Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen

Chapter 9

Chapter 93,363 wordsPublic domain

Bij den uitgang nam een van de italiaansche socialisten mij apart, om zijn kritiek tegen mij te luchten. Hij was een dokter en had een paar keer aan de zusters diepzinnige vragen gedaan, of de fleschjes in stoom of in kokend water werden gewarmd en dergelijke. Ik echter had mij in stilte aan hem geërgerd, omdat hij zoo overluid sprak en lachte, dat de muren trilden en de kindertjes lagen te schudden in hun ledikantjes. »Heel aardig, heel aardig«, zei hij op neerbuigenden toon, »maar wat zijn die Russen toch onsystematisch! De dokter had ons natuurlijk eerst beneden een algemeene uiteenzetting moeten geven, dat zou het bezoek zeer bespoedigd hebben. En dan, met die melk, ja dat is ook niet heelemaal in den haak. Hoorde u wat ik aan de zuster vroeg of de flesschen wel »au bain Marie« gewarmd worden? Dat heeft n.l. een anderen invloed op de microben dan......«

En hij wou een geleerde uiteenzetting beginnen over de veranderingen die melk door verschillende verhittingsprocessen ondergaat. Maar ik gaf er hem de gelegenheid niet toe, zei dat ik geen tijd meer had en slipte weg. De gedachte flitste door mij heen: »Man, je bent een Italiaan geboren, maar je behoorde.... een Duitscher te zijn.«

II. +Scholen in het Bosch+.

Onder mijn prettigste herinneringen aan Sowjet-Rusland zijn die van enkele autotochten naar buiten, die ik in klein gezelschap maakte om scholen of kinderkolonies te bezoeken. Het leven was druk en rommelig te Moskou; de maaltijden in het overvolle karavanserail brachten niet veel verpoozing tusschen of na de zittingen van het duizendhoofdig kongres. Welk een heerlijkheid, ontvoerd te worden aan het geroezemoes, de twistgesprekken en de politieke opwinding van die sfeer, om met enkel de vriendelijke gezichten van Kalinina en Elizarowa tegenover en dat van de een of andere verheugde tochtgenoot naast je, in de geruischloos voortjagende auto de vage, slordige buitenwijken van Moskou achter je te laten, de leelijke optrekjes en magere akkertjes voorbij te vliegen en de donkere lijn der bosschen elke minuut naderbij te zien komen. Van den hobbeligen straatweg afbuigend, een dier tallooze breede berkenlanen in, die naar de eindeloosheid schenen te voeren, bereikten wij dan, in den regel niet zonder eenig dwalen, de idyllische plek-in-het-woud, waar wij moesten wezen. Van achter de statige stammen der reuzensparren, of uit de breede waranda van een stevig, eenvoudig houten huis, kwam een troepje kinderen met uitroepen van vreugde op »de auto van Kalinina« toegesprongen, de vreemde genooten vol vertrouwende hartelijkheid begroetend. De eerste keer dat Kalinina en Elizarowa mij op zulk een uitstapje meenamen, bezochten wij het »Muziektechnikum«, zooals de russische uitdrukking luidt, van Tarasowka, hetzelfde dorp waar ik een paar weken later, in een ander deel van het groote natuurpark dat het omringt, zulk een schitterend kinderfeest zou bijwonen.

Ook hier waren, evenals in alle andere instellingen voor kinderen buiten die ik bezocht, de ongeveer tachtig interne leerlingen met de verzorgers en opvoeders gehuisvest in een aantal dicht bij elkaar gelegen datschas. Een paar van deze huizen bevatten de frissche slaapkamers, in een ander zijn de lokalen voor onderwijs en handenarbeid, in een derde gebouw bevindt zich de club, enz. De maaltijden worden 's zomers hetzij op een grasperk vóór het huis of in een der ruime waranda's gebruikt, die bijna elke wat grootere datscha bezit. Een dergelijke paviljoen-indeeling sluit natuurlijk de eenvormigheid en naargeestigheid van het gestichtsleven volkomen uit, de sfeer doet denken half aan die van een talrijke familie-met-veel-kinderen-te-logeeren buiten, half aan de genoeglijkheid van een bestendige picnic.

