Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen

Chapter 8

Chapter 83,751 wordsPublic domain

Wat Kollontay en anderen mij vertelden, kwam geheel overeen met mijn eigen indruk van wat de revolutie voor de vrouwen in Rusland had gedaan. Onder de arbeidsters en de boerenvrouwen was een groot ontwaken. Zij genoten de bevrijding van het enge gekluisterde leven en het inzetten hunner eigendommelijke krachten en gaven in het wijde maatschappelijk arbeidsveld. Ik begreep de uitdrukking van Boecharin, die ik een poosje geleden in een artikel over een arbeidsterskongres gelezen had. »In de menschenwereld wordt een nieuw wezen geboren«. En ik begreep, wat mij van verschillende kanten werd meegedeeld, hoe de frissche geest, de moedige wil en de spontane overgave van duizenden en duizenden vrouwen een der sterkste krachten zijn, die zoowel de Sowjetinstellingen als de communistische partij thans dragen en een algemeene inzinking verhoeden. De mannen zijn lang voor de vrouwen--in de revolutie telt iedere dag voor weken of zelfs maanden--in den strijd gegaan; er is àl te veel van hen gevergd; velen hebben geen spankracht meer, de bronnen van hun lichamelijke en geestelijke energie zijn tijdelijk uitgeput. De vrouwen kwamen later in beweging; zij beschikken nog over zekere krachtreserves; misschien ook gaat het uithoudingsvermogen der vrouw, wanneer zij haar geheele hart geeft, dat van den man te boven. Waar de mannen mij somtijds toeschenen door overgroote vermoeidheid een weinig hard en onverschillig geworden, voelde ik in den omgang met vrouwen telkens de weldoende warmte, het tegelijk vurige en teedere van begin en groei.... En dit geldt niet alleen voor de communistische vrouwen die de propaganda voeren onder de arbeiders en boeren, of in het Roode Leger: het geldt ook voor duizenden en duizenden vrouwen, die geen lid zijn der communistische partij, maar die haar werk in de scholen en de vakantiekolonies en de kindercrèches opvatten in communistischen geest, als een gewijde taak die zij verrichten ter wille van de gemeenschap, dat is voor het gemeenschappelijk heil. Men behoeft slechts enkele weken in Sowjet-Rusland te zijn, om op te kunnen merken--wanneer men ooren en oogen en verstand en gemoed openzet--welk een ontzaglijk verschil het maakt of een groot aantal vrouwen voor het eerst maatschappelijken arbeid verricht in een samenleving, aan alle kanten begrensd door de burgerlijk-kapitalistische gedachte, zooals dat in West-Europa het geval is geweest, of in eene die deze gedachte-sfeer heeft doorbroken en bewust--wat niet noodzakelijk beteekent in een rechte lijn, noch in een altijd-eender tempo--koers zet naar het communisme. Een ontzaglijk verschil maakt dit voor de geheele wijze, waarop de vrouw haar taak opvat en waarop deze op haar inwerkt; in het eene geval zullen de individualistische en egocentrische, in de andere de altruïstische en genootschappelijke kiemen en aandriften in haar gevoed en versterkt worden.

