Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen
Chapter 2
Geestig en gevat is mijn Pool, vol zelfbewustzijn en zekerheid; het zou eenvoudig aanstellerig van mij zijn, niet met hem mee te gaan; daarenboven wil ik dolgraag de brug en de vesting zien. Prachtig is het gezicht op de rivier, die in een diepe kloof aan onze voeten schuimt en met een scherpen elleboog ombuigt naar den langen, grijzen muur der oude vesting. Terwijl wij kijken en bewonderen, vertelt mijn geleider mij van de gevechten die in deze buurt geleverd zijn; dan keeren wij op ons gemak door de breede, armoedige hoofdstraat terug. »Zouden we ons niet wat haasten? Ik vind het toch vreemd, dat niemand van onze menschen meer hier schijnt te zijn.«--»Alle tijd, alle tijd, als u soms nog iets wilt koopen... ga gerust uw gang.« Ik koop nog een paar chinaasappelen, dan gaan wij doodkalm verder, naar het spoor, waar onze trein staat. Van ver zien wij de kameraden van uit de raampjes heftige gebaren maken. Zijn die seinen voor ons? Zouden we toch te lang weggebleven zijn? Ja; ze wenken ons toe, om spoed te maken en nu we dichter bij komen, hooren we hen schreeuwen in alle talen »haast je wat«; »schneller«; »allons vite.« We zetten het op een drafje, klauteren hijgend de treeplank op. »Waar blijven jullie in godsnaam? Zijn jullie gek?« »Bijna een half uur te laat. De koerier is woedend, hij wou den trein al laten vertrekken, maar Genosse A, en Genosse B. en C. hebben gezegd, dat dat niet mocht; ze wilden jullie niet achterlaten in Estland, en dan zonder pas[3].« Ach, beste Genossen A. B. en C. wat zijn we jullie dankbaar, dat die dierbare trein niet zonder ons verder is gestoomd.... Stilletjes neem ik mijn plaats weer in, maak mij klein in mijn hoekje. Wat schaam ik mij tegenover den koerier. Zeker zal hij weer met een vloek hebben gezegd, nog nooit zoo'n ongedisciplineerde bende vervoerd te hebben. Dat de jongelui wel eens uit den band springen, spreekt vanzelf, maar op mijn jaren.... Die Polen ook met hun gladde tong; nooit zal ik er meer een gelooven, al is hij ook zesmaal uit Warschau ontsnapt.... Zoo vliegen de gedachten door mijn hoofd heen en weer. Ondertusschen staat de trein nog altijd stil. Zachtjes waag ik het te vragen, waarom we nu niet vertrekken. »O, toen jullie er toch niet waart, is het personeel maar gaan theedrinken.« Mijn schaamte begint een beetje te zakken; zij zakt nog meer, als we vlak voor de grens een poos midden in 't veld blijven stil staan, om op de russische lokomotief te wachten. Ik gebruik de gelegenheid, om den koerier mijn verontschuldigingen aan te bieden; hij lacht, schijnt het geval niet heel erg te vinden. Als we om 1 uur te Jamburg aankomen en ik hoor, dat we er tot omstreeks middernacht zullen blijven, word ik weer wat monterder; dat half uur kwam er dan toch niet zoo vreeselijk op aan, dunkt me. Met dat al heeft deze geschiedenis gemaakt, dat het maar half tot mij doorgedrongen is, toen we de grens passeerden. Ik heb het gevoel of iets, waar ik mij lang op verheugde, mij is ontgaan.
Zoodra de trein te Jamburg stil houdt, komen een aantal soldaten aanhollen. Zij vormen spalier voor onzen wagon, juichen ons toe en zingen de Internationale. De eerste soldaten van het Roode Leger, jonge frissche gezichten en op de muts de Sowjetster! De spontane hartelijkheid dier kameraden ontroert ons, maar maakt ons ook onrustig, want we voelen in haar--hoe vaak zullen we het nog voelen--het aanroepen van de Europeesche revolutie.
