Part 2
"Hier zit ik nu, verlaten als een hoornbeest (oorwurm) op een koolblad!" zuchtte hij, en borg het overschot van brood en spek in den knapzak.
"Als er nu eens op den hoorn geblazen werd!"
"Wof--wof--wof!" klonk het uit de verte en een oogenblik later: "Wof--wof--wof!" in de nabijheid.
"Kom hier, Tijl! Kom hier, Grijp! Satansche beesten, ben-je behekst? Ik zeg, kom hier! Fu-u-u-u-u-ut!"
"Wof--wof--wof!" nu kon hij ze nog even hooren en, hopende, dat ze weer naderbij zouden komen, bleef hij nog een poosje staan luisteren, maar te vergeefs. De honden waren weg en bleven weg.
Lein werd treurig en stond daar met den vinger in den mond, als een jongen, die zijn laatsten Zondagspenning versnoept had.
O, jongens, als de wolf nu toch eens kwam, wat moest hij dan doen? Hij had niets bij zich dan een hondenzweep en een zakmes.
Zou hij verder gaan en zien, dat hij het bosch uitkwam? Zoo denkende en dwalende kwam hij bij een reusachtigen eik. Deze boom had eenige voeten boven den grond een aantal knoestige takken en een paar bulten, waaraan verscheidene kleinere takjes zaten. Lein zag zeer goed, dat men in dien boom gemakkelijk wegkruipen kon, zonder door iemand gezien te worden.
Als hij het maar eens deed! Wanneer hij iemand hoorde, zou hij er uitkomen, als ze even verder gegaan waren en hen dan stil volgen.
Zoo gedacht, zoo gedaan.
In een oogwenk zat hij in den boom, en kon nu rustig en wel overdenken, wat hij doen moest.
Toen hij daar zat, keek hij eens naar boven, en zag dat, wat hooger, de boom nog zoo'n zonderlinge verbreeding van takken had en, naar het scheen, kon men daar ook gemakkelijker zitten. Zijn besluit was gauw genomen en geen vijf minuten later, zat hij boven in den boom. Het leek daar wel een groot ooievaarsnest, waarvan hij de ooievaar was.
Onder het klimmen was zijn knapzak aan een tak blijven hangen, en daarna op zijn borst geslingerd. Het scheen wel dat hij daar hing om nu leeggegeten te worden. Althans Lein legde dat zoo uit, en begon zijn maal voor den tweeden keer.--Hij had daar boven geen ruim uitzicht; want de boom geleek van beneden gezien veel meer dan hij werkelijk was, en hij had wel wat gelijkenis met Aernout den Loosduiner, die was ook in de dikte gegroeid en wel twee hoofden kleiner dan Jonker Witte was.
Intusschen, de boterham was op, en juist wilde hij den knapzak oprollen en in den zak van zijn wambuis steken, toen hij beneden zich een voetstap hoorde. Een mooie jachthond kwam uit het hout en sprong op tegen iemand, dien Lein nog niet zien kon.
"Still, Dy, still!" klonk het, en Lein herkende de stem van Graaf Jan, die, na wat rondgezien te hebben, zich onder den boom, waarin de knaap verborgen was, neerzette.
"Ziezoo," dacht Lein, "als de wolf nu komt, dan ben ik alvast niet alleen. Zou de Graaf slapen? Het wordt daar beneden zoo stil!"
