Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen

Chapter 3

Chapter 33,764 wordsPublic domain

Naar den maatstaf van een West-Europeesche stad, maakt Moskou zeker een vervallen indruk. Bijna alle huizen zijn wit of lichtkleurig gekalkt; de kalk die men daarvoor gebruikt is, naar men ons meedeelde, van slechte kwaliteit en brokkelt al na een paar jaar af. Men moet dus aldoor repareeren, maar sedert het begin van den oorlog was dat niet gebeurd; men begrijpt met welk resultaat. Triest doen ook de vele half-gesloopte houten huizen aan, slachtoffers van het gebrek aan brandstof; ook tamelijk veel steenen huizen zijn afgebroken of ineengestort; hier en daar werd het puin opgeruimd, elders bleef het liggen. Weken, maanden of jaren? Ik weet het niet. Muren, door vele kogels geschonden; vensters, die niet anders zijn dan gapende zwarte gaten, vindt men op vele plaatsen in Moscou; sommige straathoeken en kruispunten vertoonen nog geheel het tragische beeld van den morgen, volgend op den dag van een volksopstand. In de Bolschaja Nikitskaja staan twee hooge moderne huizen met balkons van gegoten ijzer, van wier gevels niets over is als een naakt geraamte van ijzer en steen.

Een droevigen indruk maakt ook de verlatenheid van groote bouwwerken, huizenblokken of fabrieken, voor den oorlog of althans voor de revolutie begonnen. Wegens gebrek aan materiaal heeft men den bouw moeten staken: skeletten die nooit geleefd hebben, bouwvallen, die de tijd met zijn gaven niet verrijkt, verzacht noch getooid heeft, staan de doellooze rompen in triestige verlatenheid. Zij wekken wrange gedachten, want er is woningnood in de stad; er zijn nog veel slechte, ongeschikte woningen, die men niet onbewoonbaar kàn verklaren omdat men geen andere heeft.

Men kan geen wandeling maken door Moskou zonder te merken, dat het regelmatig proces van aanbouw en onderhoud der stad sedert jaren zoo goed als onderbroken is. En men went er aan, dit op te vatten als een onderdeel van de algemeene stremming in de productie, die op haar beurt een onvermijdelijk verschijnsel in de sociale revolutie is. Op welke wijze, door welke middelen, de groote achterstand op het gebied van aanbouw en onderhoud van woningen, een achterstand die waarschijnlijk in alle russische steden bestaat, ingehaald zal kunnen worden, ook dat is een onderdeel van het algemeene vraagstuk, hoe Sowjet-Rusland zijn diepe uitputting te boven zal komen.

Vuil was Moskou niet. De straten werden goed schoongehouden, de »hoopen vuilnis« waarover burgerlijke bladen in Europa af en toe sensatieverhalen opdisschen, zag ik nergens, ook niet op de binnenplaatsen der huizen, waar ik toevallig kwam. Een bulgaarsche doktores, die een speciaal onderzoek naar de hygiënische dingen instelde, vertelde mij, dat de rioleering goed in orde was. Dat de waterleiding niet te vertrouwen was, wist iedereen. Waarschuwingen, om geen ongekookt water te drinken, hingen op tal van plaatsen door de geheele stad. In de kongreszalen en op de arbeidersvergaderingen die ik bezocht, werd overal gekookt water beschikbaar gesteld. De voortdurende zorg van het volkscommissariaat voor gezondheidswezen voor de sociaal-hygiënische opvoeding der massaas bevond ik nog intenser en omvattender te zijn dan ik mij, na alle berichten dienomtrent, had voorgesteld. Sprekende gegevens, treffende diagrammen en teekeningen van den bouw van het menschelijk lichaam, van de vijanden die het bedreigen, van de verwoestingen der tuberculose en andere ziekten, afbeeldingen van alle mogelijke bacillen en mikroben waren in de uitstalkasten der sowjetwinkels tentoongesteld, alles voorzien van duidelijke verklarende bijschriften. Op weg van het Hotel naar het Kreml kwamen wij dagelijks zoo'n winkel voorbij; er stonden altijd menschen van elken leeftijd en elken stand: jonge arbeiders, soldaten, sowjet-mamsels, boeren, vol aandachtige belangstelling te kijken en te lezen, soms een geheele rist. Al die platen en diagrammen werden telkens vernieuwd; zij getuigden van den vasten, verlichten wil, om bijgeloof, domheid en vuilheid te bestrijden en het volk begrip van hygiënische levensvoorwaarden bij te brengen. Het kan dunkt mij niet anders, of dit voortdurende inhameren en inprenten van meer kennis omtrent de levensverschijnselen en de wijze waarop epidemieën en ziekten door den eenling en de gemeenschap bestreden kunnen worden, zal op den duur grooten invloed uitoefenen. Het spreekt vanzelf, dat deze hygiënische opvoeding door beeld en woord niet enkel geschiedt op straat, maar overal waar het pas geeft; in alle klinieken, konsultatiebureaux, sanatoriums, enz. Zoo zag ik twee aardige, eenvoudige en uiterst begrijpelijke prenten, om jonge moeders te leeren, hoe ze behooren na te gaan of de flesch voor hun kindje de goede temperatuur heeft, in een model-instelling voor zuigelingen, die ik bezocht.

