Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen

Chapter 11

Chapter 113,583 wordsPublic domain

Geheel toevallig kreeg ik gelegenheid, iets te zien van wat in de leger-organisatie op dramatisch gebied nagestreefd wordt, door het bijwonen van een uitvoering van leerlingen der »School voor Roode Kommandanten« te Moskou. Inderdaad zoo toevallig mogelijk, want wij waren, een mijner vrouwelijke mede-gedelegeerden en ik, van plan naar de opera te gaan en reeds op weg daarheen, toen een russisch kameraad, die in dezelfde auto zat, ons vertelde, dat hij en de vierde tochtgenoot, de fransche afgevaardigde Vaillant-Couturier, na ons bij den schouwburg afgezet te hebben, hun weg zouden vervolgen naar het Kreml om daar een »door soldaten gegeven« voorstelling bij te wonen. Onze belangstelling was gewekt, wij vroegen nadere inlichtingen en besloten al gauw, de opera te laten schieten en mee te gaan naar het Kreml. Wij hadden er geen spijt van. Want zoowel wat wij daar zagen, als de sfeer waarin wij het zagen, was belangwekkend en sympathiek, vol glans van belofte en vol opbloeiend leven.

Opgevoerd werd een gemoderniseerd satyrisch sprookje met muziek en zang. Het hoofdthema was, hoe de heerschende klassen--vertegenwoordigd door een ridder, een pope, een wetgeleerde enz.--na den dood van een Tsaar in diens plaats een pop opstellen en het »domme volk« daar voor buigt en zich met zijn smeekbeden wendt aan den vermeenden heerscher. Eindelijk wordt de list ontdekt, dappere jonge arbeiders dringen, aangevuurd door de traditioneele Vrijheidsfiguur, het paleis binnen, rukken het levenlooze schijnbeeld der macht het masker af en veroordeelen de heerschenden, die er zich achter verscholen, tot verschillende humoristische straffen. Het stuk eindigt met een soort apotheose: de Vrijheid, die zich met den Arbeid verbindt. Voor zover ik den tekst volgen kon, was die vlot en levendig, in den volkstoon geschreven, soms fel-satyrisch, soms goedmoedig spottend, en alleen op 't eind, bij de obligate apotheose van de Vrijheid en den Arbeid, even vervallend in deklamatorische rethoriek. De communistische ideologie heeft nog geen nieuwe symbolen geschapen, noch een nieuwen heroïschen stijl voortgebracht, en zoolang dit niet het geval is, zullen frissche satyre, geestige spot en teedere lyriek, de aesthetische meest waardevolle elementen van het volkstooneel zijn.

De uitvoering was zeer verzorgd, een genot voor oogen en ooren. Men vertelde ons, dat een vakman bij de regie had geholpen, verder was alles het werk van de leerlingen en oudleerlingen der school. Uitstekend leek mij het probleem opgelost der verbinding van fantastische styleering met satyrische typeering tot één harmonisch geheel. Het--zeer sobere--decor was prachtig van lijnen en kleuren, en enkele kostuums, vooral dat van de oud-russische figuur van den bogatyr, den ridder, waren verrukkelijk om naar te zien. De akteur (een oud-leerling der school), die deze rol vervulde, speelde niet alleen bijzonder goed, maar hij had een zoo mooi vol, klankrijk bas-orgaan, als men slechts zelden hoort. Trouwens, er waren meer mooie stemmen bij, en het spel was zonder uitzondering goed, levendig en toch beheerscht. Het was bijna onbegrijpelijk, dat dit alles dilettanten waren. Bijzonderen indruk maakten de kollektieve momenten in het stuk; ik herinner mij een episode met drie boeren in de klassieke russische volksdracht, die zich voor den gewaanden Tsaar op de knieën werpen om hem te verbidden. De onduleerende bewegingen, waarmede de drie handenwringende gedaanten in hun lange witte gewaden langzaam nader kropen tot den troon, waren prachtig van expressie. Men zag werkelijk even een verschiet van plastisch-dramatische schoonheid open gaan.

Telkens moest ik dien avond denken aan de stumperige dilletanten-uitvoeringen van realistische eenakters, waarop men ten onzent in vroeger jaren getrakteerd werd, wanneer men als »feestredenaar« op S.D.A.P.-avonden optrad. En ook dacht ik, hoe thans nog wel »revolutionnaire« vereenigingen op hun feestavonden, uit aesthetische armoe, de toeschouwers vergasten op typisch-burgerlijke, individualistisch-dekadente danskunst[4].