Ja, het werd daar beneden stil, maar het begon ook in het bosch stiller te worden. De zon begon al aardig te dalen, en nog een groot uur, dan zou ze onder zijn! En hoe vervelend voor Lein om doodstil boven in een boom te zitten! Als de vogeltjes hem zagen, vlogen ze verschrikt weg, en menigmaal dacht de knaap: "Was ik maar een vogel!" Doch door dat stil zitten was het, alsof zijn oogen zeer gingen doen. Zou dat slaap zijn? Neen, slapen wilde hij niet, dan kon de Graaf weggaan zonder dat hij het wist. Hij zou voor tijdverdrijf een poppeken snijden. Hout was hier in overvloed en zijn mes was scherp! En daar ging het, links, rechts, nu eens onder, dan eens boven, ziezoo, de ronde bol van den kop was klaar. Maar aan dien bol moest een neus en mond zijn. Fijn werk, ja!--
"Wacht," mompelde hij, "ik zal hem een neus geven, als den Eerwaarden Vader Melis Stoke, die heeft een neus als... maar die oogen, die oogen! Kijk, nu sneed hij weer verkeerd! De neus stond toch niet overdwars op een gezicht.--Hij zou.. hij zou.. ja, hij zou er nu maar een mond van.. van maken. Maar Melis Stoke had toch den neus niet beneden den mond... staan! Dat was... nu.. Melis.... zou lachen.... en die Melis, de.. lange.. lange.. Melis weet.. je.. niet.. die.. bo.. boaster.. neen.. die.. die d.... d..."
Zoo sliep Lein en hij droomde, dat hij bij Egbert den Grijze zat. Egbert de Grijze was schildknaap geweest bij Floris' Vader, den Roomsch-koning Willem. Die man kon wat vertellen! Van den brand te Brunswijk, waar Willem bijna met zijn jonge vrouw in de vlammen omgekomen was; van de Westfriezen, die Willem op het zwakke ijs lokten en hem daar vermoordden; van Floris' krijgstochten tegen de Vlamingen; van tournooien hier en steekspelen daar. Als Egbert aan het vertellen was, dan liep zijn huisje vol, en iedereen luisterde met de grootste aandacht. En nu vertelde hij van een jacht, de honden blaften zoo hard ze konden: wof--wof! en.... wof--wof! wof--wof!--Lein schrikte wakker; hij droomde, dat een wild zwijn hem nazat, en... wof--wof--wof! neen, dat was geen verbeelding, dat was werkelijk blaffen en wel onder aan den boom. De zon was ondertusschen ondergegaan en de maan gaf een te zwak licht om door de bladeren heen te kunnen schijnen.--Zou de Graaf er ook nog zijn? Maar stil, daar hoort hij iets. Het schijnt wel, dat men in den boom klimt! Als dat de wolf eens was! Maar wolven kunnen niet klimmen! Het is dus wat anders. Lein ziet thans nauwlettend toe en meent een hoofd te zien met een baret waarop een witte veder staat. Ja, zulk een baret had Graaf Jan op toen hij des middags uitging. Meer en meer wordt de gestalte zichtbaar en... het is de Graaf, dat ziet hij nu duidelijk. De hond gaat vreeselijk tekeer. Daar hoort hij iets kraken! Maar Dy is alleen en de wolf is een reus onder zijn makkers. Eer het arme dier het weet, ligt het met afgebeten strot op den grond! Als razend springt thans de wolf tegen den boom op. Heel de omtrek davert van zijn woest gehuil, doch al de pogingen, die hij aanwendt om in den boom te komen, zijn gelukkig te vergeefs. De Graaf zit veilig, en hij, de hondenjongen, daar boven in den boom ook.
Doch wat zou Lein doen? Zou hij den Graaf toeroepen, dat hij ook in den boom zit? Maar dan zal de Graaf vragen, wat hij daar doet en hoe hij er in gekomen is.
En wat zou hij dan moeten zeggen?
De Graaf was ook in den boom gevlucht, dat was waar, maar niet vóór de wolf er was, en hij klom er al in toen er nog geen wolf op veld of wegen te ontdekken was. Neen, hij zal blijven, waar hij zit, en stil ook; want als de Graaf hem ontdekte, dan....
Maar hoor me dien wolf eens een geweld maken!
Hij wroet de aarde om den boom los, en zijn groote tanden knarsen op de harde wortels!
Lieve deugd, als het ondier den boom eens los kon graven, dan vielen de Graaf en hij in zijn klauwen!
Maar waarom blaast de Graaf niet op zijn hoorn; hij heeft dien toch bij zich! Waarom tracht hij den wolf niet dood te schieten! hij heeft toch pijl en boog bij zich!