* * * * *

Tegenover de vreugde en het geluk, dat talrijke russische vrouwen uit de arbeidersklasse en den middenstand vinden in het uitslaan hunner vleugelen, staat veel donkers en moeilijks. Het oude vraagstuk voor de vrouw, die een huisgezin te verzorgen heeft èn maatschappelijken arbeid verricht: hoe haar dubbele taak te volvoeren, zonder dat haar werk, haar kinderen of haar eigen krachten er onder lijden, is in Rusland allerminst opgelost. De verstrekking van gemeenschappelijke maaltijden is in hoofdzaak beperkt tot Sowjet-beambten en arbeiders in grootbedrijven; de kinderkolonies kunnen bijna alleen de weezen, halfweezen en verwaarloosde kinderen tot zich nemen, wier aantal ontstellend groot is. De groote meerderheid der vrouwen heeft evengoed als bij ons, een huishouden te verzorgen en moet haar socialen werkkring daarmee zoo goed mogelijk vereenigen. Al de gewone moeilijkheden, het getob, de eeuwige tweestrijd, de overspanning, komen daarbij natuurlijk voor. En ook waar voor de kinderen gezorgd wordt, is het dikwijls hard voor de moeders om hen te moeten verlaten. Eens toen wij laat in den avond van het kongres kwamen, trad een partijgenoote ons tegemoet op het voetpad dat aan de groene graven der gevallen strijders voorbij langs den Kremlinmuur loopt. Ik kende haar niet, maar zij begon een gesprek, vroeg met groote belangstelling naar wat dien dag besloten was geworden. »Ik had eigenlijk op de alrussische konferentie voor de propaganda moeten zijn«, zei de ze; »maar ik heb den Zondag vrij genomen om mijn kinderen te bezoeken, die allebei ziek liggen in een kinderkolonie«. De ouders mogen hun kinderen overal vrijelijk bezoeken, in +alle+ instellingen, scholen, kolonies, enz.; maar die instellingen liggen soms ver van de stad, de vervoermiddelen zijn slecht en zoo ontbreekt vaak de gelegenheid. Zeker zijn er wel kinderhartjes, die ondanks de hartelijkheid en teerheid der verzorgsters iets ontberen. »Waar ben je liever, hier of bij mammie«, vroeg een onzer eens aan een klein ventje, die op de zalige warande van een heerlijke boschschool zijn pap op te peuzelen zat. »Bij mammie«, luidde het antwoord onmiddellijk en zonder aarzeling. »Maar waarom dan?« »Het is zoo pleizierig bij haar«, kwam er weer even gedecideerd uit. Het was een kind van arme, ongeschoolde arbeiders--ik geloof dat hij zei dat zijn vader straatveger was of zoo iets, en dat het zeker in de kolonie oneindig beter was dan thuis, maar er was toch iets »pleizierigs« bij mammie, wat voor zijn gevoel hier ontbrak. »Ik zie mijn dochtertje maar zelden«, zei de kindervriendin Kalinina tegen mij, als iets geheel natuurlijks; »meestal moet ik 's morgens héél vroeg weg en ben pas 's avonds thuis; vaak ook kom ik in 't geheel niet overnachten; zij is overdag op school en blijft daar eten; gelukkig woon ik samen met een vriendin, die wat meer thuis is dan ik«.

Voor de aktieve communisten bestaat het huiselijke leven feitelijk niet meer. Het is volkomen onvereenigbaar met het recht der partij, haar leden te »mobiliseeren«, zonder in het minst rekening te houden met hun persoonlijke omstandigheden. Wie communist is in Rusland, stelt zijn of haar geheele persoonlijkheid in den dienst der partij.

Herhaaldelijk ontmoette ik vrouwelijke communisten die mij vertelden, hoe zij door de partij naar het zuidelijk front waren gestuurd, terwijl hun man een zending te vervullen kreeg in den Kaukasus, den Oeral of ook wel buiten Rusland. In zulke gevallen worden de kinderen, zoo die er zijn, natuurlijk in kolonies opgenomen. »Ik ben een jaar getrouwd geweest, maar ik heb mijn man in dien tijd bijna niet gezien«, zei een jonge partijgenoote tegen mij in een gesprek over deze dingen. Ik ben vergeten of hij na dat jaar gestorven was of wel dat zij gescheiden waren.

Natuurlijk zijn zulke gevallen betrekkelijke uitzonderingen; immers het aantal militante communisten maakt slechts een zeer klein percentage der bevolking uit, en deze zijn ook niet allen gehuwd. Op het platteland, onder de boerenmassa's, zullen de vormen van het leven nog wel weinig veranderd zijn bij vroeger, en voor de meerderheid der proletariers-gezinnen zal dit eveneens 't geval wel zijn. Het groote verschil met vroeger zal wel zijn: het sterk toegenomen zelfbewustzijn der vrouw. »Bij ons in Petrograd«, vertelde partijgenoote Kutela, een bekende propagandiste der oude garde mij, »durven de arbeiders hun vrouwen niet meer slaan of uitschelden. Immers, wanneer zij dat doen, zeggen de vrouwen kalm: »als je mij niet goed behandelt, ga ik weg«--en de mannen weten, dat zij hun dreigement zullen uitvoeren ook«.

De nieuwe Sowjet-wetgeving maakt scheiding gemakkelijk, voor de kinderen wordt in het ergste geval wel gezorgd. De vrouwen begrijpen, dat ze zich niet meer alles behoeven te laten welgevallen, en ze willen het ook niet, nu ze hun menschelijke waardigheid zijn gaan voelen.

