Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen
Chapter 7
In deze zomermaanden kon men vaak in de provincie Moskou een van de ruime, sterke regeeringsauto's over de hobbelige keiwegen zien razen of zachtjes heen schieten door het weeke zand van de breede, onbestrate berkenlanen. In die auto zit--soms alleen, maar meestal vergezeld door belangstellende genooten uit andere landen--een kleine, tengere vrouw met een fijn, vermoeid gezichtje. Zij draagt een langen grijslinnen mantel tegen de stof en een wit linnen hoedje, waar een weduwen-sluier omheen is gewonden. Dit is partijgenoote Kalinina, de inspectrice van alle kindertehuizen in het goevernement Moskou. Dag aan dag gaat zij er op uit, om de kolonies, waarvan sommigen wel een halve dagreis ver in de bosschen liggen, te inspekteeren. Somtijds ook doorkruist zij, b.v. als er een kinderfeest is, in haar auto de verschillende distrikten van de groote wijd-uitgebouwde stad. In haar hand heeft zij dan een lijst met aanteekeningen over de plaatsen van bijeenkomst, het aantal voor elk feest ingeschreven kinderen en andere bijzonderheden. Zij wil alles zelf zien, zich persoonlijk overtuigen of alles in orde is. Dat lijkt heel eenvoudig, maar is het allerminst, want niemand weet den weg door heel Moskou--zooals niemand den weg weet door heel Berlijn of heel Londen of Parijs--en men moet telkens vragen en weer vragen en nog eens vragen, eer men vindt 't volkshuis of den speeltuin of de school of het zomertheater waar het verzamelpunt is voor de kinderen uit een bepaalde wijk. En op de tochten buiten is 't dikwijls ook een heele kunst om den weg naar een dorp of een kolonie te vinden. Wegwijzers schijnen er niet veel te zijn,--ik zag ze althans nergens in de buurt van Moskou--en zoo moet je dan maar vragen aan wie je al zoo tegenkomt, en een eindje teruggaan als je je vergist hebt, zoo lang tot je er eindelijk komt.
Kalinina is dol op haar werk en dol op de kinderen. En wat bijna onbegrijpelijk is: zij interesseert zich voor hen, niet enkel in massa, maar ook persoonlijk. Een goede 40.000 kinderen zijn in het gouvernement Moscou in de zomer-kolonies ondergebracht; je zoudt zeggen, bij zoo'n groot getal is het niet mogelijk, dat ze voor haar iets anders vertegenwoordigen dan cijfers en abstraktie. En toch is dit volstrekt niet zoo. In de twee kolonies, die ik met Kalinina bezocht, zag ik de kinderen haar tegemoet huppelen, haar vol vreugde kussen en omarmen. Men merkte dat er een persoonlijke band was tusschen haar en de kinderen; zij interesseerde zich voor hen persoonlijk en als ze je bijzonderheden vertelde over het karakter of het leven van een van hen, verzachtte een uitdrukking van moederlijke teerheid haar scherpe vermoeide trekken.
Het zijn vooral de meest misdeelde en verwaarloosde kinderen waartoe Kalinina's hart uitgaat. Men merkt aan alles, aan haar stem en haar oogen en de uitdrukking van haar gelaat, hoe dit haar groote geluk is: zich vergewissen dat zij die zoo bitter veel te kort zijn gekomen in hun jonge levens, nu zoo goed mogelijk worden verzorgd en met liefdevolle zorgvuldigheid opgevoed. »Ik zou zoo graag het kindermodeldorp »Dietski Gorod« willen zien«, waar de anderen geweest zijn, zei ik op een dag tot haar, »kunt u mij niet daarheen meenemen?«[3] »Och ja wel«, luidde het antwoord, maar dat is een demokratische kolonie;--meest kinderen van sowjet-beambten en zoo zijn daar ondergebracht; maar Zondag ga ik een andere kolonie inspekteeren, die bijna uitsluitend uit echt proletarische kinderen bestaat, veel weezen en verwaarloosde kinderen, slachtoffers van den oorlog en de kontra-revolutie: die kolonie laat ik u veel liever zien, al is zij dan niet »model«. Ik ging mee en zag het glorieuze kinderfeest, waarover ik in een volgend hoofdstuk schrijf.
