Part 10
Belangstellend glimlachend, een weinig aarzelend en bevreemd, als lieden welke nooit honden gehouden hebben, stonden de beide oude vrijgezellen: de jonkman en zijn zuster, om het korfje, terwijl Foncke den kleine op den keukenvloer neerzette, vet als een molletje, zoo onbeholpen en onnoozel nog, terstond flauw keffend, zoekend naar zijn moeder, die hij maar pas verlaten had en die hij nooit terug zou zien.
Zij brokkelden hem stukjes brood, geweekt in een pannetje, met melk en water, zij vermaakten er zich mede, hem zoo gulzig te zien eten. Toen gingen zij het laag rond bennetje halen, dat zij voor hem gekocht hadden, legden hem in wat hooi ter ruste, en schoven hem achter de kachel, in de goede warmte. En, tevreden, reeds van stonde af gerustgesteld door de tegenwoordigheid van 't hondje--een hondje van zulk een uitmuntend wakersras--dat hun spoedig tot hoede zou dienen tegen de dieven die, verleden winter, tot tweemaal toe, des nachts hun hoenders en konijnen geroofd hadden, onthaalden zij Foncke op een kop koffie en twee dikke boterhammen, en betaalden zij hem het vijffrankstuk, dat hij voor den verkoop van het diertje gevraagd had. En terstond veranderden zij den naam van "Bruintje," dien Foncke hem bij zijn geboorte had gegeven, in dezen van "Duc," een naam die mooier klonk en die gemakkelijk was om uit te spreken, en dien zij trouwens haast onmiddellijk weer veranderden in de streelende verkleining van "Dukske," omdat het beestje er zoo aardig en beminnelijk uitzag.
* * * * *
Zij kweekten hem binnenshuis, met vrijen toegang tot het koertje en den tuin, maar hoegenaamd niet in de straat, totdat hij ongeveer zes maanden oud was. Het was een tijdperk van louter genoegen voor Dukske, een tijdperk van schoteltjes melk en wittebrood, van overschotjes vleesch en af te knagen beentjes, een tijdperk van spel en van betrekkelijke vrijheid, met één enkele schaduwzijde althans, een vreeselijke schaduwzijde, maar die toch nog al spoedig vergeten geraakte.
Op zekeren morgen, toen Dukske ongeveer vier maanden oud was, kwam er een man in de keuken, een man die een wit en blauw geruit doek en een koperen scheerbekken onder den arm droeg, en wiens lijf, onder zijn wambuis, omringd was van een zwarten, lederen gordel, waaruit, met het heft omhoog, een aantal scheermessen staken. Er staken ook de twee glanzende oogen eener schaar uit, en deze nam de man ter hand, terwijl Meester Dukske van den grond optilde en hem op zijne, door een blauwe schort bedekte knieën, neerzette. Wat gebeurde er toen? De vreeselijke vent kwam met zijn schaar naar Dukske, greep hem vast bij den tip van 't rechteroor en sneed dien af. Dukske bloedde en huilde vervaarlijk, maar 't was nog niet gedaan: de wreedaard had het linkeroortje vastgegrepen, hij legde er het afgesneden tipje van het rechteroor op, als om de maat te nemen, en hij knipte nogmaals met zijn schaar, zoodat het arme Dukske, in plaats van zijn twee mooie, lange, zijdeachtige oortjes, nog slechts twee akelige, spitse stipjes huid op zijn kopje had staan. En het verschrikkelijkste zou nog volgen: de oude dochter had een houten blokje en een scherp geslepen hakmes aangebracht; het lang, puntig staartje van het huilende Dukske werd er, gespannen, op uitgestrekt; en, met een enkelen, korten hak, was het ook af, gelijk de oorkens. Al die vreeselijke wonden werden dan gebrand met een wit-gloeiend ijzer, opdat zij niet langer zouden bloeden; en voortaan zou Dukske er uitzien gelijk een doghondje, wat mooi is voor een hondje, zooals vele lieden beweren.
Ja, dat alles was verschrikkelijk, doch het geraakte toch vergeten. Maar, helaas! iets anders was op handen, dat veel, veel erger was; dat veel, veel treuriger gevolgen na zich zou sleepen.
