Part 4
Maar stil, hier is de boerenhofstede met het opschrift: KLEYNE WINSTE--GROOT VERLIES! Hij kan niet verder meer! Hier zal hij zich versteken. Het is schemerdonker geworden; misschien dat ze hem niet meer vinden. Hij kruipt in een hooiberg en hoort den Baljuw voorbijloopen. Een poosje later komen de Spanjaarden. Hoe gelukkig, ze zien alleen den Baljuw en loopen hem na. Arend laten ze zitten.
Het wordt al donkerder en donkerder en eindelijk hoort hij de Spanjaarden van hunne vergeefsche jacht vloekende terugkomen. Van Kraeyenstein is dus gered, en hij.... neen, hij nog niet! Maar, als het nu heelemaal nacht is geworden en hij is wat uitgerust, dan hoopt hij toch ook te ontkomen.
Arend strekt zich op het hooi uit en valt in slaap. Hoe lang hij sliep weet hij niet; maar de haan kraait hem wakker. Hij laat zich voorzichtig van het hooi glijden en zoekt in het donker den weg te vinden. Een werfhond komt grommend op hem af en begint hevig te blaffen. Doodelijk verschrikt springt Arend op den hooiberg terug. Daar gaat een deur open en een barsche stem roept: "Kssst, Karo!"--De hond zwijgt, maar springt tegen de schelf op, alsof hij zeggen wilde: "Hier is de dief!"
"Is daar iemand?" vraagt dezelfde man.
Arend durft niet te zwijgen en zegt: "Ach, ja, een arme vluchteling uit Oudewater!"
"Kom dan voor den dag!" luidt het bevel, en als Arend hieraan gehoorzaamd heeft, zegt de ander: "Ik zie, dat je een knaap bent, en hoewel ik den opstand tegen onzen wettigen Heer en Graaf verfoei, toch wil ik helpen! Maar kom eerst binnen en eet een stuk brood!"
Arend voldoet hieraan gewillig en eet met een graagte, die bewijst, dat hij in lang niet zoo kostelijk gegeten heeft. Terwijl hij zoo eet, doet de boer hem onderscheidene vragen, en als Arend eindelijk zegt, wie hij is en dat hij zijn Moeder, broertjes en zusjes kwijt is, zegt de boer: "Bijlo, je bent een zondagskind! Je Moeder is met haar geheele familie aan mijn zwager Jan Adriaensz. van Montfoort voor zes onnoozele rijksdaalders verkocht geworden! Want al noem jelui ons ook Glippers, omdat we den Koning en ons Geloof getrouw gebleven zijn, toch hebben wij nog wel wat voor jelui over, weet-je!"
De boer wees Arend thans een pad, waarlangs hij gemakkelijk tusschen de Spanjaarden door in veiligheid kon komen. De verheugde knaap begaf zich terstond op weg, en kwam in den vroegen morgen in Ter Goude aan. Zijn Vader was spoedig gevonden, en nog geen week later vond men in een klein huisje te Montfoort de geheele familie bijeen. Dat er, al was het armoedig, toch feest gevierd werd, begrijpt ieder.
"We zijn wel gelukkig, als we naar zoovelen van onze kennissen zien, Dirk!" zei vrouw van Dam.
"Ja, Teuntje, dat zijn we ook! Oudewater weet, dat het de zijde van den Prins gekozen heeft!"
"Zou je dan denken, dat Hierges en zijn Spanjaarden dáárom alleen zoo deerlijk huis gehouden hebben?" vroeg Jan Adriaensz.
"Welja, waarom anders?"
"Dat kan je niet weten, van Dam, jij was er niet bij. Maar toen je in Ter Goude was, hebben die van Oudewater onze kerk geplunderd, en de beelden der Heiligen op de wallen rondgedragen om ons geloof te bespotten! Hierges kon zijn soldaten niet tegenhouden, al had hij het werk van een Engel kunnen doen; de Spanjaarden wilden zich op die heiligschenners wreken!"
"Dat stond gemeen," zei van Dam. "Ik zeg maar, laat ieder mensen gelooven, wat hij wil; de godsdienst is geen zaak om er mede te spotten!"