In de zoogkamer hingen naast elkaar een voorstelling van een moeder, die de zuigflesch aan de lippen brengt en een andere, die ze tegen de wang aandrukt. Onder de eene stond: »Zoo moet ge niet doen«; onder de andere: »Zoo is het goed«. Natuurlijk wordt aan de vrouwen die daar komen, door den dokter en de zusters ook verklaard, waarom het eene fout en het andere goed is. Het gesproken woord en de voorstelling vullen elkaar aan en maken te zamen een indruk, die beklijft.

Het spreekt vanzelf, dat Sowjet-Rusland in vele opzichten op hygiënisch gebied zeer ten achter is bij West-Europa. De taak om het volk hygiënisch op te voeden, de verpleging van zieken en kraamvrouwen te organiseeren, is reusachtig. Zij gaat de krachten der Sowjet-organen heden nog ver en ver te boven. Het ontbreekt evenzeer aan geschikte personen, als aan stoffelijke hulpmiddelen. Maar de wil, het streven om alles wat de wetenschap bereikt heeft in het bestrijden van ziekten, en vooral ook in het kweeken van gezonde menschen met gezonde kinderen, aan te wenden tot heil der gemeenschap, die wil en dat streven, zijn in de raden-republiek aanwezig in een mate, zooals zij het in geen burgerlijken staat kunnen zijn.

Ik had Moskou nooit eerder bezocht en weet dus niet, welk een indruk de straten vóór den oorlog en de revolutie maakten; het publiek is natuurlijk veranderd en er zullen meer equipages, auto's en trams gereden hebben, maar drukker, levendiger, woeliger, kan de stad moeilijk geweest zijn. Op alle uren van den dag en zelfs van den nacht, waren de voornaamste straten vol menschen, de meesten behoorlijk, sommigen zelfs keurig en met zekere elegantie gekleed. Dit feit op zichzelf weerlegt al de dwaze, telkens weer opduikende geruchten over de terreur, die te Moskou zou heerschen; ware dat het geval, dan zou het natuurlijk onmogelijk zijn, dat een talrijk publiek van mannen, vrouwen en kinderen zich geheel vrij beweegt. Politie ziet men niet; er schijnt een soort stedelijk politiekorps te bestaan, maar ik heb maar ééns een politieagent gezien, die onder veel belangstelling der toeschouwers een straatdief arresteerde, dikke pakken puilden den man zijn zakken uit. De regeeringsgebouwen en de ingang naar het Kreml worden bewaakt door de jonge blonde russische soldaatjes. Een soldaat controleerde ook onze propoesks bij den ingang van het hotel, een paar soldaten bewaakten de tentoonstellingen; bij de toegangen van schouwburgen, vergaderingen, enz. staan er insgelijks een paar op post. Kortom, de soldaten verrichten in Rusland politiediensten en, voor zoover ik gelegenheid had te zien, doen zij het rustig, gemoedelijk en goed. De manier, b.v. waarop zij de opdringende massa terughielden, bij de groote parade op het Roode Plein, was uiterst taktvol, kameraadschappelijk en toch flink. Eéns heb ik een soldaat een jongen, die het opdringen niet wilde laten, wat ruw terug zien duwen; dat is de eenige en ergste ruwheid die ik in Rusland zag. En ééns heb ik een troepje arrestanten, mannen en vrouwen, door een afdeeling soldaten zien opbrengen; dat was de eenige dwang-maatregel, dien ik in die maand zag. Ik was eens toevallig op de markt, op het uur dat die moest worden gesloten; een fluitje klonk, een soldaat te paard reed langzaam door de menigte, die mannetje aan mannetje stond, wenkte met de hand, dat het uit moest zijn met koopen en verkoopen en in een oogwenk waren de stalletjes en kraampjes afgebroken, de menschen stroomden uit elkaar. Alles ging bijzonder snel, rustig en geregeld. Wanneer het russische volk in vele opzichten nog ordelijkheid, stiptheid en organisatie moet leeren, dan lijkt het mij toch wel zeker, dat het dit leeren zal.--Ja, die markten in Moskou. Zij waren nog niet zoo lang heropend, toen wij aankwamen en waren veel interessanter en, men merkte het onmiddellijk, voor het leven van het volk oneindig belangrijker dan de winkels. De winkels werden ook heropend, elken dag kwamen er eenige bij. Maar--met uitzondering van de koöperaties en de sowjet-winkels--hadden de meeste iets schimmigs, iets onreëels. Om de behoeften van welke maatschappelijke groep te bevredigen werden zij eigenlijk geopend? Wat beteekende in Moskou een heel magazijn vol monsterlijk-leelijke bloemenvaasjes? Die modieuze hoedjes, en fijne trippelschoentjes, en dat verdacht-elegante ondergoed,--wie begeerde dat alles in Moskou? Neen, die winkels waren geen prettig gezicht: men zag schimmen van het verleden, die men overwonnen had gewaand, herrijzen; men zag het bestaan van prostituées en weelde-dames en rijke leegloopers weer gewettigd worden, met de geheele sfeer die ze omgeeft; sfeer van uitbuiting en roof, van-leegheid-van-hoofd en ruwheid-van-gemoed, van verveling en corruptie. Men besefte, dat de opening der winkels een stap achteruit was, een schrede terug naar de verburgerlijking, en dat veel inspanning, veel strijd, veel energie noodig zouden zijn, om opnieuw vooruit te komen.

