterknaging van den honger in de maag. Daarna zijne vier jaar soldaten-slavernij, en, na zijn huwelijk, nog hoe langer hoe erger zwoegen en sjouwen, het sjouwen zonder hoop noch eind, als in levenslangen dwangarbeid. Nooit had hij zich een enkel oogenblik gansch vrij gevoeld, nooit had hij in volle rust mogen genieten van één dier kommerlooze dagen zooals zijn jonge bengel er zoo overvloedig veel had.

En trapsgewijs, onder 't herdenken en 't herleven van al die geledene ontberingen en droefheid, steeg het in hem tot een toornigen wrevel, tot een behoefte te doen deelen door anderen, dát waaronder hij zelf zijn leven lang geleden had. Waarom zou die kleine deugniet moeten gelukkiger zijn dan hij? Waarom zou hij zijn deel niet dragen van den algemeenen last, gelijk zijn ouders en zijn broeders? Waarom zou er voor hem, voor hem alléén, geen plicht te vervullen, geen juk te dragen zijn? Neen, neen, zóó kon het niet langer meer duren. Alles met hem moest anders worden, en zonder uitstel. Hij zou hem eindelijk dwingen tot een regelmatig, dagelijks werk, hij zou het hem verbieden, zijn schandelijk wilde-landloopersleven; hem verbieden, formeel en onverbiddelijk verbieden, al moest het met geweld, die walgelijke, stomme jacht op kikvorschen. Het moest, en 't zou gebeuren. Het handhaven van zijn gezag, zijn geweten, 't besef van zijn vaderlijken plicht geboden 't hem.

* * * * *

Zijn tocht was geëindigd, hij keerde naar zijn woninkje terug, de wenkbrauwen gefronst, ten prooi aan een toenemende ontevredenheid, aan een verscherpende prikkelbaarheid. Langzaam daalde de zon naar het westen, in gouden glans over de wijdgolvende velden, laag onder dofkoperkleurige wolkengevaarten, zwaar van dreigend onweer. Hij had het erg benauwd en warm, nu; het klamme zweet barstte op zijn voorhoofd en zijn handen uit, en van tijd tot tijd staarde hij bezorgd naar 't zuiden, waar soms een dof gerommel dreunde, wijd-echoënd uitstervend in de zwoele, onbewegelijke atmosfeer.

En, onder de logge wolken, ginds aan den verren horizon, tooverde zich nog eens en nog, in steeds scherpere lijnen en vizioenen, verscherpt nog door zijn overprikkelde verbeeldingskracht, de walgwekkende scene van het kikkersslachten, folterend vóór zijn geest. De schrale lichamen der knapen teekenden zich spookachtig als lijken af, in 't donkerder geworden, omgewoelde water, en 't akelig tafereel leek nog barbaarscher, een tafereel van hel en foltering, terwijl de indruk van gevaar nu overweldigend werd, angstwekkend als een nachtmerrie, als de vertigineuse wording van een ramp, die rijp was om uit te barsten.

En plotseling, terwijl hij in 't zicht kwam van de hooge, zwarte kruinen van het park, waarachter zijn klein woninkje verborgen lag, voelde de rampzalige barbier den worggreep van een onuitsprekelijken angst. Dat drukte zich plotseling in zijn hersens, gelijk de drukking van een duim in was; hij hield plotseling stil, de oogen wijd opengesperd; hij voelde, als in een ijzigen ademtocht, een superstitieuzen schrik over hem komen. Dat kwam daar uit die hooge donkere kruinen van het park, uit die sombere wolken-gevaarten, die zich op de aarde schenen neer te drukken, uit die golvende, gebogen korenaren, trillend van fantastisch licht, uit hemzelf, uit de mysterieuze diepten van zijn innig wezen. En zijn hutje, dat hij niet zag, maar dat hij daar voelde, achter die overweldigende zwarte loovermassa's, scheen hem nu erbarmelijk zwak en nietig, zwak van onbekend onheil, van diep verborgen smart.

Met inspanning verdrong hij die zwaarknellende sensatie, en vorderde weer zijn weg, inroepend, om er zich mede te versterken, zijn toorn tegen zijn jongen bengel. Nu stroomde 't zweet in stralen langs zijn magere wangen, hij hijgde in de stikkende atmosfeer, en hij verhaastte den stap, het hart bonzend en de beenen trillend, elk oogenblik opkijkend naar den hoe langer hoe somberder wordenden hemel, als om zijn wilde hollen door de vrees voor 't dreigend onweer te rechtvaardigen.

