Part 11
't Was kort daarop dat Meester ook allengs begon te kwijnen. Zijn krachten namen af, Dukske zag hem langzamerhand van kleur verbleeken, mager worden, ineengekrompen loopen, als had hem een geheime kwaal de gezondheid ondermijnd. Hij had de gewoonte Nieuwe-Meesteres te helpen in de keuken, haar water, hout en kolen aan te brengen; hij arbeidde ook in den tuin en paste de hoenders en konijnen op. Doch een voor een moest hij weldra al deze bezigheden staken; en eindelijk, juist als vroeger Nieuwe-Meesteres daar op een morgen was verschenen, kwam nu een Nieuwe-Meester aan, een jonge, veel jonger nog dan Nieuwe-Meesteres, een kleine zwarte, met een klein, zwart snorbaardje en kleine zwarte oogen, die schitterden als zonnestralen. En ook hij vertrok niet meer. Het was of al wie daar eens kwam er lange, lange jaren bleef. In den eersten tijd zag Dukske hem vooral aan 't werk in den tuin en op het koertje; doch, naarmate Meesters krachten afnamen, werd hij insgelijks gebezigd in de keuken, alwaar hij Nieuwe-Meesteres allerlei werken hielp verrichten.
Alsdan, wijl Meester ziek te bed lag, maakten die beiden samen gekheid in de keuken. Zij speelden met elkander, liepen elkander hijgend na, de wangen blozend, de oogen blinkend, smorend hun gelach in dof gefluister. Toen zette Nieuwe-Meester zich aan tafel en Nieuwe-Meesteres diende hem drank en spijzen op, veel drank, veel spijzen, en dit verscheidene malen daags, zoodat Nieuwe-Meester weldra zoo rood en vet werd, dat hij bezwaarlijk te herkennen was. Eens zag Dukske Nieuwe-Meesteres in de keuken uit een donker gat opstijgen, met een zwarte flesch in de hand, deze ontkurken, er in een groot glas een donkerroode sap uitgieten, het glas aan Nieuwe-Meester geven, en, toen deze het haastig, in één teug had geledigd, met de zwarte flesch terug onder den grond verdwijnen.
* * * * *
Weldra kwam Meester niet meer buiten. De groote leunstoel werd door Nieuwe-Meesteres en Nieuwe-Meester in de keuken weêrgebracht, en dáár zag Dukske Meester nu den ganschen dag in zitten, met witte hoofdkussens achter den rug, even als eertijds Meesteres. Opnieuw verliepen aldus lange maanden; en, op een morgen, was de leunstoel weer verdwenen en bracht men met valavond een schoone langwerpige kist aan, glanzend als een spiegel, met glimmend koperen spijkers en een prachtig zilveren kruis, dat witte vonken schoot. En 's anderendaags stond heel de straat weêr vol met menschen, terwijl de rood- en witte knapen met kruis en vanen, en de drie plechtige zangers met hun wit- en zwarte mantels statig voorbij de poort passeerden, gevolgd door eens heele menigte, waaronder vier mannen, die, blootshoofds, de schouders scheef, bij het geluid de klokken op den toren, de heerlijke kist wegdroegen onder haar zwart fluweelen kleed, met zilveren kruis en zilveren franjes. En Nieuwe-Meesteres, die thuis bleef, verborg weenend haar gezicht in hare beide handen, terwijl Nieuwe-Meester met den stoet medeging, 't gelaat vuurrood, het lichaam barstend uit zijne te klein en smal geworden zondagskleeren.
