Uit Ouden Tijd

Part 3

Chapter 34,109 wordsPublic domain

"Ei, wat zoo'n jongske al niet weet! Wil ik je eens wat zeggen, Arend? Ik geloof dan, dat die slimmerd van een Hierges heel de wereld om den tuin leidt, en dat hij het op onze goede stad verzien heeft. De Prins van Oranje weet ook wel, wat hij doet! Waarom heeft hij Hopman Hans Munter bevolen de klokken uit de torens te Benschop en andere dorpen hier uit de buurt te laten halen? Om er, als het nipt en weder nipt, kanonnen van te laten gieten! Zij hebben het niet gedaan! Weet je waarom? Omdat onze Vroedschap niet gelooven kan, dat de Spanjaard het op ons verzien heeft! De Prins heeft bevolen de dijken door te steken! Weet je waarom dat niet gedaan is? Omdat de Baljuw, de Burgemeester en al die luiden meer van hun kennep houden dan van de stad. Ze kunnen en willen maar niet gelooven, dat de Spanjool ons ook te pakken kan krijgen!"

Thans kwamen ze voorbij een boerenhofstede,

"Kan je lezen Arend, wat daar op die poort staat?"

Arend lachte eens en zei: "Ja, Vader, daar staat: KLEYNE WINSTE--GROOT VERLIES!"

"Ja, ik ken geen a voor een b, maar ik weet, dat die woorden daar staan moeten. Hoe ze er gekomen zijn, daaraf weet ik niemendal; doch ik vrees dat het met die van Oudewater gaan zal, als hier geschreven staat: KLEYNE WINSTE--GROOT VERLIES! Maar stil, hier is een kroosdammetje; hier zal baars zitten. Maak het tuig gereed. Ik zal langs deze sloot gaan, dan moet jij die van den weg nemen!"

Geen vijf minuten later waren de twee hengelaars druk aan den gang.

De vangst ging heel langzaam; er scheen weinig baars te zijn of, als ze er veel was, dan wilde ze niet bijten.

Zoo werd de eene sloot na de andere afgevischt, en soms stonden Vader en zoon wel een kwartier ver van elkander af.

Het werd middag. Arend was nu achter een boschje in de weide en Vader stond aan den weg.

"Ik kan er wel bij gaan zitten," bromde Arend. "De vangst gaat toch niet!"

Nu, dat was waar; doch de brandend heete Julizon en de slechte nacht, dien hij doorgebracht had, maakten hem slaperig.

De hengelstok lag dan ook weldra op den kant en Arend tusschen den kennep.

Hij sliep als een roos.

Een half uur had hij zoo gelegen, toen hij door een hevig geschreeuw gewekt werd.

In het water was een vreeselijk geplons. Een groote baars of snoek had gebeten, en zwom nu met den hengelstok door het water. Arend stond op, greep naar den stok, maar.... neen, dat ging niet! Hij zou maar te water gaan.

De voetstappen naderden. Het was iemand, die hard liep en "Arend! Arend!" schreeuwde.

"Ja, Vader, maar ik heb aan!" riep Arend.

Daar schoot de Vader om den hoek.

"Ik heb aan Vader! Kijk eens, kijk...."

"Smijt weg, smijt weg den boel! De Spanjool komt!"

"De Spanjool? Maar, Vader, die visch!"

"Kleyne winste, groot verlies! Laat liggen, laat alles maar liggen! Loop, wat je loopen kunt!"

Vader en zoon gingen thans samen op de vlucht. Visch, bier, broodzak, hengel en aasbakjes, alles werd achtergelaten. Hier, daar en overal zag men de verschrikte landlieden uit hunne woningen vluchten, medenemende, wat niet te zwaar te dragen viel.