Dit alles is verheugend en een groote vooruitgang, maar er zijn ook donkere plekken in het leven der vrouwen in Rusland, wreede kloven en troebele wateren, waarvan niemand nog weet, waar ze heenvoeren: naar een nieuwe schoone zede of naar zedelijke verwarring en verwildering. De plotselinge verwrikking van den levensbouw heeft veel pijlers vernield, veel stutten weggeslagen, ook op het gebied der geslachtelijke verhoudingen, waarvoor nog niets anders en beters in de plaats is gekomen. De ontzettende, soms in 't ondragelijke stijgende spanningen in het sociale en politieke leven, werken natuurlijk na in de sexueele sfeer; met de algemeene ineenstorting der oude levensvormen verdwijnt de stadigheid der affektie; de onrust en woeling der buitenwereld verwarren het hart, dat telkens grijpt naar nieuwe voorwerpen, telkens nieuw-bekoord en gestreeld wil zijn. De gemakkelijke--misschien àl te gemakkelijke--ontbinding der huwelijken geeft aan de veranderlijkheid der neiging vrij spel.

In alle klassen en alle kringen komt deze tot uiting. Men bevalt elkaar, huwt, gaat spoedig,--na enkele maanden, ja, soms na enkele dagen,--weer uiteen, huwt opnieuw.... verlaat elkaar weder.... Zoo althans is het in de groote steden. Ook voor de sexueele verhoudingen geldt de wet, dat afbreken veel gemakkelijker is dan opbouwen. De vernietiging van het oude voltrekt zich, wanneer zij eenmaal begonnen is, bijna van zelf, omdat zij een aantal moeizaam aan banden gelegde aandriften in den mensch gelegenheid geeft zich uit te vieren. Maar de vestiging van een nieuwe zede is een werk van geslachten; immers zij maakt de beheersching en betooming dier aandriften noodzakelijk; zij eischt voorzichtigheid, zelfbeheersching en geduld.

Terugkeer tot de begrippen, vormen en sankties der burgerlijke moraal op geslachtelijk gebied is uitgesloten voor elk land, waar de stroom der revolutie de ekonomisch-sociale pijlers dier moraal geheel of gedeeltelijk heeft weggeslagen. De maatschappij is op weg naar het communisme; zij zal de vormen van geslachtelijk verkeer en verband moeten zoeken, uitwerken en vaststellen die bij het communisme passen. En aan de vrouw, de reeds onthevene van de lijdelijkheid die de zede haar oplaadde, van het schuwe verbergen der harte-neiging en de vrees voor de »schande« van het onwettige moederschap, zal hierbij de zwaarste taak toevallen. Met haar hartetranen en haar hartebloed zal zij het zoeken en tasten, het beproeven en vaststellen, moeten betalen, zoolang tot de schoonere, hoogere vorm gevonden is en de ruimere, mildere zede vastgesteld.

Niet tot wat de gedachteloozen en oppervlakkigen »geluk« noemen, bevrijdt de strijd voor een nieuwe samenleving de vrouw van de oude onzelfstandigheid en slaafsheid, maar tot het verwerkelijken van nieuwe idealen, tot omhoog-reiking en stijging, tot bewogener genieting en edeler levenspijn.

VOETNOTEN:

[1] Kroepskaja; zoo wordt de vrouw van Lenin vaak genoemd, bij haar ouden schuilnaam van vóór de revolutie.

[2] Chaliapin is de grootste Russische zanger; het volk heeft hem lief.

[3] Aan de excursie naar dat »modelstadje« had ik niet kunnen deelnemen.

[4] Een zuster van Lenin.

[5] Ik zou de gezichten van russische arbeiders wel eens willen zien, zoo ze hoorden dat er communisten zijn die beweren dat Lenin de Europeesche revolutie wil tegenhouden en daarvoor de Derde Internationale gebruikt, omdat enkel het kapitalisme Sowjet-Rusland weer op de been kan helpen. »Wat zijn dat voor rare communisten die zoo iets gelooven«, zouden zij vragen. Hun eigen intuïtie en klasse-gevoel zeggen hun het tegendeel.

VI.

KIEMEN VAN NIEUWE VREUGDE EN NIEUWE SCHOONHEID.