Arend, die vreesde, dat zijn Vader op de een of andere manier er achter zou komen, hoe hij een van de belhamels geweest was van die woeste menigte, begon nog eens zijn eigen vlucht te vertellen en besloot met te zeggen: "Wie had dat kunnen denken, dat we allen zoo gespaard zouden blijven!"
Jan Adriaensz. zette zijn hoed op en heengaande zei hij: "Nu vrienden, veel genoegen en, weest dankbaar voor uwe wondervolle redding, want gijlieden zijt door het oog van een naald gekropen!"
VAN EEN BEROEMD SCHILDER.
De lieve Meimaand van het jaar 1619 had, behalve bloemen en groen, ook nog meer gebracht, namelijk, ontroering in den lande.
Op den 13den dag dezer maand toch was te 's-Gravenhage een grijsaard onthoofd geworden. Hij was toen bijna 72 jaren oud en had, volgens zijn eigen zeggen, gedurende veertig jaren het land eerlijk en trouw gediend.
Die man was Johan van Oldenbarnevelt.
Veel is er ten nadeele van dezen Staatsman aangevoerd geworden, doch ook veel is er gezegd, dat voor zijn onschuld pleit.
Reeds tweehonderd negen en zeventig jaren zijn na zijn terechtstelling verloopen, en nog is men het er niet algemeen over eens, of hij schuldig was of niet.
En als men er nu nog over twist, hoeveel te meer zal men het dan gedaan hebben kort na zijn dood!
Hierover bekommerden echter de jongens zich niet, die we eenige dagen na het voorgevallene in 's-Gravenhage, te Leiden, dicht bij de Hoogewoerds-poort ontmoeten.
Er zijn er vijf. Het zijn jongens uit den nijveren middelstand van Leidens burgerij.
Met gejaagde blikken zien ze telkens de Hoogewoerd op. Ze schijnen iemand te wachten.
"Zou hij ons gefopt hebben?" vraagt een gezonde jongen van omstreeks twaalf jaren, die Cornelis Gerrits heette aan Matthijs, zoon van Hendrik Matthijsen, den tapper.
"Dan verdient hij toch zulk een pak slaag, als er nog nooit ofte nimmer een Leidsche jongen een gehad heeft! Wat zeg jij er van?" is het antwoord, en met dien jij bedoelt Matthijs den grootsten der vijf.
Deze heette Jasper Cornelissen en was de zoon van een welgesteld broodbakker in de Lange Coppenijnsteeg.
"Ik weet het niet!" bromt deze.
"Hoort hem, hij weet het niet! Wat een leugenaar! Neen, Jasper Cornelissen heeft gisteren morgen geen kleurpoppekens van hem gekregen, omdat hij die moeielijke multiplicatie voor hem gemaakt heeft!"
Hij, die dat zegt, is Jan Willemsz. de twaalfjarige zoon van een schoenmaker. De guit kijkt hem de oogen uit, en Jasper op den schouder kloppend, herhaalt hij spottend nog eens: "Neen, hij weet het niet! Och, arme!"
Jasper, die er heusch niet meer van schijnt te weten dan zijn andere makkers, wordt kwaad, en vraagt aan Cornelis Claesz., wiens Vader een koopman of comen is: "Zeg, wandelend suikervat, jij zit op school ook naast hem, en jij weet het zoo goed als ik: Heeft Rembrand ons wat gezegd?"
"Daar komt hij! Daar komt hij!" roept thans Jan Willemsz. "Jongens, ziet hem eens loopen! Het is alsof hij een pak slaag denkt te krijgen, omdat hij zoo laat komt!"
Na dit gezegd te hebben snelt Jan zijn vriend te gemoet en de andere jongens volgen hem.
"Wat laat, jongens; wat laat; maar ik kan het niet helpen! Ik moest nog bij Vader in den moutmolen zijn!"
"En mogen we?" vraagt Jasper.
"Ja, tot van avond zes uur! Een kansje, hé!" zegt Rembrand en wrijft zich vergenoegd in de handen. De andere jongens schijnen hun ontevredenheid geheel afgelegd te hebben en hollen thans zeer opgewonden de Hoogewoerds-poort uit.