Reeds was de Spanjaard hen dicht op de hielen! Geert Woutersz., een jonge boer, is de achterste. Hij heeft twee paarden voor zijn wagen gespannen en ziet, dat hij telkens op den Spanjaard verliest. Daar schiet hem wat te binnen! De weg is zeer smal; de vaart aan beide kanten breed en diep.--Hij draait den wagen handig dwars over den weg, snijdt de strengen der paarden door, verzet met reuzenkracht den geheelen wagen met alles, wat er op is, zoodat hij den weg geheel en al afsluit, springt op zijn paarden en vlucht, terwijl hij den Spanjaard toeschreeuwt:

"Komt en volgt me nu na, als je kunt! Nu ben ik ook te paard!"

Zoo vlucht alles naar de stad!

Met hun verrejager hebben Dirk Arendsz. van Dam en Arend den kortsten weg genomen. Eer één der vluchtende huisluiden Oudewater bereikt heeft, zijn zij allebei reeds binnen het Biezenpoortje gekomen en brengen nu door hun geroep: "De vijand komt langs den Damweg van IJselstein naar Oudewater!" de geheele stad in rep en roer. Ook de vluchtende huisluiden komen de geschiedenis bevestigen, en.... een etmaal later heeft Hierges met zijn Spanjaarden het stedeke ingesloten.

II. DE VREES PLOOIDE HET VOORHOOFD.

Thans was binnen het stadje alles in beweging en in angst; want de geheele bezetting bestond uit nauwelijks driehonderdvijftig man, en daar een jaar vroeger de stad voor een groot deel door de pest ontvolkt was geworden, konden de gewapende burgers ternauwernood evenveel manschappen halen. Verder had de Prins, of hij, die er voor zorgen moest, verzuimd een Bevelhebber aan te stellen, zoodat de Hoplieden Hans Munter, Sante Maria en Marcoult onder elkander moesten loten wie hunner Bevelhebber worden zou. Het lot viel op Hans Munter, en, het was nu niet, dat de man bang was of zoo iets, in het geheel niet; maar hij vocht liever, dan toekijken of alles wel goed ging.

En met zulk een zwakke bezetting ging men de belegering te gemoet!

Het leger van den Spanjaard bestond uit ongeveer elfduizend man, zoodat het wel te voorzien stond, dat de stad het onmogelijk lang zou kunnen houden.

Eenige dagen, nadat de stad ingesloten was geworden, werd er besloten een uitval te doen. Wie de wapenen kon en wilde dragen, werd aangenomen, zoodat onder de luiden, die uittrokken, ook Dirk Arendsz. van Dam te vinden was.

Die uitval was nogal gunstig afgeloopen, maar toch besloot men dit niet al te dikwijls te herhalen, en liever, als het kon, den Prins om hulp te verzoeken.

Onze van Dam zat al in zijn woning toen de Baljuw Gerard van Kraeyenstein, met nog een lid van de Vroedschap, de nederige woning, waarin hij nog nooit een voet gezet had, binnentrad.

Van Dam keek mal op. Zulk voornaam gezelschap had hij nog nimmer in zijn woning gehad, en hij was er zoo door onthutst, dat hij den Baljuw de tafel aanbood om er op te gaan zitten.

"Dank-je, dank-je, van Dam," zei Kraeyenstein en lachte fijntjes. "Wij komen je maar eens even vragen, of je in het belang van onze goede stad een stout stuk bestaan wilt?"

"Ja, als ik dat kan, dan wil ik zulks wel doen, Heer Baljuw! Mag ik ook weten, wat het is?"

"Welzeker! Je bent, als onvermoeid visscher, hier met alle weilanden, slooten en kennepvelden bekend. Je hebt een goeden verrejager en blijft niet gauw voor een sloot staan! Zou je naar den Prins durven gaan om Zijne Excellentie den nood der stad te openbaren?"

Van Dam zag zijn vrouw en kinderen even aan en antwoordde na een pooze: "Ik heb vrouw en kinderen, Heer Baljuw! Als mij eens wat menschelijks overkomt, wat zal er dan van hen worden?"

"Wij zullen voor hen zorgen! Zij zullen als kinderen van Oudewater behandeld worden!", zei de Baljuw.

"Dan ga ik, en omdat één misschien de boodschap niet overbrengen zal, zoo wil ik één mijner bekenden vragen met mij mede te gaan!"

