Uit Ouden Tijd

Part 5

Chapter 54,082 wordsPublic domain

"Zal-je niet te veel geld vragen, Rem? Als je maar een gulden of tien mede brengt, dan zal Vader best in zijn schik wezen, dat heb ik wel opgemerkt!"

"Ik zou graag vijfentwintig gulden thuis brengen, Moeder!"

"Jongen, jongen, wat ben-je begeerig! Bedenk, wie het onderste uit de kan wil hebben, die krijgt soms het deksel op zijn neus!"

"Jawel, Moeder! Maar Swanenburg zei....."

"Swanenburg, Swanenburg kan zooveel zeggen! Hoor naar je Moeder, jongen, en vraag liever te veel dan te weinig, ik wil zeggen, vraag liever te weinig dan te veel! Misschien mag je later dan nog terugkomen! Ik zal er nog maar een paar boterhammen met kaas bijdoen, zal ik?"

Rembrand bedankte zijn zorgvolle Moeder vriendelijk, wenschte haar "goeden morgen" en begaf zich met een angstig en toch hoopvol hart op weg.

Met klokslag van negen was hij in het Voorhout.

Hoe menigmaal hij onderweg al een aanspraak verzonnen had, wist hij niet, maar dat wist hij wel, dat hij nu nog met den mond vol tanden zou staan, als hij bij den voornamen Heer aankwam.

Daar naderde hem een werkman.

"Och, vriend, kan-je mij ook zeggen waar ergens Mijnheer van der Velden woont?" vroeg Rembrand.

"Ik ken dien Heer niet!" antwoordde de werkman.

Thans ging Rembrand verder en draaide bij een pomp links om.

Bij een groot heerenhuis stond een deur open, en aan den ingang ervan, leunde een knecht tegen den post.

Rembrand naderde, groette beleefd en zei: "Och, Sinjeur, kan u mij ook zeggen, hoe ik loopen moet om op den Kneuterdijk te komen?"

De knecht lachte en sprak: "Ei kameraad, dan behoef je niet ver meer te loopen! Je bent er net!"

Rembrand keek vreemd op, dat hij zelf den Kneuterdijk had gevonden en vroeg nu: "Dank u wel vriendelijk, maar kan u me ook zeggen waar Mijnheer van der Velden hier ergens woont?"

"Je bent toch rondom een geluksvogel," sprak de knecht. "Mijnheer van der Velden woont hier!"

"En is Mijnheer thuis?"

"Ja, dat tref je ook al! Was je een paar uren later gekomen, dan zou hij te Delft geweest zijn. Maar wat wil-je nu eigenlijk?"

"Wel, ik wilde Mijnheer spreken! Hier heb ik een briefken! Als ge dat eens geven wildet!"

"Kom er dan maar in," zei de knecht, "en ga hier maar in deze kamer, maar...."

De knecht keek naar Rembrands bestoven schoenen.

"Jawel, jawel, ik zal mijn schoenen wel uittrekken!" sprak Rembrand, zonder het bevel daartoe af te wachten, en trad daarna op zijn kousen de kamer in.

Of het mooi was in die zaal?

Rembrand had het u niet kunnen zeggen. Hij zag niets van al dat mooie huisraad, van al dat prachtige goud en zilver en van de vreemde kostbaarheden. Hij zag alleen de menigte schilderijen, die de wanden bedekten. Eén onder anderen trof bijzonder zijn aandacht. Het was een schilderstuk van Aert van Leiden, die in 1564 te Delft verdronk, en stelde "Salomo's eerste recht" voor.

Nu eens plaatste Rembrand zich in het midden en dan weer rechts van de schilderij. Nu eens keek hij met de hand boven het oog en dan weer door de holle hand heen, en hij was bij het bezichtigen zóó opgetogen, dat hij niets hoorde van hetgeen in de kamer geschiedde.

Een lang, bleek en mager heer, heel eenvoudig gekleed, was met een dame in de kamer gekomen, en Rembrand zoo druk bezig ziende, opende hij zachtjes de portefeuille en begon er in te bladeren.