Voor en na de opvoering hadden wij gelegenheid met onze gastheeren, de jonge leerlingen der »school voor Roode Kommandanten« en hun superieuren kennis te maken. Mijn eigen indruk kwam geheel en al overeen met het oordeel, dat een der leidende krachten van de school tegen mij over de leerlingen uitsprak: »dit is een door en door gezond element, vol zuiver enthousiasme«. Hij vertelde ons, hoe in den vorigen winter, toen tengevolge van de plotselinge vermindering der broodrantsoenen de bevolking van Moskou onrustig was, de leerlingen soms een etmaal achtereen patrouilledienst moesten verrichten. Ook hun eigen rantsoenen waren verminderd geworden, maar toen zij bemerkten, dat de arbeiders 't nog veel ellendiger hadden dan zij, en somtijds van uitputting neervielen in de fabrieken, deden zij ten behoeve dier ongelukkige makkers afstand van een deel van hun eigen rantsoen.

De jongens zelf--verreweg de meesten waren boerenzoons, ongeveer één vierde arbeiders--maakten een allerprettigsten indruk. Zoo echt-jong en levenslustig waren zij, zoo vol begeerte naar ontwikkeling--Fransch, Engelsch, literatuur, wat al niet wilden zij leeren;--zoo vol belangstelling in de arbeidersbeweging van andere landen. Zij gaven mij het tijdschrift, dat zij zelf redigeerden en met eigen bijdragen: verhalen, schetsen, verzen, dialogen, vulden; een hunner, een jonge dichter, schreef ook een opdracht daarin. Helaas, de opdracht heb ik, evenals die van de toegewijde Proletkult-menschen, van mijn lieftallige armenische genoote met het mooie olijfkleurige gelaat, van mijn dappere vriendin Kollontay en van nog anderen, moeten scheuren uit de boeken, brochures of manuscripten, die ze mij schonken, uit beduchtheid voor mogelijke chicanes van nijdasserige esthische of duitsche douane-beambten.

Iets geheel anders dan de opvoering van het satyrische sprookje in de school voor Roode Kommandanten was de voorstelling, welke ik zag van »Mysterie Bouffes«, een soort revue-feërie door Majakowski, den meest beroemden dramaturg der revolutie, ter gelegenheid van het congres geschreven. Het stuk werd op twee verschillende plaatsen, met geheele afwijkende monteering en enscèneering, vertoond: in een tamelijk klein volkstheater, met russischen tekst, voor het Moskousche publiek; en in een groot cirque, met duitschen tekst, voor de buitenlandsche gasten.

Ook Majakowski heeft in dit stuk traditioneele gegevens en motieven, voornamelijk uit het Oude Testament, gebruikt en ze verwerkt tot een fantastisch, half symbolisch half satyrisch geheel. Loenascharski karakteriseerde zijn werk m.i. zeer gelukkig met de woorden »een dramatisch affiche«. Het stuk, dat in een serie symbolische tafereelen de uitbuiting, den strijd en de zegepraal van het proletariaat als een grooten tocht door verschillende levenssfeeren, met overwinning van allerlei belemmeringen en hindernissen in beeld brengt, leek mij rijk aan inventie, aan vernuft, aan treffende situaties en gezegden, maar tamelijk inkongruent, zonder innerlijken band en zonder eenige werkelijke dramatische spanning. Een der aardigste scènes is die, waarin de arbeiders, na de hel zegevierend doorschreden te hebben, het »mensjewistisch paradijs« bezoeken. Hier vinden zij behalve Rousseau en Tolstoi, nog vele andere minder bekende apostelen van de klassen-harmonie, waaronder de »wolkenmelkende« droomer. Natuurlijk is de figuur van den verzoening-predikenden mensjewiek, die tenslotte door alle partijen gehoond wordt en van alle kanten slaag krijgt, een der bestgeslaagde van het stuk. Na hel en hemel achter zich te hebben gelaten, komen de arbeiders in »de sfeer van den chaos«; zij dreigen ten onder te gaan, maar een uiterste krachtsinspanning redt hen en voert hen in het rijk van den broederlijken, gemeenschappelijken Arbeid: de communistische samenleving begint.