Waarom....?
Neen, maar hoor eens, als hij de Graaf was, dan zou hij toeteren, dat iemand hooren en zien verging. Ze zouden het eindelijk toch wel ergens hooren! In den nacht klinkt het geluid van een hoorn wel een uur ver. Toen hij verleden jaar op het kasteel te Voorschoten was, kon hij des nachts den torenwachter van Leiden hooren, en Voorschoten lag toch nog meer dan een half uur van Leiden af. Zie, als de Graaf nu maar eens flink blies, dan konden ze het op den Brinckhorst te Voorburg of Rijswijk, ja, misschien wel in Die Haghe hooren. Ze zouden den Graaf toch wel zoeken, als hij niet thuis kwam! Wie weet waren zij, die hem zochten, niet reeds in de nabijheid!
Zoo dacht de knaap, en zoo wenschte hij dat het geschieden mocht; want het zitten in den boom op de takken begon hem lastig te vallen. Hij durfde zich niet verroeren uit vrees, dat de Graaf hem ontdekken zou. En dat wilde hij niet; want hij wilde niet doorgaan voor een bangen knaap, die al aan het loopen gegaan was toen er geen gevaar bestond.
Had Lein echter eens even kunnen weten, wat de Graaf zooal dacht, en waarom hij niet op zijn hoorn blies om zoodoende hulp te ontvangen, dan zou hij niet zoo lang hebben zitten mijmeren.
Men had het Graaf Jan nog nooit gezegd, dat men aan zijn moed twijfelde, doch een ander behoeft ons nog niet altijd te zeggen, hoe hij over ons denkt. Men kan dat zoo wel zien. En de Graaf had al lang ontdekt, dat men hem, zooal niet voor een lafaard, dan toch voor iemand hield, die al heel weinig moed had. En als hij nu om hulp riep en men ontdekte hem zoo in den boom, wat zou men dan zeggen?
"Ziet," zouden de "lompe" dorpers en de "drieste" poorters, die door zijn Vader zoo verwend waren, uitroepen, "ziet, dat is nu onze Graaf, die in een boom vlucht uit vrees voor een wolf! Bijlo, een kleinzoon van een groot Vader!"
Neen, dat vermaak zou hij dien lieden niet gunnen! Dan liever den geheelen nacht in den boom gebleven en den morgen afgewacht. De nachten duurden in dezen tijd toch zoo lang niet, en als het licht was, kon men beter denken ook.
Zie, zoo dacht Graaf Jan; maar dat wist Lein niet!
En beneden aan den boom was de wolf tot rust gekomen en had zich te slapen gelegd! Wie weet of deze niet gedacht had: "Jij daar boven in den boom, al heb je nog zulk een mooie muts op, ik zal je wel krijgen, want ik ga hier niet vandaan, vóór ik je beet heb. En weet je wat, ik ga nu wat slapen: ik ben moê gewerkt. Als jij het waagt, er uit te komen, zal ik wel wakker worden. Reken er maar op!"
Het was dan nu overal stil. Boven in den boom, midden in den boom, onder aan den boom, stil, overal stil! Alleen kwam er nu en dan een uil voorbij vliegen, of ruischte er een luchtig koeltje door het loover.
Maar ho, wat kropen die uren langzaam, en langzaam bovenal voor Lein, die zoo doodstil moest zitten. Hij voelde het, dat zijn beenen zoo stijf werden, als een tak van den boom. Eerst hadden ze geslapen en was het geweest, alsof men hem met duizend spelden prikte, en nu dat over was, deden hem al de leden zeer.
Maar langzamerhand begonnen de sterren te verbleeken en kreeg de lucht, in het Oosten, een klein blosje, dat gaandeweg toenam. De vogeltjes werden wakker en schudden hun veertjes uit. In de verte kon men het vee hooren loeien, en door de boomen bruiste een flauw windje, dat de bladeren zachtkens trillen deed.
