Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen
Chapter 12
Donderdag, den 15den Juli tegen den avond kwamen wij te Reval aan; ternauwernood staan wij stil, of er wordt getikt tegen het raampje van den wagen. Een der hollandsche kameraden, een paar dagen voor mij uit Moskou vertrokken, knikt mij lachend toe. »Nog hier?«--»Ja, er gaat geen boot voor morgen. Gaat u met mij mee? Er is nog plaats in het hotel«. Het vooruitzicht, om na een reis van 48 uur een warm bad te kunnen nemen en in een »echt bed« te slapen, lokt mij wel aan. Ik neem afscheid van mijn reisgenooten, die er de voorkeur aan geven in den wagen te overnachten, en ga mee. Maar het hotel, waar mijn kameraad mij heen brengt, maakt een zoo afschuwelijken indruk op mij, dat ik direkt spijt krijg, niet te zijn gebleven waar ik was. Het water, wat uit de kraan in het bad stroomt, is vuil donkergeel en de kamer...... beter niet rond te kijken! Niet naar den vloer en niet naar de sofa en de smerige antimakassars op de stoelen en vooral, neen vooral niet naar de muren! Beter maar gauw in bed te kruipen--oppassen dat de deken niet tegen je gezicht komt--en gauw je oogen dicht te doen. Ach, het was in Moskou nu ook niet precies, wat een ouderwetsche hollandsche huisvrouw onberispelijk netjes noemt. Het water uit de leiding was vaak zandig; arme russische genooten, het gebrek aan materiaal en technici neep ook op dit punt; een groot aantal buizen en pijpen waren defekt en men kon ze niet repareeren; de ingenieur op de roode kommandantenschool zei me, dat van de 13 millioen per etmaal opgepompte emmers water er 6 à 7 verloren gingen.[2] En het schoonhouden van onze kamer geschiedde ook op een beetje een eigenaardige manier: de vrouwen, die met dit werk belast waren--vriendelijke, aardige towaritschi met heldere witte hoofddoeken,--hadden de gewoonte, eerst alle ramen dicht te doen, en dan met bezemen het stof van den vloer naar de lage bedden op te jagen.... Mijn kraakzindelijke kamergenoote doorstond telkens, als ze het zag, met heroïschen moed ware kwellingen des geestes. »In Sowjet-Rusland mag men niet klagen«. Maar in elk geval: de kamers werden min of meer schoongehouden; af en toe kwamen ineens een paar mannen met boenwas en lappen en wreven den vloer spiegelglad. Ze schenen zelf schik in 't werk te hebben. »Jammer, dat we zoo weinig was mogen gebruiken, maar ge weet wel, towaritsch, er is niet meer«, zeiden ze en lieten ons hun bijna leege bussen zien. Men deed, wat men kon, ook tegen de luizen. Wie daarvan last had, behoefde enkel de »opzichters van het huis«--voor Lux waren dat onze vriend Jansen en Mevrouw Rosmer--te waarschuwen, en nog denzelfden dag kwam de »brigade« met terpentijn of iets dergelijks en nam de boel onder handen. Dan was het weer voor een heelen tijd goed.
Maar deze kamer in Reval...... en dat heele hotel.... Daar wàs geen schoonmaken meer aan; het eenvoudigst leek mij het heele zaakje te verbranden. Ik zag er tegen op, daar te slapen. Niet enkel om de fysieke smerigheid, maar vooral omdat een atmosfeer je benauwde van zoo ellendige moreele degradatie, dat de weerzin je naar de keel steeg.[3] »In godsnaam«, troostte ik mij, »het is maar voor één nacht«. Maar dat zou anders uitkomen.
