Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen
Chapter 6
Na dien eersten keer zag ik u weer terug op den avond der »feestelijke opening« van het kongres, dien vervloekten avond zonder warmte, zonder gloed, zonder waarachtigheid en oorspronkelijkheid. En het beste, het meest vertroostende en verwarmende van dien avond,--behalve dan den klagenden herdenkingszang, den dooden makkers gewijd en de gezichten der Moskousche proletariërs, zooals zij straalden van verrukking toen Chaliapin[2] zong, hun zielen omwikkelend met zijn toover,--dat waart gij. Men bracht u naar de »keizerloge« in het Groote Theater, waar de »internationale figuren« der vrouwenbeweging zaten, als te pronk, ....en de nulliteiten die zich aan hen vastklampten.
Ik moest glimlachen toen ik u daar zag staan, een vreemde verschijning. Gij in uw grooten eenvoud, in die loge, banaal van fluweel en verguldsel.
Maar toen, een paar oogenblikken later, mijn oogen van uit de zaal u weer zochten, vonden ze u niet meer. Ik zag rond en ontdekte u, op een zijbank, omringd van jonge, onbekende vrouwen en meisjes, als weggedoken tusschen hen. En weer moest ik glimlachen, in stille voldoening.
Later ontmoette ik u herhaaldelijk op het kongres; wij zaten op de stoelenrij tegen den muur en ge spraakt met mij over de dingen die u het meest ter harte gaan: de opvoeding der massa's, het verspreiden van kennis en schoonheid onder de scharen van het volk.
Een paar maal naamt ge mijn hand tusschen uw magere, verdorde vingers. Moeilijk kwamen uw woorden; uw gedachte vorm te geven in het fransch of duitsch kostte u, verzwakt als ge waart, zichtbare inspanning. Ik zeide, dat ge russisch kondt praten tegen mij als ge het langzaam wildet doen. Och, mijn beetje kennis van het russisch schoot meestal te kort bij den woordenstroom van anderen, maar u verstond ik altijd. Het was zoo eenvoudig en klaar, wat ge zeidet, zoo eenvoudig en klaar als uw eigen leven en uw eigen hart.
Hoe verbrokkeld en onzuiver, hoe vol hoogmoed en burgerlijk individualisme, voelde ik mij vaak naast uw gave zelfvergetelheid.... Ge »gaaft mij een lesje«, niet enkel in het marxisme; ik dank u daarvoor.
Op u valt de schaduw van den dood; allen weten dat ge moet sterven, gij zelf weet het ook zekerlijk. Maar waarom zou het te weten verandering brengen in uw leven, daar ge immers ternauwernood in u zelve leeft....
Gij goede, zachte, zelfvergetene, reine;--nooit zag ik zuiverder dan in u, de revolutionnaire en communistische, het eeuwige wezen der vrouw, haar hóógste wezen: de sterke liefde die zich wil geven, opdat het leven stroome uit haar.
Ach, dat het zoet besef van deze gedachte: »wij zaligen gaan op ter overwinning; het Communisme groeit onder onze hand,« uw laatste dagen heerlijk kon omglanzen....
Maar het is niet zoo, helaas.
De zaak waarvoor ge geleefd hebt lijdt groote verduistering; de sterke wil, het heldhaftig volharden blijken machteloos tegen den druk van overzware vijandelijke krachten. Onze harten zijn bedrukt.
Maar wanneer ik denk aan u, Kroepskaja, vrouw van Lenin, aan uw klare vastheid en rustige blijmoedigheid tusschen de afgronden van leven en dood, en aan de velen, velen, die zijn als gij zijt en als gij gelooven en dienen, zich zelf vergetend, dan weet ik dat het Communisme in Rusland ondanks alles uit zijn verduistering herrijzen en zich herstellen, groeien en leven en eenmaal overwinnen zal.
II. +Alexandra Kollontay+.
Kollontay, mijn vroolijke, sterke, dappere kameraad: gij zijt de tweede van de russische vrouwen, die ik wil herdenken. Zooals ik mij vaak beschaamd voelde door de oneindige offervaardigheid van anderen, zoo door uw oneindigen levensmoed.