"Hé, Vader, dat is een allerliefst tafereeltje," zei de dame op een toon van verrassing.

Dat hoorde Rembrand toch, en met een hoogen blos van verlegenheid op de wangen, trachtte hij eenige woorden te spreken.

De heer en de dame lachten.

"Heb je dat alles zelf gemaakt, jonkman?" vroeg de Heer van der Velden.

"Jawel, Mijnheer! Om Uwe Edelheid te dienen, Mijnheer! Ik zelf alleen, Mijnheer, heel alleen, Mijnheer!" antwoordde Rembrand erg zenuwachtig en met tal van allerlei grappige buigingen.

"En wie is je leermeester? Zeker een konstig schilder?"

"O, ja, Mijnheer! De Meester, die me heeft leeren teekenen en kleurenmengen, is een zeer konstig en vermaard schilder Mijnheer! Hij heet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, Mijnheer!"

"Ik ken hem zelfs niet eens bij naam," sprak thans de dame. "Zijn vermaardheid zal wel niet verder dan tot Leidens wallen gegaan zijn!"

"Ik heb ook nog nimmer van hem gehoord; maar deze knaap heeft aanleg. Hij zou het ook zoover zonder meester gebracht hebben!" zei de Heer van der Velden tot zijn dochter, en zich hierop tot Rembrand keerende, vroeg hij: "En hoeveel vraag je voor deze teekeningen?"

Rembrand zag, dat ze den Heer bevielen en reeds was hij van plan om vijfentwintig gulden te vragen, toen hij dacht aan het geen zijn Moeder hem gezegd had, en daarom zei hij: "Tien gulden, Mijnheer!"

"Heeft Swanenburg je gezegd, dat je dat vragen moet?" vroeg de Heer.

"Neen, Mijnheer, mijn Moeder heeft het gezegd!"

"Zoo, en als je het eens hadt mogen doen, wat zou je dan gevraagd hebben?"

Rembrand aarzelde te antwoorden, doch op een vriendelijke aanmoediging der dame bracht hij er hortend en stootend uit: "Vijfentwintig gulden voor de drie samen, Mijnheer!"

"Het is goed," antwoordde de Heer van der Velden. "Ik zal het geld gaan halen!"

Eenige oogenblikken daarna kwam hij terug en zei: "Jonkman, ik moet je wat zeggen. In de teekeningen zijn nog heel wat fouten, en licht en schaduw deugen even min, als coloriet en perspectief! Als ik nu deze teekeningen met dertig gulden per stuk betaal, dan is dat te veel; maar toch doe ik het, in de hoop, dat je met dit geld beginnen zult bij een zeer bekwaam Meester les te nemen. Je meester Swanenburg moge een goed mensch zijn, een konstenaar is hij niet, en de regelen van de konst kent hij ook niet, dat zie ik uit je werk! Als ik je een meester noemen mag, dan weet ik geen beteren dan Pieter Lastman te Amsterdam, of Jakob Pinas te Haarlem. Ik heb zes teekeningen van je genomen, en zes maal dertig maakt honderdtachtig gulden. Zoo ik meen, zal je dat geld besteden, zooals ik dat wensch, en bij leven en welzijn, hoop ik vandaag over een jaar je hier weer te zien. Heb je dan mooiere en betere teekeningen gemaakt dan deze, dan wil ik ze je weer afkoopen; maar, en ik zeg je, let wel op mijn woorden, denk in vredesnaam niet, dat je nu al een heele Piet bent, en dat je best van je arbeid leven kunt; want, als je dat doet, dan word je niets meer dan een pover kladschilder, en ik trek mijn hand van je af. Leeren, veel leeren moet je, dan kan, dan zal er iets van je komen, als God het belieft.

