Uit Ons Dorp: Drie Verhalen voor Meisjes

Part 5

Chapter 54,212 wordsPublic domain

„Ik zeg je, dat we nooit weer iets van hem gehoord hebben,” hervatte Annes moeder. „En toch is ’t mogelijk, dat hij nog wel eens geschreven heeft, maar dat zijn brieven niet terechtgekomen zijn. Want een half jaar na ’t verdwijnen van Frans stierf mijn vader, wien deze nieuwe slag vreeselijk had aangedaan, aan een kwijnende ziekte, en nu stond ik alleen op de wereld. Een oudtante van moeders kant, die in een andere stad woonde, nam mij nu tot zich, en dus is ’t heel wel mogelijk, dat er nog brieven van Frans gekomen zijn, die niet bezorgd zijn. Ofschoon — ik geloof het niet en houd het er voor, dat de jongen dood is. ’t Is nu bijna twintig jaren geleden, sedert hij ons verliet. En al kwam hij ooit terug; — wie zal hem zeggen, waar ik woon. We hadden in mijn geboortestad slechts verre neven en nichten, en die weten niet, waar ik gebleven ben. ’t Zou hem dus niet licht mogelijk zijn, mij te vinden. Maar hij zal wel nooit terugkomen.”

’t Waren treurige herinneringen voor Annes moeder geweest, en Anne vond, dat zij al heel weinig reden had, om bedroefd te zijn over ’t vertrek van Emmie, waar haar moeder van zulk een smartelijk verlies gesproken had als dat van haar oom Frans.

„O, Moe!” zeide zij, „ik ben blij, dat u mij dat verteld heeft, en ik zal mij troosten over ’t vertrek van Emmie. Want dat verlies komt in de verste verte niet bij dat van mijn oom Frans. Ik zou zoo graag hebben, dat hij nog eens terugkwam. Wat zou dat aardig zijn! Dan had ik een oom!”

„Dat is nu niet anders, lieve,” hernam haar moeder. „En we moeten daarin berusten.”

’t Binnenkomen van Annes vader maakte een einde aan dit gesprek. Anne zelf was nu opgeruimder geworden. Doch ze kon dien nacht niet gauw in slaap komen; want steeds stond die geschiedenis van oom Frans haar voor den geest: ze zou zoo gaarne eens weten, wat er van haar oom geworden was.

En toen ze ’s morgens wakker werd, vertelde ze de geheele geschiedenis aan haar kanarietje, maar ’t beestje scheen er niet naar te luisteren, want het zong even luid en schel als anders. Hoe zou ook een kanarie luisteren naar de geschiedenis van een jongen, die uit zijn ouders huis was weggeloopen!

Maar Anne stortte haar hart voor hem uit, en dat deed haar goed, al was ’t ook slechts aan een redeloos wezen gelijk haar kanarie, die haar niet verstond. Doch moeder had haar verboden, er iets van tegen haar schoolkameraadjes te zeggen, en ongehoorzaam zijn wou ze niet; dat zou ze niet gedaan hebben, en daarom maakte ze haar kanarie maar tot haar vertrouweling, die het wel aan niemand zou oververtellen.

IV.

WAT ER OP ZEKEREN NACHT GEBEURDE.

’t Was op zekeren nacht, ruim een half jaar na dit gesprek, dat Anne rustig op haar kamertje lag te slapen. De winter was om, ’t schoone voorjaar was weer aangekomen, en sedert eenige dagen had haar kanarie de huiskamer weer verwisseld voor haar eigen kamertje. Hoelang ze reeds geslapen had, wist ze niet, toen ze op eens verschrikt wakker werd door de stem van haar moeder, die voor haar bed stond, haar wakker schudde en uitriep:

„Gauw, Anne! sta op en doe je goed aan.”

Eensklaps was Anne opgerezen en schier even gauw het bed uitgesprongen.

„Wat is er, Moe?” vroeg ze.