"Hoe ver is het loopen, Rembrand?" vraagt Cornelis Gerrits.
"Van hier naar Zoeterwoude of van de Weddesteeg?"
"Wel, van hier!"
"Stijf een half uur! Maar als we goed aanloopen, kunnen wij het wel in vijf minuten minder!"
"Heb jij de strafvragen uit den catechismus al geleerd, Rem?" vraagt Jasper.
"Ha, ha, die heb ik niet te leeren! Ik ken al de vragen en antwoorden op mijn duimpje! Maar weet je wel een van allen, waarom Meester Brandius mij strafwerk gegeven heeft?"
"Welja, voor je babbelen en spelen," zegt Cornelis Claesz.
"Ei, dat denken ze allen; maar ik weet het beter. Heb-je den Meester al eens gezien, als hij des morgens pas op is en den nachtrok nog aan heeft?"
"Neen, jij wel?" vraagt Claesz.
"o, Zoo vaak! Zijn tuin komt juist achter ons pakhuis uit, en omdat ik hem zoo dikwijls en zoo goed gezien heb, heb ik hem op Vaders molen uitgeteekend op een stukske papier. Toen dat klaar was, schreef ik er onder: "Dat is nu dat conterfeitsel van Meester Brommius!" ik rolde het op en smeet het in den tuin!"
"Maar dan weet hij toch niet wie dat gedaan heeft!" zegt Jan Willemsz. "Je hebt immers nog meer broers en zusters?"
"Of ik! Ik heb nog zes broers en zusters, maar de letterkens, die ik zet...."
"Ha, ha, zijn mooi schrift heeft hem verklikt! Waarom schrijf je ook zoo slecht?" roept Jasper.
"Ik kan die schrijfkunst niet leeren, omdat...."
"Omdat je liever poppekens teekent, hé?" spot Matthijs. "Maar stil, wie loopt daar voor ons uit? Is dat niet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, de kladschilder?"
"Zeg dat nog eens als je durft," zegt Rembrand en plaatst zich met gebalde vuisten voor Matthijs.
"Wat zeggen?" vraagt deze onnoozel.
"Dat Swanenburg een kladschilder is!"
"Brrr, wat een bombarie voor zulk een kleinigheid! Mijnentwege is hij Koning van de heele schildersbent! Kladschilders zoowel als Meesters! Wat geef ik er om?"
"Ja, jongens, die Swanenburg is Koning der Leidsche schildersbent en aan hem heeft Rembrand te danken, dat hij nu al voor Meester Brommius den heelen catechismus uit het hoofd heeft moeten leeren! Die Swanenburg leert onzen Rem met verf morsen en poppekens teekenen!" roept Jan Willemsz. En op Rembrand afgaande, vraagt hij hem lachend: "Is het zoo niet, Rem?"
"Jij kalt als oude, Katwijksche vischvrouwen!" is het antwoord. "Vader wil een geleerde van mij maken en daarom stuurt hij mij ter schole bij dien Brommius om Latijn te leeren! Bijlo, een kostelijke broodwinning, ja, een geleerde! Bah, die mannen worden niet beroemd en lijden honger!"
"Maar wat wil jij dan worden?" vraagt Cornelis Claesz.
"Ik? Ik wil en ik zal schilder worden, al ging Vaders moutmolen op den kop staan!"
"Ja, ja, Rem is de Kroonprins der Leidsche schildersbent! Leve de Kroonprins!" roepen thans de anderen en loopen lachende, joelende en spelende den ouden Swanenburg voorbij, om in den speeltuin van Rembrands Vader den middag zoo prettig mogelijk door te brengen.
"Wat die jonge borsten te Zoeterwoude zullen aanvangen?" mompelt Swanenburg, en het hoofd schuddende, zegt hij: "Ik dacht, dat er in dien Rembrand een schilder stak, maar, eilaci, daar komt uit dien knaap geen schilder of geen geleerde. Wild en woest is hij en als het op guitenstreken aankomt, dan is hij nummer één van alle straatbengels. Een beetje vroolijk en los, nu, dat kan er bij een schilder nog door, maar zooals hij... Neen, neen, er komt geen stuk van hem te recht. Ik zie hem nog als oorlogsmatroos naar zee gaan!"