Zoo kwam hij buiten adem uit de korenvelden, liep dwars over den steenweg, volgde een lange, rechte beukenlaan, langs een der hagen van het park. Op zijn lippen had hij de gebiedende woorden klaar, in zijn oogen schitterde de booze vlam van zijn onwankelbaar besluit. Zoo gauw als hij zijn tuchteloozen bengel zag, zou hij 't hem zeggen, hem ongenadelijk bevelen op staanden voet zijn hatelijke kikkerjacht te staken, en flink en eerlijk aan het werk te gaan, gelijk de anderen. Zóó wilde hij 't, en zóó zou het zijn. Heel zijn lichaam beefde van toorn bij de gedachte dat hij nog langer zulke buitensporigheden zou verdragen.

Maar, voor de tweede maal, terwijl hij links omdraaide, ontwarend eindelijk zijn hutje half verborgen onder boomenkruinen, waggelde hij onder de vernielende sensatie van zijn onheilspellend voorgevoel.... Een ongeluk was voorgevallen, hij voelde 't, hij voelde 't, in een folterende samenkrimping van zijn heele wezen; zijn arm hutteken zag er luguber uit, de zwarte loovermassa's van het park omhulden het in rouw, de zware sombere wolken drukten het ten gronde; er waren bloed, tranen, dood in zijn huisje!....

Hijgend, de oogen troebel en de slapen ruischend, de keel droog en de beenen zoo flauw dat zij haast zijn lichaam niet meer konden dragen, duwde hij het hekje open, kwam waggelend, halfdood van onberedeneerden schrik, over den kleinen boomgaard, in zijn huisje.

Hij hield er een oogenblik stil op den drempel, zijn angstigen blik naar binnen gericht, het lichaam stram-gespannen, als ter plaatse geketend, onbekwaam een stap verder te gaan. Even vielen zijn oogen heel en al dicht, en zijn hart hield op met kloppen. Toen zuchtte hij diep, als van een overweldigende vracht ontlast, murmelde iets als een gesmoord "goên avend," ging even, zich aan de muren vasthoudend, zijn scheerbekken en zeep op 't kastje leggen, naast de ouderwetsche hangklok.

Er wás geen ongeluk, geen bloed, geen dood in zijn huisje: moeder en zoontje zaten in het somber keukentje aan tafel, bezig met avondmalen.

* * * * *

Zij hadden even opgehouden met eten toen zij hem zagen binnenkomen, en de moeder, ondanks de halve duisternis, de ontdane bleekheid zijner gelaatstrekken bemerkend, vroeg hem, met bevende stem:

- Woa schilt er dan? Woa hètte, voader? Zijde ziek?"

- Nie nien ek," antwoordde hij, met inspanning om zijne stem gewoon te doen klinken; "'t en es niets, anders nie of de woarmte."

Hij zei de waarheid. Er was niets meer in hem van de verschrikkelijke emotie. Schrik, angst, toorn, alles was plotseling als een pak van zijn hart gevallen en verdwenen, veranderd in een sensatie van onuitsprekelijke zachtheid en bevrijding, bij die tastbare ongegrondheid van zijn akelig voorgevoel. Hij beefde en hijgde nog slechts werktuigelijk onder de gevolgen van den vreeselijken schok, den adem stokkend in krampachtig hikken.

Hij was naast de anderen aan tafel gaan zitten, hij schepte, als zij, met een groffen houten lepel, uit de gemeenschappelijke papkom, zenuwachtig dikkend, met een trillend geslurp der lippen. Maar hij kon niet eten, hij voelde zich nog te vol van gedachten, gewaarwordingen, ontroeringen. Het was in hem een overstelping van gevoelens die hij niet weerhouden kòn, die hij moèst uitdrukken. En eensklaps, terwijl hij zijn lepel neerlegde, kwamen de woorden als van zelf over zijn lippen: hij boog naar zijn jongen, en, onweerstaanbaar, in plaats der geduchte berisping die hij besloten had hem toe te dienen, sprak hij tot hem, vroeg hij hem, met een streeling van oneindige teederheid in de stem en in de oogen:

- Eiwel, keirelke, hêt ou goed geameseerd, vandoage? Hêtte veel.... veel biestjes gevangen? En goade morge weer beginnen?