De Heer van der Velden liet den verbluften Rembrand zelf de deur uit, en reeds was deze in het Lange Voorhout toen hij voelde, dat hij vergeten had, zijn schoenen aan te trekken en zich bedacht, dat zijn zak met boterhammen nog in de mooie kamer op een stoel lag. Wel aarzelde hij terug te keeren, maar eindelijk vatte hij moed en liet opnieuw den klopper op de deur vallen.

De knecht vond er natuurlijk geen zwarigheid in, dat de jongen de schoenen aantrok en den zoogenaamden "stikkenzak" medenam.

In de volle vreugde zijns harten had hij wel in iederen lindeboom willen klauteren, en over alle paaltjes heenspringen, doch iets hield hem tegen, en dat was zijn geld. Hoe zou hij dien schat thuisbrengen? Als hij onderweg eens aangerand werd?--Wacht, dicht bij den ingang van het Bosch had hij bij een uitspanning een bolderwagen zien staan, met het opschrift: "Rijd van Leyden naer Den Haghe, viese verse." Als hij eens met den wagen medeging? Hij zou dan gauw en veilig te Leiden komen!

Bij de uitspanning komende, zag hij dat de voerman bezig was de paarden voor den wagen te zetten en zonder boe of ba te zeggen, klom Rembrand er in en zette zich in een hoekje. De "stikkenzak" was spoedig open en terwijl hij aan zijn boterhammen met ham en worst smulde, kwamen de andere passagiers ook plaats nemen en de groote wagen hoste over de straatkeien naar Leiden.

De passagiers hadden veel drukte onder elkander, doch Rembrand bemoeide zich met niemand en zat, na het eten van een paar boterhammen, enkel maar rond te kijken zonder een woord te spreken.

Het was weer een heete dag, en de weg te lang om door de paarden in één rit afgelegd te worden, zoodat de voerman, zoodra hij voor de uitspanning "Het huis Ten Deil" gekomen was, ophield.

De passagiers en de voerman gingen een "potjen bier" drinken, doch Rembrand bleef zitten.

"Kijk hém daar! Kijk hém daar!" riepen eenige kwâjongens, die er altijd geweest zijn.

"Wacht, ik zal hem eens met een kluitken uit zijn hoeksken jagen!" schreeuwde een en smeet een bonk aarde naar den wagen. De straatjongen was handiger in het kwaad-doen dan in het mikken; want inplaats van Rembrand te raken, kwam de kluit op één der paarden terecht. Dit dier verschrikte en ging op den hol, en het andere paard moest wel volgen, of het wilde of niet.

De wagen gierde links en rechts langs den weg en geen der voorbijgangers had den moed de woeste dieren tot staan te brengen.

"Help, Help!" gilde Rembrand in duizend angsten.

Te vergeefs, niemand hielp!

Maar de paarden wisten den weg en hun stal ook zonder voerman, of zoogenaamden wagenaar, te vinden, zoodat de gelukkige, doch doodelijk verschrikte knaap, eindelijk tot zijn blijdschap zag, dat de woeste vaart der paarden verminderde. Plotseling hielden ze bij de Witte poort voor een uitspanning stil. Rembrand wist, dat de bolderwagen hier altijd afreed en, eer men hem kwam vragen, hoe hij zoo alleen met den wagen aankwam en waar de wagenaar gebleven was, stapte Rembrand er uit en baande zich door de toegeschoten nieuwsgierigen een weg naar zijn huis.

Hoe hij daar ontvangen werd zal ik wel niet behoeven te zeggen. Vader Harmen had er niets meer tegen dat zijn zoon geen geleerde, maar wel schilder wilde worden.

Alleen de oude Swanenburg, die meende, dat zijn uil een mooie valk was, vond het minder aangenaam, dat die Mijnheer van der Velden tot Rembrand gezegd had, dat hij een anderen leermeester moest zoeken, en toen de veelbelovende knaap eenige dagen later afscheid kwam nemen, omdat hij naar Amsterdam ging om de lessen van Pieter Lastman bij te wonen, zuchtte hij: "Gansbloed, geen profeet is geëerd in zijn Vaderland!"