Op een morgen--och! 't was altijd 's morgens, dat ze kwamen--stond daar opnieuw een onbekende in de keuken, een lange, magere kerel, met een leikleurigen boezelaar aan, die verre beneden den onderrand van zijn geopend wambuis uitkwam. In den boezelaar waren ruime zijzakken en uit een dier zakken stak de punt van een groot schrijnwerkers-potlood en de punt van een toegevouwen gelen meter. De man droeg ook ander gereedschap onder den arm of in de hand: een zaag, een schaaf, twee beitels en een grooten houten hamer. Hij praatte een wijl met Meester en met Meesteres, staarde Dukske met een zonderlingen glimlach aan, wreef zich de handen, dronk een borreltje. Toen ging hij met Meester in het stalletje, alwaar men een aantal voorwerpen uit den weg ruimde, om hem plaats te maken. Hij ontlastte er zich van zijn wambuis, dat hij aan een spijker hing, en heel den dag bleef hij er arbeiden aan het vervaardigen van een soort hok, een hok dat leek op een klein huisje, op een speelhuisje, met een spitsvormig dak en een gat in den voorgevel. Meester kwam af en toe eens kijken, terwijl de man aan 't werken was, en ook Dukske liep meermaals in en uit het stalletje, als nieuwsgierig om te weten wat er daar gebeurde, verrast en opgewonden, omdat men hem toeliet te stoeien in de krullen. Toen keken de twee mannen soms glimlachend naar hem om en Meester gaf hem streelend kleine klapjes op den rug, hem op aanmoedigenden toon iets zeggend, dat klonk als een belofte.
De man vertrok, een andere kwam in zijn plaats, ook in een boezelaar gehuld, een witten boezelaar met veelkleurige vlekken, die hem van aan den hals tot aan de voeten reikte. Hij droeg in de hand een pot, waarin een borstel stak; hij kwam in 't stalletje, en, in enkele minuten tijds, had hij het wit-houten huisje geheel en gansch in 't donkerrood geverfd, zoo rood, zoo donker als de deuren en de vensterramen van het huis en van het stalletje. En ook hij klopte streelend op Dukske's rug, en sprak, glimlachend, woorden uit, die klonken als een aanmoediging, als een belofte. Daarna verscheen een derde man, een zwarte, met zwarte handen en een zwart gelaat, waarin het wit der oogen en der tanden haast vervaarlijk blonk. En ook deze had een boezelaar aan, een ruwen, zwarten boezelaar, hard blinkend als metaal en die tegen zijn knieën klapperde als hij bewoog. Hij hield een ijzeren ketting van een paar meters lengte in de hand. En nauwelijks was hij binnen of een vierde man verscheen, een die er dof en grauw van kleur uitzag, met doffe, grauwe kleeren en een grauwen boezelaar, korter en smaller dan de boezelaars der anderen. Een reuk van pik en huiden scheen uit hem te wasemen en hij bracht een lederen halsband, een band, waarin een ijzeren ring stak, en dien hij Dukske even aanpaste, als om er hem mede te tooien. En al die lui bleven daar even vertoeven en praten, door Meester getrakteerd, en allen zagen er zoo vriendelijk uit, zoo aanmoedigend, zoo opgeruimd, allen keken Dukske zóó mild glimlachend aan, dat het hondje ze ook streelen kwam, en ze, als het ware dankend, de handen likte.
Toen werd het hok buiten gebracht, achteraan op het koertje geplaatst en er met houten staken en ijzeren krammen stevig aan den grond gevestigd. En als het hok daar stond maakte men er de ketting aan vast, en den band aan de ketting, en Dukske aan den band.
Men bleef hem eene wijl aanstaren, steeds vriendelijk en tevreden glimlachend, terwijl hij ook zijn beulen aanstaarde, met zijn zoete, heldere oogjes, waarin een verbaasde ondervraging lag. Doch niemand scheen te vermoeden, dat hij een uitlegging te vergen had; en toen men zag "dat alles in orde was" ging men er eenvoudig, met een laatste streeling van door, en Dukske bleef alleen, gansch moederziel alleen, gekluisterd aan zijn hok.
* * * * *
Lang, lang, weken lang was het een droefheid zonder grens. Dukske kon zich aan zijne gevangenis niet wennen, hij die gewoon was heele dagen vrij te loopen.