De knaap, aardig bruin kopje, met dicht geplante, borstelige zwarte haren, schrikte eventjes op, in een korte trilling van zijn handje dat den lepel hield, en wierp een angstig-gluipenden blik naar zijn vader. Hij schudde zijn hoofd zonder 't eten te staken, hij antwoordde aarzelend, ontwijkend, de oogen op de papteil, een weinig bleek wordend onder zijn bruingebrande huid:

- Nien ek, 'k hê der genoeg van. 'K en wille giene mier vangen.

Er was een korte stilte. Verwonderd staarde de vader zijn zoontje in de vallende duisternis aan. Stilzwijgend bleef de moeder voort eten, als stelde zij geen belang in 't gesprek.

- Woarom? vroeg eindelijk de vader.

De groffe houten lepel beefde sterker in het klein bruin handje; de oogjes, halsstarrig op de papschotel gevestigd, begonnen vreemd te pinken; het mondje, dat de pap niet goed meer slikken kon, kromp als gepijnigd samen, verradend machtelooze pogingen tot het opkroppen eener sterke emotie. En plotseling viel de lepel op de tafel, en 't knaapje barstte uit in overstelpende tranen, heel zijn lichaampje sidderend van angst en schrik, met onduidelijk woordengestotter.

Op haar beurt had de moeder het eten gestaakt, verwilderd starend naar haar man, met smeekende pogen vol tranen.

Hij, doodsbleek, was plotseling opgestaan, in eens weer overweldigd door zijn onheilspellend voorgevoel, door zijn angst, door zijn schrik, door zijn toorn, door alles wat in hem den ganschen middag had gewoed; thans eischend, met een dringende, sidderende, gebiedende stem, bepaalde uitleggingen. 't Was of hij eensklaps gek werd, hij vermenigvuldigde zijn vragen zonder te wachten op de antwoorden, hij schudde ruw het knaapje, dat hoe langer hoe heviger huilde, hij staarde, niet van angst wijd-uitgezette oogen, door de lage, kleingeruite vensterramen, naar den hemel die als inkt werd, soms van elkaar gescheurd door ratelende donderslagen, door flikkerende bliksemschichten, die heel het somber keukentje luguber-blauw verlichtten. Wat was er dan gebeurd? Of wat zou er gebeuren? Was de ramp, die hij over zijn huisje voelde, voorbij, of moest ze nog neerstorten? Zou ze hen nu eerst, nu hij alles voorbij waande, komen verpletteren!....

* * * * *

Toen ging de moeder, ondanks haar overweldigende ontsteltenis, eindelijk aan 't spreken.

Zij sprak gehort en vlug, met een hijgende, sissende stem, 't verwrongen aangezicht beurtelings lijkbleek onder de flikkering der weerlichten, of wegsmeltend in schaduw onder 't duistere der laag-gebalkte keuken, het lijf, bij elken donderslag, van schrik en foltering ineengekrompen....

* * * * *

Het was gebeurd, omstreeks vier ure, twee uren na 't vertrek van vader. Zij was in 't stalletje, bezig met het zwijnshok schoon te maken, toen zij plotseling een schrillen noodkreet had gehoord. Zij was gevlogen, recht naar het groot, somber park van het kasteel, van waar de kreten kwamen. En dáár, midden in het zwarte water van de sloot die om de haag is, had zij, in een spattend opborrelen, twee wanhopig uitgestrekte armpjes gezien, met een verwrongen gezichtje, dat, voor 't laatst weer boven komend, in een laatsten worg-kreet, uit mond en neusgaten, stralen vuil water spuwde.... Zij zelve was met een wilden gil in de sloot gesprongen, had er, met bovenmenschelijke kracht, haar jongen vastgegrepen, en hem weer op den oever gebracht. En juist toen hij er uit was, was een kikker, een groote groene kikker op zijn hoofd gesprongen, die daar een oogenblik was blijven zitten, ineengedrongen, met toornige oogen en gezwollen kop. O! het was afgrijselijk! Zij had hem met geweld moeten wegjagen, wegjagen!....