Bij de soldaten bevindt zich een klein tenger ventje, jong nog, in uniform, maar zonder wapen. Dat is de politieke commissaris van de afdeeling; hij zal onze gids zijn op onzen rondgang door het dorp. Hij spreekt een paar woorden duitsch en fransch, en waar zijn woordenschat te kort schiet, vult hij die aan met uitroepen, gebaren, lachen en een uiterst expressieve mimiek. Een wonderlijk kereltje is die minuscule commissaris, met energie en geestdrift voor tien in zijn tengere jongenslijf. De Witte Legers, zegt hij, hebben hem een paar tanden uitgeslagen; hij spert zijn mond wijd open, om ons de gaten te laten zien. Vol afschuw vertelt hij van de groote communistenslachting te Jamburg, toen Joedenitsch het plaatsje binnentrok. Hij laat ons de plek zien waar honderd-acht-en-zestig genooten vermoord werden. Zijn felheid en strijdlust, zijn kinderlijk enthousiasme en kinderlijke naïveteit, het is alles nieuw voor ons en verwonderlijk. In hem voelen wij voor het eerst de frischheid van ziel, waarmee de russische arbeiders het communisme omhelzen, en voelen ook de onstuimigheid van hun strijdlust, hun liefde en hun haat.
Jamburg is een oninteressant, armoedig plaatsje, zooals er zeker duizenden en duizenden in het Sowjetrijk zijn. Maar wij zullen ons bezoek van dien middag nooit vergeten, want daar in Jamburg zagen wij voor het eerst de fundamenten der nieuwe maatschappij, de instellingen, die de russische boeren en arbeiders in broederlijken arbeid scheppen, verzorgen en in stand houden. Van al wat ik er zag maakten deze twee dingen het meeste indruk op mij: de school voor ongeletterde soldaten en de vergadering van de Roode Jeugd in haar eigen clubgebouw. Wij hadden de kazerne gezien; de kamers waren zindelijk en luchtig, maar dit was het bijzondere niet, het bijzondere was, dat men voelde: zoo'n kazerne bestaat niet als iets afzonderlijks, buiten aanraking met het maatschappelijk leven, maar zij staat er midden in. Overal hingen kleurige affiches, spotprenten en agitatorische voorstellingen, de meeste zonder artistieke waarde, maar zeker geschikt voor hun doel: den soldaten bepaalde eenvoudige waarheden omtrent de klasse-tegenstellingen, de rol van het Entente-kapitaal, de noodzakelijkheid den strijd vol te houden, enz. in te prenten. Nadat wij een aantal kamers doorgeloopen waren, opende onze geleider een deur en zeide: »In dit lokaal krijgen onze ongeletterde kameraden les.« Op schoolbanken, over hun lessenaars gebogen, zaten een paar dozijn jonge mannen, ijverig aan 't werk; op de lessenaars lagen de a.b.c. boekjes, waaruit ze lezen leerden en de schriften, waarin hun stijve sterke vingers geduldig de lettervormen nabootsten. Ze hadden nog slechts enkele weken les gehad, maar ze lazen al kleine lesjes en schreven al woordjes en ze toonden ons hun schriften met zekeren trots. Het a.b.c. boekje was speciaal voor volwassenen samengesteld; de lessen waren geen flauwe kinderpraat, maar handelden over menschen en dingen, waarnaar hun belangstelling uitging.
Tusschen hen in stond de meester, een zachte, vriendelijke man, niet ouder dan zij zelf, met bloote voeten, in een russische kiel. Hij had een glimlach om nooit te vergeten, zuiver als bronwater en zacht als de morgenlucht. Ik kan mij geen schooner en passender binnenkomen in Sowjet-Rusland voorstellen, dan ons bezoek aan die soldatenschool; wat wij zagen was zoo kinderlijk, hoopvol en ontroerend naïef, en tevens maakte het zoovele gedachten wakker over den onmetelijken arbeid, die nog moet worden verricht...
In de Jeugdclub was dien avond vergadering te onzer eere; wij hadden eenige afgevaardigden van jeugdorganisaties bij ons en die moesten worden begroet. Het lage, armelijke lokaal liep vol met jongens en meisjes tusschen 14 en 18 jaar; in dit kleine plaatsje telde de jeugdorganisatie een paar honderd leden. Aan de wanden hingen portretten van leiders en martelaars der wereldrevolutie; Lenin, Trotzky, Zinowiew, Liebknecht en Luxemburg vindt men in Rusland overal, waar arbeiders bijeenkomen. Er werd gezongen en gespeecht in allerlei talen, maar wat mij het meest interesseerde, was de bekwaamheid en het zelfvertrouwen, waarmee de voorzitter der jeugdafdeeling, een heel jonge jongen nog, bijna een kind, de bijeenkomst leidde; hij sprak met het gemak en de zekerheid van een ervaren propagandist en toch met al de onstuimigheid der jeugd. Er moest natuurlijk vertaald worden en een der vertalers, een Pool of een Hongaar, hield zelf ook nog een toespraak; hij vertelde, hoe de regeering van zijn land zijn vrouw en hun kindje, om wraak te nemen over zijn vlucht, in een concentratiekamp hadden opgesloten en hoe hij sedert maanden geen enkel bericht van hen ontvangen had.... De tranen liepen hem over de wangen, zijn stem stokte; een groot meegevoel met de smart van dezen eenzame hing door de zaal.