Gedurende dagen en nachten hield hij niet op te huilen en te blaffen. Met zijn mooie, jonge, sterke tanden beet hij in de harde schakels van zijn ketting; met de tengere, rooskleurige nagels van zijn pootjes boorde hij holen in den grond, diep genoeg om er hem in te begraven. En telkens sprong hij hevig aan zijn hok vooruit, als vrij, eensklaps geworgd, den adem afgesneden door de vreeselijke knelling van den band. Hij kon noch wilde 't akelig-onverbiddelijke zijner plotselinge rampzaligheid beseffen. Hij verdubbelde, vertienvoudigde de inspanning zijner jeugdige krachten, bij elken worpsprong, bij elke knauwing aan de schakels, bij elke boring in den grond zich verlost wanend. En hij blafte zoolang, zóó ruw, zóó onophoudend, dat zijn stem na enkele dagen dof en schor werd, versleten, gelijk de stem van een oud mensch. Doch alles te vergeefs: zijn lot van waakhond was begonnen, niets zou voortaan zijn meesters van hun voorgenomen strengheid doen afwijken. Zij sloegen hem gade van uit de keuken, onverschillig aan zijn lawaai, wel wetend dat het gauw genoeg van zelf zou ophouden. Alleen wanneer zij hem de planken van zijn hok aan stukken zagen bijten, of ál te vreeselijk diepe holen graven in den grond, kwam Meester even buiten, met de tuchtroede in de hand. En schuw kroop Dukske in zijn hok, een oogenblik stil-stom, om er weldra joelend en jankend weer uit te springen.
* * * * *
Doch eindelijk bedaarde hij. Van lieverlede hield hij op te blaffen, te huilen. Hij vernielde weldra niet langer zijn mooie tanden op het ijzer van zijn onverbiddelijke ketting, noch zijn tengere nagels op den harden grond van 't koertje: hij bleef of vóór of in zijn hok zitten, neêrslachtig, aan het noodlot onderworpen, met treurige oogjes waarnemend, wat er om hem heen gebeurde.
Ach, wat een droevig, akelig leven....
Van uit zijn hok zag hij den achtergevel van het huis zijns meesters, het droevig, kleine, krenterige buitenrenteniershuisje, gebouwd in rooden baksteen, met vensters zonder gordijnen, met een naastaangelegen stalletje en kleinere vertrekken. Het koertje was maar half geplaveid, een houten pomp rees uit den grond, dichtbij de keuken; en, aan den rechtergevel van het huis, onder een gewelfden zolder, was er een hooge, zware poort, die uitkwam op de straat. Op enkele schreden afstands van het hok, in een hoek vol brandnetels en steengruis, stond een houtmijt; achter het hok was een houten hekje, dat het koertje scheidde van den tuin.
En nooit een mensch, nooit eenige beweging in dit oord van doodsche rust en eenzaamheid. De dagen vervlogen, volgden elkander op, eentonig, eindeloos, allen gelijk, zonder de geringste afwisseling. Zoodra de dageraad aan 't Oosten bleekte, kroop Dukske uit zijn hok en zette hij zich neder op zijn achterpooten, den blik op de nog sombere keukenvensters gevestigd. Uren verliepen, de morgenschemering klaarde op, de zon blonk in de ruiten. Maar lang nog bleef de keuken ledig; lang nog ontwaarde Dukske niets dan de glimmende pannen van het schotelrek, de zwartblinkende kachelpijp, de ouderwetsche hangklok, wier koperen slinger langzaam heen en weer zwierde, tegen den witgekalkten achterwand.
Eindelijk vernam hij eenig dof geluid daarbinnen. Hij zag het bovenste gedeelte eener binnendeur half open gaan, en Meesteres kwam in de keuken. Zij was kort en dik, gebogen van gestalte, geelbleek en opgezwollen van gezicht, traag in haar bewegingen. Dukske groette haar van verre met een flauw gekef, en een rilling van verlangen schudde zijn huid, terwijl zijn blinkende oogjes nog vuriger op de heldere keukenvensters gevestigd bleven. Doch Meesteres deed of zij hem zag noch hoorde. Zij liep gebogen heen en weer in de keuken, ontstak het vuur in de kachel, maalde de koffie. Toen ging het bovendeel der binnendeur nogmaals open en Meester kwam te voorschijn. Hij ook was kort en dik van gestalte, maar niet zoo gebogen, en vlugger, levendiger in zijn bewegingen. Zijn eerste blik, door de keukenvensters, was steeds voor Dukske. Hij lachte hem even toe, riep zijn naam uit; en schier onmiddellijk kwam hij langs achter buiten en naderde Dukske, een brokje lekkernij in de hand.