»Wie naar Rusland komt«, zeide Trotzky op het kongres, »om onze instellingen te bewonderen, die is geen goed communist«. Een eigenaardige uitspraak uit den mond van een der leiders van Sowjet-Rusland, en toch volkomen logisch en begrijpelijk. Trotzky bedoelde, dat wie gelooft in Sowjet-Rusland de communistische inrichting van het leven, al is 't ook slechts op een bepaald onderdeel van het maatschappelijk gebied, kant en klaar en tot volkomenheid gebracht te vinden, blijk geeft niets van de wording eener nieuwe samenleving te begrijpen.

In de burgerlijke maatschappij is sedert vele jaren alles betrekkelijk stabiel en »af«, d.w.z. de staatkundige en maatschappelijke instellingen staan in hun groote omtrekken vast, enkel aan de details wordt nog geprutst, dat zijn de zgn. hervormingen.[1] In het land waar nieuwe klassen, die der arbeiders en boeren, de macht veroverden, is dit alles anders. Het geheele leven, in zijn volle oppervlak en zijn verborgen diepten, is in beweging geraakt en die beweging is tweeledig. Er is de elementaire drang der massaas naar land, naar vrijheid, naar kennis, naar schoonheid en er is de bewuste communistische wil om nieuwe levensvormen te scheppen. Tastend gaat men voorwaarts, doet een stouten sprong vooruit, komt op zijn schreden terug, richt op en breekt weer af. Kortom, men experimenteert voortdurend, niet doelloos en in het wilde weg, maar doelbewust, uitgaande van bepaalde grondbeginselen en bepaalde richtsnoeren volgend. Niemand in Rusland gelooft dat de inrichtingen, de instellingen, de wetten, de scholen, de kunstwerken, die in deze jaren geschapen worden, het laatste woord van communistische wijsheid en schoonheid zijn;--maar wel zijn zij er het eerste gestamel van en als zoodanig onze belangstelling, liefde en bewondering overwaard.

Over eenige instellingen, die ik bezocht, eenige samenkomsten, die ik bijwoonde en waarin de eerste kiemen van nieuw leven en nieuwe schoonheid zich manifesteeren, wil ik hier iets mededeelen. Dat ik juist deze bezocht of bijwoonde, was geheel toevallig; wat ik zag was niet opzettelijk »klaargemaakt« om aan vreemde gasten vertoond te worden, maar behoorde tot het dagelijksche, normale leven van Sowjet-Rusland. De hier volgende beschrijvingen zijn als het ware het resultaat van proefpunkties in dat groote lichaam, die evengoed op tal van andere plaatsen hadden kunnen worden verricht.

I. +Een Modelinrichting voor Zuigelingen en Moeders+.

Een bulgaarsche doktores vertelde mij op een dag onder het middagmaal verschillende bizonderheden over de inrichtingen voor jonge moeders en zuigelingen, die ze te Moscou had bezocht. Het waren er meer dan twintig en de totaalindruk was, de omstandigheden in aanmerking genomen, zeer gunstig. Men moet de toestanden natuurlijk niet enkel meten met West-Europeeschen maat, maar ze ook vergelijken met die onder het tzarisme en dan is de vooruitgang treffend groot. In het oude kinderziekenhuis, waar de zuigelingensterfte vóór de revolutie 98 pCt. bedroeg, is zij thans gereduceerd tot ongeveer 40 pCt., de koks die er sedert vele jaren werken, zeggen dat het voedsel voor de grootere kinderen thans veel beter is dan vroeger.

Van de vele tehuizen voor moeders en kinderen, die de doktores bezocht, was er vooral één, dat grooten indruk op haar gemaakt had. »Zulke babies heb ik nog nooit gezien, zoo gezond, zoo vol levenskracht,« zeide zij bewonderend, »gaat u daar vooral naar toe.« Wat zij van de inrichting vertelde wekte in hooge mate mijn belangstelling op en een der laatste dagen van mijn verblijf te Moskou slaagde ik er in haar nog te zien, in gezelschap van Rosa Grimm en van een paar italiaansche socialisten. Wij werden niet verwacht maar er was niet het minste bezwaar om ons toe te laten; alleen moesten we over onze kleeren heen een paar witlinnen schorten met lange mouwen aantrekken en onze handen wasschen en schuieren, »ten minste als we de kindertjes wilden aanraken«. In een westersche kliniek zou men ons, denk ik, verzocht hebben dit geheel na te laten, maar de Russen vinden het vanzelf sprekend, dat je zulke peutertjes graag eens op je arm neemt of over hun zachte wangetjes streelt.

