Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen
Chapter 10
De houten chalets, waarin de meeste kinderkolonies zijn ondergebracht, hebben voor ons gevoel, gewend als wij Hollanders zijn aan witte muren en lichte behangsels, iets sombers. Dit komt door de kale bruine sigarenkistjesachtige wanden, en doordat ze liggen aan alle kanten tusschen het hooge hout. Gedempt valt het daglicht binnen door de kleine vensters. Maar de meesten van die huizen hebben groote open waranda's en balkons, en dat is voor de kinderen een heerlijkheid! Daar spelen de kleintjes, daar gebruiken allen hun maaltijden, kinderen en personeel. Ook nu stonden de tafels gedekt. In alle kolonies en scholen die ik zag, wordt geprobeerd het voor de kinderen aan tafel en in huis gezellig te maken; overal was met een wit tafellaken gedekt en versierden groote bouquetten veldbloemen de tafels; sommigen van hen bekoorden door hun schilderachtigheid en het fijne gevoel voor kleurschakeering. Ook de huizen zelf die we bezochten waren versierd ter eere van het feest; de kinderen hadden dit zelf gedaan met takken en twijgen die ze uit het bosch haalden en aan de muren spijkerden; een frissche geur van hars en dennen kwamen ons uit de kamers te gemoet. Wat waren die kamers eenvoudig! Er stond niets dan het hoognoodige: enkele tafels en stoelen. Kasten zag ik bijna nergens, behalve kleine open kastjes voor speelgoed en leermiddelen. De kleeren worden geborgen achter een gordijn; voor 't wasschen zijn afzonderlijke ruimten ingericht. Doordat dit alles huizen geweest waren van middenstanders, beambten enz.--dus betrekkelijk klein en eenvoudig,--waren er nergens groote slaapzalen met tientallen bedden. Dat paste trouwens ook heelemaal niet in het systeem: men wilde de kinderen opvoeden wel buiten de bekrompenheid en engheid van 't »burgerlijke« gezin, maar niet in een kazerneachtige omgeving. Elk »huis« leefde als een groote familie; slaapkamers met meer dan vier à zes bedden vormden een uitzondering. Blijkbaar deed men zijn best om vooral de slaapkamers der grootere meisjes met geringe hulpmiddelen, als wat snuisterijtjes aan de muur, een enkel aardig kleedje enz. zoo knus mogelijk te maken. In bijna alle kamers hingen portretten van Lenin en Trotzky--en wàt voor portretten, groote goden! Wat voor denkbeeld, dacht ik dikwijls, moeten de kinderen zich wel vormen van de leiders van den staat, waarvan zij zooveel goeds hooren en die zij als zulke monsters zien voorgesteld.--Maar ook zag ik telkens in de slaapkamers aan de muren bidprentjes hangen, die de kinderen meegebracht hadden of toegestuurd kregen.
Van uniforme kleeding was natuurlijk geen sprake. Enkele groepen zag ik,--kinderen van één huis--in een bijzonder pakje; ik herinner mij een zeer smaakvolle combinatie van groen-en-wit; maar er waren geen middelen om dat voor een zoo groot aantal door te voeren. De kinderen zagen er frisch en fleurig uit; de meesten met kortgeknipte haren, wat noodig is door het groote gebrek aan zeep; de rantsoenen zelfs voor de kindertehuizen waren heel klein en konden niet eens altijd regelmatig uitgedeeld worden. Lang niet allen hadden schoenen en kousen aan, maar in dit lekkere zomersche weer leek blootvoets gaan op het warme zand of het zachte mos tusschen de boomen heelemaal geen straf.