Een anderen keer vergezelde ik Kalinina op haar inspektie naar een konservatorium in de bosschen, waar een 80 kinderen een opleiding kregen, speciaal voor muziek en tooneel. De leerlingen dansten en zongen en musiceerden voor ons en het was aandoenlijk om Kalinina's gezicht te zien, zooals ze ons telkens aankeek en met haar blikken vroeg hoe we het alles vonden en zelve straalde van vreugde over de bewondering en ontroering die zij in onze oogen las. Eén leerling was haar bijzondere lieveling, een groot forsch meisje van een jaar of veertien met een echt-russisch gezicht: breede wangbeenderen, volle lippen en een platten neus. Zij had een mooie, diepe stem en scheen muzikaal en dramatisch zeer begaafd. Kalinina vertelde hoe dat kind een jaar geleden van de straat opgeraapt was geworden, haar moeder was een prostituée en het vroegrijpe, begaafde kind dreigde verloren te gaan in afschuwelijke ontucht. Nu zinkt dat verleden van gemeenheid en liederlijkheid elken dag wat dieper weg; in een zuivere atmosfeer van liefde en schoonheid, midden tusschen statige bosschen, groeit het nieuwe wezen in haar op.
Kalinina te zien, zooals zij dat meisje kuste en streelde, haar vertrouwelijk onder den arm nam en met haar praatte als een moeder met een al-groote dochter--dat was nog mooier dan het zingen en dansen der kinderen; dat was een uiting van het nieuwe moederschap, niet begrensd tot het kind of de kinderen, uit haar lijflijken schoot geboren, maar haar liefde en zachtheid meedeelend aan alle kinderen, waarmee zij in aanraking komt, hen allen koesterend en helpend, allen van haar onuitputtelijke krachten mee-deelend, en in dat meedeelen gelukkig.
VII. +Op bezoek bij de afgevaardigden der fabriekarbeidsters+.
Ons bezoek aan de samenkomst der afgevaardigden van de fabriekarbeidsters was den eersten keer mislukt, zooals zooveel afspraken mislukken in Moscou, door gebrek aan organisatorische stiptheid. De vrouwen hadden een paar uur op ons gewacht, toen was de boodschap gekomen dat we niet zouden komen, omdat we geen tolk konden krijgen en toen we eindelijk kwamen, mèt een tolk, waren ze in den stroomenden regen naar huis gegaan. Maar nu was de zaak in orde.
In de groote, lichte, prettig-aandoende zaal van wat vroeger een chique zomer-restaurant geweest was, zaten een paar honderd fabriekarbeidsters ons op te wachten. Weer trof het mij, hoe netjes in de kleeren en proper de meesten er uitzagen.
Het eerst worden wij begroet door de voorzitster van de vrouwensektie, dan spreken nog een paar anderen, waaronder de »politieke kommissaresse« bij het leger en dan Lucie Colliard voor Frankrijk, Rosa Grimm voor Zwitserland en ik. Elisarowa[4], die meegekomen is als tolk, vertaalt onze redevoeringen en dan worden de papiertjes ingeleverd van wie vragen hebben te stellen. Ach, het is altijd dezelfde vraag, die op alle vergaderingen terugkeert, vergaderingen in Moskou en in de provincie, van mannen en van vrouwen, van fabriekarbeiders en van arme boeren. Het is de ééne vraag, die vele millioenen in Rusland, aan de afgevaardigden uit andere landen stellen, met de oogen en de lippen en het hart »wanneer, o wanneer zullen de arbeiders van uw land opstaan en hun heerschende klassen verjagen, zooals wij het de onzen hebben gedaan.«
En wij kunnen daarop alleen antwoorden, dat het tijdstip van een revolutionnair ontwaken nooit vooruit bepaald kan worden, maar dat wij ons best zullen doen het zooveel mogelijk te verhaasten. En dan verklaren we zoo goed mogelijk waarom de bourgeoisie in onze westersche landen zoo sterk is en het proletariaat zoo zwak en verdeeld en verburgerlijkt van geest. En altijd weer voelen we ons, ondanks onze uitstekende gronden--»wetenschappelijk« is er niets op aan te merken--, o zoo klein en beroerd tegenover de mannen en vrouwen van Sowjet-Rusland. We voelen dat er +iets+ is wat wij niet verklaren of wat zij niet begrijpen kunnen--omdat zij de revolutie hebben +gemaakt+ en vier jaar voor haar hebben doorstaan alles, wat menschen vermogen te doorstaan.[5]
Het is moeilijk, vooral voor Lucie Colliard--een vurige, toegewijde propagandiste van de fransche partij en de syndikalistische beweging--om die vraag geheel eerlijk te beantwoorden. Ik zie haar worstelen tegen een gevoel van groote beschaming, zooals ons allen in Rusland vaak overvalt; tegen een groot verlangen om woorden van bemoediging en hoop op spoedigen omkeer te spreken, die zij niet spreken mag. Zij is eerlijk en spreekt ze niet. Even zweeft door de zaal een grijze wolk van teleurstelling. Arme dappere, veelbeproefde genooten, hoe vaak zult ge nog worden teleurgesteld?