De arme vader luisterde, voelend, met een folterende scherpte, het onverjaagbaar tafereel, de akelige kikkerslachting nog eens in zijn geest verrijzen. Hij sprak geen woord meer, hij keek halsstarrig, met zijn verwilderde oogen, in den verblindenden gloed der weerlichten, naar zijn zoontje, die aldoor aanhoudend en eentonig huilde, alsof hij, in dien schrikkelijken schok, in eens de gansche smart zijns levens uitstortte. En ook de moeder huilde bittere tranen, het hoofd verzonken tusschen hare handen, van tijd tot tijd hare smeekende oogen oprichtend tot den vlammenden hemel, waaruit thans ook het water viel in stroomen, smorend, onder zijn eentonig ruischen, het langzaam aftrekkend gebulder van de donderslagen....

Toen voelde en begreep eensklaps de vader dat onafhankelijk en onbewust wreedaardig hartje, welks uitingen hij tot dus ver, voortdurend afgekeurd en betreurd had. Hij begreep dat het kind zich wanhopig maakte om zijn, door een fatalen schrik vernielde, onafhankelijkheid, veel meer nog dan het leed onder dien schrik zelf. In haastige, vlugge herinneringen, herleefde weer voor hem gansch zijn bestaan van slavernij en zwoegen, voelde hij weer in zich opkomen, van ver en lang, o, van zoolang geleden, 't troeblante smachten naar de wilde vrijheid eener jeugd die hij nooit had gekend, 't almachtig en mysterieus verlangen naar een leven zonder banden, naar nooit verwezenlijkte droomen, die elke levensdag nog meer en meer van hem verwijderd had. En, in het plotseling zóó duidelijk bewustzijn, dat de gebeurtenis van dien dag in 't leven van zijn dierbaar zoontje een beslissend tijdperk--het tijdperk der Onafhankelijkheid--eindigde, en er een ander--dat van den Plicht--opende, kwam er in hem een eindeloos gevoel van medelijden, bij de vernieling van een zoo zoeten, teeren droom, bij die navrante smart, bij dat wanhopig stilstaan voor de sombere toekomst. Heden, evenals eertijds voor hem, begon voor 't onafhankelijk geboren kind, 't fatale leven van den Arme, het leven van zoo harden strijd en ontberingen der Zwakken en der Nederigen. Hij zou nu naar de hoeve weer terugkeeren, gelijk zijn broeders; hij zou er koewachter, stalknecht, veldploeger, wie weet wat al niet, worden. Hij zou worden als zijn vader, als zijn moeder, als allen van zijn stand: een werktuig van gedwongen arbeid, een lastdier. Niets kon hem meer redden: het was zijn lot, zijn onverbiddelijk Lot, dat heden was begonnen....

In de donkere keuken had de moeder eindelijk het lampje aangestoken. Buiten was het onweer over, men hoorde nog slechts, heel in de verre verte, dof-rommelend dondergebulder. En alleen de regen bleef vallen, eentonig, overvloedig, in loodrechte stralen, drenkend de verzengde aarde, verfrisschend de herlevend-en-herademende loovers....

Hun tranen waren gedroogd, zij waren opnieuw aan tafel gaan zitten, zwijgend en ter neergedrukt. Zij verzadigden weer hun honger, hun knagenden honger van Armen.

En, voor de laatste maal, in een soort van hallucinatie, kwam het halsstarrig vizioen, gezien aan 't bruggetje, zich aan vaders weemoedvollen geest weer opdringen. Hij zag de naakte, schrale lichamen der knapen, het omgewoeld en spattend water, den kikker spartelend aan het touwtje. Hij zag den moordslag met den stok en hoorde de barbaarsche vreugdekreten.... Toen bleekte de verschijning langzaam weg, in triestig, dof verzwinden. De knapen kropen uit het water en kleedden zich haastig weer aan; de kreten hielden op, en allen gingen heen. En de barbier, in starre, onbewegelijke houding vóór de open brug, als vóór het onbekende van een bangen droom, zag ze, onwetende boetedoeners van onbewuste wreedheden, de een na de ander vertrekken, droevig-gebukt verdwijnen in donkere stallen, zich aanspannen als beesten voor karren en ploegen, wroeten en sjouwen met hun handen in den barren grond.

En, onder hen, met een wreede knelling van het hart, met een kramp van bitterheid om de verwrongen lippen, herkende hij alle drie zijne zonen; eerst de twee oudsten, aan den dwangarbeid reeds gewend en onderworpen, en dan den jongste, den innigst geliefde, gebukt onder het Noodlot, ontroostbaar om zijne verloren vrijheid....