En nooit zag Dukske Meester weer terug. Het was of al wie eens met die plechtige zangers medeging, gedragen in een kist onder een zwart fluweelen dekkleed, nimmermeer terugkwam. Opnieuw vervlogen maanden en maanden; opnieuw, in de eentonige geregeldheid van 't alledaagsche leven, verliep een winter en, gedeeltelijk, een zomer, tot op een dag toen nogmaals het kanon begon te bulderen, en heel het dorp in feest stond, en Nieuwe-Meester en Nieuwe-Meesteres, op hun allerbest gekleed, samen in een rijtuig stegen met twee paarden, gevoerd door een koetsier, die een hoogen hoed op had. En opnieuw ook zweefde een lach op de gezichten der nieuwsgierigen, steeds diezelfde zonderlinge spotlach, waarmee de schrijnwerker, de smid, de verver en de schoenmaker Dukske aan zijn hok gebonden hadden; diezelfde, waarmee de lieden eertijds het rijtuig hadden zien passeeren, waar, op hun best gekleed, Meester en Nieuwe-Meesteres in zaten.
* * * * *
En nog en steeds begon opnieuw het oud gekluisterd en geregeld leven. Doch nu was 't het kalme leven, de doodsche vrede van weleer niet meer. Nieuwe-Meester ging veel uit, en, als hij thuis kwam, was zijn gelaatskleur soms nog vuriger dan naar gewoonte, terwijl hij op zijn beenen waggelde alsof hij zou in onmacht vallen. Dan was hij echter zeer luidruchtig en geweldig; dan sloeg hij met zijn vuisten op de tafels en de stoelen, terwijl zijn oogen vlammen schoten. En, op zekeren namiddag, greep hij plotseling Nieuwe-Meesteres bij de keel en sloeg haar zoo vervaarlijk in 't gezicht en op het lijf, dat zij luid huilend wegvluchtte van angst en pijn.
O! wat was dàt toch! Nooit had Dukske iets zoo vreeselijks bijgewoond. Hij was er van verschrikt en hij ging klagend aan 't blaffen en aan 't keffen, als wou hij roepen om hulp. Maar op 't geluid dat hij verwekte kwam Nieuwe-Meester al waggelend buiten, en, zonder de minste vermaning, gaf hij Dukske een zóó baldadigen schop, dat hij er ook huilend en hinkend in zijn hok van vluchtte.
En sinds dien dag, woonde Dukske nog dikwijls zulke tafereelen bij. Geregeld twee, driemaal in de week kwam Nieuwe-Meester waggelend thuis, de wangen vurig, de oogen in verwildering uitgezet. Hij struikelde in de keuken, begon te vloeken en te schreeuwen, wierp zijn huisraad aan stukken en overlaadde Nieuwe-Meesteres met schoppen en met slagen. Maar Dukske blafte noch riep nu meer om hulp: hij hield zich doodstil in zijn hok, de huid door lange rillingen geschud, bevangen door nare gedachten; gelukkig nog als men in den strijd niet vergat hem zijn eten te brengen, wat wel meer dan eens gebeurde.
* * * * *
Ja, al die gebeurtenissen waren voorgevallen aan dezen welke hem omringden, maar in _zijn_ lot was geen verandering gekomen, behalve dat hij elken dag wat ouder en wat meer versleten werd. De boeien, die hem reeds meer dan veertien lange jaren aan zijn hok gekluisterd hielden, duurden en bleven duren, en er scheen geen reden te bestaan dat zij niet duren zouden tot zijn dood, toen eensklaps, gansch onverwacht, door een kleine wringing, door een niets, de dood-versleten ketting als van zelve brak....
Het eene deel viel op den grond, met het gerinkel van een sleutelbos; het andere bleef aan den halsband hangen, tusschen de voorpoten van 't hondje. En Dukske, vrij, draaide zich even om, en gansch natuurlijk, zonder meer verbazing als was hij nooit van zijn leven een oogenblik gebonden geweest, liep hij recht door, den neus tegen den grond, naar den netelhoek achter de houtmijt.