Dan wordt de Internationale gezongen en de vergadering is ten einde. Het bestuur noodigt ons uit, mee te gaan theedrinken en we stijgen een breede trap op naar de bovenverdieping. Daar, in een bijna leege lichte kamer met uitzicht op een lommerrijken tuin, staat een ronde tafel, keurig gedekt met sneeuwwit damast en fijne geslepen glazen. Er wordt thee ingeschonken, een soort ringetjes van brooddeeg hard als scheepsbeschuit, en zoete rozijnen worden daarbij gepresenteerd,--een van de weinige lekkernijen, die de arbeiders en soldaten hun gasten kunnen voorzetten in Rusland, geschenken door hen ontvangen van hun broeders in Turkestan.
Wij praten en drinken thee, en al pratend daagt voor mij op het beeld van de gasten die hier vroeger plachten te zitten, kinderen der wereld en der ijdelheid; vette, luidruchtige kooplui met hun opgedirkte vrouwen of hun geblankette liefjes. Ik moet denken hoe zij parelenden wijn dronken uit deze zelfde glazen, en hoe op het fijne damast de schotels stonden, beladen met overvloed van lekkernijen uit alle werelddeelen.... Zij zijn weg uit Moscou, de rijke kooplui met hun vrouwen en dochters en liefjes, en wat zij achterlieten, geeft geen hoogen dunk van hun beschaving. Hun groote huizen en hun meubels, het was alles een grove nabootsing der burgerlijk-Europeesche of der vroeg-russische cultuur, smakeloos en overladen. En hier, waar zij zoo vaak zaten en poogden hun leegheid-van-ziel te vergeten en hun verveling te verdooven, zitten wij nu met de afgevaardigden der fabriekarbeidsters, vereenigd in een sfeer van zusterlijke hartelijkheid en warm vertrouwen. Wij spreken met de vrouwen over het harde leven, over den nood en den honger, die zoo anders zijn, wanneer men ze lijdt ter wille van de vrijheid dan wanneer door hen de macht en rijkdom der heeren bestendigd wordt; over de kinderen, hoe zij gedijen in de zomerbosschen, zorgzaam gekoesterd, gevoed met het beste wat Sowjet-Rusland heeft. Geesten van moed en standvastigheid en vertrouwen omzweven ons, het is ons wonderwel te moede; wij voelen hoe hier en thans het nieuwe leven geboren wordt.