Zoodra de avond gevallen was nam hij afscheid van vrouw en kinderen en begaf zich met een moedig gezel op weg. Arend bracht hem tot de IJselpoort en vroeg daar zijn Vader nog eens, of hij ook mede mocht.

"Neen, jongen," zei deze, "als mij eens iets menschelijks overkomen moest, dan zal jij, als de Heere wil, voor Moeder en broertjes en zusjes moeten zorgen! Maar, wacht, ik bedenk daar wat. Mochten we het geluk hebben, ongehinderd door het Spaansche kamp en te Ter Goude te komen, dan zullen we daar van onze aankomst bericht geven door eenige vuurpannen op den toren te ontsteken. Zeg dat tegen den Baljuw!"

Nu nam de Vader afscheid en begaf zich heel voorzichtig met zijn makker op weg.

Het anders zoo rustige Oudewater vertoonde thans midden in den nacht een ongewone drukte en bedrijvigheid. Daar de bezetting zoo ongemeen klein was, had men besloten drie poorten met aarde, mest, steen en andere stoffen te vullen. Zoo won men manschappen uit voor de wallen. Die poorten nu werden dien nacht gevuld, en dit hield er zoovelen op de been. Maar, er was meer!

Ga eens even mede naar de wallen en hoor eens, wat daar zoo al voorvalt.

"Zie je wat, Moeder?"

"Neen, Arend, ik zie niemendal dan de brandende lonten van de schildwachten in het Spaansche kamp!"

"Wel, vrouw van Dam, hoeveel vuurpannen branden er al op den Goudschen toren?"

Hij, die dat vraagt is een groote en stevige Stichtenaar, die zijn fortuin in het Staatsche leger gezocht heeft.

"Eilaci, Melisz., nog geen! Hoe laat is het al? Me dunkt, het is al lang na middernacht!"

"Half één, Moedertje!"

"Och, dan zal mijn beste Dirk wel omgekomen zijn! Wie weet welk een akeligen dood hij al gestorven is! Arend, mijn jongen, je hebt geen Vader meer!"

"Ho, ho, wie klaagt daar steen en been? Ben jij dat vrouw van Dam?"

"Ja, Heer Baljuw! Mijn arme Dirk is dood!"

"Moeder, Moeder, Moeder! Kijk, ginder ver! ik zie licht!" riep Arend.

"Dat is Waarder, dat is Polsbroek, dat is Haastrecht en dat is Ter Goude!" zei de Baljuw en wees met zijn vinger in het donkere veld en in de richting van die vier plaatsen.

--"Ja, ja, al weer een licht van Ter Goude! Van harte geluk, vrouw van Dam! Je man is behouden aangekomen!"

"Goddank!" zuchtte de vrouw.

Intusschen waren er nog veel meer op den wal gekomen, onder anderen ook "Simpele Griet," een oude vrouw, die niet wel bij het hoofd was, en dikwijls voorgaf, dat ze vizioenen had.

"Zie je het, Simpele Griet?" vroeg de Stichtenaar.

"Zien, zien, lange slemieris! weet jij, wat ik zie? Niets dan bloed, bloed! Kijk, daar staan de galgen al, om onze mannen en zoons op te hangen! Ginder loopen de Spanjolen met hunne hellebaarden en jagen weerlooze vrouwen en kinderen voor zich uit! En daar, ginds en overal de roodehaan! Brand, brand!"

"Breng de vrouw weg, zij raast!" beval de Baljuw.

Doch Simpele Griet sprong op, en voor den Baljuw staande, zei ze: "Ik razen? Ik simpel? Gerrit van Kraeyenstein, wat ik zie, dat zie ik, wat ik hoor, dat hoor ik! Ik lieg niet! Let op mijn woorden, het loopt slecht met Oudewater af! Hi-hi-hi! Dat zal een pretje geven! Bij het eerste brandende huis zal ik staan dansen van pleizier! Hi-hi-hi!"

Thans werd de menigte ook boos en terstond pakten eenigen de ongelukkige beet en voerden haar, hoewel met veel moeite, weg.