Maar de markten, dat was een andere zaak. Daar leefde en schuifelde, en schreeuwde en blèrde, daar kocht en verkocht, daar at en daar dronk het Russische Volk, boeren en kleinburgers en arbeiders. Alles kon men er krijgen: wittebrood en zonnepitten, suiker en koekjes, galanterieën, kleeren, naaigerei, antikiteiten zelfs wanneer men maar veel geld had en dikwijls terugkeerde, zooals sommige kongresafgevaardigden deden, die door de mogelijkheid van zùlke koopjes (1000 roebel = 14 cent) als betooverd waren. Het was er warm en druk en vroolijk en gezellig. Alles voor wie niet nadacht. Wie het wél deed, meed liever de markten, want hij voelde er den angstigen twijfel, erger dan elders, woelen in zijn hart. Den twijfel, of het Sowjet-bewind er in slagen zou, dit ééne te volvoeren, wat geen dwangmaatregel--hetzij dan de automatisch-werkende dwang van den honger--te volvoeren vermag: de massaas der stedelijke bevolking weer aan het werk te brengen. De markten waren zoo vol en gezellig, omdat de fabrieken en werkplaatsen ten deele ontvolkt waren.

Ook buiten de markten werd op straat veel verkocht, meest levensmiddelen, als brood, sigaretten, zure en zoete melk, ook wel veldbloemen en op een paar plaatsen stonden boekenstalletjes. Het waren meest oude vrouwen en kinderen, die verkochten, terwijl de niet zeer talrijke bedelaars meest mannen waren, verminkten uit den oorlog. Opvallend weinig kinderen zag men op straat; toen wij onze verwondering daarover uitdrukten, zeide men ons, dat bijna alle stadskinderen op het land waren, in de kolonies. Dat was sterk overdreven, het waren er 40 %. Maar van elke 100 kinderen 40 weg, dat maakt natuurlijk al een groot verschil, en dan is, ondanks alle zorg en inspanning, de kindersterfte hoog geweest in deze jaren van ellende en het geboortecijfer achteruitgegaan.