Den volgenden morgen moesten wij naar het duitsche gezantschap (een konsulaat is er te Reval niet), voor de visa. De Zwitsers kregen de hunnen direkt, de Duitschers ook natuurlijk. Toen kwam mijn beurt.... Pasboekje geven, lijsten invullen.... In Reval werken ze nog met de oude formulieren van 't eerste jaar na den oorlog. Ze moeten alles weten, wie je vader en moeder waren en waar die geboren werden, en zoo voort, tot in 't vierde geslacht. De ambtenaar-aan-'t-tafeltje neemt mijn ingevulde formulier aan, kijkt het door, staat op en gaat naar de andere kamer.... Wat blijft hij lang weg...... dat lijkt mij geen goed teeken. Eindelijk komt hij, geeft mij het boekje terug: »ich kann Ihnen das Visum nicht geben.... Fahren Sie über England zurück, wenn Sie nach Hause wollen.«
Weer een stilte, zooals die keer op het passenbureau te Rotterdam, enkele maanden geleden. Maar nu van een andere soort. Mijn kameraden zijn verontwaardigd en vol sympathie. Ze vinden het beroerd, dat ik hier in die muizenval moet achterblijven. »En wat gaat u nu doen?«--vragen ze belangstellend. »Ja, dat weet ik nog niet. Er zal wel uitkomst komen.«
En de uitkomst kwam werkelijk gauw genoeg: enkele dagen na hen ben ik ook »gefahren«.... niet over Engeland.... Meer zal ik niet zeggen.
Door den dwazen angst der duitsche autoriteiten werd mijn verblijf te Reval onvrijwillig een paar dagen verlengd.
Het was niet prettig de kameraden te zien weggaan en alleen achter te blijven. Al was de stad nog zoo schilderachtig en belangwekkend, de atmosfeer van woedenden winsthonger, schrille demoralisatie en slampamperij waarvan zij doortrokken was, stond mij ditmaal nog heviger tegen dan op de heenreis. Men kon de peperdure lekkernijen in de volle winkelkasten niet zien lokken, de matrozen niet stomdronken over de straat zien rollen en de vuile schieber- en spekulantenbende 's avonds in de café's champagne zuipen tot zinneloosheid toe, zonder vol bitterheid te bedenken, dat het niet enkel het Entente-goud was, waardoor het esthische volk gedemoraliseerd en bedorven werd. Sowjet-Rusland mòest levensmiddelen en werktuigen invoeren tot elken prijs: de kleine, machtelooze roofstaat aan de zee, sterk door het bezit van de beste haven in den Baltischen Golf, en door den steun der machtige imperialistische landen van het westen, profiteerde schaamteloos van den grooten nood der boeren- en arbeidersrepubliek.
In die dagen van gestrand-zijn te Reval ondervond ik veel vriendelijkheid en hulp. Ten eerste, natuurlijk, van de leden der russische missie, en verder, wat minder natuurlijk schijnt voor een communist die uit Sowjet-Rusland terugkeert, van een paar burgerlijke landgenooten, nl. den nederlandschen konsul en diens vrouw. Ik ging naar het konsulaat om een hollandsch visum te halen, en vond tot mijn blijde verrassing in den heer Van den Bosch een man, die zijn ambt opvat op ruimhartige en humane wijze, iets wat nu juist niet van alle hollandsche konsuls gezegd kan worden. »Het behoort tot mijn taak om Nederlanders, die terug willen naar hun land, daarbij behulpzaam te zijn«, dat was zijn stelregel, en hij hield zich daaraan zonder aanzien des persoons. Toen hij van mij vernam, in welke moeilijkheid ik door de kleinzieligheid der duitsche autoriteiten gekomen was, telegrafeerde hij onmiddellijk voor mij naar Riga en Libau, of vandaar wellicht in de eerste dagen een nederlandsch schip naar Holland zou vertrekken. En toen de chikaneuze politie-autoriteiten te Reval dreigden 't mij lastig te maken bij 't verkrijgen van een toestemming-tot-verblijf en een uitreis-vergunning, gaf hij mij een met 't opknappen van dergelijke zaakjes vertrouwd Esthlander mee, zoodat alles direkt in orde kwam.
In den heer Van den Bosch en zijn vrouw leerde ik landgenooten kennen, die, ofschoon burgerlijk denkend en zelfs zonder de minste neiging tot communistische beginselen, de dwaze, bekrompen en mallotige opvattingen van den gewonen nederlandschen bourgeois over revolutie en bolschewiki geenszins deelden. Bij hen, die, tot groote ontsteltenis hunner familieleden en vrienden in Nederland, den geheelen duur van den oorlog en van de omwenteling te Reval gebleven waren, vond ik een ruimen blik op de gebeurtenissen en een begrip van historische oorzaken en werkingen, als ten onzent ook bij menschen van hooge ontwikkeling en onbetwistbare superieuriteit al te vaak ontbreekt.