Ge hebt de revolutie doorleefd en haar verschrikkingen; gij die »de eerste nachten na den òmkeer niet kondt slapen«, wanneer ge niet wist dat de gevangen-gezette ministers van den tzaar »een kussen hadden onder hun hoofd«,--ge hebt den burgeroorlog gezien en de terreur zien opkomen; ge hebt zèlf bevel moeten geven, menschen gevangen te zetten; ge hebt het bloed zien stroomen op de slagvelden waar het Roode Leger streed, en dat bloed »verschrikte u niet«--maar ook ànder bloed hebt ge zien stroomen, bloed van veroordeelde klasse-vijanden, en ge hebt uw hart voelen huiveren, maar ge hebt uw hart overwonnen, niet eenmaal, maar duizend malen. Duizendmalen hebt ge tot uw oproerig hart gesproken: »zwijg mijn hart: het moet, het moet.«
Ge hebt begrepen, dat de kracht der vrouw noodig is om de revolutie te volbrengen.--Hoe kon het anders zijn? Is zij niet de voortbrengster van het nieuwe leven?--Ge zijt gegaan tot de groote leiders, uw broeders, en hebt tot hen gezegd: »Wij moeten de arbeidsters organiseeren, wij moeten hen inwijden in de revolutie, opdat die kracht drinke uit hun frissche kracht.« En sommigen van hen antwoordden: »Laat ons eerst de mannen organiseeren: daarna wordt het der vrouwen tijd«; en anderen zeiden: »Het is goed: beproef de taak«; maar in hun oogen verschoot een klein spotlicht van twijfel, want de man kent nooit de volle kracht der vrouw.
Maar gij hadt het vertrouwen, dappere Kollontay, en anderen hadden het, helpsters en genooten; en samen vatten zij aan de taak, de arbeidsvrouwen te organiseeren in Rusland en volvoerden zij haar. Volvoerden haar zóó, dat ge thans kondt getuigen: »De gezindheid der fabriekarbeidsters is een der sterkste bolwerken van het sowjetstelsel in Rusland; de liefde en de geestdrift van honderdduizenden vrouwenharten voeren het russische communisme nieuwe krachten toe.«
Gij hebt geworsteld tegen onverschilligheid, wanbegrip en tegenwerking en ze overwonnen. En ge hebt ook geworsteld met vijanden van binnen: tweestrijd, bitteren twijfel, smart over de donkere onvolkomenheden die de zuiverheid der revolutie bevlekken. Maar ge hebt uitgehouden en niet versaagd. Niets berouwd hebt ge en niets verloren; noch uw menschelijkheid, noch uw vrouwelijke warmte, noch uw spontaan vertrouwen, noch uw dapperen lach. Ik heb u lief om al uw bewonderenswaardige eigenschappen: om uw energie, uw ruimhartigheid, uw takt en uw kloekheid; om uw enthousiast geloof in het scheppend vermogen der massa's. Maar het liefst heb ik u toch om uw moedige levensblijheid, om den gezonden levenslust, die plotseling opschittert uit uw vermoeid-staande oogen en breekt uit uw klankvolle stem. Ik heb in u lief de onverwoestbare kracht van het russische volk.
Wanneer ik aan u denk, wordt mijn hart verruimd. Want achter u zie ik staan de duizenden vrouwen, die door uw woord en uw daad gewonnen werden; achter u zie ik lange risten van vrouwelijke propagandisten en organisatoren, van afgevaardigden der fabriekarbeidsters, van vrouwelijke instrukteurs en kommissaressen bij de Roode Legers, lange risten van oude en jonge vrouwen, van bezorgde moeders en vroolijke meisjes, allen met één wil willend, dat Rusland communistisch wordt....
Gij en ik, wij gingen met elkaar om als twee vrouwen, die ruimte voelen in elkaar en vele verwantheden.
Al te weinig heb ik zulk een omgang genoten in mijn leven en hij maakte mij zeer gelukkig. Over vele dingen hebben wij samen gesproken: over de nieuwe moraal der geslachten, zooals zij oprijst uit de maatschappij-in-wording. Over het harde en bittere der diktatuur en haar gevaren, over de plicht der partijtucht en hare grenzen. Onze ervaringen in de beweging wisselden wij uit in vertrouwelijke, soms spottende woorden. Dan glimlachten onze oogen elkaar toe, met den glimlach der oude auguren, wanneer zij elkaar ontmoetten....