O! wat een opbruising van hartstocht, van vervoering! Dukske stelde zich op zijn achterpooten, en sloeg de saâmgevouwen voorpootjes op en neêr, in een herhaalde smeekende beweging; hij streek zijne verminkte oorkens in den nek, hij wrong en kronkelde zijn stompje staart, een teederheidsglans glom in zijn mooie oogjes. En hij nam wel 't stukje vleesch of 't beentje aan, dat Meester hem gaf, maar legde dit dadelijk neer; hij had geen honger, het was iets anders wat hij verlangde; en, dringender keffend, vuriger smeekend krabde hij met zijn pootjes op Meesters knieën, opdat deze hem toch het zoo hartstochtelijk verlangde zou toestaan. Doch Meester deed alsof hij 't niet begreep; hij streelde Dukske op het kopje, hij gaf hem vriendelijke tikjes op den rug, hij sprak hem aan, glimlachend en aanmoedigend, en ging weg. Dan huilde en blafte Dukske weer als vroeger; dan wrong hij zich de keel toe met zijn halsband en beet opnieuw met zijne mooie sterke tanden in de harde ijzeren schakels van zijn ketting, kermend en klagend van verdriet en smart. En eerst wanneer alle hoop op verlossing verdwenen was, at hij zijn "beetje" triestig op, en kroop terug, wanhopiger dan ooit, in zijn akelig hok.
De morgen verliep. Op middagtijd bracht Meesteres hem zijn eten: soep of pap, met aardappels en overschotjes vleesch. Hij slikte 't gulzig in en toen had hij weer enkele stonden vol hoop en hartstocht: Meester opende een der vleugels van de poort, die uitzicht had op straat, en een geheelen tijd bleef hij daar op den drempel staan, zijn pijpje rookend. Dukske zag alsdan een deel der straat, met den witten voorgevel en de groene vensterluiken van het burenhuis tegenover; en somtijds, in het deurgat van dat huis, verscheen een kleine zwarte hond. O! hoe kwam het toch, dat _die_ steeds los liep, terwijl _hij_ steeds gebonden lag! Het arme Dukske rilde van ontsteltenis; en hij blafte weer en woelde rondom zijn hok, om Meester het grievend-onrechtvaardige van dit verschil te doen opmerken. Doch Meester zag naar hem niet om; Meester vermaakte zich met de voorbijgangers te groeten en soms een praatje te maken; ja, zelfs gebeurde 't, dat hij met de een of ander op het koertje kwam; en dan wipte, kefte, blafte Dukske nog hartstochtelijker, want, wie weet of daar de vriend niet was, die hem verlossen zou?
Ach neen; de bezoeker kwam hem soms wel eens streelen, doch maakte zijn halsband niet los. Hij ook vertrok, hij ook hield zich alsof hij Dukske's vurig smeeken niet begreep.
* * * * *
En zoo, in die geregelde eentonigheid, verliepen weldra jaren. De zomers, de winters volgden elkander op en kwamen terug, zonder dat zich ooit de geringste verandering in Dukske's leven voordeed.
Lang reeds was hij een volwassen hond geworden. Hij was tot een middelmatige grootte opgegroeid, steeds kastanjebruin van kleur, en kort en glad van haar, hoewel dit in zijn jeugd lichtkens kroede. Hij was ook kloek gespierd, en zijn verminkte staart en oortjes die zijn lijf afrondden en verkortten, gaven hem meer en meer het uiterlijke van een doghond. Hij leek dan ook maar weinig meer op het mooi, dartel hondje van vroeger. Zijn oogen vooral, die van bleekblauw, lichtbruin geworden waren, hadden die uitdrukking van streelende zachtheid niet meer, die ze bezielde, den dag dat men hem voor altijd aan 't ijzer had gekluisterd. Neen, zij hadden een harde, strakke, bijna booze uitdrukking gekregen; en de grijzende haartjes die reeds zijn bek begonnen te bedekken, evenals ze den baard doorspikkelen van een ouden man, vergrootten nog den norschen, haast onheilspellenden indruk, door gansch zijn uiterlijk voorkomen nu te weeg gebracht.