Toevallig had ik gelegenheid, om op denzelfden avond een groot deel der russische voorstelling en de duitsche in haar geheel te zien; zoodat ik interessante vergelijkingen kon maken. In beide gevallen waren het de kubisten, die de enscèneering verzorgd hadden, en toch was het verschil tusschen de twee opvoeringen enorm groot. De russische was in elkaar gezet met weinig materiëele hulpmiddelen en slechts een klein aantal personen, naar schatting 25 à 30, namen aan haar deel, terwijl in de ge-europaniseerde alles zeer grootscheeps en met het oog op massale werking was opgezet; het aantal spelers en figuranten bedroeg ongeveer 350. Ik voor mij gaf verreweg de voorkeur aan de russische monteering; zij was een weinig plomp en armoedig, maar bereikte hier en daar treffende dekoratieve werkingen en haar naïf karakter paste, naar mij toescheen, bijzonder goed bij den volks-dommelijken aard van het stuk. Vooral scheen mij dit het geval in de scènes, waar men beneden op het tooneel den hellemond zag gapen, terwijl wat hooger, door een soort rotswildernis van de aarde gescheiden, het paradijs zichtbaar werd, met engelen en heiligen in middeneeuwschen trant. Dit gedeelte deed mij in de russische opvoering, ook door de boert en spot die er in vervlochten waren, denken aan middeneeuwsche mysteries. Alleen zijn daarin enkel de duivels kluchtige personaadjes geworden; de engelen en heiligen vervullen de rol, die in de revolutionnaire russische kunst is toebedeeld aan de arbeiders.

De ge-europaniseerde voorstelling kon mij, al gaf zij enkele mooie tooneel-effecten te zien slechts matig bekoren. Ik vond haar overdruk en woelig en, naar mij docht, sterk geinspireerd op motieven van Reinhardt. Ook de gemaakte, sleepende wijze, waarop de tekst werd gezegd, in een soort dreun en met overmaat van rethorische akcenten, scheen mij slecht bij den aard der verzen te passen. Wat ik buitengemeen bewonderde, was het groote scherm, dat aan den achterkant de arena afsloot en gedurende de verschillende tafereelen onveranderd bleef. Kubistische vormgeving en een sterk kleurgevoel hadden hier te zamen iets bereikt, wat mij ongeëvenaard leek op de Europeesche theaters; konstruktief en tegelijkertijd vol sterke, stoutmoedige schoonheid.

De twee onderling zoo zeer verschillende en toch ook onderling verwante stukken, die ik in Sowjet-Rusland zag opvoeren, waren voor mij hierom verheugend, omdat er uit bleek dat, al heeft de nieuwe dramatische volkskunst nog niet volkomen met het kleinburgerlijk realisme gebroken, toch de meer interessante en belangrijke tooneel-experimenten in een geheel andere richting plaatsvinden. En ook kreeg ik den indruk dat zoo het kubisme, voor zoover ik zag, in Rusland de schilderkunst vernieuwd noch verrijkt heeft met nieuwe meesterwerken, het daarentegen geroepen schijnt, de wat rauwe aankleeding te leveren, die bij dit eerste begin eener nieuwe dramatische gemeenschapskunst past.

VOETNOTEN:

[1] Dit werd mij ook duidelijk uit een bezoek aan een tentoonstelling van russische volkskunst (meubelen, gebruiksvoorwerpen, weefsels, kant, enz.) die te Moskou voorbereid werd en die ik door de vriendelijkheid van den direkteur van het museum van oude kunst voor de opening kon bezoeken. Het prachtige houtsnijwerk der boerenkunst, dat vele motieven ontleent aan de oude sagen (fantastische monsters, vogels, bloemen, enz.) en soms aan Balineesche kunst doet denken, kwam pas in de laatste decenniën in verval door het werken voor den verkoop, dat zich ontwikkelde. Naar men mij mededeelde is het uiterst moeilijk vast te stellen wanneer bepaalde voorwerpen vervaardigd zijn, doordat een algemeene stijl zich langen tijd krachtig heeft gehandhaafd.