„Hier schuins over is brand,” antwoordde de moeder. „Kom, trek gauw je goed aan!”

Anne haastte zich zooveel zij kon, en haar moeder hielp haar. Ze trok haar ondergoed aan, nam ’t verdere op den arm en was juist op ’t punt, om de deur uit te gaan, toen ze eensklaps bleef stilstaan, terugtrok en uitriep:

„O, Moe! mijn kanarietje! Als dat maar niet verbrandt!”

„Nu, dan zullen we ’t meenemen,” zeide de steeds angstige moeder, kreeg ’t kooitje van den spijker en snelde met Anne de trap af. Weldra waren zij beneden en daar zagen zij, hoe het huis van den burgemeester in lichtlaaie vlam stond.

„Maar, Moe,” zeide Anne, „waarom is u toch zoo bang? De brand is immers nog ver genoeg van ons vandaan.”

„Op ’t oogenblik nog wel,” antwoordde haar moeder, „maar je kunt niet weten; ’t is droog weer en de wind is juist dezen kant op.”

„Waar is vader toch?” vroeg Anne, verwonderd, dat zij hem niet zag.

„O, vader is al lang weg, om mee te helpen blusschen, Anne. Je begrijpt, dat ieder nu mee moet doen,” antwoordde haar moeder.

„Ja, Moe, dat begrijp ik,” zeide Anne. „Ik hoop, dat Emmie en de andere broertjes en zusjes maar gered worden, en de kanarietjes ook. Wat zou ik bedroefd zijn, als mijn vogeltje moest verbranden,” voegde zij er bij, terwijl zij haar vinger tusschen de traliën stak en het diertje over zijn kop aaide.

„Maar de kanarietjes zijn toch het ergste niet,” merkte haar moeder glimlachend aan. „Hé, zie eens, daar komt oude Betje ook aan. Moet je ook eens kijken naar den brand?” vroeg zij aan het oude moedertje, dat juist binnenkwam.

„Wel, wel, is het bij een klant van uw man?” zeide deze hoofdschuddend. „Nu, aan den eenen kant is het goed, dan krijgt hij ten minste weer groot werk. Want dat zeg ik maar, een timmerman kun je altijd goed gebruiken.”

„Burgemeester is wel een klant van ons,” antwoordde Annes moeder, die niet bemerkte, dat de oude vrouw haar verkeerd verstond. „Maar ik vind het toch met dat al maar een angstig ding, die brand in het dorp. Hoe licht vallen er stukken vuur!”

„’t Kwam aan in de schuur?” vroeg Betje. „Ja zie je, ik wou graag het naadje van de kous weten en daarom kwam ik eens even overloopen. Zeker heeft de tuinman een vonk uit zijn pijp in de schuur laten vallen. Ik zeg maar, een mensch kan niet te voorzichtig wezen!”

„We weten niet, of de brand in de schuur aangekomen is,” riep Anne nu zoo hard ze kon. „Vader is er naar toe om te helpen blusschen; als hij weeromkomt, zullen we alles wel nader hooren.”

„Zoo!” antwoordde Betje, die nu verstond wat Anne had gezegd. „Als u er dan niet tegen hebt, buurvrouw, dan wacht ik zoolang tot uw man komt.”

„Heel goed,” riep Annes moeder, met het hoofd knikkende, „ga dan maar zoolang op een stoel zitten.”

„Och moe, wat ben ik ongerust over Emmie,” zeide Anne na een poosje. „Ik zou zoo graag eens gaan kijken, of zij wel gered is!”

„’t Zou wat moois zijn, zoo’n klein meisje met die drukte op straat,” antwoordde haar moeder. „Wel, je zoudt misschien overreden worden door de brandspuiten. Neen, Anneke, blijf jij maar stilletjes bij mij.”