* * * * *
't Is dat Dukske, waardige erver der hoedanigheden van zijn ras, van lieverlede tot een uitstekende waakhond opgegroeid was! Zijn karakter, verbitterd door de kluistering, dulde niet langer de indringing van die bezoekers, welke soms met Meester op het koertje kwamen, en die hij zoo vaak te vergeefs om verlossing gesmeekt had. Zoodra er nu nog een te voorschijn kwam, snelde hij woedend uit zijn hok, trok aan zijn ketting om ze te breken, sprong grollend, schor blaffend, met vlammende oogen en schuim op de lippen naar den vreemdeling, als om hem te verscheuren. Maar vooral 's nachts was het vervaarlijk: niemand kon in de straat voorbijgaan, dien hij niet door een razend geblaf aankondigde; en dat nog iemand in den tuin of aan het huis zou komen, was eenvoudig onmogelijk: 't gehuil van Dukske zou de gansche buurt in rep en roer hebben gebracht, vóór een dief er ooit in slaagde ergens in te breken. Ook werden er bij Meester geen hoenders noch konijnen meer gestolen.
Voor het overige was Dukske een soort monomaan geworden. Hij had zijn gewoonten, gelijk de oude lieden; hij kende de uren van maaltijd, hij sliep zooveel mogelijk om den tijd te dooden. En, in die steeds toenemende versuffing van geest en lichaam, die in hem hartstochten en opstanden doodde, bleven hem slechts twee of drie groote, onbevredigde begeerten kwellen, die onverjaagbaar terug kwamen: eens tot op straat loopen, om te zien wat er daar omging; kennis maken met den hond daar aan den overkant, of met een van de vele honden die hij soms voorbij zag loopen; weten hoe of het er uitzag in den netelhoek, achter de houtmijt.
Alsdan, toen die begeerten àl te kwellend werden, geraakte hij voor eenigen tijd uit zijn gewonen staat van knorrige stompzinnigheid, om uren lang hardnekkig, met uitgerekten hals en kwijlenden bek, op de straat, op den hond van tegenover, of op den netelhoek achter de houtmijt te staan blaffen.
* * * * *
En zoo, gedurende veertien lange jaren, bleef Dukske met dezelfde ketting aan hetzelfde hok gebonden. Geen enkel uur, geen enkel oogenblik kreeg hij zijn vrijheid terug. Het hout van zijn hok verrotte, de schakels zijner ketting blonken van verslijting, de aarde rondom zijn hok was hard als steen geworden; en Dukske zelf verouderde, vergrijsde, verloor zijn scherpheid van gezicht en zijn veerkracht van lichaam, zonder dat er ooit een straaltje van afwisseling in zijn eentonig leven kwam.
* * * * *
En tòch, wat al veranderingen om hem heen, gedurende die eindelooze veertien jaren!
Eerst was het Meesteres, de oudste der twee vrijgezellen, die meer en meer gebogen ging, als onder een te zwaren last gebukt; weldra zóó zwak en sukkelachtig, dat Dukske haar bezwaarlijk nog herkende, achter de hooge, heldere vensters van de keuken. Zij kroop met moeite voort, hijgend, kuchend, zich vasthoudend aan tafels en aan stoelen, weldra zóó afgeleefd, dat het haar onmogelijk werd zich met haar huishouden te bemoeien. En, op zekeren morgen, stond daar een andere vrouw in huis, een jonge, kloeke, blozende en lachende, aan wie Meester allerhande uitleggingen gaf. Van stonde af zag Dukske haar aan den arbeid vallen: vegen, schuren, water pompen, met groote bewegingen en groot geluid, als gold het een gevecht. En zij vertrok niet meer. Dukske zag haar elken morgen in de keuken komen, evenals eertijds Meesteres, en al het werk verrichten, dat deze placht te doen. Meesteres, nochtans, was niet verdwenen. Door de klare vensterruiten heen zag Dukske haar den ganschen dag in een grooten leunstoel zitten, met witte hoofdkussens achter den rug. Zij was zoo geel als was geworden, zij zat daar onbewegelijk, en, als het ware, levenloos. En Meester was daar ook, stil op een stoel gezeten, aan haar zijde, haar gezelschap houdend.
Menige, menige maand verliep aldus. Het was of Meesteres daar ook gekluisterd zat, evenals Dukske aan zijn hok. Maar op een morgen bleef de leunstoel leeg.