Toen we terugkeerden naar het station, vonden we aan den berm van den weg op het stoffige gras een heel troepje kinderen gelegerd. Twee vrouwen, een jonge en een oudere, waakten over hen. Het waren de oudste klassen van een school daar in de buurt; ze gingen een uitstapje maken naar Petrograd en hadden dien dag vier of vijf uur geloopen om aan het station te komen; een paar wonderlijk primitieve boerenkarren--ze stonden er nog, toen we aankwamen--hadden hun bagage vervoerd. Voor logies was gezorgd en proviand moesten ze meenemen naar de stad. Ze hadden bij zich groote zakken met hompen zwart brood; dit was op reis zoowat hun eenige voedsel. Ze hadden gehoopt met den nachttrein naar Petrograd te kunnen reizen, maar nu maakte de chef bezwaar. »Wat ze dan zouden doen?« Ja, dat wisten ze niet; hier wachten, waarschijnlijk tot den volgenden trein. De kinderen kauwden hun brood en keken ons aan met hun ronde, onnoozele oogen en de beide vrouwen, de jonge en de oudere, spraken met ons, lief en rustig en blijmoedig, als hadden ze dien dag geen 20 K.M. geloopen en waren ze niet gelegerd aan den stoffigen weg met een troep kinderen.
's Nachts tegen 12 uur, eer de trein vertrok, woonden we aan het station nog een meeting bij voor gedemobiliseerde soldaten. Een laatste maning kregen ze mee naar hun dorpen, ver weg in de steppe, om trouw te blijven aan de groote beginselen van Sowjet-Rusland en op te treden als pioniers daarvan onder hun makkers thuis. De schemer viel, toen de meeting gesloten werd; het was al over middernacht, maar we waren nu in het land, waar men, om licht te sparen, de klokken drie uur vooruit had gezet. Pas tegen éénen stoomde onze trein weg, onder gezang de duisternis in; voor onzen wagon stond de dappere kleine commissaris, na een dag van zestien uren, te trappelen en te zingen met onverminderde energie.
Toen wij den volgenden morgen tegen 9 uur Petrograd naderden, waren de zijgangen van onzen wagon nog leeg. Allen waren bezig met aankleeden en inpakken, want de bagage moest klaar staan om overgebracht te worden naar een anderen trein. Er was geen gelegenheid om acht te slaan op de verwoestingen, door de Witte Benden te Gatschina en op andere plaatsen aangericht, waar de prikkeldraadversperringen nog aan weerskanten van de spoorlijn zichtbaar zijn, noch om zich voor den geest te roepen de dagen van angst en ontzetting en exaltatie in November '19, toen het leger van Joedenitsch op de hoofdstad aantrok, en het aan de opperste inspanning eener heldhaftige schare gelukte, de indringers terug te werpen. Zoo somtijds de stoffelijke werkelijkheid ons beter in staat stelt, groote historische gebeurtenissen te realiseeren, vaak ook verhinderen juist kleine, bijkomstige omstandigheden, als verstrooiing, materieele zorgen, vermoeidheid, ons, om dit op de plaats zelf te doen en doorleven wij de meest intense verwerkelijking van dergelijke gebeurtenissen thuis, in alleenheid.
Aan het Baltische station, waar wij aankwamen, was een groot geloop en samengehok van honderden menschen; mannen, vrouwen, kinderen, allen beladen met zakken en pakketten. Men zeide ons, dat zij--zooals sedert eenigen tijd geoorloofd was--levensmiddelen hadden opgehaald bij de boeren. Het leek mij onbegrijpelijk, want men ziet zeer weinig landbouwbedrijf in de buurt van Petrograd, uitgezonderd de breede gordel aardappel- en groentetuinen, door de arbeiders aangelegd rondom de stad en die uiterst zorgvuldig bewerkt schenen. Maar toen wij naar Moskou reisden, waren de veldvruchten in het noorden nog lang niet rijp.