Den volgenden morgen zou men niet gezegd hebben, dat men in een belegerde stad was. De vreugd lag op ieders aangezicht.

Nu van Dam maar in Ter Goude was, nu zou alles ook goed afloopen. Hij zou naar den Prins gaan en deze zou hulp verschaffen.

Maar stil, waar gaat die hoop schreeuwende luiden heen?

Het zijn mannen, vrouwen en kinderen uit de stad, die voorafgegaan en gevolgd worden door een groot deel der bezetting! Is er nu dan al ontzet in aantocht? Gaan ze de poorten openen om hunne helpers in te laten of om een uitval te doen? Gaan ze....

Maar dat is de weg niet naar een van de poorten!

Kijk dien Baljuw eens, hoe hij zich door de dolle en woeste menigte heenwringt! Wat wil die man toch?

Daar zijn ze bij de Roomsche kerk! Ze bonzen en kloppen op de deuren!

De Baljuw springt op een steen, en duidt met teekenen aan, dat hij wat te zeggen heeft.

Het wordt een oogenblik stil.

"Mannen, welk stuk gaat gijlieden aanvangen?" zoo roept hij. "Wat wilt ge den Spanjaard verbitteren? Waarom zult ge door met hun godsdienst te spotten ons alle genade voor den voet wegnemen, als het ontzet niet komt?"

"Het ontzet komt wel!" roept er een.

"Vader heeft de vuurpannen van den toren van Ter Goude ontstoken! Vader is naar den Prins! Ontzet zal er komen!" schreeuwt Arend, die als een echte straatjongen, niet graag zien zou, dat men nu naar huis ging, inplaats van met de Heiligen-beelden een omgang te houden.

"De knaap heeft gelijk! Van Dam zal ons ontzet brengen! Weg met den Spanjool, en vooruit!" riep de lange Stichtenaar, en liep als een dolle os tegen de kerkdeur, die eindelijk voor het ruwe geweld der menigte bezweek.

Thans stroomde de woeste bende binnen. Te vergeefs was het dat mannen, als Kraeyenstein, hunne stemmen verhieven tegen zulk een schandaal.

"Smijt hem de kerk uit!" schreeuwde een musketier. "Fijnman is bang voor zijn kennepvelden! Pas op, straks wordt hij nog een Glipper!"

"Neen, ik zal niet tot den Spanjool overloopen," riep de Baljuw bijna schreeuwend uit. "Ik ben geen Glipper, en ik ben ook niet bang voor mijn kennepvelden, maar het is schande, dat...."

Zijn stem ging in het woeste getier verloren. De luiden stoven de kerk uit.

Voorop liep Arend met een Heiligen-beeld en werd gevolgd door knapen, mannen en vrouwen van allerlei slag, die onder het aanheffen van een dol geuzenliedeken zich naar den wal spoedden om daar, in het aangezicht der Spanjaarden, met hun godsdienst den spot te drijven.

De vijand zag maar al te wel, wat men deed, en hij zwoer zich bloedig te wreken op dien razenden hoop en op ieder, die in Oudewater woonde, schuldig of onschuldig, dat deed er niet toe.

Hierges en de zijnen hadden ook de lichten van den Goudschen toren waargenomen, en daar zij wel begrepen, dat de Prins hen niet rustig zou laten zitten, maar zeker pogingen zou aanwenden om hen, door het doorsteken van de dijken, te noodzaken voor het water te vluchten, nam hij het besluit, de belegerde veste hevig te beschieten en dan stormenderhand in te nemen.

Eer hij daartoe evenwel overging, liet hij door de delvers, van welke hij vijftien vaandels in zijn leger had, keerkaden opwerpen. En het zou blijken, dat hij hieraan verstandig gedaan had; want toen van Dam in Ter Goude aankwam, hadden de Goudenaars wel geweigerd de dijken door te steken, doch toen de moedige man uit Delft terugkwam, bracht hij het bevel des Prinsen mede, aan het verzoek van die van Oudewater gevolg te geven eer het misschien te laat was.