Gedurende acht dagen bleef hij leeg, enorm in 't midden van de keuken, met de witte vlek zijner opgestapelde kussens. Toen werd hij eindelijk door Meester en door Nieuwe-Meesteres weggedragen. Meester had gezwollen, roodgeweende oogen en Nieuwe-Meesteres ook weende, de wangen zeer rood, zich met haar schort het aangezicht afvegend. En heel dien dag en ook den volgenden stond het huis overhoop, lieden kwamen in en uit, voorbijgangers bleven nieuwsgierig-kijkend staan; en, met den avond, bracht men langs de poort een langwerpige kist aan, een prachtige kist, glanzend geschilderd en vernist, versierd met koperen spijkers en een groot zilveren kruis, dat witte vonken schoot.
Den volgenden morgen was de straat bezet met volk. Klokkengeluid weergalmde in de lucht, lieden stonden op den drempel van het burenhuis, anderen kwamen nieuwsgierig kijken door de vensters van de woning, en door den openstaanden vleugel van de poort. Toen kwamen drie jonge knapen voorbij, in rood en wit gekleed, die kruis en vanen droegen, onmiddellijk gevolgd door drie groote zware mannen, gehuld in lange zwarte fluweelen mantels met zilveren versiersels. En zij waren maar even de poort voorbij, toen zij reeds weer terugkwamen, met luider stem treurige zangen zingend, gevolgd van vier mannen, die een langwerpig voorwerp onder een zwart fluweelen kleed met zilveren kruis en zilveren franjes op de schouders droegen: een voorwerp dat den vorm had van de heerlijke kist den vorigen avond aangebracht, en waarmee zij loom vooruitstapten, het hoofd ontbloot, de schouders scheef, terwijl de klokken op den toren luider galmden. En meester, gansch in 't zwart gekleed, kwam achter hen, blootshoofds, gebogen, weenend, een witte zakdoek op zijn mond gedrukt. En achter Meester kwam een heele stoet mannen, vrouwen en kinderen, die allen mede gingen met de rood- en witte knapen, met de wit- en zwarte zangers, met de vier scheeve, blootshoofdsche mannen, die de langwerpige kist droegen, onder den langen, zwart-fluweelen sluier met het zilveren kruis.
* * * * *
En nooit zag Dukske Meesteres terug. Meester kwam alleen weer naar huis en 't was nu ook met Nieuwe-Meesteres alleen, dat Dukske hem voortdurend in de keuken zag.
O! in de keuken was hij veel, veel meer dan eertijds nog! En nu ook weende hij niet meer, als op den dag dat hij met Nieuwe-Meesteres den leunstoel uit de keuken droeg; hij lachte nu integendeel, en zoo deed ook Nieuwe-Meesteres, als Meester haar soms naliep en zijn gezicht heel dicht bij 't hare stak, terwijl hij haar met zijne beide handen om de middel vastgreep. En nogmaals kwam een dag, dat heel het huis overhoop stond!
Meester en Nieuwe-Meesteres hadden zich beiden op hun allerbest gekleed, en opnieuw stond heel de straat vol menschen, die nieuwsgierig toezagen, terwijl in de verte kanonschoten dreunden en een rijtuig met twee paarden vóór de deur kwam stilhouden, gevoerd door een koetsier, die een hoogen hoed op had en in de hand een zweep, versierd door een wit strikje. En zie, o wonder! Meester en Nieuwe-Meesteres stapten samen in dat rijtuig en Dukske zag hen de poort voorbij rijden, terwijl het volk in de straat stil lachte, een zonderling gelach, hetwelk leek op dat van den schrijnwerker, van den smid, den verver en den schoenmaker, toen zij hem, Dukske, aan zijn hok gebonden hadden. Heel dien dag, trouwens, was niets dan een langdurig feest. Op middagtijd kwamen een aantal op hun best gekleede mannen en vrouwen den maaltijd gebruiken. Zij schaterden en zongen luid den ganschen dag en Dukske kreeg zóó veel overschotten, dat hij er moest onaangeroerd in zijn schoteltje laten. Toen het donker werd ontstak men kaarsjes en gekleurde lichtjes aan den bevlagden gevel van het burenhuis; en de muziek kwam spelen vóór de deur, schel-schetterend, oorverdoovend, begeleid door de bravo's en de lachkreten van het toegestroomde volk.
* * * * *