In Petrograd bleven wij slechts enkele uren; net lang genoeg om een maaltijd te gebruiken in Hotel International en een wandeling te maken langs het Admiraliteitskwartier, het Winterpaleis, de Hermitage en over den Newsky-Boulevard terug. Het brood smaakte ons bitter, immers, wij wisten dat het volk honger leed. De breede straten lagen leeg en stil in den fellen zonneschijn, tusschen de steenen schoot het gras hoog op. Ik zag enkel het kil-pompeuze Petrograd der militaire despotie, niets van de arbeiderswijken, niet de tehuizen voor geleerden en kunstenaars, niets van de rusthuizen op de eilanden der Newa. Ik was voornemens dit alles te bezichtigen op den terugkeer maar er kwam niet van. Verschillende omstandigheden verhinderden mij mijn voornemen uit te voeren maar misschien lag de diepste grond der verhindering in mijzelve, in een laffen angst om mij te verdiepen in het tragische lot der kwijnende stad. Immers, dit is de vreeselijke waarheid: Petrograd, de wieg der proletarische wereldrevolutie, zooals Parijs de wieg der burgerlijke revolutie is geweest, de stad van den grootsten proletarischen heldenmoed en den sterksten revolutionairen wil, gaat voortdurend achteruit in aantal inwoners, beteekenis en invloed voor de revolutie, omdat zij geen rol meer speelt als centrum van productie. De stad als industrie-centrum was een kunstmatige schepping van de militaire monarchie, van het politiek-overmatige centraliseerende despotisme. Het Sowjet-bewind kàn en màg Petrograd niet kunstmatig groot houden. Niet alleen, dat de onmogelijkheid, om de bevolking van voldoende levensmiddelen te voorzien, de autoriteiten noodzaakt, het terugvloeien dier bevolking naar het platteland in de hand te werken... maar het druischt tegen alle regels eener rationeele ekonomie in, om te pogen de stad als grootindustriëel centrum te behouden. Hoe meer de productie geleid zal worden naar de nieuwe inzichten, die verlangen dat elk groot bedrijf verrijst zooveel mogelijk in de buurt der grondstoffen, die het bewerkt, of althans zoo gelegen dat die grondstoffen gemakkelijk kunnen worden aangevoerd, des te zekerder is Petrograd veroordeeld om weg te kwijnen. De opheffing der groote steden, die vreeselijke erfenis van het burgerlijke tijdperk, door decentralisatie en rationeele verlegging van de standplaatsen der grootindustrie, kan onmogelijk bereikt worden--welke vooruitgang kan het wel?--zonder pijnlijke breuken met diepgewortelde gehechtheden en schoone tradities. Maar in het geval van Petrograd wordt de breuk voor ons bewustzijn haast ondragelijk verscherpt door het onmiddellijk op elkaar volgen van revolutionaire glorie en reddeloos verval.
Van Petrograd naar Moscou duurt de reis 16 à 18 uur. Om drie uur vertrekken wij; dien geheelen middag en avond, tot eindelijk, lang na middernacht de schemering valt, sporen wij door een dun bewoond land van wouden en woeste gronden, soms vlak als Holland, soms in flauwe golvingen hellend en dalend, soms doorsneden van beken en kleine, traagvlietende rivieren. Hier schijnt nog ruimte voor vele millioenen menschen, de arbeid van geslachten schijnt noodig om dit nog vage, vormelooze land naar der menschen wil en voor hun behoeften te herscheppen, om die moerassen droog te leggen, die eindeloos ons vergezellende bosschen te stempelen met het merk eener rationeele kultuur. Bij enkele stadjes en dorpen stoppen wij; rondom hen onderbreekt een kleine ring van akkerland en weide de eentonige wijdheid van het ongecultiveerde land.
Tweemaal op dien rit genieten wij een feest van kleuren. Het eerste is de zonsondergang. Wij hangen uit de raampjes en strekken de halzen uit, om rechts achter ons in het noordwesten, de heerlijkheid der karmozijnen en violette eilanden in de gouden luchtzee te zien opfonkelen voor onze gretige oogen, zoolang tot hun gloed, als van robijnen en amethysten, allengs versombert en verdooft. Het tweede is de verschijning, op het perron van een stationnetje in de wildernis, van een groep vrouwen in de felle kleurharmonie hunner feestelijke kleeren, als zomerbloemen, schitterend schoon. Het wit en rood, wit en goudgeel, wit en heldergroen der pronkgewaden verschijnt en verdwijnt, een sprookje op het grauwe perron. »Boerinnen in Zondagsche dracht... vandaag is een hooge heiligendag,« zegt glimlachend Krebelskaya, de beminnelijke vrouw van den bekenden vakvereenigingsman Belinsky, met wie wij van Stettin af reizen. »Men ziet de oude volksdracht anders niet veel meer; ze past niet bij het nieuwe leven, waartoe de boeren ontwaken«, voegt zij er aan toe.