„Dat zal ik ook doen, Moe, maar ik verlang al dat vader thuis komt,” antwoordde Anne. „Misschien brengt hij Emmie wel mee,” voegde zij er bij.

Er verliep een half uurtje en ’t scheen, dat men den brand meester was, want de vlammen verminderden. Na verloop van dien tijd kwam Annes vader in huis.

„Wel, man, hoe is het met den brand?” vroeg Annes moeder. „’t Schijnt wel, dat hij vermindert; ten minste ik zou zeggen, dat de vlammen bedaren.”

„Ja, vrouw, dat is zoo, en daarom kom ik eens even thuis. Foei! is dat werken!” voegde hij er bij, terwijl hij met de mouw van zijn jas het voorhoofd afveegde.

„Ik heb wat koffie gezet,” zeide zijn vrouw nu. „Daar zul je zeker wel trek in hebben, en buurvrouw ook?”

„Wat graag,” antwoordde haar man. „Ik ben dorstig geworden.”

„Vader, is Emmie gered?” vroeg Anne, toen haar vader zijn kopje leeg had gedronken.

„Jawel, Anneke. Iedereen is gered. De brand heeft zich gelukkig bepaald tot de schuren en een zijvleugel. Wij waren er te gauw bij!” zeide haar vader.

„Komaan, dat is een zegen,” riep Annes moeder uit.

„Nu behoeft mijn kleine meisje niet zoo ongerust meer te zijn.”

Een poosje daarna ging Annes vader weer naar buiten, om eens te zien hoe het er mee stond. Hij hielp nu nog zooveel mogelijk meubelen en kostbare zaken redden, en aangevuurd door zijn voorbeeld deden de andere mannen ook hun best. Eensklaps stond de burgemeester tusschen hen in.

„Wel, mannen,” zeide hij, „dank, hartelijk dank, voor ’t geen ge vannacht voor mij gedaan hebt!”

„Wij willen er geen dank voor hebben, burgemeester,” antwoordde Annes vader, „’t Spijt ons maar, dat wij niet meer hebben kunnen redden.”

„Komt nu allen eens bij mij binnen,” hernam de burgemeester; „wij hebben ’t een en ander klaargemaakt, om u te verkwikken.”

Zij gingen naar binnen, en hier vonden zij de vrouw van den burgemeester, die hen ook hartelijk bedankte voor de verleende hulp.

Daarna gingen de mannen, die zoo moedig geholpen hadden, naar huis; dus ook Annes vader, wiens vrouw en dochtertje recht blij waren, toen ze hem zagen.

Er zullen zoo wat acht dagen na den brand zijn voorbijgegaan, toen Annes vader er over klaagde, dat hij zoo’n pijn aan zijn rechterhand had.

„Ik begrijp niet wat het is,” zeide hij. „Sinds den nacht van den brand klopt en gloeit die hand mij van belang. Als er maar geen splinter of zoo iets in is.”

„Laat mij de hand eens zien,” zeide zijn vrouw. „Neen, ik zie er niets bijzonders aan, maar men kan niet weten. Zou je er den dokter niet eens bij laten komen?”

„Kom, vrouw, zoo erg is het niet,” antwoordde hij. „Misschien heb ik haar wat verrekt of gestooten; ik zal er vanavond eens een kompres van water en azijn op leggen.”

Maar wat Annes vader er aan deed, niets hielp, zoodat hij ten laatste wel verplicht was er den dokter bij te halen. Deze trok een bedenkelijk gezicht en zeide:

„Ik geloof waarlijk, dat er een splinter inzit, en dat is gevaarlijk, vooral daar je zoo lang gewacht hebt om mij te laten halen. Ik raad u echter de hand goed te laten pappen, want ’t gaat natuurlijk zweren.”

Zij deden nu trouw wat de dokter zeide, maar ’t scheen wel of niets hielp, ten minste de ongelukkige hand wou maar niet beter worden. Eindelijk zeide de dokter:

„’t Spijt mij, dat ik u zulk een treurmare moet mededeelen, maar ik houd het er voor, dat als de wond genezen is, de hand stijf blijft.”