En het was al te laat; want toen de delvers heengingen om de dijken door te steken, kregen ze bericht, dat Hierges zich achter de opgeworpen keerkaden veilig verschanst had.

Eenige dagen verliepen, en intusschen zag men binnen de stad al spoedig in, dat men zich met een doode musch verblijd had, en als ze nu nog de Roomsche kerk hadden moeten plunderen, dan zouden ze zich zeker wel tienmaal bedacht hebben, eer ze het deden. Ook begon de bezetting ontevreden te worden, omdat ze geen soldij ontving, en om hierin zoo goed mogelijk te voorzien, werden er looden noodmunten van veertig en twintig stuivers waarde geslagen. Nu en dan liet men ook een duif, met een briefje onder de pooten wegvliegen, hopende, dat men daarbuiten toch iets doen zou om de getrouwe stad voor de goede zaak te behouden.

Maar te vergeefs!--Geen ontzet;--geen boodschappen;--geen overstroomde weilanden en kennepvelden!--

Met iederen dag werd het gevaar grooter;--de vrees plooide het voorhoofd!

III. SIMPELE GRIET DANST.

Nadat Hierges zich tamelijk verzekerd had, dat het water hem niet veel afbreuk zou doen, als de dijken nog eens doorgestoken werden, begon hij twee schansen op te richten, waaruit hij de stad liet beschieten.

Nu staan de kerk en toren van Oudewater dicht bij den Hollandschen IJsel, en Hierges dacht, dat het mogelijk zou zijn, dat hij, den toren omver latende schieten, gemakkelijk in de stad zou kunnen komen, als deze in den IJsel viel.

Dat schenen de belegerden ook te begrijpen en daarom ondergroeven ze het zware gebouw aan de binnenzijde, hopende, dat het dan inplaats van naar buiten naar binnen vallen zou.

Zoo kwam Zaterdag de zesde van Oogstmaand.

In het kamp van den vijand was nog alles stil en de belegerden, die niet begrepen waarom het schieten niet voortgezet werd, begonnen half te hopen, dat er ontzet in aantocht was. Men begaf zich naar den wal en staarde in de verte. Daar ontstond in het kamp eenige beweging. Een ruiter te paard naderde langzaam.

"Het is de Heer van Oostrum," mompelde de Baljuw. "Wat zou deze ons te vertellen hebben?"

Van Oostrum tot voor den wal genaderd sprak: "In naam van den Landvoogd Don Louis de Requesens vraagt de Legermeester Hierges u, of ge de stad aan hem wilt overgeven?"

"Onze groetenissen aan uw Legermeester Hierges," sprak de Baljuw, "en zeg hem, dat wij de stad Oudewater voor den Koning onder de Landbestiering van den Prins van Oranje bewaren. Indien ge ons echter drie dagen uitstel en een vrijgeleide geven wilt, dan zullen we het gevoelen van Zijne Doorluchtigheid, den Prins-Stadhouder, gaan raadplegen!"

"Wij geven u twee uren om u te bedenken," was het antwoord van den Heer van Oostrum. Hierop keerde hij zich om en reed naar het kamp terug.

De twee uren van beraad waren spoedig verstreken en eer men nog tot een besluit gekomen was, opende Hierges zijn batterijen en begon opnieuw de stad te beschieten.

Zoo fel hadden de batterijen nog niet één keer gewerkt. Daken, schoorsteenen, muren en oude gebouwen tuimelden naar beneden en heele brokken van den buitenmuur vielen in de gracht. Meer dan zestienhonderd kogels waren dien dag in het stadje neergekomen.

De avond viel; maar niemand dacht aan slapen. Den ganschen nacht was men in de weer om de gaten in den vestingmuur te stoppen. Iedereen was bezig. Men brak de straten op, bracht het puin der platgeschoten woningen aan en vulde tonnen met aarde om de aangebrachte bres te vullen.

Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken of de vijand stelde zich in beweging.

"Moeder, Moeder, ze komen! Kook maar water, ik zal het wel naar den wal dragen en den Spanjaard op het lijf gieten!" riep Arend, terwijl hij binnenstoof.