Langzaam, aandachtig besnuffelde hij er de takkebossen, drong zoekend door de netels, langsheen den kleverigen, met mos bedekten muur. 't Was toch reeds zoo lang dat die hoek hem intrigeerde! Hij doorsnuffelde hem nauwkeurig, hij snoof er met wellust al de geuren van op, hij bleef er eene wijl roerloos vertoeven, den achterpoot tegen den muur. Misschien wel was dit de begeerte, die hem reeds zoo lang en vurig kwelde. Hij voelde zich verkwikt, hij krabde krachtig met zijn achterpooten in den grond, het kopje in de hoogte. Toen liep hij naar de groote poort, die, als naar gewoonte, met een reetje open stond.
Hij stak zijn kopje door die reet, wrong zich een weinig, en was buiten.
O! was dát dan toch de straat! Was er dan waarlijk iets meer dan 't burenhuis van tegenover, met zijn witten voorgevel en zijn groene blinden! Hij bleef staan, onthutst, verbijsterd, de troebele oogen gevestigd op die lange straat met haar talrijke huizen, langs waar Meester en Meesteres voor altijd verdwenen waren; plotseling verbaasd daar te zijn in volle vrijheid, als in een andere wereld, eindeloos verre van dat hok, waar hij zijn gansche leven had gesleten.
En juist kwam daar een andere hond geloopen, een groote zwarte, een van die vreemde honden, die hij zoo vaak, het hart vol begeerte en nijd, in de straat had zien voorbij snellen, en die nu, hem opmerkend, tot hem genaderd kwam. Dukske liet zich door den grooten zwarte besnuffelen, snuffelde ook, de ooren gespitst, den neus piepend en trillend van verlangen, het gansche lichaam bevend van opgewekte nieuwsgierigheid. Maar plotseling huilde hij van pijn: de groote zwarte was op hem gesprongen en hield hem onder zijn gespannen voorpooten in den grond gebukt, hem bijtend in den nek, met schor gebrom en schuddingen van woede. En Dukske, meer en meer verbaasd, en niet begrijpend waarom hij werd aangerand, verweerde zich zeer slecht. Gelukkig kwam een man toesnellen, die hem den groote zwarte van 't lijf joeg.
Ah! zóó was het dus, dat men elkaâr bejegende, in die onbekende wereld, die hij zoo lang en zoo vurig gewenscht had te kennen!.... Hij was weer opgestaan, hij had zich geschud, hij keek met dezelfde verbazing in de troebele oogen den grooten zwarte na, die zich met den man verwijderde. En daar een ander hondje aankwam, juist dat van tegenover, waarmede Dukske zoo menigvuldige jaren verlangd had kennis te maken, en dat nu ook oud en grijs geworden was, liet hij den kleine tot zich naderen, hem besnuffelen, bewegingloos, de oogen strak vóór zich gevestigd. En plots, juist als de groote gedaan had met hem, sprong hij den kleinere op het lijf, hield hem onder zijn gespannen voorpooten in den grond gebukt, en beet hem in den nek, grollend en schuddend, uit al zijn macht. Waarom niet,.... aangezien zulks het gebruik was in die onbekende wereld, die hij nooit bezocht had? En opnieuw, alhoewel steeds verbaasd, voelde hij zich verkwikt, versterkt. Misschien wel was het om hem af te rossen, dat hij zoo menigvuldige jaren verlangd had met den hond van daarover kennis te maken....
Toen de kleine huilend weg was, was het de voorgevel van 't huis, dien Dukske bizonder interesseerde. O! wat al reuken langs dien muur! Hij onderzocht hem steen per steen, hij bleef elk oogenblik stilstaan, een zijner achterpooten opgelicht. En verre, verre herinneringen daagden in hem op; herinneringen van vage en kwellende jeugdverlangens, verlangens naar ontroerende, onbekende dingen, thans nog geroken, gevoeld, gesmaakt bijna, in de afgeleefdheid van de grijsheid.
Aan het uiteinde van den muur hield hij stil. Hij liep niet verder. Hij keerde langzaam terug, snuffelde nog, bleef nogmaals stil, in het vallend gerinkel zijner gebroken ketting. En, na een laatste maal, met zijn oude, troebele oogen, de lange, onbekende straat te hebben opgenomen, kroop hij, als bang, door de zware poort weer binnen, en trok instinctmatig naar den netelhoek, achter de houtmijt.