Wij zagen de school, wij zagen boetseerwerk in klei; vruchten en dieren, door de kinderen naar eigen drang en fantasie vervaardigd. We zagen opmerkelijke teekeningen van kinderen van 9 à 10 jaar, kleurige schetsen van menschen en boomen naar de natuur en dekoratieve ontwerpen. We zagen eenige kinderen boerendansen uitvoeren met veel animo en groote vaardigheid, terwijl de anderen, een kring vormend om hen heen, de maat klapten met de handen. We hoorden ze zingen: eerst de Internationale, toen volksliederen, vroolijke en droefgeestige, koorzang en soli, en we verheugden ons weer over de algemeenheid der muzikale en dramatische begaafdheid van het russische volk. We dronken koffie-surrogaat-met-melk (een weelde-artikel, waar in den vrijen handel 1500 roebel voor één glas melk werd betaald) en aten kasja[8] met gestoofd fruit. We praatten met de leiders en leidsters, zachte, vriendelijke menschen, idealisten en kindervrienden die uit roeping zich gaven aan dit werk. Stil en vreedzaam lagen de kleine houten huizen te midden van het statige bosch; stil en vreedzaam vlood het leven in de kolonie ver van het geroezemoes, de onrust, de wilde geruchten, de verlokking en opwinding der stad. Een kleine harmonische wereld op zichzelf; voor de kinderen een bad van rust en kalmte, een lafenis voor de geschokte zenuwen der volwassenen. En door geheel Rusland lagen overal in de heerlijke, geurende zomerbosschen, kinderkolonies als deze: millioenen stadskinderen, veilig gebed in den zuiveren schoot der natuur.
Intusschen was het zes uur geworden: het feest zou beginnen.
Van alle kanten trokken, in het warm-stralende middaglicht, de groepen kinderen uit de verschillende tehuizen door de groene lanen aan op het verzamelpunt, een breed grasperk door een kubistisch beschilderde eereboog naar één kant afgesloten. In hun handen bloeiden de vaandels als bewegelijke bloemen in kleurige pracht. Bekoorlijke voorstellingen betooverden de zinnen, machtige symbolen schoten hun vlammende beteekenis uit door het denken, naïve en heldhaftige opschriften ontroerden het hart. »Wij smeders smeden het nieuwe geluk«, luidde er een; »Vrij als vogels willen wij zijn en schoon als sterren«, een ander; »Dapper den weg op naar geluk en schoonheid«, bezwoer een groot schild, in feestelijke kleuren bemaald; »Wij hebben de sprookjes lief« getuigde een vierde, waarop gestyleerde dieren uit de Russische sprookjeswereld waren afgebeeld. Tusschen de talrijke schoone schilden was een groep van nog grooter kleurenweelde en lieflijkheid dan de andere; het waren die, welke voor het bloemenfeest zouden dienen; een groote kleur-fonkelende bloemenmand was daarbij, zijn overdaad afhangend naar alle kanten, en een volle zon als een triomfantelijke lach. Een heel vendel kleine vaantjes omstuwde die groote voorstellingen, betooverend van tint, prezen zij in mooie, sierlijke letters het wonder der lente.
Nu schaarden de kinderen hunne diepe stoeten voor den eereboog op het breede grasveld, ter weerszijden waarvan zich een dichte drom volwassen toeschouwers verdrong. Er klonk een fluitje. Van af een klein platvorm, tegen de eereboog aangebracht, sprak een schonkige jonge man met een van die leelijke maar expressieve vogelkoppen die zoo sympathiek kunnen zijn het kindervolk toe. Nooit heb ik iemand zóó tegen kinderen hooren spreken, zoo geheel als oude kameraad tegen jongere kameraadjes, zoo warm broederlijk, zoo heerlijk fantastisch en tevens met zóó uitnemenden paedagogischen takt. Hij begon met aan de kinderen te vragen of ze wisten wat organisatie en georganiseerd-zijn eigenlijk beteekende, en toen honderden stemmen in koor »neen« antwoordden, maakte hij het hun begrijpelijk aan den aard van hun eigen lichaam, aan de opstelling hunner stoeten, aan het lied dat hij aangaf en dat allen medezongen, het frissche, vroolijke smeden-lied, het lievelingslied der russische jeugd. En alles met grapjes, het lachen was niet van de lucht. Toen--ik weet niet meer in welk verband--kwam hij over sinaasappelen te spreken, vroeg wie er wel eens eentje gezien en geproefd had--veel handen gingen de lucht in--wie er in de laatste drie jaar nog wel eens een had gegeten,--heel wat minder handen ditmaal--sprak over de armoe en den nood der wereld en over den gezamenlijken arbeid en den eendrachtigen wil die haar konden overwinnen en het leven maken lieflijk, rijk aan geluk. »En nu gaan wij een reis maken door alle werelddeelen en overal onze menschenmakkers leeren kennen en hen meenemen op onzen tocht en dan zullen wij de aarde maken tot één groote sinaasappelgaarde«, besloot hij zijn improvisatie. Een groot gejuich ging op onder de kinderschaar. Van nu af aan zou het idee communisme voor hen leven in het beeld van een heerlijken, wereldwijden tuin met flonkerende vruchten. Ik dacht aan de mooie regels uit Gorter's »Pan«, zooals hij daarin Parijs beschrijft gedurende de Commune: »Parijs was toen een roode granaatappel, die met zijn roode wangen altijd lacht«.