Een half jaar later echter had Rembrand al een anderen meester opgezocht en wel Jakob Pinas te Haarlem, doch ook daar bleef hij maar kort en keerde naar het ouderlijke huis terug. Niet om te luieren evenwel! Neen, hij legde zich met de borst op de studie toe en vormde zoo zich zelven tot een der eerste schilders van alle tijden.

We bevinden ons ten jare 1650 op de Sint-Antonie-Breestraat te Amsterdam, en treden, dicht bij de Sint-Anthonie-sluis een vrij deftig huis binnen.

In een der groote kamers, die haar vensters tegen het Noorden hebben, vinden we eenige mannen. Zij zitten op ouderwetsche stoelen en de bewoner van het huis toont wel, dat hij een groot liefhebber is van schilderijen en prenten.

Geen wonder, want de bewoner is niemand anders dan Rembrand Harmsen, bijgenaamd van Rijn. De knaap, die eens door zijn makkers spottend: "Kroonprins van de schildersbent" genoemd, werd, is een Meester geworden, die het geheele land door bekend is, ja, de dichter Jeremias de Decker zong van hem:

"Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen, Van klim-op, altijd groen, Zoo heeft uw puik-penceel geen' vreemde lofgezangen, Geen pen-getooi van doen. Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen; 't Is door zich zelf vermaerd, En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen, Als 't vrije Neêrland vaert."

Die beroemde schilder zit daar in een grooten leunstoel. Zijn lange, golvende haren door een baret gedekt, hangen op zijn vreemden mantel neder, en zijn kleine, geestige oogen zien helder op zijn bezoekers neer.

"Wel, Rem, Rem, wie had dat een dertig jaren geleden durven denken, dat we elkander hier zouden ontmoeten!" zegt een deftig burger, die zich noemt Jasper Cornelissen, Mr. broodbakker.

"Ja, en denk je nog wel eens aan die teekening in houtskool op den witten voorgevel van je Vaders speeltuin? Ze moest de onthoofding van 's Lands-advocaat beduiden!" spreekt onze oude kennis Matthijs Hendriks, die nu een groote herberg buiten de Rijnsburger poort te Leiden houdt.

"Aan die teekening denk ik altijd minder dan aan mijzelven, toen ik daar meer dan een uur lang onder dat biervat zat," zegt thans de derde bezoeker, die Cornelis Gerrits heet, en die thans aan de jeugd "hanenboekskens" en aan de Heeren studenten Grieksche bijbels verkoopt.

"Ja, vrienden, er is sinds dien tijd heel wat gebeurd. Jan Willemsz. en Cornelis Claesz. zijn al ter ziele. Mijn Ouders en mijn lieve vrouw Saskia zijn ook al dood, en.... maar stil, de Heer heeft mij wel zwaar bezocht, maar ook mild gezegend; Zijn naam zij geloofd!" zegt Rembrand, en opstaande voegt hij zijn drie ouden vrienden toe: "Komt, gijlieden zijt heden mijn gasten! Gaat eens mede naar de leerkamer waar mijn discipelen arbeiden!"

Jasper Cornelissen houdt hem echter staande en zijn hand op den schouder des schilders leggende, zegt hij: "Hoe jammer dat onze twee profeten dood zijn, Rembrand!"

"Welke profeten?" vraagt Rembrand lachend.

"Wel, Cornelis Claesz. en Jan Willemsz. De eerste zei, dat je Koning der schildersbent zoudt worden, en de ander noemde je, zoolang je dat nog niet was, Kroonprins! Weet je dat niet meer?"

"Ja, ik herinner het mij nog wel, maar wat zou dat?"

"Wat dat zou? De profetie is bewaarheid geworden: de Kroonprins werd een Koning!"

"Ho, ho, al te veel ijdeltuiterij mannen," antwoordt Rembrand en duwt zijn vrienden thans de ruime werkplaats binnen.