In het muziektechnikum te Tarasowka onderging ik voor den eersten keer die stemming van rust en mildheid, van onbezorgdheid en overgave, van een geheel ongedwongen, affektueuzen omgang tusschen opvoeders en kinderen, die mijn herinnering aan deze uren, in de kinderkolonies doorgebracht, met zulk een zachten, weldadigen glans omgeeft.

Eerst moesten wij natuurlijk aanzitten om met den professor-direkteur en een paar van de leerkrachten thee te drinken. Dit gebeurde in een dier lichte, eenvoudige kamers met weinig meubelen, weinig gordijnen, en op den tuin uitziende vensters, zooals men ze ook in ons land in ouderwetsche, wat afgelegen buitenhuizen nog wel vindt. Alleen plegen daar de muren witgekalkt of met een licht behangseltje overtrokken te zijn, terwijl wij hier zaten tusschen lichtbruin gebeitste houten wanden. Buiten speelden gouden zonnestralen door het jonge loover van eschdoorns en berken, een merel dichtbij, jubelde zijn blij-glanzend wijsje. En ik, die noode de vroeg-zomersche geneugten van Holland had achtergelaten, voelde een verteederd verlangen als een zoete pijn schieten door het hart....

De direkteur van het muziektechnikum van Tarasowka is een oud-professor van het Moskousche konservatorium, een goede vijftiger, denk ik, maar zijn hartgrondige stem en de loutere blik van zijn bebrilde oogen hebben de kinderlijke argeloosheid en het roerend levensvertrouwen van wie eeuwig jong blijven. Een zonnige natuur, muziek-enthousiast en kindervriend, zooals heel zijn wezen verraadde, leek hij bij uitstek geschikt voor zijn taak, aan volkskinderen-met-aanleg een goede algemeen-muzikale opleiding te geven. Over zijn werk sprak hij met groote warmte. Zijn vriendelijk rond gezicht, met den fijnen mond, zijn gulle lach en zijn opgewekte manieren straalden liefde uit, voldoening en geluk. Eenmaal slechts trok een wolk over zijn voorhoofd: het was toen hij klaagde tegen ons over het groote gebrek aan snaren voor strijkinstrumenten, dat in Rusland bestaat: of het ons niet mogelijk zou zijn, vroeg hij, hem die uit het buitenland te verschaffen? Ik beloofde, thuis gekomen, te zullen doen wat ik kon[5].

De professor kende enkel Russisch; van de jongere leerkrachten spraken er een paar Duitsch, andere Fransch of Engelsch. Behalve in muziek, harmonieleer en moderne talen, kregen de leerlingen ook les in rekenen, natuurkunde, aardrijkskunde en geschiedenis. Het muziekonderwijs werd gegeven op half-klassikalen, half individueelen grondslag; koorzang, samenspel en rythmische gymnastiek vormden de basis; de meer begaafden leerden daarenboven een of meer muziekinstrumenten bespelen. Om de kinderen te oefenen zich vrij en gemakkelijk te bewegen en de scheppende verbeelding op te wekken, was als een der leervakken de »dramatische improvisatie« ingevoerd. De leeraar gaf een thema op aan twee of meer leerlingen; na enkele minuten voorbereiding moesten zij dit, al dan niet gekostumeerd, mimeeren. Allerlei themata werden voor deze kleine pantomines gebruikt; de meest geliefde waren, zoo ik mij niet vergis, die uit oude of gemoderniseerde sprookjes.

De leeraar in de dramatische vakken, die mij dit alles vertelde was een jonge, lange, broodmagere blonde man--zelf schrijver van tooneelstukken--met een zacht gezicht en enthousiaste oogen. In het algemeen trof mij, bij alle opvoeders, met wie ik bij mijn bezoeken aan de instellingen voor kinderen in aanraking kwam, een aantrekkelijke eenvoud en een groote menschelijke mildheid. Zij deden mij het meest denken aan enkele mij bekende onderwijzers van onze »humanitaire scholen«. Het ouderwetsche type »schoolmeester« of »schooljuffrouw« ontmoette ik niet.