Ook dit moest een dichter zijn.... Wie is hij, vroeg ik aan een der russische makkers. »Rosarow, de organisator der schouwspelen voor kinderen te Moskou, hij is met een heel troepje artiesten hierheen gekomen om het feest voor te bereiden«. »Maar wat is hij van beroep, paedagoog of kunstenaar«. »Beide«, was het antwoord. Toen begreep ik het, en ik dacht in stilte »ja dit is wat wij noodig hebben, om de opvoeding te vestigen op grondslagen van gemeenschapszin en schoonheid: de paedagoog, de kunstenaar en de communist, in één persoon vereenigd«.
En nu gingen wij op weg »naar alle werelddeelen«, de honderden kinderen met hun banieren en schilden in het midden van de breede laan, en op de voetpaden aan beide kanten de volwassenen. Een onvergetelijke tocht werd het in het klare gouden licht, met boven ons aan den hemeltent de blanke zeilen der wolken gespannen en om ons heen het bruisen der vroolijke koperen marschmuziek. Eerst kwamen wij bij een groot veld, dat cirkelvormig tusschen de bosschen lag. Op den achtergrond stond een klein zomertheater, daar werd eerst een poppendans opgevoerd en toen volgde op het open, cirkelvormige veld het lentespel, de »dans der bloemen«. Het was vol bekoring en lief, en het allerliefst was een heel klein kindje in 't wit, dat in een wagentje, met groote bossen korenbloemen mooi gemaakt, tusschen de dansers werd rondgereden.
Maar dat was enkel een voorspel, daarna begonnen de pret en de pracht pas goed. Met z'n allen liepen we verder, kinderen en volwassenen, door de groene lanen, het stof opjagend met onze voeten, tot we kwamen in Amerika, bij de Roodhuiden. Ze waren bijna geheel naakt, hun huid had den warmen tint van rood koper, ze droegen groote bossen veeren in een krans rechtopstaande om het hoofd en prachtige ringen om polsen en enkels. Eerst voerden zij naar den eisch een fantastischen krijgsdans uit; toen trokken zij, met pijl en boog gewapend, de indringers tegemoet en het gevecht begon. Dapper en hardnekkig vochten ze, die kleine Indianen, maar eindelijk moesten ze zich gewonnen geven en ze gingen mee, met ons verder de wijde wereld in; ver, vele vele mijlen ver, naar Azië tot in het land der Chineezen. Die stonden daar, mannen en vrouwen, in hun dorpje op het groene gras achter hun kraampjes, ze hadden wijde kleurige tabbaarden aan en lange sluike zwarte staarten; hun huid was geel als oker en ze brabbelden een taal die niemand verstond. In de kramen lagen allerlei wonderlijke vruchten met helgloeiende wangen, uit gebakken klei, bedriegelijk nagebootst. En waarachtig, op 't eind van de kramenrei, half achter een dikken boomstam verscholen, daar stond een groot Boedhabeeld ook uit klei, de eerste schets leek wel van een groot beeldhouwer, onvolkomen maar uiterst suggestief.