O, als Lein maar niet zoo stijf en koud geweest ware, dan....
Daar ging de zon op, en de Graaf scheen dit oogenblik afgewacht te hebben; want Lein hoorde eenig geritsel. Nieuwsgierig, wat hij doen zou, keek de knaap door de takken naar beneden en zag dat Graaf Jan iets liet zakken. Lein kon niet goed onderscheiden, wat het was; maar als hij goed zag, dan was het een zakdoek of zoo iets, die in reepen gescheurd was. Die reepjes waren aan elkander geknoopt en onderaan hing een krom takje in den vorm van een haak. Onwillekeurig moest de knaap bij al zijn pijn nog lachen. Ging de graaf nu spelen, evenals de jongskens die in een kinderstoel zitten en met hun kousebandjes naar hun speelgoed visschen, dat op den grond gevallen is? Bah, hoe kinderachtig voor een Graaf! Maar weldra zag Lein, dat hij te voorbarig was geweest met den Graaf kinderachtig te noemen, want de zoogenaamde visscher op het droge, haalde met den haak zijn boog op, welke, bij de vlucht in den boom, op den grond was blijven liggen. De pijlkoker had hij mee kunnen nemen. Nu begreep Lein alles, en hij rekende al uit hoeveel minuten het nog duren moest eer hij vrij was. Intusschen was de wolf wakker geworden en begon zijn spelletje van den afgeloopen nacht weer. Als een dolle wroette hij den grond om en beet in de blootgewoelde wortels.
Eensklaps gaf het dier een gil en werd nog woedender. Graaf Jan had hem een pijl in den rug geschoten, en gaf er hem nog een, en nog een en nog een. Eindelijk viel het dier stuiptrekkend op den grond. Snel, als de wind klauterde de Graaf naar beneden en stak zijn jachtmes in het hart van den vreeselijken vijand, die hem den geheelen nacht gevangen had gehouden.
Dat alles zag Lein met groote vreugde, en toen Graaf Jan den wolf den kop afsneed, dezen aan de ooren opvatte en er mede heenging, toen was het Lein onverschillig of de Graaf naar Die Haghe of ergens anders heen zou gaan. Hij was vrij, en zoo goed en zoo kwaad, als zijn stijve ledematen hem dit toelieten, liet hij zich ook naar beneden zakken. Zijn eerste werk was een sloot op te zoeken om daar zijn brandenden dorst te lesschen, en toen hij dit gedaan had, trachtte hij een uitweg in het bosch te vinden, dat hem al heel gauw gelukte. Maar zie, nauwelijks kwam hij op het open veld, of Lange Melis, aan het hoofd van eenige andere knechts, snelde hem te gemoet, en riep: "Waar kom je vandaan?"
"Uit het bosch," gaf Lein ten antwoord.
"En heb je den Graaf niet gezien? o, Al wat leeft in Die Haghe en op het slot is in beweging. De Graaf is gisteren niet van de jacht teruggekeerd! Wij dachten, dat hij al vooruit was, en toen wij thuis kwamen, meenden de Heeren Engelschen en de Genadige Vrouwe, dat hij achteraan kwam. Nu scheen het wel meer te gebeuren, dat de Graaf de nacht met den vreemden wichelaar, die een paar weken geleden hier aangekomen is, op den toren blijft om uit den loop der sterren zijn levenslot te weten, en toen hij niet kwam, dachten ze: "Hij zal bij den Astronoom wezen en wil niet gestoord zijn. Voor een paar uren echter is het uitgekomen, dat de Graaf in het geheel niet thuis gekomen is, en nu is er me wat te doen! Heb je hem niet gezien?"
"Den wolf heb ik gezien," zei Lein, die liever niet den Graaf en daardoor zichzelven verklikken wilde.
"Den wolf?" riepen allen.
"Ja, den wolf; maar zonder kop! Hij was nog warm en moet pas geslacht zijn! Gaat maar mede, ik zal je de plaats wijzen waar hij ligt!"