Dat er nog talrijke kinderen in Moskou waren, daarvan kon ik mij overtuigen op een Zondagmorgen toen Kalinina, de inspektrice van alle instellingen voor kinderen in het goevernement mij inviteerde haar te vergezellen op een rondrit door de stad. In verschillende wijken waren dien morgen kinderfeesten georganiseerd; wij hadden moeite genoeg de plaatsen van samenkomst in publieke tuinen, schoolgebouwen, enz. te vinden; het groote Moskou is een ware doolhof van straten en stegen en de tawaritsch-bestuurder van onze auto was pas voor kort uit Petrograd aangekomen. De aardigste plaats van samenkomst was in den zoölogischen tuin; de kinderen, in groepen verdeeld en met hun geleidsters, dribbelden vergenoegd rond en keken naar de watervogels in de vijvers, in afwachting dat ze allen samen naar het feestlokaal zouden trekken. Eén meisje, dat haar makkertjes verloren had, zat op een bank erbarmelijk te huilen--het eenige huilende kind, dat ik in die vier weken in Moskou heb gezien. Russen schijnen zacht tegen kinderen en teeder. Veel teederder dan Hollanders of Duitschers. De groote liefde en ontroerende zorg der sowjet-organen voor de kinderen, is niet iets, dat van boven af gemaakt of bevolen wordt; het is een uitdrukking en uitvoering van den algemeenen volkswil. Hoe dikwijls erger ik mij in Holland aan het ongeduldige, ruwe optreden van moeders-met-veel-kinderen, op reis in een derde klas. Humeurig, onophoudelijk verbieden, en als dat niet helpt, heen en weer schudden, een duw en een stomp--alles erg begrijpelijk bij oververmoeide, overprikkelde arbeiders- of burgervrouwen. Maar daarom toch erg weinig beminnelijk. Iets dergelijks zag ik in Moskou niet[1].

»De kinderen zijn de bloemen des levens«, deze bekoorlijke spreuk staat niet enkel aan den ingang van vele kindertehuizen en kolonies geschreven, zij leeft in het hart van het volk. Misschien meer dan ooit in deze jaren, nu het leven zoo ontzettend hard, zwaar en tragisch is geworden. Misschien is het de behoefte, zich zelf te troosten over de ontberingen, de bitterheid der ontgoochelingen en de altijd weer nieuw aanstormende smarten, die maken, dat het russische volk zich met zooveel hartstocht werpt op alles, wat kinderen gelukkig kan maken en op kinderen betrekking heeft. Waar ter wereld, behalve in Rusland, bestaat een museum van kinderspeelgoed? Wie zou het voor mogelijk houden, dat een mensch er onder de stormen der revolutie zijn levenstaak van maakt, al dat oude of moderne, karakteristieke of banale gerei, uit het heele rijk bij elkaar te sleepen?

»Misschien voelt men gedurende een aardbeving juist het eerst de behoefte om de vlinders te redden«, zei glimlachend tegen mij de man, die dit onwaarschijnlijke volbracht had. Vol animo en liefde liet hij ons de bijeengebrachte schatten zien, vertellend en verklarend, en toen om twaalf uur de eerste kleine bezoekers kwamen, gleed een glans over zijn gezicht.

»'s Zondags is het hier vol kinderen; ze komen alleen, zonder geleide, en zeggen: »dit is ons museum«. Wij hebben ook een werkplaats, waar het oude boerenspeelgoed gerepareerd en modellen vervaardigd worden«.

Het »museum voor kinderspeelgoed«, ver weg op een afgelegen boulevard ingericht, is een plek vol teedere troost voor het hart in het rumoerige, ontredderde Moskou. Maar er is een andere plek, waar troost van uitgaat en vrede van hoogere orde, vol plechtige wijding en toch rustig en mild. Er is een plek, waar men voorbijkomend, altijd weer gestemd wordt op den toon van eerbied voor de besten der menschen, van liefde voor hun gouden hart. Die plek is het groene gazon, dat aan den rechterkant van het uitgestrekte Roode Plein loopt, langs den muur van het Kremlin, waar de gemeenschappelijke graven zijn der martelaars van de revolutie en waar ook John Reed en Swerdloff begraven liggen.

Bloemen zijn schaarsch te Moscou--behalve de veldbouquetten, die meisjes van buiten te koop aanbieden. De bloemenwinkels zijn haast leeg, de perken in de openbare tuinen armzalig. Enkel op het square voor het groote Theater was er wat meer werk van gemaakt. Maar de mooiste bloemen, die ik te Moskou zag, zijn die staan op de graven der gevallen strijders; veelkleurige violen, reseda, leeuwenbekjes, alles fleurig en frisch. De bloemranden en perken werden daar geregeld begoten, de gazons zorgvuldig onderhouden als nergens anders in de heele stad. Evenwijdig met het gazon vlak onder den hoogen Kremlin-muur vol kogelgaten, loopt een beschaduwd weggetje. Daar is altijd koelte en lommer, zacht geritsel van bladeren en vogelgekweel. Op de banken zitten jongens, verdiept in hun boek,--men ziet veel lezende menschen in Moskou--, koetsiers, die op een vrachtje wachten, soldaten en jonge arbeiders-moeders, kijkend naar hun spelende kinderen. Waarlijk aan het hart van het volk zijn deze dooden gebed; waarlijk leven zij in zijn hart; waarlijk staan zij op door zijn gedachte; waarlijk groeien zij mee met den groei van het leven in de worstelende stad.