Op het theedrinken volgde een bezoek aan de verschillende huizen. Wij zagen de gewone, uiterst eenvoudig gemeubelde, maar zindelijke en frissche slaapzaaltjes, die ik elders ook zou vinden, verder een aantal muziekkamertjes, waar niets anders dan een groote vleugel, een pianokruk en een lessenaar stond. Een paar kinderen zaten ijverig te studeeren; de gamma's en Czerny-études klonken op dien zonnigen zomermorgen door de gangen even droomerig en half onwezenlijk als zij dat hadden gedaan in mijn vaders huis, toen ik zelf een kind was.

Wat het meest indruk op mij maakte bij dezen rondgang was het vertrek, waar netjes achter gordijnen (kasten waren er niet) de kleeren van de kinderen geborgen werden: kleurige, frissche linnen of katoenen jurken voor de meisjes, russische blouses voor de jongens en stapeltjes helder gewasschen, netjes gevouwen ondergoed. Een hollandsche huisvrouw zou er schik in gehad hebben. Daarnaast was de afdeeling »tooneelgarderobe«, zorgvuldig gerangschikt en goed voorzien. Een suggestie van heerlijke verkleedpartijen, fantastische charades en pantomimes ging hiervan uit. Er waren bonte boerendrachten, zwart-en-roode hemden voor duivels en heksen, prachtgewaden voor prinsen en prinsessen uit de sprookjes, het meeste in huis vervaardigd van eenvoudig materiaal, maar met smaak en fantasie. Het gebrek aan zijde, gaas en fluweel had er toe gevoerd, de ornamenten op de linnen en katoenen stof te schilderen. Daarmee waren heel aardige effecten bereikt. Maar wat hing daarin tusschen die »home-made« tooneelkleeren, kostbaar-glanzend, met een diepen, kleurigen weerschijn? Twee jurken van bebloemd brokaat waren het, van een zijde, zoo stijf en zwaar, dat ze leken te zullen blijven staan waar je ze neerzette. Uit de garderobe van welk keizerlijk theater zouden die pronkstukken wel afkomstig zijn geweest? Of--uit de diepe kleerkast van welke prinses-van-den-bloede?

Terwijl wij een en ander bekeken, hadden de kinderen de uitvoering voorbereid. Het tooneel, waarop deze plaats zou vinden, gaf aan den voorkant toegang tot een soort park; daar stonden eenige rijen ruw-houten banken, die, naar ik schatte, een publiek van een kleine honderd personen plaats boden. Wij gingen vooraan zitten, en de opvoering begon: koorzang, orkestspel (het orkest bestond nog slechts enkele maanden) vocale en instrumentale soli, nationale dansen, en dramatische improvisaties. De kinderen musiceerden zonder eenige gegeneerdheid of verlegenheid; ze waren er heelemaal in. En het musiceeren was hun blijkbaar een groot genot. Het samenspel en de koren klonken beschaafd en zuiver; er waren een paar goede, klankvolle stemmen bij, en een meisje met een lage, volle altstem maakte den indruk van een bijzonder muzikaal en dramatisch talent.

Het was bijna niet te gelooven, dat de school pas sedert een jaar bestond en de leerlingen zonder uitzondering voortkwamen uit een milieu, waarin ze nooit gelegenheid gehad hadden muziek te leeren. Misschien levert de veel voorkomende muzikale en dramatische begaafdheid bij het russische volk voor dit feit de verklaring, in verband natuurlijk met de bezielende persoonlijkheid van den directeur en met de concentratie bij het werk, die de ligging der school, verweg van de verstrooiing en versnippering van het stadsleven, ongetwijfeld in hooge mate moet bevorderen.