Dat was een schrik voor Anne en haar moeder, zooals ge kunt begrijpen. Vaders hand stijf en dat van een timmerman! In ’t eerste oogenblik schreiden allen naar hartelust, maar eindelijk bedaarden zij, en nu zei de vader:

„Hoort eens, moeder en Anne, we moeten zoo gauw den moed niet laten zinken. Komaan, ’t zal alles nog wel schikken. Ik kan wel is waar niet meer zoo goed werken, maar de goede God zal wel zorgen, dat wij geen gebrek lijden.”

„Ja, man, dat is wel zoo,” antwoordde Annes moeder, „maar je hebt al zooveel klanten verloren in dien tijd, en die nieuwe timmerman op het dorp doet ons zooveel nadeel. Waar zullen wij van leven?”

„Kom, geen zorgen voor den tijd; kleine karweitjes kan ik nog wel waarnemen,” antwoordde haar man; „en dan zullen wij later wel zien, wat wij moeten beginnen.”

Nu moeten mijn lezers weten, dat er sedert een korten tijd nog een timmerman op het dorp was komen wonen, die Annes vader veel schade deed. Ge zult wel zeggen, dat het niet heel mooi van de dorpelingen was om Annes vader, die altijd zoo goed voor hen gewerkt had, de klandizie te onthouden en naar een ander te gaan; maar och! dat gebeurt zoo dikwijls. Het spreekwoord, nieuwe bezems vegen schoon is er niet tevergeefs, en vooral op een dorp is dat dikwijls het geval. Als Annes vader nu maar geld genoeg had gehad om een tijdlang te kunnen leven, zonder dat hij werk kreeg, dan zou alles wel terecht zijn gekomen; want als het eerste nieuwtje er af was, zouden de oude klanten wel terugkomen. Maar ongelukkig had de goede man volstrekt geen geld en moest leven van ’t geen hij verdiende. Dus werd het al schraler en schraler in huis, en verdiende hij nog maar op zijn best zooveel, dat zij rond konden komen. Nu zult ge wel zeggen: waarom vroeg hij den burgemeester niet om hulp? Hij had hem met den brand toch zoo geholpen. Maar och, dat deed hij ook niet graag, en de burgemeester wist niet, dat de timmerman het zoo hard te verantwoorden had. Dus leefden zij zuinig en bijna armoedig voort. Annes vader trok het zich op ’t laatst zoo erg aan, dat hij begon te sukkelen. Hij kreeg anderendaagschen koorts, en hoeveel koortskruiden hij dronk, niets hielp. Toen de dokter kwam, zag hij wel, dat er voor den man geen kruid gewassen was, en op een morgen vond Annes moeder hem ingeslapen om nooit weer te ontwaken.

Dat was een heele droefheid in huis, zooals ge kunt begrijpen.

„Moeder,” zeide Anne den dag daarna, „waar zullen wij nu van leven?”

„We zullen dit huis, waar wij in wonen, verkoopen, Annelief,” antwoordde haar moeder, „en dan zal ik zien om naaiwerk te krijgen; dan zullen wij er ons, hoop ik, wel doorslaan.”

„En dan gaan wij zeker op een kamertje wonen, niet waar, moederlief?” vroeg Anne. „Dan neem ik den kanarie mee, en hang dien in ’t zonnetje; dan vroolijkt hij ons op door zijn gezang, en dat is toch nog een gedachtenis aan vader.”

„Zeker, Anne, we zullen veel van het diertje houden; want ’t is niet alleen een gedachtenis van vader, maar ook een mooi, lief beestje,” antwoordde haar moeder.

Zij deden zooals zij gezegd hadden, verkochten hun huis, en nu besloot Annes moeder haar brood met naaien te verdienen. Eerst betaalde zij den dokter, en nu bleef er maar een heel klein beetje over, dat zij voor slechte tijden bewaarde.