Toen we al dat moois hadden bewonderd en de Chineesjes aan hun staarten getrokken en wonderlijke pompelmoezen gekocht, namen we afscheid. We moesten weer verder, want de aarde is groot en we werden verwacht in Afrika. Daar was 't nog 't mooist van alles. Het negerdorp, met zijn hutten van bamboe en stroo, en de nikkertjes zelf, glimmend zwart als blank gepoetste laarzen en hun gekke wollige kroeskoppen en prachtige kralen kettingen en wonderlijke, barbaarsche neus- en oorversiersels en hun lendeschorten van uitgeplozen wollen draadjes en vodjes--'t was alles zoo mooi en zoo echt, dat je zoudt gezworen hebben in Afrika te zijn en toch weer anders, want 't was het Afrika-der-fantasie waar je was, en dat is veel mooier en tooverachtiger dan 't werkelijke Afrika, en ook veel echter. En toen stortten de dappere zwartjes zich met speer en pijl en boog gewapend op de blanken en een verschrikkelijk gevecht begon, waarin zij zoo waar er in slaagden, die blanke indringers op de vlucht te drijven. Met woest geschreeuw vlogen ze op de muzikanten aan, ontroofden die hun koperen trompetten en renden met hun buit juichend terug naar hun dorp, om die rare gele dingen waar muziek uit kwam aan hun vreemdsoortige bonte afgoden te offeren. En toen voerden ze een wilden prachtigen oorlogsdans uit. Maar 't eind was natuurlijk toch dat de blanken terugkwamen en hun de instrumenten weer afnamen, net als in de werkelijkheid, maar anders dan in de werkelijkheid eindigde deze krijg met een groot verbroederingsfeest en een algemeene dans, waar blank en rood en geel en zwart aan deelnamen. Toen was de wereld vereenigd en de steeds meer aangegroeide kinderstoet met al zijn vaandels en schilden en banieren trok verder door de groene lanen die lagen in den rijpen gloed van late middagzon. De muziek speelde en speelde, weer klonken de klanken van het dappere smedenlied, honderden heldere stemmen zongen het mee. En tusschen den langen kinderstoet en het bosch, op de smalle zijpaden, daar verdrong zich het opgetogen publiek dat den geheelen middag van alle kanten was toegestroomd: vaders en moeders, stralend van vreugde over hunner kinderen genot; partijgenooten en artiesten uit Moskou, per trein naar Tarasowka gekomen om het groote kinderfeest te zien; boeren, arbeiders, kleinburgers, keurige meneertjes en opgeschikte bourgeoisdames, die in de niet-onteigende villa's woonden en ook rare slampampers, waarvan je niet begreep wat ze er bij deden. Maar dat geheele publiek, hoe bont samengesteld ook, leefde in die uren spontaan en hartelijk mee met de heerlijke blije kinderen, met hun vrije, scheppende en toch geleide en georganiseerde aktiviteit, met den schoonheidstoover van kleur en klank, van lijn en beweging, die hun spel, hun dans en hun zang in de zomerbosschen wrocht.
Zoo trok de zingende stoet verder, tot het punt van uitgang weer was bereikt. Nog een korte toespraak, vaandelgezwaai en gejuich, toen viel hij uiteen in verschillende groepen die door de groene lanen zich stil naar alle kanten verspreidden en het feest met al zijn heerlijkheid, met zijn opwinding en uitgelaten vreugde was voorbij.
Het was voorbij--maar zijn werkingen zouden voortduren voor allen die het hadden bijgewoond, voor de kinderen natuurlijk het sterkst. Morgen zou een zware dag voor hen zijn, een moeilijke tuimeling zouden ze moeten doormaken, van het Zondagsche leven der fantasie naar het alledaagsche der werkelijkheid. Maar overmorgen al zou de herinnering haar gezegend werk beginnen en al het doorleefde zetten in zóó schoonen gloed, als het oogenblik zelf niet doorstraald had.
Die weken van voorbereiding--hoe verrukkelijk zouden zij herleven! Dat knutselen en knoeien met klei, dat naaien en kralen-rijgen en verwen, dat kijken en meehelpen bij alles wat de groote towaritschi deden die uit Moskou gekomen waren, zij die alles schenen te kennen en zoo vroolijk waren en net zooveel schik hadden als de kinderen zelf. En dan de repetities van de dansen en spiegelgevechten, het leeren van al de ingewikkelde passen en bewegingen, het zich inspannen, lijf en ziel, om het toch allemaal goed en mooi te doen.
De tinteling van al die genotrijke inspanning zou telkens bij de herinnering in hen herleven; ze zouden voelen, hoe arbeid vreugde is, hoe scheppende arbeid hoogste vreugde kan zijn.
En dan de dag zelf! Als een verrukking van kleuren en zon en muziek, van heerlijke opwinding, beheerscht door niet van bovenaf opgelegde maar zelf-gewilde orde, van schoon bereiken door gezamenlijke inspanning, zou hij voortleven. En in al zijn genot voor het lijf en de zinnen zou vervlochten zijn dat eene zinnebeeld wat hem beheerscht had: die tocht, de wijde wereld door, om alle volken één te maken en de aarde welig als een groote sinaasappeltuin. En naarmate zij ouder werden zouden zij den zin van dat symbool steeds beter verstaan, steeds dieper, wijder en grootscher zou het voor hen worden, zij zouden gaan begrijpen wat dat eigenlijk was, de eenheid der volken, die enkel het communisme maken kon. En zij zouden misschien later, in moeilijkheden en beproevingen, gesteund worden in hun overtuiging door de herinnering aan dien verren feestdag, dat zij onbewust het communisme als glans en schoonheid en fantastische werkelijkheid hadden doorleefd.