Om 10 uur 'smorgens, precies op tijd, komen wij aan te Moskou. Wij halen onze koffers en tasschen uit den wagon, zetten ze op een hoop bij elkaar, gaan er op zitten en wachten af. Er is een oponthoud of een misverstand met de auto's die ons zouden komen halen, in elk geval ze zijn er niet. Onze koerier windt zich op en vloekt, dan gaat hij naar den chef en telefoneert aan Trotzky. »Ik ben aan het station met een groot transport kongresafgevaardigden en een belangrijke post en kan niet verder.« De auto's zullen dadelijk hier zijn.... Wij, ongeduldige Europeanen, hebben al een weinig geduld geleerd en wachten rustig, tot zij komen. Maar als wij ons herinneren de verhalen van onze makkers, die verleden jaar hier waren, over de opgetogenheid der bevolking, haar uitbundige ontvangst van de buitenlandsche afgevaardigden naar het kongres der Derde Internationale, dan voelen wij toch een lichte pijn van teleurstelling. Scherp dringt het onherroepelijke dóór tot ons bewustzijn: de wittebroodsweken der revolutie zijn lang voorbij.
VOETNOTEN:
[1] Toen ik half Juli terug kwam, wapperde uit Hotel Petrograd een mooie, nieuwe helroode Sowjetvlag.
[2] De Esthische mark heette oorspronkelijk gelijk te staan met den ouden Tzarenroebel, dus f 1.25 waard te zijn; de koers is nu ongeveer 0.8 cent.
[3] Onze passen hadden wij te Stettin aan den koerier moeten afgeven.
II.
HET UITZICHT DER DINGEN.
Zoo de lezers van dit boekje de onzinnige verwachting mochten koesteren, hierin »de waarheid over Sowjet-Rusland« te vinden, dan waarschuw ik hen nu meteen, dat zij teleurgesteld zullen worden. En zoo ik zelf met iets van een dergelijke dwaze verwachting naar Rusland ging, dan ben ik daarvan in Moskou grondig genezen.
Wat is dan toch wel »de waarheid« over Sowjet-Rusland, die ik had moeten mee naar huis brengen? Een wel-onderlegd, omvangrijk weten, omtrent wat? Omtrent alles? Alle toestanden, verhoudingen en verschijnselen in een oneindig groot rijk, waarvan de grensgebieden in uiterst gebrekkige verbinding staan met het centrum? Of is het enkel de waarheid omtrent Moskou, die mijn lezers verwachten? Maar Moskou is Rusland niet, noch de spiegel daarvan! Integendeel, in vele opzichten moet, dunkt mij, Moskou een averechtsch beeld van Rusland geven.
Of is het misschien enkel »de waarheid« over eenig bepaald punt, die minder veel-eischende lezers hopen te vernemen? Over de armoede? Over den honger, den gezondheidstoestand, de prostitutie? Over de arbeidsprestatie en de stemming der arbeiders? Over de tcheka en de terreur? Over opvoeding en onderwijs?
Over geen enkel van deze of andere punten zou ik durven beweren »de waarheid« in pacht te hebben. Over geen enkel van deze punten kan ik met zekerheid zeggen: »Zoo en zoo is de toestand in Rusland of zelfs in Moskou«. Wie, na een verblijf van eenige weken in een reusachtig land, waarvan bijna geen enkele vreemdeling, die er voor het eerst komt, de taal voldoende verstaat, om een gesprek tusschen Russen te kunnen volgen, en waar de geheele samenleving zich bevindt in een toestand van uiterst labiel evenwicht, van desorganisatie, verval en ontbinding aan den eenen kant, reorganisatie, groei en binding aan den anderen--durft beweren, »de« waarheid omtrent eenig bepaald verschijnsel te kennen, die bedriegt zichzelf of anderen. Hij zal het, bij een eerste bezoek, op zijn hoogst zoover brengen dat hij iets van de waarheid benadert, een paar tonen opvangt en begrijpt van haar ingewikkeld symphonisch weefsel, een paar glinsterende korrels opraapt van haar opgehoopte goudbergen.