Terwijl wij daar zaten en luisterden, waren er telkens nieuwe toehoorders bij gekomen: leerlingen, schoolpersoneel, arbeiders en zomergasten uit de buurt. Zachtjes kwamen zij over het tuinpad aanloopen en namen tusschen ons plaats op de withouten banken. Allen waren welkom, allen genoten de harmonieën der muziek en, naar mij voorkwam, ook de geestelijke harmonieën van vrede en louterheid en broederlijkheid, die voor het hart hier hoorbaar werden. Maar voor mij was er wrangheid gemengd in dezen beker. Nooit heb ik de kinderen van Sowjet-Rusland gezien bij hun spel en hun werk en hun maaltijd, of een ontroering kropte in mijn keel, en mijn hart sloeg in smartelijk verlangen. Het beeld van de millioenen proletariërskinderen in de rijke landen van West-Europa, opgroeiend in de oude dofheid, de oude verwaarloozing, rees als een bittere vloed in mij op. En niet minder bitterheid was er in de gedachte aan de toegewijde zorg, liefde en teederheid, die in dit uitgemergelde land het onmogelijke beproefden om van de kinderen ontbering en armoe ver te houden, hun jeugdjaren te maken tot het tooverland vol wisselende vreugden, wat zij voor alle kinderen behoorden te zijn.......

De eigenlijke bosch-school, die ik eenige weken later,--ditmaal niet in gezelschap van Kalinina en Elizarowa, maar met twee of drie mede-afgevaardigden--bezocht, lag veel dichter bij Moskou, op zijn best een kilometer of tien van de buitenwijken verwijderd. Ik meen mij te herinneren, dat de instelling »Het Kindernestje« heette, en inderdaad lag zij als een nestje verscholen tusschen het hooge geboomte van een lommerrijk park, waar onze auto moeite had haar te vinden. »We zijn er gelukkig; als er nu ook nog een stalowoi (eetzaal, restaurant) in de buurt was,« zei de towaritsch-chauffeur lachend, terwijl hij den wagen onder de hooge berken van de laan, naast het hek, terzijde van een groot, wat vervallen uitziend buitenhuis deed stilstaan. Zijn wensch zou spoediger vervuld worden dan hij dacht: de tafel stond gedekt onder de open waranda, de soep werd juist opgediend. Er waren slechts weinig kinderen tehuis; de meesten maakten een uitstapje. Plaats genoeg dus voor de onverwachte en ongenoode gasten! We schikten aan tusschen den leider, het schoolpersoneel en de jongere kinderen, die thuis waren gebleven; onze chauffeur en de tolk waren natuurlijk ook van de partij. Het menu was groentesoep met brood en een soort grove haverpap; enkel de kinderen kregen een beetje zure melk toe. Het voedsel was lang niet meer zoo goed en overvloedig als in de eerste jaren der republiek, zeide men ons, al kregen de kinderen nog altijd het beste wat men te geven had.