Haast elken dag liep ik dat weggetje onder den Rooden Kremlin-muur, de vier weken lang, die ik te Moskou doorbracht. Alleen of met kameraden. In den zonnigen morgen naar de vrouwenconferentie of het kongres, terug in den zilverblanken avond. Van Twerskaja recht op het kapelletje toe dat met zijn altijd brandend lichtje staat voor de Iberische poort, en waarin voortdurend oude vrouwen en baardige boeren staan te bidden, onbewust van de waarschuwing, links boven hen op den muur geschreven: »de godsdienst is opium voor het volk«. Dan de poort door en meteen rechtsaf, aan het monument van John Reed voorbij, langs den kogeldoorschoten Kremlin-muur. Over het Roode Plein aan mijn linkerhand razen de auto's en zware vrachtwagens; zij brengen de vele afgevaardigden naar de kongreszaal, die het loopen schijnen te haten of te vreezen. Waarom? Ik begrijp het niet. Hier is het stil en koel, elken dag gaan nieuwe bloemkelken open, zonnestralen flitsen door het flappend, wuivend eschdoornblad. Als wij terug komen van het kongres, is de zon onder en de bloemen slapen. Hoe heerlijk is die wandeling dan! Eerst langs het wijde terras van het vroegere keizerlijk paleis, waar het uitzicht opengaat op de rivier, het westelijk deel van de stad en de Musschenbergen. Dan langs de twee mooie Byzantijnsche kerken met haar oude frescoschilderingen van Madonna's en Heiligen, onder de eerste poort door, waar de wacht staat, die de propoesk's controleert, als men het Kremlin binnenkomt, en onder de tweede, waar de kontrole is voor de uit het Kremlin komenden. En dan weer het pad langs de graven, waar op de banken, stilletjes opdeinend uit de schemering, nu geen moeders zitten, maar verliefde paartjes. Schoonheid was daar altijd, de gedachte aan het bittere verleden, aan het tragische heden en de ongewisse toekomst, maakten het hart niet onrustig en stoorden zijn vrede niet.

En nu ik dit schrijf, in den grijzen najaarsdag op mijn stille kamer, voel ik tusschen het verlangen dat herinnering altijd opwekt, weer in mij den grooten, sterken vrede, dien ik zooveel malen voelde, gaande het pad langs de groene graven der helden, dat loopt evenwijdig met den Kremlin-muur.

VOETNOTEN:

[1] Natuurlijk beweer ik niet, dat russische vaders en moeders hun kinderen nooit slaan of stompen. Uit de »Jeugdherinneringen« van Gorki leert men de ruwheid kennen, waarmee de kleinburger van het vorig geslacht zijn kinderen kastijdde. Maar in het algemeen is, geloof ik, een volk zachter tegenover zijn kinderen, naarmate het primitiever, natuurlijker en minder gemilitariseerd is.

III.

SCHADUWEN OVER HET LAND.