Ik heb tegen uw meening gesproken op het kongres, omdat ik vind dat het westersche communisme het russische zoo sterk mogelijk moet steunen. En zeer voorzichtig zijn met de kritiek. Want wij peilen de moeilijkheden en problemen waar het russische communisme voor staat maar ten deele. Maar dit eene weten wij zeker: zijn benardheid is ons aller gemeenschappelijke schuld.
Het deed mij in mijn ziel leed, dat ik tegen u moest spreken.
Omdat ik u liefheb, en omdat uw geloof in de scheppende energie der massa's ook het mijne is. Toen wij elkaar weer ontmoetten daarna zeidet ge enkel dat het ook u leed had gedaan, immers het was noodig de partij er telkens aan te herinneren, dat alle kracht van beneden komt..
Daags daarop moest ik spreken voor de arbeidsters. En gij vertaaldet voor hen mijn rede, met zóó groot begrip en zóó diepe warmte en tevens zóó uitmuntend aangepast aan het bijzondere milieu, waarin zij werd gehouden, dat ik na uw vertaling niet anders kòn dan in mijn gebroken russisch getuigen. »Vrouwen, Alexandra heeft u meer gegeven dan ik had kunnen doen.«
Zoo eerden wij elkaar en waren gelukkig in elkaars omgang. Voor u was dat alles heel gewoon. Maar voor mij was het bijzondere lafenis; immers ik kwam uit een land van kleine omstandigheden en kleine menschjes, van kleine afgunst en kleinen strijd.
En nu, naar dat land teruggekeerd, herdenk ik u in groote liefde. Ik zie u voor mij staan, zooals ik u zoo vaak zag op de vrouwenkonferentie, uw grijze linnen kleed, in vol leven en vuur en energie. Ik zie uw rijzige gestalte, uw ruime gebaren, als schepen zeilend voor den wind, ik hoor uw volle, klankrijke stem woorden van vertrouwen spreken. En ik voel mij, over landen en zeeën heen, in vertrouwen aan u verbonden, mijn sterke, vroolijke, dappere kameraad.
III. +De politieke kommissaresse bij het leger+.
Een nog jonge, slanke vrouw met een lang, mager gezicht, niet knap, maar aantrekkelijk door de levendige en intelligente uitdrukking. Het donkere, krullende haar is met zorg opgemaakt; de nette zomer-uniform: een hagelwit linnen jakje met roode tressen, een kort donkerblauw cheviot rokje, draagt zij met zekere coquetterie. »Eigenlijk hooren er hooge laarzen bij, maar die hoeven we gelukkig enkel aan het front te dragen; ze zijn erg zwaar,« zegt ze. »Wat bent u precies, towaritsch, wat is uw werk,« vraag ik.
»Ik ben bijna generaal,« antwoordt zij lachend en in dien lach klinkt zelfbewustzijn en trots, »politieke kommissaresse bij een brigadegeneraal; hij mag geen besluiten nemen zonder mij te raadplegen en ik ben verantwoordelijk dat hij niets doet, wat de Sowjetrepubliek zou kunnen schaden.«
Zoo'n zinnetje is als een opflitsende straal, den afstand tusschen Sowjet-Rusland en het oude Europa plotseling fel verlichtend. Een leek, een vrouw nog wel, die een generaal controleert en gezag heeft, de uitvoering zijner besluiten te verhinderen: wat een instorting van oude tradities en zeden, wat een verscheuring van vastgewortelde begrippen, maar ook, welk een vertrouwen in de ontwakende kracht der vrouw blijkt daaruit. In gedachte zie ik een ouden snorrebaard met »zijn« politieke kommissaresse over de stafkaarten gebogen, stuursch en brommig haar vragen beantwoorden. Of--is de generaal misschien een oolijke ouwe heer, die denkt: »als 't dan tòch moest, dan in godsnaam maar een vrouw; beter dan dat ze mij zoo'n onbehouwen kerel op mijn dak stuurden,«--en zich schikt met gratie?....
In elk geval: als hij dit kwieke vrouwtje wil bedotten, moet hij vroeg opstaan, de generaal!