* * * * *
Op het grasveld voor het clubgebouw zaten wij nog een poosje bijeen met eenige van de artisten die het feest hadden helpen voorbereiden en een paar paedagogen uit de kolonie. Wij zaten aan een lange houten tafel, we aten zwart brood met sprot-uit-een-blikje, dat Elizarowa had meegebracht en dronken theesurrogaat, gemaakt uit rozijnen en gedroogde appelen.
Daarna voerde de mooie sterke »auto van Lenin« ons door de avondkoelte naar Moskou terug. De zon zonk achter ons weg aan den klaren horizon, het land lag in kalme schoone effenheid, aan den hemel ontbloeide een feërieke tuin met robijnroode, goudgloeiende en paarlmoeren bloemenwolken.
Toen verstilde allengs het vlammende karmozijn en goud tot al zachter tinten en de duisternis viel. Wij spraken weinig, de dag was vermoeiend geweest en het zwijgende rijden door den koelen avond verkwikking. Maar diep in ons hart leefde een warme rustige vreugde, de vreugde die het gelukkig maakt, wanneer het zich overgeeft, zonder bijgedachte of achterhoudendheid, aan de sterke machten van liefde en vertrouwen.
VOETNOTEN:
[1] Feitelijk dateert deze toestand reeds van het tijdperk, dat de liberale bourgeoisie haar groote oogmerken bereikte en de maatschappij naar hare behoeften inrichtte; met hem gaat samen het verval, de verstarring of het uiteenvallen der oude politieke partijen. Zelfs de oorlog heeft weinig verandering gebracht, doordat de maatschappelijke grondslagen dezelfde zijn gebleven.
[2] Jongere kinderen waren hier niet; immers twee à drie maanden na de bevalling blijven de moeders en de kleintjes in de inrichtingen voor kraamvrouwen.
[3] Ik had tot mijn spijt geen tijd om die nog te zien.
[4] Er zijn natuurlijk eenige bezwaren verbonden aan een dergelijke inrichting, die wegvallen, wanneer de moeders hun zuigelingen meenemen naar de fabriekscrêches.
[5] Misschien zijn er onder de lezers van dit boek een paar »muziekmenschen«, die mij willen helpen mijn belofte te vervullen.
[6] 1500 kinderen zijn in de kolonie Tarasowka ondergebracht, dat zou dus in doorsnede 10 kinderen per huis zijn. Dit getal is natuurlijk te klein: maar er zijn ook huizen alleen als school en werkplaats ingericht; ook moet gedacht worden aan de ruimte voor het talrijke paedagogische personeel.
[7] De klokken waren in Sowjet-Rusland (om licht te sparen) drie uur voorgezet; 6 uur is dus in werkelijkheid 3 uur.
[8] Drooggekookte pap van boekweitgrutten, die op het platteland veel gegeten wordt.
VII.
KIEMEN VAN NIEUWE VREUGDE EN NIEUWE SCHOONHEID.
_(Slot.)_
IV. +Twee tooneeluitvoeringen te Moscou+.
Mijn voornemen om gedurende mijn verblijf in Sowjet-Rusland de tooneelkunst te bestudeeren, zooals die daarginds sedert de revolutie in de steden en op het platteland opgekomen is, heb ik helaas niet ten uitvoer kunnen brengen. De duur van mijn bezoek was te kort en het tijdstip er van voor een dergelijke studie slecht gekozen; immers een aantal theaters, waaronder die van den Proletkult, zijn gedurende de zomermaanden gesloten. Er kwam bij, dat de zittingen van het communistisch kongres in den regel 's avonds gehouden werden; eenige opvoeringen, die mij zeer interesseerden, van drama, volkszang, dans, heb ik tot mijn groote spijt »ambtshalve« moeten verzuimen.
