Part 6
"God zegene onzen goeden Koning Friedrich Wilhelm," zei de portier. "Als je het geluk hebt hemzelven te spreken, dan wed ik, dat jij je Nikolaas op de boerderij houdt!"
"Ja, hemzelven spreken! Hoe zal ik dat aanleggen?" zuchtte de vrouw.
"Weet je wat," sprak de portier, "de Koning heeft de gewoonte om iederen morgen, als hij ontbeten heeft, een half uurtje te gaan staan voor het open venster, dat uitziet op de Linden. Ga daar heen, en, als je hem ziet, steek dan het verzoekschrift in de hoogte, en ik wed, dat hij je bij zich zal laten roepen!"--
Zijne Majesteit was zoo even opgestaan, had ontbeten en was reeds in zijn morgen-uniform bezig met twee Heeren te zamen over een en ander te spreken. Hij stond ditmaal niet precies voor het open venster, maar er naast en zoo achter een gordijn, dat hij alles zien kon, wat er op het voorplein gebeurde, zonder dat iemand hem zag.
"Wat zou die vrouw, die daar met die melkkar beneden staat, wel willen hebben, von Holleben?" vroeg de Koning.
Von Holleben, die Generaal van de kavalerie was, ging nu vlak voor het venster staan, en de boerin, die den Koning niet kende, denkende dat die mooi gekleede Officier Friedrich Wilhelm was, stak haar verzoekschrift in de hoogte.
"Ze steekt een papier in de hoogte, Sire! Ze wil uwe Majesteit een verzoekschrift aanbieden," sprak von Holleben.
"Stil, daar willen we een aardigheid mee hebben," antwoordde de Koning. "Ik ga mij dadelijk als een gewoon burgerman kleeden en zelf vragen, wat ze wil. Maar pas op, hoor, dat ge niet te dicht bij me komt, als ik met haar spreek. Gij zoudt mij, onwillens, kunnen verklikken!"
Een minuut of tien later liep de Koning op het voorplein en ging naar de boerin.
"Wel, vrouwtje," zei hij, "op wien wacht je hier?"
"Och, Mijnheer," antwoordde de boerin, "ik wacht tot de Koning voor het open venster komt. Ik wilde hem een verzoekschrift aanbieden! Daar straks heb ik hem gezien, maar hij zag mij vast niet, en nu schijnt hij in het geheel niet meer te komen!"
"Je zult er dus zeker veel belang bij hebben den Koning in persoon je verzoekschrift ter hand te stellen, vrouwtje?" vroeg de Koning.
"Ach, ja, Mijnheer, heel veel belang," zei de vrouw, en deed hem toen het verhaal, dat ze den portier gedaan had.
"Weet je wat," sprak de Koning, "ga dan maar in het paleis en vraag den Koning te spreken!"
"Och, dat zou ik wel willen, Mijnheer, maar ik kan mijn kar toch niet alleen laten staan!"
"o, Dat is niemendal! Ik zal zoo lang bij je kar blijven! Ga maar!" zei Friedrich Wilhelm lachend.
De vrouw nam dit aanbod met vreugde aan, liep naar het paleis, doch kwam een kwartier later reeds terug.
"Wel?" vroeg de Koning.
"Ik had het wel gedacht," sprak de vrouw, "de Koning is al uitgegaan, en nu heb ik het verzoekschrift aan een Heer overgegeven, en die zei mij, dat het zoo goed was, alsof ikzelve het den Koning terhand had gesteld!"
"Nu," hernam de Koning, "dan zal het wel terecht komen! Ga dan maar gerust naar huis!"
"Ik hoop het, Mijnheer, ik hoop het! Maar daar u zoo vriendelijk geweest is, om op mijn kar te passen, wil ik van mijn kant ook wat doen! Hier zijn twee groschen voor uw moeite! Koop er wat voor om het aan uw kinderen te geven!"
De boerin ging vol hoop heen en de Koning zocht von Holleben op. Zoodra hij deze zag riep hij lachend: "Kijk eens, von Holleben, ik ben al vroeg aan het verdienen geweest! Ja, ja, de morgenstond heeft goud in den mond. Vindt ge niet?"
Het verzoekschrift der boerin werd den Koning bij zijn thuiskomst terstond overhandigd, en toen het na gedaan onderzoek bleek, dat de boerin waarheid gesproken had, liet hij dadelijk bevel geven, dat men haar zoon van den dienst vrijstellen zou.