Het was, als kon hij van dien hoek niet scheiden. Hij rook, hij voelde door wonderlijke, ongezegde, onbeschrijfelijke dingen, reuken van dingen sinds jaren, sinds eeuwen verdwenen. Had hij daar reeds niet geleefd, onder een andere gedaante, van een andere en toch dezelfde essentie, onheugelijke tijden geleden? Lagen daar, diep begraven, geen onverklaarbare herinneringen van een vroeger leven, van vroegere liefden en weeën.... Opnieuw bleef hij er stilstaan, aarzelend, door onrust bevangen, beurtelings het woonhuis en de hooge, zware poort aanstarend. En eensklaps nam hij zijn besluit: hij keerde naar zijn hok terug, kroop er binnen, draaide zich om en bleef er zitten, overweldigd van gewaarwordingen, de huid geschud door lange rillingen, den ouden grijzen bek alleen half zichtbaar in het duistere van zijn akelige cel.
* * * * *
De avond viel, een loome, treurige najaarsavond. Dukske, onbewegelijk in zijn hok, het lijf door een aanhoudende rilling geschud, staarde strak vóór zich uit naar de sombere, thans gesloten straatpoort. Niemand wist dat hij zich van zijn jarenlange kluistering verlost had.
Lange, trage uren verliepen. De bange nacht werd zwart als inkt, de vensters van de keuken, een tijdlang helder verlicht, lagen in duisternis gedompeld. De geluiden van het dorp stierven een voor een weg, en Dukske, roerloos in zijn hok, staarde, dacht en voelde steeds.
Om middernacht barste een vreeselijk onweer los: weerlichten, donder, hagel, regen. Dukske, voor de eerste maal zijns levens, blafte noch huilde op 't geluid. De dageraad verscheen, de stappen der eerste voorbijgangers klonken in de straat: Dukske deed alsof hij die niet hoorde. En, om acht uur, toen Nieuwe-Meester op het koertje kwam, kroop Dukske niet als naar gewoonte uit zijn hok om hem te groeten.
Toevallig stond de man er van verwonderd.
Hij naderde 't hok, bemerkte 't stuk gebroken ketting, boog neer en nam het in de hand, verbaasd uitroepend:
- Duc! hêt ou dan losgemaokt!"..... toen hij, in het hok kijkend, eensklaps het hondje ontwaarde, dat roerloos op zijn rug lag, de vier pootjes wijd van zich uitgestrekt.
Hij trok het buiten, hij slaakte een kreet, waarop Nieuwe-Meesteres ook uit de keuken kwam.
Dukske was een lijk..... Heel kalm, zacht-plechtig-moede was de uitdrukking van 't aardig kopje, alsof Dukske nu in eens genoeg gezien had van de wereld.
+--------------------------------------------------------------+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | Het PDF-bestand van het boek staat op Internet Archive: | | https://archive.org/details/uitvl | | | | * De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | * De paginanummers zijn verwijderd. | | * De inhoudstafel staat in het boek achteraan. | | * Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn | | hersteld. | | * Voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de alinea met | | de verwijzing. | | * De cursieve tekst in het origineel is weergegeven als | | _cursief_. | | * Alle dubbele aanhalingstekens zijn gewijzigd in ", | | alle enkele in '. | | * Gedachtestreepjes zijn vervangen door --. | | * Gedachtesprongen zijn vervangen door 5 asterisken. | | * Dezelfde (dialect)woorden worden in dit boek op | | verschillende wijze geschreven, o.a. wêer - weêr; doar - | | daor; éen - één; dáar - dáár - daàr; woagen - waogen; elkaâr | | - elkaar. Deze verschillende schrijfwijzen zijn behouden | | gebleven. | +--------------------------------------------------------------+