Ondertusschen vertelt zij rustig verder: over haar arbeid aan het front, onder de soldaten. »Ik ben ook aangewezen voor de politieke propaganda in het Roode Leger, en dat doe ik eigenlijk 't liefst; het is zulk dankbaar werk. Maar op 't oogenblik agiteer ik hier te Moskou onder de fabriekarbeidsters; het werken onder de vrouwen vind ik ook heerlijk, en juist die afwisseling houdt je frisch.«
Ik denk hoe zij daar straks op de vergadering de vrouwen heeft toegesproken; in den vorm van een sprookje hun inprentend vertrouwen in het nieuwe leven en liefde tot kameraadschap. Gevoelig sprak zij en vurig; de vrouwen luisterden vol aandacht, gegrepen in hun hart. Ik geloof graag dat zij 't werken onder de vrouwen heerlijk vindt; echte vrouw als zij is, ondanks haar militair buisje en roode tressen.
»Waarom hebt u uw haar niet afgeknipt, towaritsch, zooals de meeste vrouwelijke propagandisten doen,« vraag ik weer. »Ik kon er niet toe komen,« zegt ze eenvoudig, en met een glimlach voegt ze er aan toe: »zeker mijn vrouwelijke ijdelheid.«--We praten dan over het aantal vrouwen dat soldatendienst verricht in het Roode Leger. »Daar zijn vreeselijk overdreven verhalen van gedaan, op 't oogenblik zijn 't er nog maar weinig, aan 't front zijn bijna geen vrouwen meer, het had te veel bezwaren. Ja, natuurlijk, in oogenblikken van groot gevaar voor de republiek, als toen Joedenitsch voor de poorten van Petrograd stond, dan is 't wat anders, toen trokken vele vrouwen die de wapens konden hanteeren, mee uit, in de eerste plaats wij communisten. Maar in 't algemeen worden de vrouwen in het leger gebruikt voor de propaganda en het onderwijs en de verpleging en de administratie, op al die gebieden zijn ze noodig en doen ze goed werk.«
Zij is moedig en opgewekt, de jonge politieke kommissaresse; geen overspannen dame met aangebrande dwaze ideeën over volstrekte gelijkheid der geslachten, maar een flinke, redelijke, verstandige vrouw.
IV. +De propagandiste uit het Roode Petrograd+.
Nikolajewa is haar naam, een naam bekend ook buiten Rusland. Op de vrouwenkonferentie, waar zij een der vertegenwoordigsters van de fabriekarbeidsters te Petrograd was, had ik gelegenheid haar gade te slaan en in stilte te bewonderen. Alles aan haar was opmerkelijk en leek mij bewonderenswaardig: haar scherpzinnig gezicht met de gekoncentreerde uitdrukking der diepliggende donkere oogjes; haar gave open voorhoofd; de trek van vastberaden energie om haar smallen mond, haar fijne sterke handjes en gedecideerde gebaren, haar overtuigende wijze van spreken, rustig logisch beginnend, om weldra te stijgen tot, toch altijd beheerschte, hartstochtelijkheid.
Ik zag in haar een dier menschen van het nieuwe ras, in den laaienden gloed der revolutie gelouterd tot klare onzelfzuchtigheid, in haar geweldige smidse gehamerd tot stalen kracht. Wanneer zij, klein en tenger, op het podium naar voren trad en begon te spreken, dan was 't vaak of wij uit een sfeer van onzeker twijfellicht plotseling kwamen in den grooten helderen dag. De donkere, diepliggende oogjes schoten vonken; de eerlijke, overtuigende stem vond accenten van felle verbazing en verontwaardigde smart. Waar bleven onze bezwaren, waar bleef onze mismoedige twijfel of het mogelijk zou zijn, de arbeidsters in West-Europa te wekken tot leven? Wat kwamen wij ons zelf stumperachtig en wankel voor, tegenover dien wil en die overtuiging, dat rustige vertrouwen en die vlammende energie.
Al onze redevoeringen betoogden, dat het zoo moeilijk was, omdat de arbeidsters zoo stompzinnig en lijdzaam waren en zoo weinig ontvankelijk voor de propaganda, en dat wij den weg nog niet wisten tot hun hart. Maar zij, die kleine magere vrouw met haar gaaf, verstandig gezicht en haar eerlijken hartstocht, zeide ons dat de weg gevonden kon worden, zoo wij hem slechts zochten met den vasten wil hem te vinden. En in ons hart wisten wij, dat zij gelijk had, want waren de stompzinnigheid en de achterlijkheid en volgzaamheid der vrouw juist in Rusland niet erger dan waar ter wereld ook? En toch hadden zij veld gewonnen, wonnen elken dag meer.