Ik zag dus heel weinig, maar het weinige dat ik zag was belangwekkend, het versterkte in mij het geloof dat de dramatische kunst waarschijnlijk gedurende de sociale revolutie als eerste werkelijke gemeenschapskunst zal opbloeien. Althans voor Rusland verwacht ik dit zeker; de elementen van een dramatische volkskunst zijn er, verstrooid en verspreid weliswaar, reeds aanwezig. Die elementen zijn voor een deel nog uit het verleden afkomstig. De pogingen om de gevoelens, aspiraties en gedachten van het nieuwe tijdperk dramatisch uit te beelden, vinden de stof, het materiaal voor die uitbeelding in de oude sprookjes en sagen, de boerendansen en de volksliederen, en de mogelijkheid, het dramatisch kunstwerk tot opvoering te brengen, dat is tot leven, bestaat, dank zij de onder het russische volk veel voorkomende mimische en muzikale gaven. De russische volksmassaas hebben--het is onnoodig op het groote gewicht van dit verschil te wijzen--in tegenstelling tot de West-Europeesche niet eeuwenlang moeten teren op den afval of de surrogaten der burgerlijke kultuur, maar hun eigen volkskultuur in leven gehouden, onophoudelijk gevarieerd, verrijkt en tevens zelf genoten[1].
De beweging tot vernieuwing en verheffing der dramatische kunst, die ten deele, maar volstrekt niet alleen door den »Proletkuer« gedragen wordt, kan niet anders dan de draden van die oude volkskultuur verder spinnen, haar inhoud vervormen en haar vormen vernieuwen, zonder de kontinuïteit met haar te verbreken.
Ook de beweging voor »Fysieke Kultuur«, die thans zeer populair is, levert eenige elementen voor de herleving eener dramatische gemeenschapskunst. Behalve op het turnen in massa (evenals de sport iets geheel nieuws in Rusland en dat daarom groote belangstelling vindt) legt men zich ook toe op de rythmische gymnastiek en de dramatische pantomime. Op een groot gymnastiekfeest, dat wij in de buurt van Moskou op het prachtige sportterrein aan den Musschenberg bijwoonden, werd, nadat 8000 gymnasten, jongelieden, jonge meisjes en kinderen een aantal vrije- en orde-oefeningen hadden uitgevoerd[2], door een klein aantal deelnemers nog een dramatische pantomime, »De Val van den Tyran«, vertoond. De bewegingen en standen waren zeer schoon en de opvoering stond aesthetisch op een hoog peil, al zou het geheel beter tot zijn recht gekomen zijn in een kleiner, meer besloten ruimte, een openluchttheater in een park b.v., dan op het onmetelijke sportterrein aan den Musschenberg.
Ongetwijfeld zijn de Russen veel dichter bij een herleving der oude »dans«-kunst, d.w.z. der kunst, om door bewegingen van het lichaam diepe, grootsche, collectieve, aandoeningen uit te drukken, dan welk ook der West-Europeesche volken. Dit spreekt immers vanzelf, daar zij het eenige volk zijn, dat thans grootsche en diepe collectieve aandoeningen uit te drukken heeft.
De pogingen tot het scheppen eener dramatische volkskunst met revolutionnairen inhoud, zijn voor ons, West-Europeesche communisten, vooral verbonden aan den naam en de werkzaamheid van den »Proletkult«. Best mogelijk echter zal niet deze instelling, maar het Roode Leger voor komende geslachten gelden als de wieg, het uitgangspunt eener herleving op tooneelgebied, en misschien ook op dat van andere kunsten[3].
Buiten Rusland geeft men er zich veel te weinig rekenschap van, dat het Roode Leger niet enkel een voornaam centrum van militaire kracht, organisatorisch vermogen en politiek inzicht, maar ook van revolutionnaire cultuur geworden is--misschien zelfs in verband met de betreurenswaardige, maar onvermijdelijke tijdelijke verzwakking en declasseering der arbeidersklasse, op het oogenblik het voornaamste centrum van een en ander. Een aantal omstandigheden hebben dit in de hand gewerkt. Ten eerste de concentratie in het leger van millioenen jonge arbeiders en boeren, die een enorm materiaal van geestelijke selectie vormden; dan het betrekkelijke gemak, waarmee men, tengevolge van deze concentratie, allerlei instellingen op kultuurgebied kon vormen en het algemeen geestelijke peil door voordrachten, kursussen, voorstellingen van de beste wetenschappelijke en artistieke krachten verhoogen. En als derde factor werkte de noodzakelijkheid, om een sterke, over de materieele moeilijkheden zegevierende ideologie te scheppen, dat wil zeggen een kern van bewuste en enthousiaste communisten.