Zoodra de zes makkers in den speeltuin te Zoeterwoude aangekomen waren, begonnen ze weer eens te bespreken, wat ze nu eigenlijk daar buiten spelen zouden, en na veel over- en weerpraten werd er besloten, dat men verstoppertje of wegkruipertje zou spelen.
Rembrand zelf zou aftellen wie de zoeker zijn zou en begon aldus:
Dau-dau-deeren kwam ik tegen Op Sint Joris bruggetje, Met den pappot op haar ruggetje, Met den potlepel in haar hand; Zoo kwam Dau-dau-deeren in 't land.
Op hemzelf viel het woordje "land", zoodat hij de zoeker zijn moest.
Er was in den speeltuin ruimte genoeg, en er waren kostelijke plaatsjes om weg te kruipen.
Op den Leidschen weg kwam een wagen stapvoets aanrijden en zoodra deze voor het huis was, zou Rembrand beginnen met zoeken. Doodbedaard ging hij voor het huis op een bank zitten wachten, tot de wagen er zijn zou. Hij had een stokje in de hand en wroette hiermede in den mullen grond. Eensklaps viel zijn oog op een stuk houtskool en, daar de wagen maar langzaam vorderde, nam hij de kool op en begon op den witten muur te teekenen. Wat teekende hij? Hoe lang was hij er wel mede bezig?
De wagen was misschien al lang en breed in Leiden en nog zaten de vijf jongens te wachten om gevonden te worden.
Ze hadden er nu wel pret in gehad, dat ze wegkruipen mochten, maar om nu zóólang te blijven zitten, neen, dat beviel toch niet!
Jasper Cornelissen was de eerste, die het in zijn schuilplaats zoo begon te vervelen, dat hij het waagde voor den dag te komen.
En geen wonder, waarlijk! Misschien meer dan een uur had hij in een laag kippenhok gezeten, en had hij zichzelven zooveel geweld moeten aandoen om er in te kunnen, dat hij zoo stijf was, als een hout, toen hij er uittrad.
Zijn eerste gang was naar den stapel met takkenbossen. Jan Willemsz., een eerste klimmersbaas, had daar een schuilplaats gezocht.
"Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!"
"Ja, roep maar," dacht Jan, "ik zal wel zorgen, dat ik niet voor den dag kom!"
Een oogenblik stilte.
"Psst!--psst!"
"Welzeker, Rem, ik zal voor den dag komen, dat kan je begrijpen," fluisterde hij daar boven op het hout.
"Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!"
Ja, nu hoorde hij daar in de hoogte toch, dat het Rembrand niet was, en wat naar den voorkant kruipende, zoodat zijn voorhoofd over den rand kwam, zei hij: "Hebben ze je ook niet kunnen vinden, zeg?"
"Ik weet het niet," antwoordde Jasper, "maar ik heb hem zelfs niet gehoord of gezien. Mag ik daarboven bij je komen? Dat is wel zoo gezellig!"
"Welja, waarom niet? Jongen, men zit hier zoo kostelijk, en in het midden is een holte, als in een vogelnest, zoodat niemand ons van beneden zien kan!"
Nu Jasper zoo langs de uitgestrekte takken naar boven klauterde, kwamen Cornelis Claesz. en Matthijs ook aan.
"Met ons vieren kunnen we er niet op," riep Jan.
"We spelen geen wegkruipertje meer! Ik wed, dat Rembrand en Cornelis Gerrits aan het knikkeren gegaan zijn. Komt ook maar naar beneden, dan gaan we samen naar huis!" zei Matthijs. De beide jongens daalden af en besloten stilletjes het hek uit te gaan, zonder dat die twee "valsche" jongens, zooals ze Cornelis Gerrits en Rembrand noemden, hen zien konden.
"Waar ga-je heen?" riep eensklaps Cornelis Gerrits.
De vier knapen stonden, stil en zagen rond.