Vrouw van Dam deed zulks. Ze brak de planken uit de bedsteden om maar een groot vuur te krijgen.

Intusschen kwam de vijand nader, de stormladders werden tegen den muur geplaatst, de eerste soldaat klom er tegen op en...

"Hier heb je wat!" schreeuwde Arend en smeet een grooten steen op het hoofd van den moedigen vijand. Deze tuimelde onder een hevig geschreeuw naar beneden en Arend liep heen om kokend water te halen.

"Water, water!" riep hij.

"Hier, kind! Een emmer vol!" was het antwoord.

Vlug werd de emmer naar den wal gebracht, en....

"Pak aan, je lootje!" schreeuwde Arend, den vollen emmer op een der bestormers ledig stortende.

Een musketkogel snorde langs zijn ooren.

"Ik sterf! Mannen, houdt stand!" riep Hopman Sante Maria en viel, door den kogel getroffen, achter Arend neer.

"Sante Maria is dood!" riep nu Arend. "Wreekt hem, mannen, wreekt hem!"

De bestormers hadden het hard te verantwoorden.

Geheele rijen werden van de ladders in de gracht geworpen. Pekkransen, gesmolten lood, kokend water, gloeiende asch, brandende houten balken, steenen, zakken met zand, brokken van de muren en musketkogels, richtten een vreeselijke slachting aan.

"Spanje, Spanje!" klonk het van buiten.

"Vivent les Gueux!" klonk het van binnen.

"Het is met mij gedaan, kameraads," sprak de Onderhopman Dinkwerf, en stortte doodelijk getroffen neder.

"Berg u, berg u, Hopman," riep Arend tot Hans Munter, op wien een Spaansch soldaat aanlegde.

Het schot klonk en: "Wel raak, aber nicht dood!" zet Munter in zijn gebroken taal, en vocht weer als een leeuw tegen den vijand, die reeds op de wallen stond.

"Vlucht, vlucht naar binnen!" klonk thans een geroep, en mannen, vrouwen en kinderen snelden van de wallen de stad in.

Maar wat baatte de vlucht?

Hier riep een Spanjaard: "Slaat dood, slaat dood die heiligschenners!"

Daar schreeuwde een: "Steekt den rooden haan in de huizen der beeldenstormers!"

Ginds juichte men bij het vinden van buit: "Hier, hier moet je zijn! Hier maakte men van kennep goud!"

Vreeselijk klonk het geschrei der weerlooze kinderen en vrouwen.

De Spanjaard kende geen genade! Vrouwen, meisjes, zuigelingen, mannen, grijsaards en knapen,--ze waren allen oproermakers, beeldenstormers en heiligschenners!

Hier hielden eenige vluchtende mannen stand en verdedigden zich wanhopig! Maar wat baatte het? De partij stond tien tegen één!

De vlammen stegen aan alle zijden op!

"Als je de stad verbrandt, valt er niets te plunderen!" sprak een Capitano.

"Don Setubal heeft gelijk!" riepen enkelen en dwongen vluchtende mannen, vrouwen en kinderen den brand te blusschen.

Ook Arend was naar zijn woning gesneld, maar kwam te laat om zijn Moeder te waarschuwen. De Spanjaard was er al geweest en had zijn Moeder met zijn broertjes en zusjes voor zich uit gedreven.

Waar zouden ze zijn? Dieper de stad in, veel dieper! Ginds liep een vrouw! Dat is ze! Voort, voort, hij moet bij zijn Moeder zijn!

Hij nadert haar al meer en meer en.... het is zijn Moeder niet!

"Hier, galgenaas," roept een Spanjaard en houdt hem bij den arm tegen. "Hier, helpen blusschen!"

Wat zal de jongen doen? Hij moet wel! Maar als hij water aandraagt om de woedende vlammen te keeren, ziet hij naar alle zijden rond, of hij zijn Moeder niet ergens ontdekt. Eensklaps richten zich aller blikken naar het Raadhuis bij de Kapelstraat.