Het huis waar wij ons bevonden was een zoogenaamde proefschool voor normale kinderen, dat er naast een openluchtschool voor zwakken en tuberculeuzen. Wat verder het park in stond het gebouw voor de onderwijzeressen, die in hun vacantie hier een kursus in practische opvoedkunde volgden. De leider der geheele inrichting maakte zich, tot mijn vreugde en verrassing, bekend als een broer van den genialen Rosarow, den man van de Moskousche theatervoorstellingen voor kinderen en het groote kinderfeest te Tarasowka. Nu kon ik hem nog de boodschap meegeven aan zijn broer, hoezeer ik dien dag had genoten. Na den maaltijd liet hij ons de geheele inrichting zien. Zij was vroeger de bezitting geweest van een zeer vermogend man, die haar echter reeds voor den oorlog wegens financieelen achteruitgang had laten verwilderen en vervallen. Alles was grootsch aangelegd, er waren reusachtige boomgaarden--dit jaar leeg van vruchten helaas--en uitgestrekte moeslanden. Er was ook een boerderij met een paar koeien en paarden en wat klein vee. Onder leiding van den tuinman-instructeur hielpen de kinderen de groente- en aardappelenlanden onderhouden. Daarenboven had elk hunner zijn eigen tuintje, waar hij kon zaaien en planten net wat hij wou. Rosarow maakte ons op een dier tuintjes opmerkzaam, waar de planten veel te dicht op elkaar stonden. »Daar komt niets van terecht natuurlijk, maar wij laten de kinderen rustig begaan: zij moeten leeren door hun fouten.« Twee andere van die langwerpige reepjes tuin naast elkaar wees hij ons, van boven verbonden door een halven cirkel, waarin het koren al hoog opschoot. »Aardig hè?« zeide hij, »dat is van twee zusjes; hiermee willen ze aangeven, dat hun tuintjes half-gemeenschappelijk zijn.« Behalve den arbeid in den tuin en op het land verrichten de kinderen ook huiswerk, onder toezicht van de verschillende »instructeurs«. Aan dit huiswerk namen alle leerkrachten deel; dienstboden waren er niet. Alle kinderen leerden muziek, ook teekenen werd aangemoedigd; voor eenige zwak-begaafden, die moeite hadden het gewone onderricht te volgen, wilde men een naaikamer en een hoedenmakerij inrichten.

In het huis voor de kursisten zaten een aantal meisjes en vrouwen, ook weer in zoo'n heerlijke breede waranda, ijverig aanteekeningen te maken onder leiding van de directrice, een sympathieke persoonlijkheid, innemend en vol beheerschte kracht. Onder de meisjes troffen mij veel lieve, schrandere gezichten. Dit waren allen onderwijzeressen aan dorpsscholen; na den kursus van twee maanden hier gevolgd te hebben, zouden zij weer naar het platteland terug gaan. Vóór de waranda lag een groot stuk grond, blijkbaar versch omgespit en gereed om bezaaid te worden. »Dat stuk hebben de kursisten vanmorgen omgewerkt, nu kunnen er nog rapen op gezaaid worden voor den winter,« zeide de directrice. »En op 't oogenblik waren wij juist bezig een en ander te bespreken over de keuken: de waarde van verschillende voedingsmiddelen en zoo.« Zij stond op om ons de keuken te toonen; een model van zindelijkheid en netheid was die.

In de openlucht-school voor de zwakke kinderen werd toen we kwamen, juist thee gedronken. Zooveel mogelijk worden deze sterker gevoed dan hun gezonde kameraadjes; ik zag dat ze boterhammen met boter en suiker kregen en vruchtenthee met melk. De normale kinderen krijgen een half pond brood per dag, de zwakken een heel pond; het brood is voedzaam en smakelijk, dank zij het meel der Amerikaansche en Engelsche kwakers. »Hadden wij maar wat meer technische hulpmiddelen tot onze beschikking,« zeide Rosarow bij het afscheid tot ons, »vooral machines en werktuigen; wij zouden zoo graag veel willen doen, de nieuwe onderwijsmethode op grondslag der polytechniek doorzetten. Maar Rusland is nu te arm, enkel de naakte aarde hebben wij en onze handen om haar te bewerken--en dat is niet genoeg«. Hij zei het met een lach, maar het sneed mij door de ziel.

Ook deze man antwoordde mij, toen ik er hem naar vroeg, geen georganiseerd communist te zijn. Maar in hoeveel wèl-georganiseerde communisten ten onzent leeft zulk een warm en daadkrachtig gemeenschapsgevoel als waarvan zijn uitingen en heel zijn wijze van doen getuigden!