"Dat is Cornelis, die ons roept!" zei Jasper. "Cornelis, waar zit je dan toch? Kom voor den dag!"
"Hier onder dit biervat! De knecht heeft mij er onder geholpen! Ja, ja, ik wist wel een plaatsje, waar ze me niet zouden vinden!"
"Jawel, maar Rembrand heeft ons ook niet gevonden!" hernam Jasper,
"En waarom ga je dan heen?"
"Wel, omdat hij ons maar laat zitten. Wie weet waar hij is! Een mooi kompeer!" bromde Jan.
Thans besloten ze alle vijf stilletjes heen te gaan; maar toen ze den hoek omdraaiden, zagen ze eenige mannen en vrouwen uit de stad met alle aandacht naar iets staan kijken. Swanenburg was er ook bij. Hij beduidde den jongens door wenken, dat ze zich stil moesten houden en wees te gelijker tijd op Rembrand, die met de houtskool nog altijd bezig was met teekenen.
Geen van Rembrands kameraden had echter iets met die menschen te maken, doch wel met den kleinen teekenaar, die hen alle vijf zoo leelijk had beet gehad.
"Jij bent ook een lieve jongen," riep Jasper.
"Stil, jongens, stil! Ik moet den arm van den beul nog wat veranderen!" antwoordde Rembrand en wilde voortgaan. Toevallig keek hij echter om en zag al die menschen staan.
"Wel, Rembrand, jongen, wat heb je daar geteekend?" vroeg Swanenburg.
"De onthoofding van Oldenbarnevelt, Meester!"
"En wie zijn al die menschen, die daar bij staan?"
"Die daar op dat paard is Zijne Excellentie Prins Maurits, dat is Prins Frederik en dat is Dominus Bogerman, Meester!"
"Maar, jongen, die Heeren waren er niet bij tegenwoordig! Ik zelf heb alles gezien, en...."
"Van wien heb je leeren teekenen, manneke?" vroeg een der andere Heeren.
Het was Coenraed Schilperoort, die dat vroeg, en die met zijn vriend Arnoudt Elsevier, evenals hij een tamelijk bekend schilder, het werk van den jongen teekenaar met bewondering gadegeslagen had.
"Van niemand, Sinjeur!" antwoordde Rembrand, die geen der beide Heeren kende.
"Zoo van niemand! Hoe is je naam?"
"Ik heet Rembrand Hermansz. van Rijn, Sinjeur!"
"Van Rijn? Van Rijn! Is je Vader de moutmolenaar uit de Weddesteeg?"
"Ja, Sinjeur, daar ben ik geboren en daar wonen mijn Ouders ook. Heeft u een bestelling?"
"En wiens huis ben-je daar nu zoo netjes aan het opknappen?" vroeg Elsevier.
"Dit is Vaders speeltuin, Heeren, en ik had oorlof om hier met mijn makkers te spelen!"
"Aardig spelen," bromde Jasper, "Hij laat mij een uur in het kippenhok en Cornelis Gerrits een uur onder een biervat zitten. Maar wij geven er de brui van! Ga je mee, jongens? Wat doen wij hier?"
De andere vier volgden hem en lieten Rembrand met de Heeren achter.
Eerst tegen zonsondergang lichtte deze de klink van de bovendeur van een huis in de Weddesteeg op en trad er binnen om van Harmen van Rijn een scherpe vermaning op te loopen, welke gewoonlijk eindigde met de woorden: "Jij zou een kladschilder, een luie taveernelooper, een toebackdrinker willen worden, he? Maar dat zal nimmer ofte nooit gebeuren, zoo waar ik Harmen van Rijn heet!"
Drie jaren waren na dit voorval verloopen.
Nog altijd wilde Harmen van Rijn van zijn zoon een geleerde maken. Nog altijd ging Rembrand ter schole.
Maar wat hij daar deed?
o, Zoo goed als niemendal. Als hij maar een vrij oogenblik had, dan was hij bij den ouden Swanenburg, die hem leerde teekenen en veel genoegen in zijn leerling had. Zijn lessen kende hij nooit, doch de Meester had het al lang opgegeven hem hiervoor te straffen. Het hielp den goeden man toch niet, tot hij eindelijk besloot den Meester eens ernstig over Rembrand te onderhouden.