Ja, de zoon van den eenvoudigen moutmolenaar is een Koning geworden, dat werd hij bijna geheel en al door eigen studie. In geen beschaafd land der wereld is zijn naam onbekend, en zijn schilderstukken en etsen zijn duizenden guldens waard. Jammer dat de Koning der Nederlandsche schilders genoodzaakt was, aan het einde van zijn leven een alles behalve Koninklijk inkomen te hebben. Niet door brasserij of slecht levensgedrag, maar door allerlei tegenspoeden werd hij eindelijk genoodzaakt zijn huis en inboedel voor schuld te verkoopen. Op het laatst van zijn leven woonde hij in een gering huis op de Rozengracht tegenover het Doolhof, waar hij in October van het jaar 1669 overleed.

Onder Rembrands schilderijen, die in ons land gebleven zijn, bekleeden De Nachtwacht en De Ontleedkundige Les de voornaamste plaats. De beide stukken zijn wereldberoemd, en De Ontleedkundige Les werd in 1828, op bevel van Koning Willem I, door den Minister van Binnenlandsche zaken voor twee en dertig duizend gulden gekocht.

Het Vaderland heeft zijn Schilderkoning vereeuwigd door een standbeeld, dat den 27sten Mei 1852 te Amsterdam onthuld werd.

"Dat is geen bloedig gedenkteeken," sprak onze Koning Willem III, die bij de onthulling tegenwoordig was, en dat was een goed woord, gesproken op zijn pas. Want het is een gedenkteeken voor een Koning, die den roem van Nederland meer verbreid heeft door zijn penseel, dan menig werkelijk regeerend Vorst den roem zijns lands verbreidde door zwaard of kanon.

EEN EERLIJK MAN.

De Franschen hadden, te midden van allerlei gruwelen, hun Koning, Lodewijk XVI, op het schavot doen sterven, en vormden thans een Republiek, die verschrikking over Europa bracht. Wel trachtten de Vorsten van andere landen dien machtigen stroom des opstands te keeren, doch geen macht was er tegen bestand.

Overal zwierven de Fransche, Republikeinsche legers rond en, waar zij heengingen daar lieten ze de droevige sporen van hun verblijf achter.

Zoo naderde ook een leger Sans-culotten,--spotnaam aan de Fransche soldaten gegeven,--het gebied van den Vorst van Hessen-Kassel, en daar deze zeer goed begreep, dat hij tegen hen niet bestand was, ontvlood hij zijn hoofdstad en nam alleen zijn draagbare bezittingen mede.

Maar, waar zou hij deze laten?

Zou hij ze overal medenemen, waar hij henentoog?

Hij wist niet eens, waar hij belanden zou, en of hij op den duur wel uit de handen der Sans-culotten zou kunnen blijven.

Op zijn vlucht naderde hij de oude stad Frankfort a|d Main.

"Wacht," denkt hij, "in Frankfort woont een Israëlitisch bankier, van wien ik veel goeds gehoord heb. Als ik mijn kostbaarheden en mijn geld hem eens in bewaring gaf? Wil hij er den oneerlijken mee spelen en mij later niets teruggeven, in vrede, als ik dat alles bij mij houd, verlies ik het toch op den een of anderen dag!"

Hij besloot dus den bankier op te zoeken, en toen hij dezen vond, stelde hij hem vóór, den schat zoo lang te bewaren tot hij weer in veiligheid naar zijn Staten kon terugkeeren.

De bankier had er niet veel zin in, doch toen de Vorst bleef aanhouden, stemde hij eindelijk toe en nam alles in ontvangst, en nauwelijks was de voortvluchtige Vorst vertrokken, of de bankier begroef de schat, die eenige millioenen guldens waarde had, in een hoek van zijn tuin.

Kort daarop kwamen de Sans-culotten aan, en, wie er ook van een bezoek verschoond mocht blijven, al vast niet de Joodsche bankier. Dat deze dat nu maar zoo bedaard toeliet, zou te veel gezegd zijn, integendeel hij ging erg te keer en bezwoer hen, dat hij zulke plunderaars, die een eerlijk man tot den bedelstaf brachten, bij den bevelvoerenden Generaal zou aanklagen.