Laat ik, om geen indruk te wekken van valsche bescheidenheid, hier dadelijk aan toevoegen, dat ik mijzelf reken onder hen, wien het gelukt is een paar tonen waarheid op te vangen, een paar korreltjes waarheid op te rapen. En dit op grond hiervan, dat ik marxistisch denk, revolutionnair voel, en eenige kennis bezit van de geschiedenis van het russische volk.
Wie burgerlijk denkt en kontrarevolutionnair voelt, die zal in Rusland geen korrel waarheid oprapen, al doorkruist hij het groote rijk in alle richtingen, jaren lang. Zijn kontrarevolutionnaire gezindheid sluit hem hermetisch van de waarheid af. Hij ziet enkel de hardheid, de armoede, de armzaligheid van het leven onder de proletarische dictatuur; de verschijnselen, die zijn als een stijve korst om het nieuwe worden, om het warme, zachte, lenige begin. Hij ziet enkel het hinderlijke tekort, niet de bizondere waarde van het weinige wat bereikt werd, omdat dit bereikt werd ondanks zeer ongunstige omstandigheden en met behulp van het initiatief, de scheppende energie der massaas.
Wie naar Rusland komt, zonder de geschiedenis van het russische volk onder het tzarisme en de geschiedenis der laatste jaren te kennen, wie niet in zich draagt dat weten als algemeene synthese, het weten van het regiem van den knoet, van de onkunde en het bijgeloof, van het revolutionnair ontwaken en den revolutionnairen strijd, de ontzaglijke verwachtingen, de herhaalde ontgoochelingen, de smart en de bloedoffers en de tranen en al de inzinkingen en oplevingen en al de spanning en overspanning; wie niet elke kleine ervaring, elk nietig voorval, elke inlichting hem verstrekt, kan zetten in het licht van een algemeen begrijpen, die behoeft niet te probeeren, ook maar één korreltje van de waarheid over Sowjet-Rusland op te rapen... het zal hem niet lukken. Enkel aan wie het bizondere ziet in het licht van het algemeene, in het oogenblikkelijke den maatgang voelt van een algemeen worden, enkel aan hen, die het naderen met inzicht en sympathie, geeft Sowjet-Rusland iets van zijn schatten. Want dat iets, die korreltjes waarheid, zij zijn schatten van groote waarde. Zij maken ons zeer rijk aan smartelijk geluk, zij openbaren ons, in vlammende scherpte, weer die wonderbaarlijke worsteling der menschheid om naar omhoog te leven, die worsteling waar niemand van weet, noch in welke diepten zij begon, noch tot welke onzichtbare toppen zij heenvoert.
* * * * *
In den beginne viel Moskou mij erg tegen; ik had zooveel gehoord en gelezen van de schoonheid der stad en ik vond haar rommelig, oninteressant en onharmonisch, behalve dan natuurlijk het betooverende Kreml in zijn eigendommelijke, met niets ter wereld te vergelijken, byzantijnsch-italiaansche pracht. De straat waar wij logeerden, Twertskaja Oelitza, had niet de minste bekoring, zij was rauw en banaal tegelijkertijd en een enkel mooi oud kerkje deed vreemd en bijna misplaatst aan tusschen de groote leelijke steengevaarten.
Maar, nadat ik een tijdje in Moskou geweest was, voelde ik de stad mij aan het hart groeien, en toen ik wegging, scheidde ik haast even noode van haar als van de vrienden, die ik er weergevonden of gekregen had. De schoonheid van Moskou dringt zich niet onmiddellijk op; zij overweldigt u niet plotseling. Zij ligt niet voor u gereed in een omsloten beeld, zooals bijvoorbeeld de schoonheid van Reval. Men moet haar zoeken en opspeuren tusschen de disharmonieën van den oneindigen baaierd van straten, tusschen de brutaal-moderne dor-zakelijke skyscrapers en de nog veel verfoeilijker, monsterlijke paleizen »in oud-russischen stijl« der ploertige kooplui. In de stille zijstraten is zij te vinden, waar de kleine, blanke huizen van een of twee verdiepingen schuil gaan in hun krans van groene tuinen; de oude liefelijke kapellen en kerken omhangt zij, die in stille, afgelegen hoekjes, sommige klein als kinderspeelgoed, staan. Zij glanst u tegen in het licht dat in de onvolprezen Junimaand, die wij te Moskou doorbrachten, vol afwisseling van zwervende wolkschaduwen en stralenden zonneschijn was.