V.

HOE DE KANARIE EEN GROOTE ROL IN ANNES LOT SPEELT.

Sedert dien tijd is er ruim anderhalf jaar verloopen; Anne is nu een meisje van twaalf jaren en heeft de school verlaten, om haar moeder behulpzaam te zijn. Ze wonen in een heel klein huisje, met slechts een kamer en een klein zolderkamertje; want ze hebben ’t vrij armoedig.

Toen Annes vader begraven was, bleven ze nog voorloopig bij de doove buurvrouw, die er niet van wilde hooren, dat ze naar een ander zouden gaan, maar haar wilde houden, tot ze zelf een huisje gehuurd hadden. De burgemeester en de notaris, die erg met Anne en haar moeder te doen hadden, namen op zich, haar zaken te regelen. Van de meubelen hadden zij slechts enkele gehouden.

Met behulp nu van den burgemeester en den notaris had Annes moeder dit onaanzienlijk huisje gehuurd, waarvoor zij jaarlijks een heel kleine huur betaalde; en zij leefden van het weinige, dat haar overgeschoten was, terwijl de weduwe van de notabelen van het dorp naaiwerk kreeg, om verder in de behoeften van zich en haar dochtertje te voorzien. En zoo hadden ze tot hiertoe tamelijk onbekrompen geleefd, en thans was Anne van school gekomen, om haar moeder te helpen.

Wat Annes kanarietje aangaat, dat zong nog steeds even fraai en helder, en ’t was een troost voor moeder en dochter, die er dikwijls over spraken, hoe haar lieve vader er haar voor vier jaren mee was komen verrassen.

„Ik zou het voor geen geld ter wereld willen missen,” zeide Anne dan dikwijls.

„Zoudt ge wel willen gelooven, dat je kanarie mij dikwijls een anderen herinnert, dien we thuis hadden, toen mijn moeder nog leefde?” zei Annes moeder eens.

„Och, Moe! is ’t mogelijk?”

„Dat beest zong net zoo prachtig als dit,” antwoordde de moeder. „En evenals dit at het uit moeders hand en zette ’t zich op haar schouder. En wat wonderlijk was: toen moeder gestorven was, begon het kanarietje te treuren, kwijnde weg en stierf een half jaar later.”

„O, dat moet ook een allerliefst dier geweest zijn,” zeide Anne. „Zeker net zoo lief als mijn snoesje.”

Om haar kanarietje pleizier te doen, bracht Anne het alle dagen naar ’t kleine bovenkamertje, waar ze, toen ze nog school ging, haar lessen leerde en haar werk maakte, want dan zat het in ’t zonnetje, en dat vond het zoo prettig en dan zong het nog eens zoo hard. En zoo leefden moeder en dochter gelukkig samen, toen ze op eens de eerste zware koortsen kreeg, en de dokter moest gehaald worden. Deze oordeelde de koortsen niet gevaarlijk, maar vreesde slechts, dat ze nog al lang zouden duren en haar vreeselijk verzwakken. En dat was een heele beproeving voor Anne en haar moeder; want nu kon de goede vrouw geen geld verdienen, en Anne was nog te weinig gevorderd in het naaien, dan dat ze ’t werk van haar moeder had kunnen doen. Na een week of vier verliet haar de koorts, maar de zieke was zoo verzwakt, dat ze nog niets kon uitvoeren, en de dokter beval versterkende middelen aan.