Als Nikolajewa dan daarna bij je kwam zitten om wat te vragen over de beweging in je eigen land en het leven der arbeidsters, als zij je aankeek met dien vasten, verstandigen blik, waar plotseling een groote warmte in welde, wat voelde je dan ineens dat diepe gemoed vol schieten van zachte gevoelens! Hoe versmolt de strenge, bijna fanatieke ijver van het apostelschap tot eenvoudige menschelijke mildheid. En op dien avond dat Trotzky kwam, om de konferentie toe te spreken, met welk een aandoenlijke mengeling van eerbied, schroom en liefkoozende teerheid legde zij haar handje op zijn arm, haar gezicht dicht bij het zijne brengend om hem iets te vragen. Wat was dat menschelijk en vol bekoring, dat opblinken, even, van zachte kameraadschap tusschen dien man en die vrouw, beide hun arbeids- en levenssfeer met zoo rustige zekerheid beheerschend.
Nikolajewa is opgekomen uit de rijen der fabriekarbeidsters te Petrograd; zij heeft een zeer groot aandeel aan hunne organisatie. Zij is zelve een voorbeeld van het omhoog stijgen tot bewust en volhardend redelijk willen van wezens, die tot voor kort enkel leefden uit duistere instinkten. En haar groote kracht trekt velen uit dat duistere leven tot het helle, stralende, van doelbewust pogen omhoog.
V. +De Moskousche fabriekarbeidster en de boerin uit Wiatka+.
In Moskou is het karakter der arbeidende bevolking veel kleinburgerlijker en kleinboerscher dan in Petrograd. De beweging onder de vrouwen is er van jonger datum en onrijper, zij heeft nog niet uit haar schoot soortgelijke groote organisatorische talenten als Nikolajewa voortgebracht; zij bevindt zich nog in het eerste stadium van kinderlijke overgave en ontroerende geestdrift. De vrouwen die te Moskou als leidsters van die groote beweging van vele duizenden arbeidsters--allen naar fabrieken en werkplaatsen georganiseerd--optraden, waren zelf nog meest »gewone« arbeidsters, nog weinig gewend in het openbaar te spreken en weinig geschoold in de routine van het organisatiewerk. Maar zij deden dat werk met een volheid van vreugde, een blijmoedig geloof en kinderlijk vertrouwen die aandoenlijk waren om te zien.
Een van hen, een klein vrouwtje met een verschrompeld gezichtje, jong oud door 't gemis van een paar voortanden, is mij vooral bijgebleven. Een arme fabriekarbeidster met een groot gezin. Jarenlang, zegt ze, had zij gehunkerd naar iets wat zij niet kende en niet wist dat bestond. Waren er dan geen menschen die de wereld anders, beter wilden maken; was er dan geen kracht die de arbeidersklasse wilde verlossen uit wat zij voelde een onmenschelijk leven te zijn? Van haar omgeving scheen niemand het te bemerken en er onder te lijden; haar eigen man was »partijloos«; bemoeide zich niet met de politiek.... Zoo tobde zij voort, een eenzaam-opstandige. Tot op een dag het sterke bruisen van een groote trilling tot haar drong: »waakt op, verworpenen der aarde.« Het was in het tweede jaar der revolutie, dat zij een vergadering bijwoonde der communistische partij. Een licht ging op in haar hart: hier was wat zij altijd gezocht had. Zij sloot zich aan, nam deel aan kursussen, leerde het communisme begrijpen, en nu is zij bestuurslid der fraktie voor de propaganda onder de vrouwen in het »Krasnaja Presna«-kwartier, de grootste arbeidersbuurt van Moskou. »Het is moeilijk«, zegt ze, »voor een arbeidersvrouw, om in de beweging te werken; er is thuis altijd zooveel te doen.« Haar man is nog altijd geen communist; zij bekent het met zekere schaamte: maar haar twee kinderen van vijftien en zestien jaar zijn lid van de jeugdorganisatie; ze doen flink hun best. Haar tandelooze mond glimlacht: bij haar kinderen heeft zij althans niet gefaald. »En de kleintjes?«--»Ja, dat is juist het ellendige, dat ik die zoo dikwijls onverzorgd moet achterlaten; maar gelukkig, de partijgenooten hebben er zich mee bemoeid, en nu gaan ze naar een kinderkolonie.« Haar ouwelijk, rimpelig gezicht wordt mooi van geluk; de kinderen buiten, goed verzorgd, en zij zelf, vrij met haar geheele ziel zich te geven aan de beweging. Iets anders begeert zij niet; iets te begeeren voor haar zelve--het komt niet bij haar op.