Met een gevoel van iets gedaan te hebben, dat goed was, borg hij het tweegroschen-stuk in een lade, waarin hij zijn herinneringen bewaarde, en, te midden van de vele bezigheden, die hij van zichzelven eischte, vergat hij weldra de geheele geschiedenis.
Een week of vier later zat hij in zijn kabinet weer ijverig te werken, toen hem door von Holleben bericht werd, dat er beneden een boerin stond, die hem bepaald verlangde te spreken.
"Ik heb geen tijd," sprak de Koning. "Vraag maar of gij de boodschap niet aan kunt nemen!"
Von Holleben ging, doch kwam terug en zei: "Sire, het is dezelfde boerin, die u een week of vier geleden een verzoekschrift aangeboden en een tweegroschen-stuk gegeven heeft! Zij verlangt u in persoon te spreken!"
"Nu, laat dan de vrouw hier komen," klonk het bevel.
Eenige oogenblikken later verscheen de boerin in haar Zondagsche kleeren gedost, met een mand aan haar arm in het vertrek.
Zijne Majesteit zat met den rug naar haar toe, en zonder van zijn papieren op te zien, vroeg hij, eenigszins kortaf: "Wel, vrouwtje, wat heb-je nu weer?"
"Sire," sprak de vrouw en kwam beleefd nader, "Sire...."
Thans zag de Koning op, en nauwelijks had de boerin hem in het aangezicht gezien, of ze gaf een gil van schrik en viel op haar knieën voor hem neder.
"Wat nu, vrouw?" vroeg Friedrich Wilhelm verwonderd.
"o Sire," stamelde ze, "vergeving, vergeving, ik kende u niet! Ik dacht dat u een bediende van het Hof was en... en..."
"Nu, en?"
"En ik heb u voor de moeite van op mijn kar te passen, een twee-groschen-stuk gegeven! Vergeving, vergeving, Sire! Ik wist niet, dat..."
"Wees gerust, Moedertje, wees gerust! De twee-groschen heb ik in een lade geborgen om mijzelven nu en dan eens te overtuigen, dat een Koning niets anders is dan een gewoon mensch. Maar sta nu op, en zeg mij, wat gij wilt; want ik heb weinig tijd!"
De vrouw stond op en, een hagelwitten doek van haar mand nemende, liet ze den Koning vier stukjes boter en een paar kazen zien, die ze tusschen wijngaardbladen netjes ingepakt had, en beleefd vroeg ze of ze het een en ander, als een bewijs van dankbaarheid, mocht aanbieden.
"Je bent een best wijf," sprak de Koning. "Ja, ik wil gaarne uw geschenk aannemen, en ik verzeker u, dat ik levenslang zal blijven denken aan u en uw zoon, die mij zoo duidelijk bewijzen, dat de eenvoudigste mensch het hartelijkste zijn kan in het betoonen zijner dankbaarheid!"
Vol vreugde verliet de boerin thans den Koning, en of deze nu nog op een andere wijze voor haar en haar zoon gezorgd heeft, dat vermeldt de geschiedenis niet, maar afgaande op het edel karakter van den Vorst, geloof ik wel, dat hij beiden niet uit het oog verloren zal hebben.
HANS LEEGBEURS EN ZIJN EZELTJE.
Landgraaf Lodewijk IV van Thüringen was een vorst, zooals er geen twee op de honderd gevonden worden. Hij kon vechten als een kemphaan, en er was nog nimmer een steekspel gegeven waar hij bij was, of hij wierp alle Ridders uit den zadel en bleef alleen zitten, even als de kater van Richard Wittington, welke bij den Koning van het onbekende eiland schoon schip gemaakt had, door binnen het half uur een paar honderd, misschien wel een paar duizend, muizen opgegeten of op de vlucht gejaagd te hebben. Rechtvaardig was hij ook, en wie er ook wat door de vingers zien kon, hij niet. "Wie wat verdient, moet wat hebben," was hij gewoon te zeggen, en daar iedereen in Thüringerland dat wist, zorgde men wel geen streken uit te halen. Maar hij was ook goedhartig, want als hij uitging, had hij altijd de zakken vol klein geld zitten om dat links en rechts uit te deelen. En dan, hij kon zoo alleraardigst met de mindere lui omspringen, dat het een lieve lust was om te zien. Hiervan wil ik u een voorbeeld verhalen.
Eens was het kermis te Eisenach, bij welke stad de Vorstelijke burcht lag.