Als wij vertrekken, zwiept een windvlaag over den breeden boulevard, de regen striemt ons in het gezicht, het is plotseling koud geworden. Onder de portiek dringt een troepje schooiertjes opeen, schuil zoekend voor den regen, van het soort dat 's avonds laat sigaretten verkoopen op de boulevards. Hun jasjes en broekjes zijn vol scheuren en gaten, de bloote beenen en voeten doen armzalig aan in dit hondenweer, nu de slecht geplaveide straat bij de minuut meer verandert in een modderpoel. Hoe dikwijls heb ik mij niet geërgerd, die kinderen omstreeks middernacht nog aan het venten te zien. Tegen de russische genooten die ons vergezellen, uit ik mijn smartelijke verbazing in sterke woorden: »Hoe zoo iets in Sowjet-Rusland nog mogelijk is? Waarom men die kinderen niet in de kolonies opneemt? Waarom men de ouders niet straft, die hun kinderen 's avonds laat de straat opsturen om te venten?«
Zachtjes klinkt het antwoord en treurig. »Wij kunnen niet allen opnemen, wij hebben immers geen brood en geen huizen en geen kleeren voor allen en geen verzorgsters. En wij kunnen toch ook de ouders niet straffen; zij lijden zelf honger en de kinderen brengen wat in. Het is natuurlijk verkeerd. Waren wij maar niet zoo arm, dan zou het niet gebeuren!«
De auto wacht. Wij stappen in. Weer brandt in mijn hart de schaamte.
VIII. +De vrouwen uit het Oosten+.
Het was de laatste avond der vrouwenkonferentie. Trotzky zou komen om ons toe te spreken; allen verheugden wij ons en zagen uit naar zijn komst. Maar er stond ons nog een andere vreugde te wachten, waarvan de meesten niets vermoedden: de vrouw uit het oosten zou ons verschijnen, onze nieuwe zuster, onze nieuwe strijdgenoote in de lange, zware worsteling der vrouw om een volwaardig menschelijk wezen te worden. Zij zou ons verschijnen met om haar heen de atmosfeer van een geheel andere maatschappij, door een geheel andere geschiedenis gevormd; een atmosfeer van tradities en zeden, die aan het westen onduldbaar en vaak afschuwelijk toeschijnen, maar ook van een edelen, harmonischen levensstijl, dien het westen sedert lang niet meer kent.
In het voorjaar was besloten geworden om na de internationale konferentie een kongres te houden van vrouwen uit het oosten. Toen de moeilijkheden met de voedselvoorziening steeds nijpender bleken te worden, had men dit uitgesteld tot beter tijden. Het bericht van dit uitstel bereikte echter de Sowjet-republieken van het oosten te laat; een goede tachtig vrouwen waren al op weg naar Rusland, toen de jobstijding bekend werd. En zoo verlangend waren allen om Moskou te zien, de stad waar het groote licht was opgegaan dat tot alle verdrukten en verworpenen der aarde heenstraalt, dat zij besloten tòch door te reizen: zij wilden eenvoudig niet terugkeeren. Nu waren zij aangekomen, nog juist bijtijds om de slotzitting der konferentie bij te wonen.
Toen zij de witte ronde schouwburgzaal waar deze gehouden werd, binnenkwamen, zwijgend-statig in haar oostersche kleederdracht, een voor een door de smalle zijgangen schrijdend om haar plaatsen in te nemen op de eerste rijen, toen voelden wij allen, geloof ik, die daar te samen waren, dat het ons gegeven was een oogenblik vol diepe beteekenis te beleven, voor het lot der menschheid.
De eerste teekenen waren zij van een ontzaglijke komende verandering, het eerste begin van een worsteling, die bitter zou zijn en langdurig. Haar opzegging aan de mannenmaatschappij van de oude slaafsche gehoorzaamheid, haar opstanding tot mensch-willen-worden, het beteekende een omwenteling in het bewustzijn en de zede, een omwenteling in de verhoudingen der geslachten, even groot en diep en onmetelijk in haar werkingen, als de omwenteling der klasse-verhoudingen in Europa en Amerika. Het beteekende, dat de historische ontwikkeling in Azië in stormachtige vaart het eeuwenlang verzuimde ging inhalen. Het beteekende een plotseling verzinken van pijlers, waarop tallooze geslachten hun leven hadden gebouwd.