Toen Annes moeder ziek was geworden, had ze Anne gewezen, waar ’t geld lag om huis van te houden, en Anne had dat zoo zuinig gebruikt, als mogelijk was. Maar zieken vorderen bijzondere uitgaven, en dus was ’t geld, dat er nog in kas was, op en zou Anne haar lieve moeder geen versterking kunnen geven, en dan zou de goede vrouw haar krachten niet kunnen terugkrijgen. Wat moest Anne doen? Ze had dezen dag het laatste geld uitgegeven; hoe zou ze ’t morgen maken? Terwijl ze daar naast haar moeder wakker lag, die gerust sliep, en zij den slaap niet vatten kon, kwam haar eensklaps een denkbeeld voor den geest. Sedert ze op de kostschool was, had Emmie, die daar andere vriendinnen gevonden had, minder werk van haar gemaakt, en nu ze tot armoede vervallen was, scheen de vriendschap geheel en al te zijn opgehouden. Nu wil ik niet zeggen, dat de schuld geheel en al bij Emmie lag; Anne, die gevoelde hoezeer ze nu bij haar vroegere vriendin in stand verschilde, had zich ook wel wat teruggetrokken. Intusschen, wanneer Emmie haar ontmoette, was ze altijd even vriendelijk jegens haar; maar ’t was niet meer die innige hartelijkheid van vroeger. In één ding was Emmie niet veranderd, en dat was in haar bewondering van Annes kanarievogel; en als ze voorbijkwam en de kanarie stond voor ’t open bovenraam, dan bleef ze altijd luisteren, en als Anne haar dan zag, zeide ze: „Ik gaf tien gulden, als ik zoo’n vogel had!” — „Tien gulden voor mijn kanarievogel!” dacht Anne. „Als ik tien gulden had, dan kon ik moeder de noodige versterking verschaffen. Maar ach! dan moet ik afscheid nemen van mijn lieveling! Dan moet ik de eenige nagedachtenis van mijn lieven vader vaarwelzeggen! Doch moeder kan toch niet zonder versterking blijven! De dokter heeft het zoo bevolen! En is moeder mij niet meer waard dan alle kanarievogels ter wereld! Daarenboven — hij krijgt een goed huis en een lieve meesteres, die niet minder van hem zal houden, dan ik van hem hield! ’t Moet, — het kan niet anders.”

En met deze gedachte sliep ze in.

Den volgenden morgen, terwijl haar moeder nog sliep, volvoerde zij haar plan.

„Nu, lieveling!” zei ze, „je krijgt een andere meesteres, maar een vriendin, die veel van je houdt en bij wie je ’t goed zult hebben.”

Dit zeggende, pakte ze de kooi in een rooden zakdoek, dien haar vader nog gebruikt had, droogde haar tranen en stapte moedig en vastberaden naar ’t huis van den burgemeester, waar zij vroeg om juffrouw Emmie te spreken.

De meid kwam met de boodschap terug, dat Anne maar in de huiskamer moest komen, waar de familie aan ’t ontbijt zat. Anne had daar wel niet veel lust in, maar ze kon het toch niet weigeren.

Beleefd groette ze allen, toen Emmie naar haar toe kwam.

„Wel, Anne! wat kom je al zoo vroeg doen, en hoe is ’t met je moeder?”

„Moeder begint beter te worden; maar ze is nog zwak en moet versterking hebben, zegt de dokter.”

„Wel, wel! dat heeft zich gelukkig geschikt,” zei Emmies mama.

„Ja, mevrouw! Wel gelukkig geschikt!” antwoordde Anne. „Want wat ik zonder moeder op de wereld zou begonnen hebben, weet ik waarlijk niet. — Emmie,” vervolgde ze tot deze, „je hebt altijd zooveel zin in mijn kanarievogel gehad en dikwijls gezegd, dat je er tien gulden voor woudt geven. Is je dat ernst geweest, dan kun je hem er voor krijgen.”

Meer kon ze niet zeggen; want de tranen schoten haar in de oogen. Ze deed den doek van de kooi af, en daar zat hij, de prachtige gele vogel, wiens gezang ’t geheele dorp in verrukking bracht, zoodat de voorbijgangers, als hij voor ’t open raam stond, dikwerf bleven staan luisteren.