Zoodra ze echter eenige schreden afgelegd hadden, stonden ze eensklaps stil; want daar kwam de Graaf met den wolfskop in de hand.
"Wat kom je zoeken?" vroeg hij in gebroken Hollandsch.
"De Genadige Vrouwe was bevreesd, Heer Graaf, dat de wolf u eenig leed gedaan had, en zij heeft ons uitgezonden om u op te zoeken!" antwoordde Melis bedremmeld.
"Zoo, dacht ze dat? Maar gijlieden hadt kunnen weten, dat Graaf Jan van Holland, kleinzoon van Koning Willem, zich door geen wolf leed laat doen. Een paar honderd schreden links van hier kan je den wolf vinden. Haal hem en breng hem op het slot, dan kunnen alle luiden zien, dat ik geen kind meer ben, al houden zij er mij voor!"
Met opgeheven hoofd en trotschen blik vervolgde de Graaf zijn weg, en een uur later bewonderde heel het Hof den koelen moed van den jongen Graaf, hoewel er sommigen waren, die luide prezen en in stilte dachten, dat het toch wel niet geschied zou zijn, zooals men elkander verhaalde. Slechts één was er, die er alles van wist, en deze was Lein, die eindelijk aan den Langen Melis zijn geheim verteld had, om van dien lastigen vraagal, doch besten vriend, ontslagen te worden.
En, de Lange Melis heeft nooit het geheim verklapt. Zoo het heette, had Lein den geheelen nacht wandelende in het bosch doorgebracht. En dat hij niet loog, kon men hem wel aanzien; want hij zag er zoo vermoeid en afgemat uit en hij was zoo stijf, alsof hij in een heele week niet uit zijn kleeren geweest ware.
DOOR HET OOG VAN EEN NAALD.
I. EEN VREESELIJKE TIJDING.
Het was Maandagmorgen den 18den van Hooimaand 1575.
De zon was nog niet op, en de stilte, die er heerschte, zoowel als de heldere sterrenhemel, die langzamerhand begon te verbleeken voor de lichtstrepen, die in het Oosten zichtbaar werden, voorspelden een warmen dag.
Alles sliep nog binnen het stedeken Oudewater, behalve een Duitsch soldaat van de bezetting. Hij stond op schildwacht, en, op een hellebaard geleund, zag hij droomerig rond op de velden van hennep, toen kennep genoemd, en op de welige weilanden, waarin het vee in den dauw liep te baden.
Toen Dirk Arendsz. van Dam zijn haan voor den tweeden keer hoorde kraaien, stond hij op, en na zich wat aangekleed te hebben, zette hij een ladder tegen het zolderluik, klom naar boven, ging aan de kribbe van zijn zoon staan en riep: "Arend, Arend! Er uit, jongen! Het is tijd!"
De knaap, die zoo vroeg in den morgen gewekt werd, mocht zoo ongeveer twaalf jaar oud zijn, doch of hij een haantje de voorste onder zijn makkers was, een gluiperd, een bangerd of een luiaard, dat alles was hem nu niet aan te zien, want het was daar onder de pannen nog erg donker. Hij keerde zich even om, rolde zich opnieuw in zijn dek en bromde zoo wat van: "Ja, jawel,--ja.. ja.. w.. w.. wel!"
"Neen, manneke! Nu niet weer gaan slapen, hoor! Komaan, er uit! Ben-je het visschen vergeten?"
"Visschen?" Hé ja, toen Vader den vorigen avond zei: "Zeg Arend, ga je morgen mee visschen?" toen had men Arends oogen eens moeten zien! Ze blonken als sterretjes! Ja, hij ging graag, heel graag mee, en deed zelfs den voorslag of het maar niet goed zou zijn, als hij opbleef; ze moesten het anders eens verslapen, en wat dan?
"Neen, neen, jongen, zulke kunsten zullen we niet uithalen! Ik zal wel maken, dat we het niet verslapen! Ga maar gerust naar bed! Ik zal wel zorgen, dat we bijtijds wakker zijn!" zei Vader.