[2] Een aantal van de jongens, die aan dit gymnastiekfeest deelnamen, en eveneens de meeste vaandeldragers, waren, op een lendendoek na, geheel naakt. Ook bij de afdeelingen, die tezamen met meisjes turnden, (deze droegen een witte blouse en een kort blauw rokje) waren er velen, die niet meer droegen dan dit allerprimitiefste kleedingstuk. Al die jonge, gebronsde lichamen in den klaren zomerdag te zien bewegen tusschen de groene berken, op het golvend terrein van den Musschenberg, dat was zóó mooi, zoo edel en natuurlijk, zoo vèr uit boven de valsche schaamte en de conventies van het westersch puritanisme,--om niet te spreken van minderwaardige sexueele gevoelens, die het ontbloot gaan b.v. in de fransche badplaatsen opwekt--dat men het gevoel kreeg of de helleensche kultuur herrezen of een nieuw kultuurtijdperk begonnen was.

Onder de jongelingen en vaandeldragers, waren er enkele van een statueske schoonheid. Ik had gelegenheid om den leider der turnfeesten even te spreken en hem te vragen, of er in den beginne geen sterke tegenstand bij de massaas geweest was tegen deze »naaktlooperij«. »Ja,« antwoordde hij, »vooral te Petrograd waren de kleine burgerij en een deel der arbeiders er fel tegen; eenmaal werden zelfs een aantal turners, die in de gebruikelijke ontkleeding van een oefening terugkwamen, gearresteerd en men telefoneerde naar Moskou, wat men met hen moest doen. Natuurlijk luidde het antwoord: »dadelijk loslaten«. Ook werd er onder het volk gezegd, »dat de bolsjewiki de menschen naakt lieten loopen, om kleeding uit te sparen«. Maar nu is die tegenstand overwonnen; sport en gymnastiek worden zeer populair«.

[3] Zoo hoorde ik, dat ook op het gebied van teekenen en schilderen in het Roode Leger veel meer is gedaan en veel grooter resultaten bereikt zijn dan door den »Proletkult«.

[4] Ook in Rusland trouwens gebeuren nog rare dingen. Zoo trakteerde men ons, op den avond der »plechtige opening« van het communistisch kongres, na ontelbare redevoeringen op de trillers en het geroekoeloer eener typisch-burgerlijke sopraan-zangeres met een uitgesneden japon en lange wit-glacé handschoenen aan!

VIII.

DE TERUGREIS.

Het kongres, dat reeds vroeger had zullen eindigen, hield zijn laatste avondzitting toen ik vertrok. Ik wilde niemand storen, ging weg zonder afscheid te nemen, beklemd door de gedachte zoovele voornemens onuitgevoerd te hebben gelaten, zoo weinige goudkorrels slechts te hebben kunnen oprapen van de al schatten, die liggen verstrooid en vaak verscholen tusschen de chaotisch-dooreengeworpen elementen van het russische leven. Het was een van die dagen, dat alle rijke lieflijkheid van den zomer plotseling en ontijdig op de vlucht schijnt gejaagd door de barsche voorboden van den herfst. Windvlagen omgierden den trein, zoodra wij uit den kap van het station wegstoomden; tegen de raampjes van den waggon kletterde de regen. Vaarwel Moscou, gij schoone blanke stad met de gouden koepels uwer duizend kerken, vaarwel Kreml met uw fantastisch-italiaansche pracht. En gij dappere russische genooten, groot van moed, onbuigzaam van wil en teeder van hart, vaartwel en moge de toekomst u lichter zijn dan het heden is. Of ik tot u weer zal komen weet ik niet, maar wel, dat ik altijd naar weer te komen zal verlangen.

De treinvaart naar Reval, in de komfortabele russische waggons en met gezellige reismakkers, was een verpoozing na het enerveerende leven te Moskou met zijn onvermijdelijke spanningen, teleurstellingen en inzinkingen. Wij waren onder de eerste buitenlandsche gasten, die vertrokken: de zwitsersche delegatie, de zweedsche, een paar duitsche partijgenooten en ik. Ook reisde in onzen wagen een russische ingenieur met zijn gezin, die opdrachten der sowjet-regeering te vervullen had te Stockholm en te Londen.