"Weet je wat," dacht de Graaf, "ik ga er eens even kijken, wat daar in de stad zoo al te zien is!"
Hij trok zijn Landgrafelijk pak aan, zette zich op een Landgrafelijk paard, reed op een Landgrafelijke, dat is zeer deftige wijze naar de stad, en ieder, die hem voorbijkwam gaf hij een Landgrafelijken groet, waarmede de luiden zoo in hun schik waren, alsof ze een beurs met geld gekregen hadden, waarvoor ze wel niemendal koopen konden, maar dat meer dan voldoende was, om er een vroolijk gezicht voor te krijgen.
Zoodra hij de poort binnenreed, vloog het gerucht van zijn komst nog veel sneller naar de marktplaats, dan zijn paard er hem heenbracht.
Als ge nu meent, dat er in dien tijd op dezelfde wijze kermis gehouden werd, als tegenwoordig, dan vergist gij u zeer. Die Lodewijk, weet ge, regeerde in het hartje der Middeleeuwen, en toen waren de kermissen slechts groote jaarmarkten, waarop men van rondreizende kramers van alles en nog wat koopen kon.
Wel waren er goochelaars en kunstenmakers, wel kon men allerlei vreemde dingen te zien krijgen; maar spellen en draaimolens waren nog niet bekend, en alleen de kramen vulden de marktplaats, en alle hoekjes, waar een plekje open was.
Op een der minst bezochte plaatsen stond ook een nederige kramer in kinder-speelgoed. Den naam van dien man ben ik niet te weten kunnen komen, en daarom zal ik hem maar Hans Leegbeurs noemen. Veel was er in zijn kraam niet te zien, en de eenigen, die nog eens kwamen kijken, waren jongens en meisjes, die al hun kermisgeld reeds aan pepernoten uitgegeven hadden. Bij Hans Leegbeurs hadden ze het gezicht voor niemendal, en dat is voor een kind, dat geen cent op zak heeft, ook nog al wat waard.
Opeens evenwel kwam er onder de uitgespannen zeilen een hoofd kijken, en toen dat hoofd door het overige gedeelte van het lichaam gevolgd werd, herkende onze Hans in den bezoeker, den Landgraaf in eigen persoon.
Nu was het goed, dat Hans geen palen geslikt had en hij zich nog buigen kon; want dat kwam nu goed te pas.
"Uw alleronderdanigste, gehoorzaamste en nederigste dienaar, Uw allergenadigste Heer Graaf," sprak Hans met een diepe buiging, die zijn neus in aanraking bracht met een stokpaard.
"Wat hebt gij daar in uw kraam zooal te koop, vriendschap?" vroeg Lodewijk.
Weer maakte Hans een diepe buiging en antwoordde: "Ik verkoop allergenadigste Landgraven, Heer Trommel!"
De man versprak zich en wilde na het maken van een allerdiepste buiging zijn antwoord verbeteren, doch de Landgraaf viel hem in de rede en vroeg: "En maakt gij hiermee nogal goede zaken?"
"Neen, allerdoorluchtigste, allergenadigste Heer Graaf! Ik heb maar heel weinig te doen!"
"En hoe komt dat, vriend?"
"Och, allergenadigste Heer Graaf, dat komt, omdat mijn boeltje zoo weinig waard is, en ik heb geen geld genoeg om iets meer of iets beters te koopen! Anders..."
Hier zweeg Hans, haalde zijn neusdoek uit den zak, maakte andermaal een buiging en begon zich het angstzweet van het voorhoofd te wisschen.
"Wat wilde je nog meer zeggen?" vroeg de Landgraaf.
"Och, allergenadigste, doorluchtige Heer, ik wilde zeggen, dat het mij alleen aan geld ontbreekt om goede zaken te maken. Ik ben een koopman in mijn hart en geboren om verstandig te handelen!"
"Ei! Maar voor hoeveel waarde heb-je hier wel in je kraam? Zeg me dat zoo ongeveer!"
Hans keek zijn uitstalling eens rond, telde op zijn vingers en zei eindelijk: "Er is juist voor zes schellingen aan koopwaar, allergenadigste, doorluchtige Heer!"
De Landgraaf tastte in zijn zak en haalde er zes schellingen uit.
"Hier, kameraad," zei hij, "ik wil met je samen handel doen. Ons bedrijf-kapitaal is nu twaalf schellingen groot. Handel er mee zoo goed je kunt. Over een jaar kom je bij mij op den Wartburg. Heb-je gewonnen, dan deelen wij de winst! Heb-je verloren, welnu, dan is het nog zoo erg niet. In dat geval wil ik niets van je hebben. En, opdat je gemakkelijker overal in mijn gebied zou kunnen komen, zal ik je een vrijgeleide doen bezorgen! Vind-je dat goed?"