Nu Arend ging naar bed; maar hij dacht zooveel aan zijn visscherij, aan baars, zeelt, snoek, voorn en aal, en hij was zoo ongerust, dat hij geen wormen hebben zou om aan zijn haak te slaan, dat hij den slaap maar niet vatten kon. Bovendien, het was zeer warm op dien zolder. Hij hoorde de klok ieder half uur slaan, en de torenwachter scheen wel op het nokje van het dak, boven zijn bedstede, te zitten.
Eindelijk viel hij in slaap, maar toen ook kwamen allerlei droomen aanzetten.
Nu eens was hij bij het Paardenkoopersgat. Hij lei zijn hengel in; de dobber zonk al verder, aldoor verder en dieper het water in. Hij hield den stok stevig vast; loslaten wilde hij niet. De visch, die den haak ingeslikt had, trok hem mede tot diep, heel diep in het water. Hij wilde wel schreeuwen, maar kon niet! Hu, wat was het water diep! Opeens keert de visch zich om en komt regelrecht op hem aan! Brrr, wat 'n visch! Een soort van snoek is het, maar grooter, veel grooter! Inplaats van vinnen heeft hij molenwieken; zijn staart bestaat uit wel twintig hellebaarden en zijn kop ....! Arend wil op den loop gaan! Jawel, hij loopt, maar hij vordert niet! De vreeselijke visch komt al nader en nader! Arend wil schreeuwen; maar al doet hij den mond nog zoo wijd open, hij kan niet. Er komt geen geluid over zijn lippen! Hij heeft het benauwd, vreeselijk benauwd!--
Daar krijgt de snoek een menschenhoofd!
Ontzettend, een hoofd als de kerk, en het gelijkt sprekend op het barre gelaat van den Duitschen Hopman Hans Munter.
Zijn knevels gelijken veel op groote bezems en zijn oogen op aarden schotels!
Waar zal Arend heen? Hij kan niet weg; hij kan niet roepen; hij kan niet.....
"Potztausend, Spitzbube, mache dass du fortkommst!" schreeuwt de snoek-mensch.
Arend kan niet anders doen dan benauwd ademhalen!
Hé, die Hans Munter met zijn grooten kop en zijn geschubd lijf zit hem boven op de borst.
Alweer gaat die groote mond open; de vin wordt een nijptang, en vreeselijk klinkt het in Arends oor:
"o, Du Schweinjunge, du must Prügel haben! Prügel--Prü...."
Arend geeft een geweldigen schreeuw. Hé, daar knapt hij van op! Die leelijke Hans Munter is weg, heelemaal weg! Maar waar is hijzelf nu? In het water? Maar hij is niet nat! Hij zal naar de biezen grijpen! Biezen?--Dit zijn ze! Neen, dat zijn ... dat zijn ... maar hoe is dat mogelijk? Dat zijn dekens, en dit, dit is ... bons! daar stoot hij het hoofd tegen een eikenhouten balk! Nu is hij goed wakker en weet hij dat hij op bed ligt. Maar, hoe gek! Zijn voeten liggen aan het hoofd-, en zijn hoofd ligt aan het voeteneinde!
Omgekeerd dus! Bons, nog eenmaal tegen dien balk! Dat doet zeer! Maar nu is hij ook goed wakker. Blij toe! Brrr, wat een akelige droom was dat!
Tetteretet--tettere--tettere--tetteretet!--
Akelige torenwachter!
Pang--pang!--
"Dat is twee uur! Neen, nog een half uurtje onder de dekens en dan opstaan! Wat zal Vader gek opkijken, als deze door hem geroepen wordt. Maar, als hij nog eens ging slapen!--Neen, niet slapen! Hij zal denken! Ja, denken! Maar----waaraan? Neen, hij zal tellen! Tellen zoover als hij kan! Een--twee--drie--vier--vijf--zes--zes--acht! Neen, hij was in de war! Nog eens van het begin af. Een--twee--tw--drie--vier--wakker--goed wakker--visch vangen--Paardekoo... acht... vier.... vi.... v.... v...."