Wanneer men mij vraagt, of ik in Moskou den grooten honger gezien heb, of de uitputting en de ellende van het volk zich opdrongen aan de oogen, dan moet ik antwoorden: neen. Ik zag geen ontvleeschde gezichten, geen vermagerde wankelende gestalten; ik zag geen menschen neervallen op straat. Bedelaars zag ik, maar naar mij dacht niet veel meer dan in de groote steden van het »welvarende« Nederland en zeker veel minder dan in Berlijn. Dien Zondagmorgen dat Kalinina mij meenam op haar inspektie-tocht door de stad, zag ik vele duizenden kinderen bijeen. Men zei mij, dat ze tot de allerarmste behoorden, tot de onderste lagen der bevolking. Zeker waren er bij die er smal en teertjes uitzagen. Zeker waren vele van deze kinderen, die enkel de gewone uitdeeling op de scholen kregen, niet het betere, rijkelijke voedsel, dat in de kolonies gegeven wordt, min of meer ondervoed. Kollontay zelve vertelde mij, dat de schoolvoeding niet voldoende is. Maar deze kinderen gaven niet den indruk van honger te lijden, men werd niet akelig van naar ze te kijken, integendeel. Velen zagen er frisch en blozend uit en bijna allen waren netjes in de kleeren, niets minder dan een troep arbeiderskinderen ten onzent die moeder hun beste spullen aantrekt om naar een schoolfeest te gaan en zeker veel beter dan de allerarmsten, de verschoppelingen uit de ellende-wijken in ons land bij zoo'n gelegenheid zouden verschijnen. Naar wat ik zag en hoorde is de arbeidersbevolking in de steden er wat kleeding aangaat in 't algemeen beter aan toe dan voor de revolutie, doordat in de eerste jaren van de diktatuur veel linnen en wollen stof uitgedeeld is geworden.

Toch zag men tamelijk veel havelooze, of heel armoedig gekleede menschen. Onder de bedelaars natuurlijk en dan onder de jongetjes, die laat op den avond en tot midden in den nacht op de boulevards, waar juist een alles behalve stichtelijk »nachtleven« weer begon op te komen, sigaretten verkochten. Erge schooiertjes waren daaronder, te nauwernood bekleed met armzalige lompen. Maar de zieligste indruk maakten de lange rijen mannen, vrouwen en kinderen, die voor de koöperatieve winkels hun beurt afwachtten om hun karig rantsoen zwart brood, hun dunne soep, hun beetje vet en haring te halen. Daar, in die »polonaises« zag men veel ellende; veel menschen in lompen, met een versufte, gedeprimeerde uitdrukking en uitgedoofde oogen. Natuurlijk waren de meeste van deze stumperds barrevoets.

De voeten waren het lichaamsdeel, waaraan de behoeftigheid van het russische volk het treffendst bleek. Wat ik zelf opmerkte dekte zich op dit punt volkomen met wat ik in de reisindrukken van anderen, o.a. die van Goode, Ransome, Goldschmidt, L. Bryant had gelezen. Men zag vele zeer behoorlijk en zelfs elegant geschoeide voeten. Maar men zag ook vele kinderen en volwassenen blootsvoets gaan. In het heerlijke zomerweer, dat wij genoten,--warm en zonnig en toch telkens weer juist regen genoeg om het stof van de straten en boulevards weg te spoelen,--maakte dit volstrekt geen ellendigen of onpleizierigen indruk. Het leek heel gewoon en natuurlijk, vooral bij kinderen en had zelfs iets grappig ongegeneerds, als boven de bloote voeten een keurig linnen rokje en een nette lichte russische blouse uitkwamen. Dan werd men aan de overtuigden van het een of ander Kneipsch sanatorium herinnerd en moest glimlachen. Maar de glimlach verstierf, zoodra men zich indacht, wat er in den herfst met al die bloote voeten gebeuren zou, als de straten vol dikke, ijzige modder waren en in den winter, wanneer de sneeuwval begon. En deze gedachte kwam telkens boven als de oogen de vele, vele voetenparen opmerkten, die niet bloot waren, maar in versleten kapotte schoenen gestoken--schoenen, die op den vuilnishoop thuishoorden--of bedekt met wonderlijke, zelf in elkaar geflanste bekleedsels van vilt of stof of de hemel weet wat. Niet iedereen heeft lust om barrevoets te loopen en niet voor allen is het raadzaam. Ook zullen, dunkt mij, velen zich geneeren dit te doen. Er waren in Moscou blijkbaar duizenden menschen--arbeiders, beambten, intellektueelen, mannen zoowel als vrouwen--die om de een of andere reden niet barrevoets wenschten te gaan en geen behoorlijk schoeisel bezaten. Sommigen van hen droegen schoenen, zoo ellendig, zoo geheel en al verteerd door den tijd en zoo zichtbaar op het punt hun dragers te begeven, dat ik er haast niet naar durfde kijken. Zulk een paar schoenen zag ik telkens aan de voeten van een buitengewoon intelligente en sympathieke vrouw, administratrice van een groote inrichting voor toegepaste opvoedkunde. Die schoenen hinderden mij, geneerden mij, gaven mij een onbehagelijk, schuldig gevoel. De direkteur zelf der inrichting droeg eigen vervaardigd schoeisel gemaakt uit een soort trijp.