Met den dokter en een der verpleegsters gingen we de drie of vier verschillende kamers door, waarin de bedjes stonden. In het geheel waren er op 't oogenblik 35 kinderen en 25 moeders. De hééle kleintjes, van 3 tot 6 maanden,[2] lagen in één vertrek bijeen; de iets ouderen en de »grooten« (van 9 maanden ongeveer tot 1 jaar) waren ook weer samen. In de kamer van de heele kleintjes mochten we slechts even een kijkje nemen; we moesten fluisterend spreken om ze niet wakker te maken of te verschrikken, want ze moesten 't nog heel rustig hebben. Maar van de »grooteren« waren de meeste wakker; ze lagen te spelen of te lachen en te kraaien in hun bedjes; we mochten gerust naar hen toe gaan, tegen ze praten en ze op den arm nemen. »Ze zijn niets schuw of eenkennig«, zei de dokter, »het zijn al sociale wezentjes, die het heel gezellig vinden als je bij hen komt en je wat met hun bemoeit«. De grootere kinderen, voor zoover ze wakker waren, lagen in hun bedjes met niets dan een kort hemdje zonder mouwen aan, en 't dek heelemaal weggeslagen; je zag hun roze voetjes, hun bloote beentjes en buikjes; de ramen stonden wijd-open, de lekkere zomersche lucht stroomde uit den tuin naar binnen en de kindertjes schenen zich in dat licht- en luchtbad erg behaaglijk te voelen, ze trappelden en lachten en er waren er maar een paar, die even een deuntje huilden. Zoodra er eentje in slaap viel kwam gauw een van de jonge, zachte zusters en dekte het lekker warm toe, want ze mochten natuurlijk alleen zoo bloot liggen, zoolang ze wakker waren en zich konden bewegen.

Onder 't rondgaan vertelde de dokter ons een en ander van de algemeene hygiënisch-paedagogische beginselen, waarnaar deze kinderen werden opgevoed. Werktuiglijke uniformiseering als in de oude gestichten acht men uit den booze, maar evenzeer de overdreven individualiseering van het burgerlijke gezin, waar in den regel twee personen, de moeder en de dienstbode, noodig zijn om één kind te verzorgen, dat zich onvermijdelijk al vroeg de spil gaat voelen waar het huishouden om heen draait. »Wij probeeren hier van onze kinderen sociale wezens te maken, daarom hebben we graag bezoek, en als de kinderen groot genoeg zijn om in de box te spelen, zetten we er twee of drie bij elkaar; het is grappig hoe jong ze al op elkaar gesteld worden en affektie voor elkaar gaan gevoelen.«

»De voeding is zoo geregeld, dat zooveel mogelijk elk kind al is het slechts een paar borstvoedingen per etmaal krijgt; de moeders, die veel zog hebben, helpen degene met weinig zog en natuurlijk ook de moederlooze kindertjes, want we hebben tamelijk veel weezen en half-weezen hier. We probeeren niet enkel de kinderen op te voeden, maar ook de moeders. We leeren hun reinheid en hygiëne en we leeren hun ook de blinde instinctmatige liefde voor hun eigen kind over te dragen op andere kinderen, het moederlijke en sociale gevoel te verbreeden.«

Een bijzonder sympathieke kerel was die dokter, met een vriendelijk, levendig en schrander gelaat en innemende manieren. Menschelijkheid en vertrouwen straalden van hem uit; de manier waarop hij onder het praten soms ineens naar een van de bedjes toestapte, een van de kleine bewoners er van beetpakte en in zijn sterke kloeke handen naar boven haalde, juist zooals je een vischje uit de goudvisschenkom of een jong hondje uit zijn nest zou tillen;--de warme zachtheid en de rustige beslistheid waarmee hij met die teere wezentjes omsprong, waren alleraardigst om te zien. Later hoorde ik tot mijn verwondering, dat hij geen partijgenoot was; de mentaliteit van een communist scheen hij mij in hooge mate te bezitten.