"Nu," zei Harmen ten laatste, "als de borst dan niet leeren wil en niet leeren zal, dan moet hij maar van het school af en bij mij in den molen komen! Maar hem schilder doen worden, neen, neen, dat nooit!"
Geen wonder, dat Rembrand dit besluit met heel veel genoegen vernam. Hij moest op den molen, komen, nu ja, maar wat gaf dat? Gebeurde het niet vaak, dat zijn Vader en de twee oudere broeders van Rembrand van de zeven dagen der week door windstilte, geen vier werkten? Er zou tijd genoeg overblijven om te kunnen teekenen.
Nu, er bleef ook tijd genoeg over, dat bleek weldra; want nog waren er geen drie maanden verloopen of zijn portefeuille was al vol teekeningen. De meeste had hij in potlood gemaakt, doch ook enkele gekleurd.
Eens op een mooien dag in Augustus was Rembrand met zijn teekengereedschappen den weg naar Woerden op gegaan om daar een mooi landschapje te vinden, dat hij op papier overbrengen kon.
Hij had reeds meer dan een uur geloopen, toen hij bij de hofstede Rinenburg kwam en, toen hij zich daar even neerzette om wat uit te rusten, vond hij, als vanzelf, een allerliefst tafereeltje om na te teekenen.
Dicht bij hem stond een hooge korenmolen aan den linkeroever van den Rijn. Op den Rijn zelf voeren eenige tentsnebben, en de paarden, die tot hiertoe langs deze zijde het trekpad gehouden hadden, moesten nu in een pont overgezet worden, omdat het trekpad van hier af tot Leiderdorp aan den linkeroever van den Rijn lag.--Aan dien anderen oever had men ook het uitgestrekte bosch van Poelgeest, en daar naast een ruim gezicht op het weiland, dat met vee bezaaid was. Een levendig, kleurenrijk tafereel was het.
Rembrand had geen schooner landschap kunnen uitdenken om na te teekenen. Hij opende dan ook terstond zijn portefeuille en zette zich aan den arbeid.
De zon stak vreeselijk.
Het hinderde onzen Rembrand niet; hij zat onder de schaduw der hooge iepen.
De weg was kurkdroog en het stof vloog achter de wielen der boerenwagens op.
Het hinderde Rembrand niet; hij zat aan de zijde van het koeltje, dat nog eenige verfrissching bracht.
Dikke donderwolken zetten zich onder den wind.
Ze hinderden Rembrand niet, zoolang....
Stil, nu zag hij op!
Een groote wolk verduisterde de zon en het landschap. Nu wist hij niet recht goed meer waar licht en schaduw vallen moesten. De zon had het hem aangewezen; maar nu deze achter een wolk wegkroop, wist hij geen raad. Verdrietig sloeg hij zijn portefeuille toe en wilde zich verwijderen.
"Komt die wolk ongelegen, jongen?" klonk het eensklaps.
Rembrand zag op en ontdekte een vriendelijk oud heer, die, op een stok leunend, hem een poos lang had staan aankijken zonder dat hij er iets van bemerkt had.
"Ja, Sinjeur! ik was zoo mooi op gang en...."
"Ja, kereltje, het is jammer en.... het begint te regenen ook. Moet je ver loopen?"
"Ik moet naar Leiden, Sinjeur!"
"Wel, dan weet ik wat! Over een paar uren moet ik er ook heen. Je kunt meerijden! Kom zoolang bij mij op de hoeve; ik woon hier op Rinenburg!"
Rembrand sloeg dat vriendelijk aanbod niet af, en zat weldra in de ruime binnenkamer van den ouden heer, en terwijl de donder rommelde en de regen bij plassen neerviel, keerde Rembrand de teekeningen uit de portefeuille een voor een om en liet ze zijn gastheer zien.
Deze had er weldra een stuk of drie uitgezocht en bij zich gehouden.
"Ben-je al eens in Den Haag geweest, Rembrand?" vroeg de Heer, die onderzocht had hoe de jonge teekenaar heette.