De ruwe gasten lachten hem echter wat uit. Ze wisten wel, dat hij bij den Generaal toch geen hulp vinden zou. Geen kast lieten ze ondoorzocht. Ze namen alles mee, en toen de bankier in de verte de trommels van het aftrekkende leger hoorde klinken, dacht hij: "Mij hebben ze van alles, wat ik had, beroofd; maar de schat van Zijne Doorluchtigheid is er toch nog!"

De Sans-culotten hadden zoo ongeveer honderdtwintig duizend gulden van hem meegenomen.

Toen de bankier begreep, dat de plunderaars niet weer zouden terugkeeren, hervatte hij zijn zaken, en daar hij hiertoe geld noodig had, nam hij een gedeelte van den verborgen schat.

Om evenwel geen argwaan te wekken, begon hij in het klein, doch langzamerhand breidde hij zijn handel uit, en maakte zich weldra tot een der meest bekende en grootste bankiers van Duitschland.

In het jaar 1802 keerde de Vorst naar zijn Staten terug en nam zijn weg over Frankfort.

Hij zag er tegenop den bankier te bezoeken; want hij begreep wel, dat, als de Franschen nog iets overgelaten hadden, de eerlijkheid van den bankier toch niet bestand zou geweest zijn tegen de verzoeking, dat geld, als het zijne te gebruiken. En als hij dat gedaan had, dan viel er nog niets aan te doen; want hij had zelfs geen enkel bewijs, dat de bankier zijn schat in bewaring had.

Toch ging hij er heen, en toen hij in de binnenkamer van den bankier gekomen was, riep hij op een luchtigen toon, die zooveel zeggen wilde, als dat hij zich over zijn verlies heengezet had: "Nu ik hier tòch in Frankfort ben, Mijnheer, is het natuurlijk, dat ik even bij u aankom, hoewel ik reeds vooraf weet, dat ik toch voor niemendal kom. Hebben de schelmen alles mee genomen?"

"Geen thaler, Uwe Doorluchtigheid," was het kalme antwoord.

"Wat zegt gij daar?" riep de Vorst. "En in alle couranten stond dat de Sans-culotten alle kasten en kisten bij u opengebroken en u tot bedelaar gemaakt hadden!"

"Dat hebben ze ook gedaan, Uwe Doorluchtigheid! Maar ik was dezen lieden toch nog te slim af. Ik liet hen mijn klein kapitaal stelen om uw groot te bewaren. Zoo ik ook mijn bezittingen verborgen had, zouden de roovers vast overal aan het zoeken gegaan zijn en zeker alles gevonden hebben. Het waren slimme knapen, die Sans-culotten. Enkelen mijner kennissen en buren hadden alles geborgen, en als die uitgeslapen schelmen in een groot huis kwamen en niets van waarde vonden, begrepen zij wel, dat men hen trachtte te misleiden. En hoe legden ze het aan om de verborgen schatten te vinden? Ze stortten emmers vol water over de gemetselde vloeren en in de tuinen, en de plaats, waar het water het eerst in de grond zonk, werd dadelijk opgegraven; want dit was hun een teeken, dat de grond pas opgedolven, of het metselwerk pas gelegd was. Ik had, zooals ik uwe Doorluchtigheid reeds gezegd heb, niets van datgene, wat het mijne was, verborgen. Ze namen dus ook alles mee en toen ze vertrokken waren, was er geen penning van mijne bezittingen overgebleven. Toen Frankfort geplunderd was, trokken de roovers af om elders op dezelfde wijze te werk te gaan. Had ik nu maar geld gehad, dan zou ik goede zaken gemaakt hebben; want de kooplieden waren om geld verlegen en boden een hoogen intrest. Maar, ik had geen geld!

Eens echter, dat ik in den tuin liep en mijn gedachten over alles gaan liet, kwam ik ook in den hoek waar uw schat verborgen lag.