Deze beide interprenante Nederlanders,--in November '18 op weg naar 't vaderland te Berlijn aankomend op 't eigen oogenblik dat daar de omwenteling uitbrak, besloten zij er voorloopig te blijven »omdat het zoo interessant was, de midden-Europeesche met de russische revolutie te kunnen vergelijken«; één zoo'n trekje typeert--spraken over den afkeer van den doorsnee-Hollander voor alles wat zijn behagelijke rust stoort, zijn ziekelijke gehechtheid aan zijn pietluttigste gewoonten, zijn doodsangst voor de stormen en gevaren van het groote, wilde leven buiten zijn landje met een lichte ironische verwondering. Zij gevoelden Holland een kooitje te zijn, waarin zij het onmogelijk op den duur meer zouden kunnen uithouden.
De heer Van den Bosch bewoont 's zomers de villa Mariënberg, een landhuis van graaf Orlow-Dawidow, vóór de revolutie een der rijkste russische grondbezitters, eigenaar van eenige tienduizenden desjatinen grond, verdeeld over zeven-en-twintig groote en kleine landgoederen. Mariënberg zelf, met zijn siertuin, zijn boerderij en zijn prachtig park, zijn gazons en boschages, was geen landgoed maar enkel een »datscha«, waar de graaf zoo af en toe eens kwam neerstrijken. Voor mij, die in de buurt van Moskou slechts de bescheiden datschas der vroegere middenklasse had leeren kennen, was het bijzonder interessant nu ook nog dit typisch russische zomerverblijf van een lid der eigenlijke heerschende klasse uit het voorrevolutionnaire tijdperk te zien.
Mariënberg ligt een klein uur gaans ten noorden van Reval, aan den straatweg die langs den zeeboezem naar het dorpje Kosch voert. De weg loopt een meter of wat boven de zee; beneden zingt de branding haar doffe klacht, brekend tegen rotsblokken en steenen. Heerlijk is het gezicht voor wie van Reval naar Marienberg wandelt op de grijsblauwe baai en de gebogen kustlijn met haar zoom van donkergroene bosschen en parken. Aan den voet van den heuvelkam, die boven de baai oprijst, liggen de zomerverblijven der oude heeren van het land, tusschen zwaar geboomte, meest eschdoorns, berken en linden. Wie de wandeling in omgekeerde richting maakt, geniet van het uitzicht op de stad, met haar slanke, spitse kerktorens en glinsterende koepeldaken, haar oude, massieve muren, en op de eilandjes in de baai, waar het tsarisme, kort vóór den wereldoorlog, groote vestingwerken aanleggen liet.... Op een mooien zomerschen middag aan het einde der week, zooals ik te Reval trof, is de weg naar Marienberg en Kosch vol vroolijke troepjes menschen en kinderen, die er op uittrekken om ergens in de bosschen te kampeeren en den heelen Zondag in de vrije natuur door te brengen. Hun proviand nemen ze mee in langwerpige ronde trommels van licht hout, met riemen om de schouders bevestigd, zoodat het er uitziet of zij allen verwoede plantenverzamelaars zijn. Het volk is gehard en dol op natuursport; jong en oud geniet zooveel mogelijk van den korten zomer. Half Augustus reeds beginnen de koude noordelijke winden te waaien, de vogels vliegen naar het zuiden, het loof verschrompelt en valt af.
Links van den weg, vlak tegenover het hek dat toegang geeft tot Mariënberg, had graaf Orlow-Dawidow een vorstelijke landingsplaats voor zijn motorboot laten aanleggen; van een breed steenen bordes daalt een dubbele trap naar het water af. De trappen en het bordes zijn nog in goeden staat, maar de boven de baai uitgebouwde houten brug is in den revolutietijd vernield en verdwenen. Het zware ijzeren hek wordt aan weerskanten bekroond door twee groote leelijke ijzeren adelaars. Een meter of tien verder, aan 't eind van een laantje, ligt het grijze steenen huis, half landhuis, half kasteel, plomp, grauw, massief, meer duitsch dan russisch. In den muur is het wapen der Orlow-Dawidows uitgehouwen.