Met langzamen, slependen gang schreden de vrouwen één voor één zwijgend door de zaal. Ver, ver uit de binnenlanden van Azië kwamen zij, uit de streken, waar de vrouw sedert duizenden jaren een lastdier is, een willoos instrument voor den man om te bespelen, al naar het driftige of langoureuse rythme zijner lusten, een voorwerp om te gebruiken of weg te smijten, naar hem geviel. Tot verschillende volken en stammen behoorden zij; sommigen hadden een blanke huid en fijne, arische trekken; anderen waren donkergeel van gelaatskleur, met de platte neuzen en breede jukbeenderen van het mongoolsche ras. De gezichten van enkelen dezer laatsten waren zonder uitdrukking en haar oogen hadden een doffen, leegen blik. Het was duidelijk, dat haar zielen pas begonnen te ontwaken, haar trekken hadden nog geen tijd gehad zich den ouden plooi van onderworpen lijdzaamheid af te wennen en de eerste vage, persoonlijke zielsbewegingen te leeren uitdrukken. Maar ook waren er niet weinigen onder, wier gelaten wij zelfs niet zóó konden zien, zooals men een gesloten boek ziet, vol belangstelling gissend naar den inhoud. Hare trekken bleven onder den zwaren, ondoorzichtigen sluier der oostersche vrouw verborgen. Wonderlijk-vreemd was dit denken: zij en wij waren zusters; haar hoofden en harten verwerkten, anders dan wij natuurlijk, in overeenstemming met de wereld van voorstellingen die zij in zich droegen, dezelfde groote gedachten over de solidariteit van alle menschen, over den arbeidsplicht als grondslag der politieke en ekonomische rechten, over de gelijkwaardigheid der geslachten, die ons leiden; hetzelfde ideaal van almenschelijke broederschap, dat onze poolster is op de levensvaart. Wij konden enkel gissen, hoeveel zij hadden doorleden, hoe volhardend aangehouden en onverschrokken gewaagd, om ons te kunnen bereiken. Immers al beschermt de Sowjet-wetgeving de vrouw in de zuster-republieken van het oosten, de machten van het verleden, de kerk, de traditie, de zede, die de vrouw stempelt met het merk der minderwaardigheid, zij allen staan nog overeind en kunnen enkel door een moeitevollen arbeid van geslachten gesloopt worden. De vrouw die tegen hen opstaat, weet haar leven bedreigd. Dapper trotseerden deze vrouwen die bedreigingen, maar haar aangezicht ontblooten, den sluier afwerpen, het zichtbare teeken van haar dienstbaarheid en afhankelijkheid, dat vermochten zij niet; den blik van een man op haar gelaat te voelen rusten, zij konden het niet verdragen. Het zou haar eigen gevoel van betamelijkheid en eerbaarheid te diep gekwetst hebben, het had haar in eigen oogen vernederd.
Tweemaal daarna had ik nog gelegenheid de vrouwen uit het oosten te zien en een weinig te spreken met de partijgenooten onder haar, een paar vrouwelijke propagandisten uit Turkestan, die vloeiend russisch spraken. De eerste maal was, toen wij haar bezochten in het sowjet-gebouw waar zij logeerden. Dit gebouw was de overruime woning van een of ander rijkaard geweest; de vertrekken beneden waren ingericht voor bureaux; boven op een groot portaal scheen een permanente tentoonstelling van zaden en landbouwvoortbrengselen gehouden te worden. Op de gangen en trappen was een druk heen-en-weer-geloop van jonge arbeiders en beambten; door het groote huis stroomde onafgebroken een pratende en lachende menigte van druk gebarende menschen. Ik dacht, hoe vreemd velen van die vrouwen zich moesten voelen in dit milieu, gewend als zij waren aan de stille rust en de afgezonderdheid van hun bestaan in het oosten. Maar ook hoe anders zij zouden terugkeeren, na deze persoonlijke aanraking met het jonge bruisende leven van Sowjet-Rusland. Na een paar lange gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij in een groote slaapzaal, waar zeker dertig of veertig bedden stonden: dat was het verblijf der vrouwen. Sommigen lagen te rusten of te slapen, anderen waren bezig met naaiwerk of speelden met haar kleintjes. Zij hadden ons niet verwacht, maar er was geen spoor van opgeschriktheid of gegeneerdheid in de wijze, waarop zij opstonden en naar ons toekwamen, enkel beminnelijke gratie en edele kalmte. Zij noodden ons om op de bedden plaats te nemen (er waren maar enkele stoelen), glimlachten ons vriendelijk toe, brachten thee en de gewone lekkernijen: ringetjes van hardgebakken deeg en zoete rozijnen. Het waren allen eenvoudige vrouwen, voor het grootste deel huisarbeidsters uit Turkestan, een land van bloeiend kunst-ambacht en kleinbedrijf. Maar haar natuurlijke wellevendheid en eenvoudige gastvrijheid was vol bekoring. Ik kon het niet helpen, dat mij inviel, hoe gegeneerd hollandsche burgerjuffrouwen zouden zijn, als een heel gezelschap vreemden plotseling in hun slaapkamer voor hen stonden, hoe ze zouden opspringen en zich excuseeren over dit en over dat, hoe een drukte ze zouden maken en ons laten voelen, dat wij, onverwacht gekomenen, onwelkom waren.