De meeste kinderen zagen er kostelijk uit; blozend, niet te dik, maar stevig, met heldere oogen en heerlijk levenslustig. Een paar miesertjes waren er onder: ééntje vooral, zoo'n echt embryo-van-een-aapje-op-sterk-water, zou je gezegd hebben; met een mager ouwemannetjes gezichtje, beentjes en armpjes als lucifers. »Die is nog pas een paar weken hier«, zeide de dokter, »zijn moeder, een arme boerin, heeft hem gevoed met gekauwd roggebrood en hij was er bijna geweest. Gelukkig maar, dat hij hier is gekomen, hij zal best opknappen; een echt proletariërtje is hij, een dapper kereltje vol levenskracht, hij huilt haast nooit.«

De zaaltjes, waar de kinderen lagen waren dood-eenvoudig, op 't armoedige af, een bloeiend plantje hier en daar op de vensterbank vormde de eenige versiering. Maar de zuster zei, dat men de kamers voor de moeders op de bovenverdieping zoo gezellig en gerieflijk mogelijk had ingericht.[3] »Wij vinden, dat vrouwen, die voeden, een rustige, prettige omgeving moeten hebben.« Sommigen van de moeders hielpen in huis, de meesten werkten op fabrieken; wie te ver weg moesten om in de middagpauze terug te kunnen komen ten einde hun kleintje te voeden, lieten voldoende zog achter vóór een maaltijd of wel er werd op dat uur een flesch gegeven.[4]

De gezondheidstoestand van de kinderen is schitterend: wij vroegen naar het sterftecijfer: in het afgeloopen jaar was er van de vijftig kleintjes één gestorven, dat is dus 2 pCt. »Maar«, zeide de dokter, »vergeet niet, dat het allemaal, geheel of ten deele borstkinderen zijn.«

Een vriendelijk proper zaaltje naast de kinderkamers was voor het voeden, het wegen van de kleintjes, enz. ingericht. De muren hangen vol platen en terwijl de zoogende moeders er rustig zitten, de voeten op een bankje, het klokkende mondje aan haar borst, dwalen hare blikken langs de wanden en vangen de voorstellingen op, die de hygiënische lessen, welke men hun inprent versterken. Een paar van deze platen heb ik al beschreven; een andere serie die mij bijbleef, bracht in beeld het wisselen der kindersterfte al naar de seizoenen. Op elke prent van deze groep van vier was een berk afgebeeld; op de eene met kale wintersche takken, op de tweede in teere lentedos, op de derde dicht en vol bebladerd en op de vierde met 't gele verflenste herfstblad er omheen gestrooid. Bij elke berk stond een troepje kinderen, grooter of kleiner, al naar de kindersterfte in dat seizoen grooter of kleiner placht te zijn; en in overeenstemming daarmee, een paar, meerdere of vele houten kruisen, zooals men ze op de kerkhoven vindt. Er was iets zeer suggestiefs in deze eenvoudige, sober gekleurde voorstellingen; ik kon mij denken, hoe een moeder, die maanden lang dagelijks daar op heeft gestaard onder het voeden van haar kindje, ze nooit vergeten zal, en als de gevaarlijke zomermaanden komen, bij de gedachte aan die eene prent met de talrijke houten kruisjes, haar zorg en waakzaamheid verdubbelen zal.

Aan de inrichting is een vrouwelijke psycholoog verbonden die de gedragingen der kinderen (b.v. het aantal malen, dat een kind naar een speelgoed grijpt voor het dit weggooit; of het al dan niet uit drift huilt en tal van dergelijke dingen) bestudeert en systematiseert om gegevens te verzamelen over den aanleg en de ontwikkeling van het karakter in het eerste levensjaar. Tot onzen spijt was zij er dien dag niet, zoodat we slechts enkele losse mededeelingen over haar arbeid kregen. »Wij gelooven volstrekt niet, dat we hier alles het beste doen,« zeide de dokter mij bij het afscheid, »we zijn zoo zeer afgezonderd geweest van Europa, dat we in 't geheel niet weten welke vorderingen men daarginds in de verzorging en opvoeding van zuigelingen heeft gemaakt, en we verheugen ons, nu het verkeer wordt hersteld, met soortgelijke inrichtingen onze ervaringen uit te wisselen.«

Ik antwoordde niet veel en beperkte er mij toe, den hupschen monteren dokter warm te bedanken voor wat wij goeds en belangwekkends gezien en gehoord hadden. Maar in mijn hart dacht ik: »mooier en beter ingerichte zuigelingenklinieken zullen er ongetwijfeld in West-Europa vele zijn; en even ongetwijfeld nog veel meer vondelingen- en bestedelingengestichten waar 't heel wat minder is. Maar de geest van sociale saamhoorigheid en kameraadschap, dien men hier poogt den kinderen en moeders in te prenten,--waar vindt men dien, behalve in Sowjet-Rusland?«