"Neen, Sinjeur!"
"Dus je weet daar den Kneuterdijk ook niet? Dat spijt me wel eenigszins!"
Rembrand zette groote oogen op en waagde te vragen: "En waarom spijt u dat, Sinjeur?"
"Wel, ik heb daar een kennis wonen, die heer veel van teekeningen en schilderijen houdt, en ik wed, dat je hem deze drie, die ik hier uitgezocht heb, vast verkoopen kunt!"
"Verkoopen!" Had Vader Harmen hem niet reeds al zoo dikwijls verweten, dat hij het nooit verder brengen zou dan tot kladschilder, en dat hij zijn teekeningen toch nooit aan den man zou kunnen brengen?
"Verkoopen!" Rembrands oogen straalden van blijdschap en nauwelijks had hij dat woord gehoord, of hij zei: "Ik ben nooit in Den Haag geweest en den Kneuterdijk weet ik niet, Sinjeur, maar met vragen komt men te Rome, zegt mijn petemeu!"
"Nu, als je denkt dat je den weg vinden kunt, dan wil ik je een briefken aan dien Heer mede geven. Ik weet zeker, dat hij een of twee van uwe teekeningen koopen zal! Wacht nog maar even, dan zal ik dat briefken schrijven. Als ik klaar ben, zal het weder opgehelderd zijn en we kunnen dan samen naar Leiden rijden!"
Een uur later zat Rembrand met de portefeuille op zijn knie voor zijn Vader in den moutmolen, en trachtte hem duidelijk te maken, dat Vader Harmen toch wel eens ongelijk kon hebben met in hem niets beters dan een kladschilder te zien.
Later kwam Moeder er ook bij, en deze sprak mede in het voordeel van Rembrand.
"Nu," zei Vader Harmen, "als Moeder je ook al gaat helpen, jongen, dan moet ik het wel opgeven, je kunt morgen naar Den Haag gaan; maar dat zeg ik je, als je thuis komt, en je hebt geen van die teekeningen verkocht, dan is het uit ook! Dan wil ik niet meer hebben, dat je ooit een teekenstift of een penseel in de hand neemt. Ga nu maar heen. Je hebt dan nu eens voor vandaag en voor morgen je zin!"
Zoodra Vader gezegd had, dat hij heen kon gaan, begaf hij zich met zijn portefeuille naar meester Swanenburg, en vertelde dezen wat er gebeurd was.
Toen de avond viel, ging Rembrand naar huis en het laatste woord van Swanenburg was: "Nu, jongen, je neemt de heele portefeuille, met alles wat er in is, mee, hoor! En als je weer thuis bent, dan moet je toch eens gauw bij mij komen; want ik ben brandend nieuwsgierig waarop dit alles uitloopen zal!"
Den anderen morgen vroeg al stond Rembrand aangekleed beneden.
Zijn goede Moeder scheen hem evenwel vóór geweest te zijn; want zijn ontbijt stond al kant en klaar, en naast zijn morgenmaal lag nog een stapel boterhammen met ham en metworst, van wat ben je me!
Rembrand moest op reis, weet ge! De jongen moest naar Den Haag!
Naar Den Haag! Dat wilde toen haast zooveel zeggen als nu van Rotterdam naar Zwolle.
En dan, wie weet hoe lang hij wel in die groote plaats zou moeten zoeken, eer hij den Kneuterdijk gevonden had!
En àls hij dien gevonden had, wie weet; of dan die Mijnheer,--hoe heette die voorname kunstkenner ook weer?--o ja, van der Velden, wie weet of die Mijnheer van der Velden dan wel thuis zou zijn, en als hij thuis was, dan kon het toch nog wel gebeuren, dat hij Rembrand niet dadelijk te woord wilde staan, of lang zoeken moest, en daarom had zij gezegd: "Rem, hier heb-je vijf boterhammen met ham en vijf met metworst! Zou-je wel genoeg hebben, zeg?"
"o, Ja, Moeder!"
"Wil ik er nog vijf met kaas bij doen?"
"Dank je, moeder, dank je! Zoo is het al meer dan genoeg!"