Een groot gebouw staat daar in brand en vlak voor dat gebouw,--hu, zelfs de ruwe Spanjaard huivert,--daar staat een vrouw met loshangende haren te dansen.

"Simpele Griet," mompelen de Oudewaters. "Hoor, zij zingt!"

"Heysa, vlammeken, lustig op! Lek en schroey den want! Kyk, die schoenre kennepstadt Staet gheheel in brandt. Vlammeken, vlammeken, vlammeken myn, Simple Griet magh vroolyck syn!"

IV. GERED!

Terwijl iedereen naar het vreeselijk schouwspel stond te kijken, nam Arend zijn kans waar en liep weg. Maar, waar heen? Naar huis! Ja, naar huis! Misschien zou hij zijn Moeder vinden! Te vergeefs!

"Je Moeder is bij den koster in de kerk gevlucht; ze is veilig!" zei een voorbijsnellend man.

"Dan ga ik er ook heen!" riep Arend en snelde naar de kerk.

Te laat! Hij kon niet meer door de Spanjaarden heen. De kerk was rondom afgezet, want Hierges wilde dat gebouw sparen.

"Je Moeder is niet in de kerk!" zei weer een ander. "Ze is met je broertjes en zusjes buiten de stad gebracht! Hi-hi-hi--en aan de Glippers voor een appel en een ei verkocht! Wie wil Simpele Griet koopen? Toe, Arend, jongen, wij moeten dansen!....

Heysa, vlammeken, lustig op! Lek...."

Arend rukte zich van de krankzinnige los en besloot nu zijn Moeder buiten de stad te zoeken.

Maar wie loopt hem daar voorbij? Is dat niet de Baljuw van Kraeyenstein? Zie, de man doet, alsof hij ook tot de plunderaars behoort en loopt met dekens en een bed weg!

"Dat zal ik ook doen," denkt Arend en in een omzien is hij een huis in. Hij stelt zich aan als een halve dolleman, slaat wat kort en klein en, na een ouden helm opgezet en een kleinen wapenrok aangetrokken te hebben, neemt hij uit een kast een hoop vrouwenkleeren en loopt er de straat mee op.

"Zoo, zoo, kameraad, hebde ge den boit al binnen? Een vrouwenhabijt, 'nen schoone boit voor 'nen man, zulle!" roept een Vlaming, die bij den Spanjaard dient, hem na.

Maar Arend luistert niet naar hem en loopt door.

Weldra is hij in het open veld! Maar overal zijn Spanjaarden, die hun buit al binnen hebben, en dezen nu onder elkander zitten te verdeelen of te verdobbelen.

Daar wordt hij aangeroepen.

Arend hoort wel; maar stoort er zich niet aan.

Dat komt den Spanjaard verdacht voor. Een staat op en roept hem nog eens na.

Arend verdubbelt zijn schreden.

"Een vluchteling! Een heiligschenner! Grijpt hem! Grijpt hem!" klinkt het thans.

"Schiet den hond neer!" schreeuwt een ander.

De arme jongen voelt een hevige drukking op de schouders en bijna dadelijk daarop klinkt een schot.

Het is een musketkogel, dien men op hem afzond, maar die in den hoop rokken gesmoord is.

Nu hoort hij loopen! Men zet hem na!

Voort, voort! De angst geeft hem vleugelen!

Maar stil, daar komt afleiding! Hij snelt den Baljuw voorbij.

Deze wordt door een Duitsch voetknecht tegengehouden; maar van Kraeyenstein is de man niet om zich door één kerel gevangen te laten nemen. Hij smijt de dekens neer, werpt zich op den Duitscher en ontrukt hem zijn hellebaard.--De Duitscher losgelaten zijnde, vlucht naar zijn makkers en van Kraeyenstein volgt den knaap, die hem nu vooruit loopt.

Het lijkt wel een jacht! De helm, de wapenrok en de vrouwenkleederen worden Arend te zwaar. Al loopende werpt hij alles af. Hij is thans bijna geheel buiten adem.