Bij het binnenkomen staat men verbaasd over de kolossale afmetingen van gangen en kamers. In de vestibule hangen jachttrofeeën; twee reusachtige bruine beren staan op hun achterpooten ter weerszijden van de lange, breede gang. Aan den eenen kant geeft deze toegang tot een suite van vier kamers, alle groot en ruim, en een dichte waranda; aan den anderen kant ligt een reusachtige biljartkamer, zoo groot als een kleine concertzaal. Daar kwamen 's avonds, na een zeilwedstrijd of een dag jagen, de talrijke gasten van graaf Orlow bijeen, daar werd gedanst en gekaart en werden de groote feesten gegeven.... Het lijkt alles onnoemelijk lang geleden, een verhaal van oude, oude dagen. In de jaren van den wereldoorlog en de revolutie en kontra-revolutie heeft deze zaal als »kasino« voor de officieren der zeer verschillende troependeelen gediend, die hier achtereenvolgens ingekwartierd waren: Kaukasiërs met hun buffelkudden, duitsche infanteristen en artilleristen, esthische en engelsche vliegeniers. Voor het eerst sedert 1919 waren de heer en mevrouw Van den Bosch dezen zomer vrij van inkwartiering: de groote zaal was afgesloten, verlaten en kil.
In alle vertrekken, ook in die dagelijks gebruikt werden, droegen, op zijn russisch, de meubels hun hoezen van effen of gebloemd katoen, dat de sleten en scheuren van het oude overtrek genadig voor het oog verbergt. Een deel van die meubels dateerde nog uit den tijd van Katharina, zij waren rijk gebeeldhouwd of met inlegwerk kwistig versierd. Russische nabootsing van fransche stijlen, alles werk van hoorige ambachtslieden, vaardige en vlijtige slaven, maar de gratie en bevalligheid der fransche origineelen ontbraken er volkomen aan. Het trof me dat in dit vorstelijk ingerichte buitenverblijf van een der aanzienlijkste russische geslachten niet één enkel ding van werkelijke schoonheid was, behalve een paar antieke kleedjes uit Beloedsjistan, die mevrouw Van den Bosch had meegebracht. Opnieuw werd mij aanschouwelijk gemaakt, hoe de russische adel evenmin als de russische bourgeoisie ooit een eigen bouwstijl, in de ruimste beteekenis van het woord, hebben bezeten. Sedert de dagen van Peter den Groote hebben zij niet anders gedaan dan innerlijk-onbegrepene, bij hun zijn en bewustzijn niet passende, westersche stijlvormen overnemen en naäpen. Alleen de boeren zijn in de laatste eeuwen de dragers van een eigendommelijken, met land en leven saamgegroeiden stijl geweest.
Ondertusschen leek Mariënberg mij een heerlijk huis om te bewonen, met zijn overvloed van ruime kamers, zeewind en zon. Een heerlijk huis voor de drie allerliefste dochtertjes van mijn gastheer--alle drie oorlogskinderen, één er van geboren op 't oogenblik dat een bom, door een vijandelijken vlieger op de buitenste vestingwerken van Reval geworpen, ontplofte vlak vóór het huis--om in te ravotten en verstoppertje en verlos te spelen. Een heerlijk huis óók, als ik zelve ervoer, om te logeeren in een van die lichte, witte kamers, zooals men ze ook in oude hollandsche buitenhuizen vindt, waar de groene takken der boomen van het park bijna de ramen binnengroeien en ge 's morgens onder het aankleeden met welbehagen de zuivere, prikkelende ochtendlucht insnuift. Het kontrast met mijn weerzinwekkende kamer in het hotel was werkelijk groot.
Terzijde van het huis, door een gang er mede verbonden, staat het groote bijgebouw waarin zich de oude »herrschaftliche« keuken bevond, die thans niet meer gebruikt wordt. Twaalf koks, keukenmeisjes en helpsters, ruim een derde deel van het totale dienstpersoneel van graaf Orlow, waren hier in de oude dagen van den morgen tot den avond in de weer om korhoenders en faizanten te plukken, groenten schoon te maken, »warenie« (vruchtenmoes) en wodka naar de oude familierecepten te koken, »pirogs« (pasteien) te bakken en alle mogelijke verdere lekkernijen te bereiden voor den heer en zijn gasten. Uit die groote keuken werden alle spijzen de gang door gedragen naar een kleinere, die met de eetzaal in verbinding stond: daar werden ze voor zoover noodig opgewarmd en kunstig opgemaakt, om den smaak der verwende, overvoede gasten te prikkelen.... Het was of de gastronomische genietingen, in de eerste hoofdstukken van »Oblomoff« beschreven, pas goed levend voor mij werden toen ik die gargantuaansche keuken zag. In het geheel had de graaf te Mariënberg 35 bedienden. Welk een verleden van verspilling van arbeidskracht, opvoeding tot luiheid en dagdieverij ligt achter het Russische volk! Welk een zelfoverwinning en zelfopvoeding zullen noodig zijn om te komen tot ordelijke, gedisciplineerde samenwerking!