Hier was niets van dit alles. Hier was een levenskunst, die nooit faalde en een vastgevoegde levensstijl, waarbinnen de eenling zich bewoog met harmonieuze zekerheid. Nu ik dit schrijf, zie ik weer die zachte, beminnelijk-glimlachende vrouwen ons uitgeleide doen tot aan de trap en haar handen ons vriendelijk »tot weerziens« toewenken, en ik voel weer als toen den wensch opkomen in mijn hart: o moge de leelijke haast, de disharmonie, de onrust en verscheurdheid van onze burgerlijk-individualistische wancultuur hun bespaard blijven; moge de stille waardigheid en gratie van het oosten niet in hen ontaarden tot de drukke, bonte stijlloosheid van het kapitalistische westen! Moge een goedgunstig lot hun beschikken om uit het oostersche leven, het verstarde en verschrompelde maar nog altijd in edele vormen gevatte, rechtstreeks over te gaan tot de broederlijke zede, den grootschen en ruimen, maar ook lieflijk-harmonischen levensstijl van het Communisme!
De laatste maal, dat ik de vrouwen uit het oosten zag, was in de Ermitage, een vroeger zomertheater, thans door de Proletkult in beslag genomen. Zij hadden de afgevaardigden van het internationaal communistisch kongres daar genoodigd; er zouden oostersche dansen gedanst worden en velen wilden die zien. Toen wij kwamen, was het in de volle zaal geheel donker. Op het tooneeltje, tusschen banale schermen die een stad voorstelden, zat een vrouw neergehurkt in een wijd-geplooid, kleurig gewaad. Over haar rug hingen de lange zwarte vlechten. Zij murmelde iets in een onverstaanbare taal, een zacht-eentonig geprevel met geringe modulatie. Dit ging langen tijd zoo door; toen zij eindelijk zweeg, verhief zich van uit de zaal een andere stem in hooge, driftige klanken. De taal, die zij onder elkaar gebruikten, klonk in onze ooren niet welluidend; in het begin moest ik altijd aan het hooge geblaf van een hond denken.
Een paar maal ging het tweegesprek zoo heen en weer; toen wij later vroegen, wat het beteekend had, zeide men ons, dat de eene der sprekenden een lange klacht had gezongen over het leed en de verdrukking, die het lot is der vrouw in het oosten, de andere opgeroepen tot strijd voor de bevrijding. Wèl getuigde het van een beminnelijke naïveteit, hun geloof, dat de vreemde gasten genoeg geduld bezaten om zulk een langen dialoog in een voor hen onverstaanbare taal te waardeeren!
Hierna kwamen de dansen: twee vrouwen uit Turkestan voerden ze uit. Zij hadden zich gekleed in feestgewaden, schoon van lijn en rijk versierd met kleurige stiksels; hare bewegingen waren kuisch en ingehouden, zonder een zweem van zinnelijk begeeren. Ons deed het aan minder als een dans dan als een edele ceremonie, een symbolisch uitdrukken van bepaalde gedachten en gevoelens door middel van het lichaam. Allen bewonderden wij dit voorname, zinvolle dansen; en de vergelijking met de stuitende wulpschheid, gemeenheid en liederlijkheid, waartoe de ontaarding van den dans, te samen met de ontaarding der geheele burgerlijke beschaving, in het Westen gevoerd heeft, drong zich vol wrangheid op.
IX. +Slotbeschouwing+.