"Of ik het goedvind, allergenadigste Heer? Wie zou dat niet goedvinden?"
"Nu, zeg dan maar hoe je heet, dan zal ik mijn klerk een vrijgeleide laten schrijven!"
"Ik heet Hans Leegbeurs, allergenadigste Heer!"
"Best! Eer het avond is, zal je een vrijgeleide hebben. Tot vandaag over een jaar dus! Dag, Hans!"
Met tranen van blijdschap zag Hans den goedgeefschen Landgraaf achterna, en hij zwoer bij al zijn trommels, stokpaardjes, vingerhoeden, kortom bij alles wat te zamen zes schellingen waard was, dat hij eerlijk en trouw zou handelen, zooals dat een goed koopman betaamt.
Eer het avond was had Hans zijn vrijgeleide, en den volgenden morgen verliet hij in de vroegte de stad Eisenach, alwaar, zoo hij terecht meende, zijn geluk begonnen was.
Met behulp van des Graven vrijgeleide en de zes schellingen baar geld, maakte Hans voortreffelijke zaken, en toen het jaar om was, kwam hij op den Wartburg aan, om rekening en verantwoording te doen.
Nu zult gij allen zeker denken, dat de Landgraaf onzen Hans alles schonk, is het niet? Maar dan bedriegt ge u! Neen, Graaf Lodewijk stak de helft van de winst in den zak en zei: "Nu, tot vandaag over een jaar! Maak maar weer zulke goede zaken, als in het afgeloopen jaar!"
Hans, die op zijn reizen heel dikwijls op de kasteelen en burchten van de Edelen des lands geweest was, had ook geleerd sierlijke buigingen te maken. Hij stak zijn linkerbeen naar achter en zijn rechterarm naar voren en zei: "Uw allergenadigste Doorluchtigheid zal zien, dat zij niet te vergeefs den armen Hans Leegbeurs geld gegeven heeft!"
En andermaal ging Hans op reis, en deed zelfs zoo nu en dan wel eens een paar stapjes buiten Thüringerland, met dat gevolg, dat hij, toen het tweede jaar om was, bijna onder het gewicht van zijn mars bezweek.
Graaf Lodewijk nam weer heel verheugd zijn aandeel in de winst aan, en vond het goed, dat Hans een ezeltje kocht om de vracht te dragen.
Eenmaal in het bezit van een ezel zijnde, deed Hans reizen om er van te schrikken. Hij kwam zelfs te Venetië, en wist daar; door ruilen en koopen, prachtige en zeldzame voorwerpen machtig te worden.
Thans had hij een mars, als de beste marskramer uit het geheele Thüringerwald, en besloot hij de terugreis naar zijn Vaderland te ondernemen.
Onderweg evenwel vernam hij, dat op St. Cecilia, te Würzburg, een groote mis gehouden werd.
"Weet je wat," zoo sprak hij tot zijn ezeltje, "weet je wat, grauwtje! Wij gaan naar Würzburg, om op de mis te zijn. Dat kunnen we juist zoo tusschen neus en ooren meenemen!"
"I-a,--i-a!" balkte de ezel en Hans geloofde, dat hij "ja" zei.
Hierop veranderde hij zijn reisplan en juist één dag vóór de beroemde mis, kreeg Hans de vele torens der bekende stad in het oog. Hij sprong van blijdschap van den grond, klopte grauwtje op den rug en riep: "Als we eenmaal deze torens uit het gezicht verliezen, broertje, dan zal je pakje heel wat lichter geworden zijn!"--
"I-a,--i-a,--i-a,--i-a,"--balkte langoor zoo hard, dat al de wijngaardeniers, die daar in den omtrek in de wijngaarden aan het werk waren, van schrik hun arbeid staakten.
In de stad aangekomen, huurde Hans de mooiste en beste plek, die op de markt te vinden was, en niet één kraam was er, waarin zooveel omging, als in de zijne. De rijkste heeren en vrouwen kwamen bij hem koopen, en, keken ze ook al een weinig op den neus, als Hans de prijzen zijner koopwaar noemde, ze eindigden toch meest altijd met te betalen, wat hij vroeg.