Arend slaapt. Het hielp niet, dat hij wakker wilde blijven!
De klok slaat; hij hoort het niet.
De torenwachter blaast----tettere--tettere--tetteretet! Ja, blaas maar! Je krijgt hem niet wakker!
"Arend, Arend dan!" roept Vader en schudt den knaap eens frisch heen en weer. "Weet je dan niet, dat we moeten gaan visschen?"
Eindelijk is de knaap goed wakker en weldra aangekleed.
Het ontbijt is gauw genuttigd; het vischgerei is al gereed, en, na een paar kruiken bier en eenige sneden grauw brood met spek bij zich gestoken te hebben gaan de visschers op pad.
De bakker schijnt zijn oven aangelegd te hebben; maar geen mensch is nog te zien.
Om den schildwacht mis te loopen, gaan ze het Biezenpoortje uit.
"Wat denk je, Vader, zou de vangst vandaag goed gaan?" vraagt Arend, nadat ze een poos stilzwijgend naast elkander voortgewandeld hebben.
"Ik weet het niet, jongen! Het gaat met de visschen als met de Spanjolen!"
"Hoe dat zoo, Vader?"
"Och, jongen, wat zal ik daarvan zeggen? Een manneken, als jij, die pas onder en boven de broek uitkomt, moet niet zoo alles haarfijn willen weten! Kijk maar naar het wurmenbaksken! Straks verlies je nog al het aas!"
"Jawel, Vader, maar...."
"Och, zwijg, jongen! Durf jij met den verrejager (polsstok) over deze sloot?"
"Best, Vader!"
"Goed, volg me dan!"
Dirk Arendsz. van Dam sprong er overheen, en, na den stok overgeworpen te hebben, volgde Arend zijn voorbeeld, en stapte bedaard, doch ontevreden verder.
"Als Willem Cornelisz. van den Burgemeester en Gerrit Gerritsz. van den Baljuw geweten hadden, dat ik uit visschen ging, dan zouden ze vast gevraagd hebben, of ze mee mochten!" begon Arend weer.
"Het is goed, dat ze het niet geweten hebben, jongen! We loopen hier door den kennep van den Baljuw, en als hij het wist, dan .... niet vertellen hoor! Wat niet weet, dat deert niet. Mooie kennep, mooi gewas van het jaar! Als daar het water eens over kwam!"
"Water, Vader? Ik dacht, dat een weinig regen geen kwaad doen zou!"
"Lomperd, wie spreekt er nu van regenwater? Ik niet. Ik bedoel IJselwater!"
"Willen ze dan het land onder water zetten, Vader?"
"Jongen, jongen, met al dat gevraag kal je me het hoofd heelemaal van streek! Je kan zwijgen, hé?"
"Ja, Vader, maar waarom vraag je dat zoo?"
"Luister, jongen, luister! We beleven een naren tijd! Weet je nog, dat we een paar jaar geleden ons aan de zijde van den Prins geschaard hebben?"
"Jawel, Vader! En kort daarop zijn Cornelis Willemsz. de Lange, onze Burgemeester, en Job Pieterz. van Hattemer naar Dordrecht gegaan om daar met Heer Philips van Marnix de zaken te regelen."
"Bijlo, jongen, je weet het, alsof je er bij geweest was! Maar, na dien tijd, wil ik maar zeggen, doet de Spanjaard alle mogelijke moeite om terug te krijgen, wat voor zijn neus weggekaapt is! Nu heeft Hierges, de Spaansche Legeroverste, na Buren ingenomen te hebben, zijn soldaten in drie hoopen verdeeld. Het eerste gedeelte, zoo heet het, gaat naar Schoonhoven; het tweede naar Woerkum, en het derde naar Bommel; maar de man is slim en tracht ons vast te bedotten!"
"o Ja, Vader, hij heeft het op Ter Goude gemunt; onze Baljuw heeft de Gouwenaars al laten waarschuwen!"