Met de zwitsersche delegatie: de magere, levendige Rosa Grimm, den dikken zwaarmoedigen Schaffner (nooit zag ik hem glimlachen, maar ik wist dat hij dag en nacht met plannen bezig was, hoe Sowjet-Rusland te helpen), beide redacteurs van de »Basler Vorwärts«, en hun mede-afgevaardigde Lindau, een dappere, toegewijde proletariër, propagandist onder de hardleersche bevolking van Basel-land,--deelde ik de koupee. Af en toe bezochten wij de Zweden in de hunne, of wel deze vriendelijke kameraden zochten ons op en brachten ons een geurigen, zelfgezetten kop koffie. Vooral de vrouwen van hun gezelschap waren in hooge mate aantrekkelijk, zoo zuiver, rustig en zacht: een hunner had een russisch oorlogskind bij zich, dat over Stockholm verder zou reizen naar Parijs, om zijn moeder terug te zien, waarvan oorlog en blokkade het vele jaren gescheiden hadden.

's Avonds, den 13den Juli, kwamen wij te Petrograd aan. De trein hield slechts een paar uur stil; er was geen gelegenheid, den wagen te verlaten. Somber en dood lag de stad onder de grauwe hemelen; de eene harde kletterbui joeg de andere; zelden, heb ik het zóó lang achtereen zoo hevig zien regenen, als op de treinreis van Moskou naar Reval. Wat waren de moeslanden met kool en aardappels, die de stad met hun breeden gordel van groen omringden, in de weken, verloopen sedert wij de reis maakten in omgekeerde richting, welig gegroeid! De kollektieve arbeid van vele vlijtige handen had die moeslanden aangelegd, bezaaid en zorgvuldig onderhouden; het resultaat scheen uitnemend. Gelukkig, dat de tuinbouw een goede oogst beloofde. Met heimelijken angst zochten onze blikken het woud der tallooze fabrieksschoorsteenen af, om na te gaan, hoevele daarvan rookten: het waren er slechts enkele, een half dozijn misschien.[1]

»Toen ik verleden jaar December uit Londen terugkwam,« vertelde de ingenieur, terwijl de trein langzaam in een wijden boog om de stad reed van het zuid-oosten naar het baltische station in het westen,--»toen ik verleden winter terugkwam en wij Petrograd naderden, was ik ten hoogste verbaasd. Haast alle fabrieksschoorsteenen rookten: er scheen een wonder gebeurd. Maar wij hebben ons optimisme en onzen overmoed duur moeten betalen, reeds een paar weken later begonnen de moeilijkheden met de brandstoffen en de levensmiddelen. Wij hadden het vermogen van onze transportmiddelen vèr overschat.«

Ik herinnerde mij mijn gesprek met Pierre Pascal, den intelligenten schranderen Franschman met het wel-gedokumenteerde en gefundeerde oordeel, een der zeer enkele buitenlanders die mij, ook door zijn grondige kennis van de russische taal, tot oordeelen werkelijk bevoegd leek. Ook hij zocht den sleutel voor de huidige weinig bevredigende situatie ten deele in de gevolgen van de vreeselijke brandstoffen- en voedselkrisis van den vorigen winter. Als een bliksemstraal, komend uit den helderen hemel, was die geweest. Men had zoo vast vertrouwd, de ergste moeilijkheden te boven te zijn, werkelijk op weg naar het communisme te wezen en toen ineens die ineenstorting. Nog waren haar moreele gevolgen van neerslachtigheid en ontmoediging niet geheel overwonnen, toen het hongerspook dreigend aan de kimmen verscheen......