Onder de lieden, die zich om Hans' kraam verdrongen om te koopen of om te zien, waren ook eenige Fransche Ridders, die bij den Bisschop van Würzburg in dienst waren.
Die mannen zagen er in hunne prachtige kleederen uit als Koningen; maar als ze in dezen tijd geleefd hadden, dan zouden de straatjongens hen zeker nagejouwd hebben:
"Schrale heeren, Lange pijpen, Diepe zakken, Niets te grijpen!"
Maar in dien tijd waren er nog geen lange pijpen, zoodat ze dit al vast niet roepen konden, en, of ze inderdaad wat anders geroepen hebben, dat betwijfel ik; want die Heeren Ridders zouden die lui het uitjouwen wel verleerd hebben.
"Hoeveel kost deze ring, koopman?" vroeg een.
"Twaalf schellingen, Edele Heer!"
"En wat vraag je voor dit kettinkje?" vroeg de tweede.
"Echt goud, Edele Heer! In Venetië gekocht voor veertien schellingen! Ik wil u het voor zestien laten!"
"En wat moet ik voor dat spiegeltje geven, zeg?" vroeg weer een derde.
"Als je er mij acht schellingen voor geeft, Edele Heer, dan kan u het meenemen!"
Toen kwam er een vierde, een vijfde, een zesde, ja, zelfs een twaalfde. De een vroeg naar dit, de ander naar dat, doch geen van de lui kocht wat. En daar ze te trotsch waren om te bekennen, dat ze geen rooden duit opzak hadden, hielden ze zich groot, en zeiden: "We zullen er eens over denken, koopman!"
Hans vond dat de Heeren wel wat veel tijd noodig hadden om zich te bedenken; want toen de mis afgeloopen was, en hij reeds alles weer ingepakt had, waren de Ridders nog niet tot een besluit gekomen, althans, ze hadden zich nog niet vertoond.
"Nu," bromde Hans, "wat die Heeren niet wilden koopen, zal ik naderhand wel kwijt raken. Ik heb toch goede zaken gedaan, en als de Genadige Heer Graaf zijn winst ziet, dan zal hij ook niet weten wat hem overkomt!" En zich hierop tot zijn ezeltje wendende, vervolgde hij: "En jij, Grauwtje, je zult ook wel kunnen voelen, dat de vracht minder is, nietwaar?"
"I-a,--i-a,--i-a!" klonk het antwoord.
Hans kocht voor zijn vierbeenigen vriend een roggebroodje meer dan gewoonlijk, en toen de ezel dat ophad, aanvaardde Hans den terugtocht.
Vroolijk fluitend liep hij naast zijn ezeltje voort, doch zie, toen hij een heel eind van de stad verwijderd was, werd hij opeens door twaalf Fransche Ridders overvallen.
Ze bezetten met hun paarden den weg, en een riep: "Geef den ring, waarnaar ik gevraagd heb, vent!"
"Voor twaalf schellingen, Edele Heer!" sprak Hans bevend, maar vast besloten.
"Twaalf stokslagen, lummel!" was het antwoord.
Nauwelijks had de een om den ring gevraagd, of de anderen kwamen ook en eischten van Hans, dat hij hun op staanden voet geven zou, waarnaar zij op de jaarmarkt gevraagd hadden.
Hans zag wel in, dat hij in den val was, doch gelukkig herinnerde hij zich, dat hij nog altijd het geel geworden perkamenten vrijgeleide van Graaf Lodewijk onder zijn wambuis droeg. Hij haalde het te voorschijn en zei: "Ik geloof, dat de Edele Heeren niet veel goeds in den zin hebben; maar ik waarschuw hen. Hier is mijn vrijgeleide van den allergenadigsten, doorluchtigen Heer Landgraaf Lodewijk IV van Thüringerland!"
"Papperlepap," schreeuwde de een, die den ring wilde hebben, "wij hebben met jouw Landgraaf niets uitstaan!"
"Dat heer kan van onzentwege naar Lapland gaan om sneeuwschoenen te bestellen!" riep een ander.
Een derde reed vooruit, rukte Hans het vrijgeleide uit de hand, scheurde het in stukken en gaf onzen Hans zulk een klap met de hand, die in een ijzeren handschoen stak, dat de arme marskramer bewusteloos op den grond tuimelde. Toen hij tot zichzelven kwam, was hij zijn mars, zijn ezel, zijn geldbuidel, ja, alles kwijt!
De arme man! Zoo gezwoegd en gesjouwd te hebben en dan zóó te haring moeten varen! Het was wat te zeggen!