In het park van Mariënberg staan een aantal bijgebouwen, zooals men die bij alle russische landhuizen vindt: stallen en schuren, het waschhuis, de woningen voor de getrouwde bedienden, enz. Thans waren die gebouwtjes bijna allemaal in beslag genomen door vluchtelingen uit Rusland, tschinowniki en grondbezitters, die tegen het sowjet-bestuur gekonspireerd hebben of willen konspireeren, spekulanten en schieber, die angst voor het waakzaam oog en de strenge hand der Tscheka over de grenzen drijft. Sommigen leven hun armzalig leventje, terend op meegebrachte kostbaarheden, die zij stuk voor stuk verkoopen; anderen hebben in Estland het een of ander baantje weten machtig te worden, enkelen geven lessen of vormen strijkjes. Toen ik met den heer Van den Bosch Maandagmorgen vroeg naar de stad terugkeerde, liet hij halverwege de auto even stoppen om den ex-gouverneur van Kiew, dien wij inhaalden, op te pikken. Een klein mannetje met een baard, hoffelijk en opgewekt, en die vloeiend fransch sprak.... Zoo heb ik dan toch in Rusland met één ci-devant kennis gemaakt.
Van de baltische baronnen zelf zijn de meesten in den aanvang van de revolutie gevlucht en niet teruggekeerd, sommigen van hen die bleven wonen nog in hun oude landhuizen. Men heeft hun die, met een weinig grond erbij gelaten: de boeren zelf konden er toch niets mee doen. Voor het overige heeft de agrarische revolutie hier denzelfden loop gevolgd als elders in Rusland: de boeren hebben de bezittingen van den adel onteigend en onder elkaar verdeeld. De grond is niet zeer vruchtbaar, en daar hun de kennis en het kapitaal ontbreekt om in veeteelt en landbouw verbeteringen in te voeren, is de opbrengst van het land na de revolutie snel gezonken. De betere methoden van bewerking, door enkele grootgrondbezitters toegepast, zijn op de kleine bedrijven van de arme boeren niet in zwang. Vleesch is goedkoop in Estland, maar dat is een veeg teeken: de boeren slachten hun vee, omdat zij geen voeder genoeg hebben. Een groote agrarische krisis is in de toekomst onvermijdelijk.
Hij die mij dit alles vertelde was een esthisch ingenieur, mede-direkteur van een groote papierfabriek, evenmin neigend tot het bolschewisme als mijn gastheeren, maar ruimdenkend als zij. Ruimdenkend genoeg ook om de ultra-nationalistische gezindheid niet te deelen waar de doorsnee-burgerman in Estland thans mee te koop loopt. Estland met zijn 1 à 2 millioen inwoners, oordeelde hij, kon geen staat op zichzelf blijven vormen, het had er de stof niet voor, economisch-afhankelijk van Rusland als het was. Reval leefde thans van den doorvoerhandel naar Rusland. Maar ook de industrie, voornamelijk papierfabrikage, produceerde voornamelijk voor de russische markt. De fabrieken hadden bijna den geheelen oorlog door kunnen werken: grondstof zoowel als brandstof leverden de Estlandsche bosschen. Maar nu in den laatsten tijd, begon een zware concurrent op te komen in Finland. De finsche papierindustrie beschikte als motorische kracht over de vele wateren en stroomen van »het land der duizend meren«; daarenboven was zij veel meer geconcentreerd; de grootste finsche papierfabriek had alleen evenveel machines in werking als alle estlandsche te zamen. Vóór den oorlog was de finsche concurrentie niet gevaarlijk geweest, doordat Rusland inkomende rechten hief op de finsche industrieproducten; na den oorlog had de esthische nijverheid een tijdlang geprofiteerd van den papierhonger van Rusland, dat geen handelsbetrekkingen met Finland onderhield. Nu echter was een handelstraktaat tusschen beide landen tot stand gekomen: wilden de esthische papierfabrikanten op den duur de russische markt niet verliezen, dan zouden zij het bedrijf moeten moderniseeren, de productiviteit van den arbeid opvoeren door betere machines.