»Het eerstnoodige«, ging de ingenieur voort, »is nu het herstel van den landbouw en de vermeerdering der voedselvoorraden. Wij intellektueelen hebben ons onze vroegere weelde-behoeften grondig afgewend; wij zijn tevreden als we onzen kinderen voldoende brood kunnen geven, maar de zekerheid van geen honger te zullen lijden, diè moet er zijn, eer van toeneming der industriëele productie sprake kan wezen. Zooals de toestand thans is, moeten de technici en andere intellektueelen veel te veel tijd besteden aan improductieven arbeid. Ook in de regeling van het stedelijk verkeer moet verbetering komen. Thans verricht een ingenieur b.v. dagelijks niet meer dan 2 à 3 uur arbeid in zijn speciaal vak, de rest van den dag heeft hij noodig voor allerlei werk, zooals hout aansleepen en kleinhakken voor den winter, er op uittrekken om op het platteland levensmiddelen te koopen, enz. Daarenboven moet hij dagelijks te voet den langen weg heen en terug afleggen naar zijn bureau. Dit alles is verspilling van arbeidsvermogen. Daarom heeft de regeering gelijk, om door de nieuwe belastingregeling den arbeidslust der boeren te prikkelen; de vermeerdering van de levensmiddelen zal gunstig werken op het herstel der kleinindustrie. Wij hebben de vreemde kapitalisten daarvoor niet noodig; in Rusland zelf is nog kapitaal genoeg. Enkel om de grootindustrie weer op de been te helpen is de hulp van het buitenlandsche kapitaal en de buitenlandsche techniek onontbeerlijk. Maar alles zal in langzaam tempo en voorzichtig moeten gaan; zoo men ons op het oogenblik b.v. plotseling duizend lokomotieven op ons dak stuurde, wij zouden er niets mee kunnen aanvangen. Immers het mangelt ons niet enkel aan locomotieven, maar ook aan waggons, aan steenkool, aan dwarsliggers, aan technici; kortom aan alles. Daarom kàn men het herstel van het ekonomische leven niet forceeren; wij moeten eerst b.v. 5 of 10 of 20 pCt. van de vroegere productie in bepaalde takken van bedrijf herstellen en deze dan allengs hooger opvoeren; alleen zoo zullen nieuwe katastrophen voorkomen worden. Wij zitten ingeklemd in den betooverden cirkel van het gebrek-aan-alles, maar het eenige punt, waarop die booze cirkel doorbroken kan en moet worden, dat is de landbouw.«

Deze ingenieur was naar mij verteld werd, evenmin lid der communistische partij als de dokter van het model-zuigelingen tehuis en de leider der proefschool in de bosschen. Maar hij scheen mij den geest der nieuwe dekreten, zoowel als de noodzakelijkheid waaruit ze geboren werden, beter te begrijpen dan menig buitenlandsch partijgenoot!......

Tusschen Petrograd en de grens, niet ver van Gatschina, kwam de prowoznik ons roepen, om van uit het gangetje achter in den wagen een typisch-russisch tafereeltje te zien. Op den rand van den waggon achter den onzen zaten tegen elkaar aangedrukt, met de voeten rustend op den koppelstang en de ruggen steunend tegen de wand, twee meisjes, haveloos, zichtbaar verkleumd en toch met al den overmoed der jeugd ons toelachend! »Ze zijn te Gatschina stilletjes op de treeplank geklauterd,« vertelt de prowoznik, »nu reizen ze als blinde passagiers mee tot het volgend station; daar gaan ze melk en eieren van de boeren koopen, keeren, als ze kunnen, weer op dezelfde manier terug, om hun waren met een zoet winstje van de hand te doen. Kleine spekulanten zijn het, zooals er thans duizenden door Rusland trekken.«

Ik zou zeker groot medelijden met de kinderen voelen, die daar zitten, slecht beschut tegen den nog altijd neerstroomenden regen en den guren noord-westenwind, zoo ze ons niet zoo zielsvergenoegd met hun blinkende tandjes toelachten. Ze maken heelemaal geen zieligen indruk. Maar Rosa Grimm, blijkbaar weeker van hart dan ik, smeekt onzen prowoznik de kleine avonturiersters in onzen wagen op te nemen. Hij echter weigert beslist; zijn open gelaat, zijn vaste heldere stem, alles aan hem ademt onvermurwbaarheid. »Wij, die den diplomatieken waggon begeleiden«, zegt hij, »staan onder ijzeren militaire discipline«. Tweemaal herhaalt hij met grooten nadruk »jeliozni militaricheski disziplin«. En of partijgenoote Grimm ook buiten zich zelf raakt van boosheid, hij houdt voet bij stuk. »Gij, die de oude bureaucratie vernietigd hebt, drijft nu zelf een bureaucratischen vormendienst,« zegt het driftige vrouwtje verontwaardigd. »Ik mag het niet doen«, antwoordt hij, en schudt het hoofd. »Als het dan onmogelijk is, ze hier op te nemen, mogen ze dan niet in een der andere waggons binnengehaald worden? Ze zijn heelemaal blauw van de kou.« »Over de andere waggons heb ik niets te zeggen«.--Het einde is dat de kinderen blijven waar ze zijn; een van ons brengt hun brood met boter en kaas; hun lachende gezichtjes glunderen nu nog meer en ze zetten hun tanden in de dikke hompen zwart sowjet-brood, onverschillig voor den gierenden wind en den kletterenden regen. Een kwartier later stopt de trein: vlug als katten springen ze de treeplank af en verdwijnen in het gewoel.