Met builen, bulten en schrammen bedekt, doch zonder één stuk geld opzak, kwam Hans voor den Landgraaf en vertelde dezen zijn wedervaren.
"Welnu," riep Lodewijk lachend, "dat is niemendal, vriend!" en verwijderde zich.
"Dat is niemendal," bromde Hans ontevreden. "Ja, dat kan hij gemakkelijk zeggen! Hij heeft nog meer schellingen! Maar ik, arme drommel, wat heb ik? Niets! Het is om uit zijn vel te springen van kwaadheid! Die leelijke, kale meneeren! Die..."
Maar stil, wat is dat?
Hoor eens welk een leven daar op het voorplein van den Wartburg!
Hoor, de trompet wordt gestoken!
Wapengekletter en krijgsrumoer van alle kanten!
Wat zou er te doen zijn?
Daar treed de Landgraaf weer binnen, maar van top tot teen in het ijzer.
"Ik heb een bode naar den Bisschop van Würzburg gezonden, Hans Leegbeurs! Ze zullen ons den ezel en al het gestolene dubbel teruggeven, of wij halen het aan waarde meer dan honderdmaal terug," sprak de Graaf.
Men wachtte een paar dagen; maar wat er kwam, geen antwoord.
Intusschen had Graaf Lodewijk al zijn vazallen te wapen geroepen, en toen het antwoord wegbleef, trok hij op om het gebied van den Bisschop van Würzburg te plunderen en te vuur en te zwaard te verwoesten. Hans Leegbeurs moest mede.
Toen de Bisschop dit ter ooren kwam, zond hij een bode af naar het leger van den Landgraaf, om te vragen waarom zijn land zoo verwoest werd.
Graaf Lodewijk was inmiddels reeds Würzburg genaderd toen de bode bij hem kwam.
"Wat moet gij?" vroeg de Graaf kortaf, want hij was, zooals we reeds zeiden, zeer dapper en dus niet bang om iemand brutaal te woord te staan.
"Gij hebt de groeten van Zijne Hoogwaardigheid!"
"Dank u wel! Houd die groeten maar voor u! Zeg maar wat gij komt doen?"
"Zijne Hoogwaardigheid vraagt waarom ge den vrede verstoort, en moordende, plunderende en brandende in zijn gebied gevallen zijt?" vroeg de bode.
"Zijne Hoogwaardigheid vraagt naar den bekenden weg!" antwoordde Lodewijk. "Maar als hij het soms vergeten is, dan wil ik het hem nog wel eens zeggen. Ik wil mijn ezel terug, en niet alleen mijn ezel, maar ook al het geld, dat Hans Leegbeurs bij zich had. En als ik dat over uiterlijk drie uren niet dubbel terug heb, ik bezweer u, dan blijft er van Würzburg niet één steen op den ander! Zeg dat aan uw meester! Gij kunt gaan!"
De bode vertrok en in gespannen verwachting bleven de belegeraars waar zij waren, en zagen uit of de poort niet geopend werd; en de een of ander niet met het grauwtje aankwam.
Reeds waren er twee volle uren verloopen en nog was niets te zien.
Hier en daar begonnen al toebereidselen gemaakt te worden om storm te loopen.
Op het onverwachts evenwel ging één der poorten open, en een geheele schaar Geestelijken en Ridders, met het ezeltje in hun midden, trad er uit te voorschijn.
Zoodra de stoet genaderd was, sprak de baas van het troepje: "Zijne Hoogwaardigheid, de Bisschop van Würzburg betreurt het zeer dat uit een klein misverstand van beide zijden, zulk een bloedige krijg ontstaan is. Met den meesten spoed heeft hij aan het verlangen van den edelen Graaf van Thüringerland voldaan! Hij wenscht niets liever dan met hem, als met een goed broeder en een trouw vriend en bondgenoot te leven!"
Hierop keerde hij zich tot zijn gevolg en vroeg: "Nietwaar, mannen?"
Eer evenwel die mannen antwoord konden geven, schreeuwde de ezel, die het tusschen al die Ridders en Geestelijken erg benauwd begon te krijgen: "I-a,--i-a,--i-a!"--
Op dit antwoord barstten allen in een luid gelach uit en... de vrede was gesloten.
Hans Leegbeurs kreeg zijn ezeltje terug en bovendien al zijn geld en goed. Hij begon opnieuw handel te drijven en was binnen betrekkelijk korten tijd een rijk man.