De meer verstandige leden der esthische bourgeoisie, meent mijn zegsman, zien zelven wel in, dat nauwe aaneensluiting met Sowjet-Rusland noodig en op den duur onvermijdelijk is. Zij droomen van een toekomst, waarin Estland, zijn eigen regeerings- en bestuursvorm behoudend, in alles wat het verkeerswezen, het postwezen, het muntwezen enz. betreft, met de sowjet-republiek een eenheid vormen zou.
Ik heb geen lust om een politieke discussie te beginnen, waarvan ik de onvruchtbaarheid inzie. Dus ik zwijg. Maar in mij zelf denk ik: een sowjet-staat kan onmogelijk staatjes in zich opnemen, die nog op grond van den burgerlijk-parlementairen regeeringsvorm geregeerd worden; zij zouden vreemde lichamen in zijn lichaam zijn. De vereeniging der verschillende randstaten met Sowjet-Rusland kan enkel een vrucht zijn der revolutionnaire ontwikkeling.
Al pratend waren wij den hollen, steilen weg opgestegen, omhoogvoerend van den achterkant van het park naar de hoogvlakte, die, van den straatweg af gezien, mij een langen heuvelkam had toegeschenen. Voor onze oogen lag het eentonige plateau: steenige, armoedige heidegrond; hier en daar graasden enkele schapen of runderen; ver weg aan de kimmen, rezen de daken van een paar boerenhofsteden omhoog. Wanneer wij ons omkeerden zagen wij in de diepte onder ons de zee, wier staalblauwe tint al tot staalgrijs verdonkerde; ook het wijnrood en purper der goudgerande avondwolken in het westen vergrauwde snel....
* * * * *
De laatste dag van mijn verblijf te Reval was een Zondag. Over de stad hing, toen ik in den stillen, grijzen morgen trad, een stemming van rust en vrede. De winkels waren gesloten, de straten leeg van menschen, een enkele verlate kerkganger repte zich over het smalle trottoir. Op de markt bruiste, komend uit een der nauwe straatjes die op haar toeloopen, krachtig, helder koorgezang mij tegen. Ingeklemd tusschen de oude huizen stond een Luthersche kerk; ik trad binnen en luisterde met genot naar den psalmzang der gemeente, niet zeurderig-gerekt als ten onzent, maar vol rythmische kracht. Maar toen een gebefte, betogaadde dominee den kansel besteeg, kreeg ik het benauwd en vluchtte, bang voor de verveling van de preek. Een trappensteeg bracht mij op de bult in het hart der oude stad, waar de groote russische kerk stond. De dienst zou net beginnen. Te Moskou had ik aldoor plan gehad een kerkdienst bij te wonen, maar geen gelegenheid gevonden. Ik was blij dat die zich nu toch dien laatsten dag nog voordeed.
Het was de eerste keer in mijn leven, dat ik een grieksch-katholieke lithurgie hoorde en ik had mij die niet voorgesteld van een zóó ontroerende schoonheid. Een heerlijke, diepe basstem zingt het recitatief, een hoogere respondeert, telkens valt het onzichtbare koor in, getuigend en smeekend. De klanken zwellen en nemen weer af, het is een voortdurend vloeden en terugstroomen, een deining zonder einde, als een lied der natuur. Maar een natuurlied verdiept door menschelijk hunkeren en smachten; een uitstorting en reiniging van het menschelijk gemoed, beheerscht toch en vol melancholie van berusting. Een oneindige mildheid, een zachte vertroosting, een heerlijke innigheid doorruischt dien zang, maar alles verdroomd en los van de aarde. De ziel wordt uitgevoerd boven smarten en twijfelingen; zoete rust keert tot haar in. Telkens vervloeit een hoogtepunt van pathos tot een nieuw gemurmel, dat dan, op zijn beurt in zich opnemend de ongestilde verlangens en geheime droomen van het menschenhart, weer uitstroomt in rijke bewogenheid, als een rivier, door duizend verborgen bronnen en liefelijke beken gevoed.