"Als ik dit geld eens gebruikte!" dacht ik.

"Het is het uwe niet! Ge hebt er geen beschikking over!" zei mijn geweten.

Ik ging naar huis en ontvlood de gevaarlijke plek; maar dat hielp niet veel, want dag en nacht waren die schatten in mijn gedachten.

Eindelijk werd de verleiding mij te sterk. Ik groef alles op, borg uw edelgesteenten en gouden sieraden in een ijzeren doos en gebruikte het losse geld om mijn handel voort te zetten.

Ik was meer dan gelukkig en thans ben ik instaat u niet alleen uw geld, maar ook vijf percent intrest te geven van den dag af, dat ik uw geld gebruikt heb!"

"Hartelijk dank, mijn goede vriend," antwoordde de Vorst, "voor de groote zorg aan mijn geld en mijn kostbaarheden bewezen. Wat den intrest betreft, dien gij mij geven wilt, houd dien en beschouw hem, als een vergoeding voor hetgeen de Sans-culotten u ontroofd hebben!"

De oogen van den eerlijken Israëliet glinsterden van vreugd, doch eer hij hiervoor zijn Vorstelijken geldschieter bedanken kon, vervolgde deze: "En wat het kapitaal betreft, dat ge zoo uitmuntend beheerd hebt, ik kan het aan geen betere handen toevertrouwen. Houd het gedurende twintig jaar tegen een intrest van twee percent onder u! Ik vertrouw, dat ik er mij niet over beklagen zal, en dat de gelden u tot voordeel zullen zijn!"

Een eenvoudige schuldbekentenis, dat de bankier dat kapitaal van hem in gebruik had, was den Vorst voldoende, en toen hij dit in handen had, vertrok hij.

Gedurende de vergaderingen van de Congres-leden te Weenen in 1814 deed de erkentelijke Vorst alle mogelijke pogingen om te bewerken, dat de Mogendheden, indien ze een leening wilden sluiten, de voorkeur zouden geven aan den "eerlijken jood van Frankfort a|d Main".--En die pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond.

Van dien tijd af steeg het aanzien van den Israëliet dermate, dat hij weldra de eerste bankier van heel Europa werd. Zonder hem sloot geen Staat een geldleening.

En zijn naam?

Zijn naam was Mozes Rothschild, en hij was de Stamvader van de Heeren Rothschild, die thans nog in Weenen, Parijs, Frankfort en Londen leven, en die met recht den titel van "Geldvorsten" mogen dragen.

Lang niet altijd wordt eerlijkheid zóó beloond; maar toch kan ik u, mijn jonge vriendjes, gerust den raad geven: "Weest altijd even eerlijk, als de oude Mozes Rothschild!"

DE KONING EN DE BOERIN.

Het was vroeg in den morgen van een mooien September-dag in het jaar 1825, dat een welgekleede boerin de stad Berlijn door de Brandenburgsche poort binnentrad. Op haar kar, die zij met moeite voortduwde, stonden eenige koperen kannen vol melk, die zij, zooals ze iederen dag gewoon was, bij haar klanten in de stad ging rondbrengen.

Gewoonlijk had ze tegen den portier altijd een praatje te maken en nimmer nog had men haar stroef of onvriendelijk gezien. Dezen morgen echter scheen het huilen haar nader dan het lachen en toen de portier haar vroeg: "Wel, moedertje, is al de melk onderweg zuur geworden, dat je zulk een bedroefd gezicht zet?" antwoordde zij: "Was dat maar waar! Neen, mijn eenige zoon Nikolaas moet onder dienst, en daar ik weduwe ben, en niemand heb dan mijn jongen om de boerderij te drijven, weet ik niet, wat ik zonder hem beginnen moet. Nu heeft onze schoolmeester een verzoekschrift aan den Koning geschreven, en ik-zelve zal het brengen. Onze Koning is immers een goed man, die een arme weduwe niet zal laten wegjagen?"