III. +Het groote Kinderfeest te Tarasowka+.

....Dien morgen kwamen Kalinina en Elizarowa mij met een der ruime, sterke auto's van het Uitvoerend Komité der R. S. F. S. R.--»de auto van Lenin«, zooals het in den volksmond heet,--halen om een groot kinderfeest te zien in een kolonie ongeveer 30 werst van Moskou verwijderd. Met een vaart ging het over de hobbelige keien van den grooten weg naar het zuiden; eerst door triestige, vervallen voorsteden, toen langs velden en bosschen. Het had de laatste dagen veel geregend; het gras aan de bermen van den weg, de akkers en de boomen zagen er frisch en verzadigd uit. Een paar keer passeerden we een dorp; maar het echte platteland was dit nog niet: van de povere houten huizen behoorden niet velen aan boeren, het waren optrekjes voor den zomer, zoogenaamde datschas. Er stonden er nogal wat leeg: de moeilijkheden met de voedselvoorziening hielden veel menschen er van terug, naar buiten te gaan; in de stad werkte de rantsoeneering beter. Of ze zich dan niet op het land zelf konden voorzien, vroeg ik. In den omtrek van Moskou zeker niet, luidde het antwoord, daar was sedert lang alles kaalgevreten; men moest dan véél dieper het binnenland ingaan.

Even voorbij een klein stationnetje, eenzaam tusschen de bosschen, boog onze auto van den grooten weg af. Wij sloegen een van die verrukkelijke landwegen in, zooals men ze enkel in Rusland vindt, héél breed,--drie of vier karresporen naast elkaar--en bezoomd met prachtige, statige berken. In voor- en najaar zijn die wegen niet te berijden, maar nu ging het best, al was er wel eens een diepe met modder gevulde kuil, die de auto noodzaakte zijn vaart te minderen. Nu moest onze towaritschbestuurder, evenals op de vorige tocht, telkens naar de juiste route informeeren: hij kwam uit Petrograd, was nog maar kort te Moskou in dienst. En er zijn er zooveel van die breede, met berken bezoomde lanen, en ze lijken allemaal zoo op elkaar! Echter, de menschen van de streek wisten allemaal waar »de kinderkolonie van de Tarasowka« lag, en zoo kwamen we dan, met veel vragen en slechts weinig dwalen, ten slotte waar we moesten zijn.

Langs de lanen waar we nu doorreden had men kleinere of grootere stukken bosch--van een halve tot een paar hectaren schatte ik ze--omgeven door vrij primitieve palissaden. Op elk dier stukken stonden enkele houten huizen van verschillende afmetingen, allen in zwitsersche chaletstijl, maar armoediger en minder smaakvol: dit was Tarasowka. Het is geen eigenlijk dorp maar een villakolonie tusschen groote bosschen, echt russische bosschen van gemengd loof- en naaldhout: sparren, beuken en eschdoorns, een heerlijkheid van welig, krachtig hout. Hoeveel mijlen strekken de bosschen om Tarasowka zich uit?--Ik weet het niet. »O, ze zijn groot, heel groot,« zeide men mij toen ik er naar vroeg, met een wijd gebaar naar de ruimte. De Rus verliest zich in de mateloosheid van zijn land.

Van de 500 chalets waaruit Tarasowka bestaat, zijn er 150 genationaliseerd en tot kinderkolonies ingericht geworden[6]; ze liggen niet allemaal op een kluitje, maar tusschen de anderen in. We moesten het huis »Clara Zetkin« hebben: het te vinden werd weer een heel gezoek in dat labyrinth van lanen! Gelukkig kwam ons uit een der andere kinderhuizen een jongen tegemoet, een flink, zelfstandig jog, vrijmoedig en behulpzaam. Hij was voorzitter van de kindercommune, zei hij, en zou ons brengen waar we moesten zijn.

Daar hoorden we dat de ochtend-parade met gemeenschappelijk gezang en gymnastiek al afgeloopen was. We hadden die verzuimd doordat Kalinina 's morgens een feest van Moskousche kinderen had moeten inspecteeren. De kinderen van Tarasowka waren juist allemaal naar de tehuizen terug om te eten en te rusten. Maar het eigenlijke feest begon pas 's avonds om 6 uur[7], dat zouden we dus bijwonen. Den middag konden we gebruiken om het schoolgebouw, het clubhuis en enkele huizen te bezoeken en zoo een indruk te krijgen van de dagelijksche omgeving der kinderen.