Nog een zuster met zulk een eenvoudig, zuiver kinderhart leerde ik kennen in een boerenvrouwtje uit Wiatka in het hongergebied. Zij was naar de konferentie afgevaardigd geworden, maar had die door tegenwerking in haar distrikt--een telegram dat dagen lang liggen bleef--te laat bereikt.
Ook zij was klein en mager, met een zacht, onschuldig gezicht en lieve, bescheiden manieren. Haar kleeren waren sjofel, maar uiterst proper, zooals bij bijna alle arbeidersvrouwen die ik zag, op straat en op vergaderingen; het onverschillige, verslonsde vrouwentype uit onze achterbuurten, met afgetrapten rok en slordige haren, heb ik in Moskou niet gezien. Maar wat vooral zoo sympathiek aan haar aandeed, het was ook weer de warme spontaniteit, de kinderlijke vreugde over het eigen ontwaken....
Toen zij uit Wiatka aankwam, was de vrouwenconferentie net afgeloopen, het komitee voor huisvesting en verzorging funktioneerde niet langer; wat moest zij, alléén in het rumoerige, overvolle Moskou, overvol afgevaardigden van alle landen en volken? Maar een der russische partijgenooten--een bekende propagandiste--ontfermde zich over haar, bracht haar onder in haar eigen kamer, wist wat kleeren voor haar bij elkaar te krijgen, een voedselkaart, nam haar mee naar een paar vergaderingen en naar een tooneel-uitvoering, en bezorgde haar een toegangskaart voor de feestelijke opening van het communistisch kongres. Het vrouwtje uit Wiatka zag de Sowjet-gebouwen en het Huis der Vakbonden; zij zag de muur van het Kreml met de graven der gevallen strijders; zij hoorde Zinowiew en Kamenew spreken en Chaliapin zingen en het groote orkest de Internationale spelen. Wat was zij blij en verrukt over alles wat ze gezien en gehoord had! »En dan, dat ik Clara Zetkin heb leeren kennen, en jullie allemaal, die in je eigen land werken om de vrouwen te brengen tot het communisme, dat vind ik toch zoo heerlijk,« zei ze met haar oprechte stem. Haar oogen zochten onze oogen en haar hart boog over naar onze harten met zijn warme, zachte last van zusterlijke liefde.
Een jaar geleden--vertelde partijgenoote Stahl ons,--was zij lid van de partij geworden. Zij verbeeldde zich, dat alle communisten heiligen waren en toen zij velen van hen als zeer onvolkomen menschen had leeren kennen, ja enkelen als gewone intriganten en baantjesjagers, tuk op eigen voordeel, was haar teleurstelling groot geweest. Maar zij had zich dapper gehouden, had dat alles verwerkt met haar zuivere verstand en haar onbedorven hart, had begrepen hoe niet met één slag de oude zelfzucht, de omkoopbaarheid en eigenbaat overwonnen kunnen worden, hoe afgunst en nijd een vruchtbaren bodem vinden in armoe en gebrek. Nu agiteert zij onvermoeid onder de boerenbevolking van het distrikt en is zij ook werkzaam bij de Tcheka. Eerst vond zij het vreeselijk, dat geweld en dwang moest worden aangewend, maar door wat zij zag van de wreedheden der kontra-revolutionnairen leerde zij begrijpen dat het niet anders kòn en zij doet nu ook dit werk van ganscher harte.
Na een dag of tien is zij weer teruggereisd, den langen weg naar Wiatka, met nieuwe kleeren aan, nieuw gesterkt en dapper van hart. Haar naam weet ik niet meer, maar vaak zie ik haar vóór mij, zooals ik haar een paar keer zag geduldig zitten wachten in de vestibule van het hotel tot Stahl haar kwam ophalen, bescheiden, kleintjes en proper met haar kleurigen hoofddoek en haar lichte jak. En ik hoor weer die diepe, zuivere blijheid en aanstekelijke warmte in haar stem, zooals ze mij antwoordde toen ik haar vroeg, of zij tevreden was over haar verblijf in Moscou, »en dan, dat ik jullie, jullie heb leeren kennen.«
VI. +De Inspectrice der Kinderkolonies+.