„Maar, Anne,” zeide Emmie, „dat kan je geen ernst zijn? Een kanarievogel, waaraan je zoo gehecht bent, het laatste geschenk van je vader kun je niet verkoopen.”

„’t Is mij volle ernst,” antwoordde Anne. „Ik zou hem dan ook aan niemand verkoopen dan aan u, die even goed voor hem zult zijn, als ik ’t altijd geweest ben.”

Emmie keek haar papa aan, en deze gaf haar een wenk, dat zij het doen moest.

„Och, papa! leen mij eens even de tien gulden!” zeide ze.

De burgemeester gaf haar vier rijksdaalders, welke Emmie aan Anne ter hand stelde. Zonder verder een woord te spreken haastte Anne zich om weg te komen, want ze voelde het, dat ze ’t niet langer kon uithouden. Toen ze dan ook op straat gekomen was, barstte ze in tranen los: de opoffering van haar kanarie was haar schier te groot. Doch toen ze thuis kwam en haar moeder juist wakker werd, had zij zich reeds weer hersteld en haar tranen gedroogd, en het denkbeeld, dat ze nu geld had, om voor haar lieve moeder versterking te koopen, maakte, dat ze zich troostte over ’t verlies van haar kanarievogel.

Dien dag bemerkte haar moeder ’t verdwijnen van Annes lieveling niet; doch toen ze hem ’s avonds niet, volgens haar gewoonte, naar beneden haalde, vroeg ze haar, waarom ze dat niet deed.

„Och, Moe! ’t is warm genoeg voor hem om boven te blijven. Hij zingt ’s morgens zoo vroeg, en dan ben ik altijd zoo bang, dat hij u wakker zal maken. De dokter heeft gezegd, dat gij zooveel slaap noodig hebt en dat die u versterkt.”

„Maar hoe komt het, dat ik hem den geheelen dag niet heb hooren zingen, Anne? Scheelt hem wat?”

Nu kon Anne zich niet langer achter uitvluchten verschuilen. Eensklaps sprongen haar de tranen in de oogen en bekende ze wat ze gedaan had.

„Maar, Anne! ’t liefste, wat je hebt, verkoopen!” riep haar moeder met tranen in de oogen uit.

„U is me duizendmaal liever dan mijn kanarie!” zeide Anne, terwijl ze zich weenend aan haar borst wierp. „Er was geen geld meer in huis en de dokter had gezegd, dat gij versterking moest hebben.”

„Lief kind!” zeide haar moeder. „Maar ik verkies dat offer niet. Ga terstond naar den burgemeester, geef de tien gulden terug en breng je kanarie weer mee.”

„Dat kan ik niet meer doen, Moe!” antwoordde Anne. „Ik heb reeds van dat geld uitgegeven en kan het dus niet terugbrengen. Daarenboven — we moeten immers geld hebben; anders kunnen we niet leven. En dan, mijn kanarietje is in goede handen, en van tijd tot tijd zal ik ’t wel eens mogen zien.”

Annes moeder drukte het lieve meisje aan haar borst.

„Je bent een goed, braaf kind!” zeide zij. „God zal je zegenen voor ’t geen je gedaan hebt.”

„En u gauw beter maken, lieve moeder,” voegde Anne er bij.

Hoe gewillig Anne ook haar offer gebracht had, ’t was haar den volgenden ochtend toch heel treurig te moede, toen ze geen morgengroet van haar kanarie ontving. Terwijl haar moeder nog sliep, redderde zij den boel wat op; toen ging zij naar ’t bovenkamertje, om daar ’t raam open te zetten.

Maar wat zat daar in de vensterbank op ’t opengaan van ’t venster te wachten? Droomde ze, of was ze wakker? ’t Was een kanarie, haar kanarie! Ja, ’t was geen andere; want toen ze ’t raam had opengeschoven, sprong het diertje op haar vinger, en toen op haar schouder; waarop het een zijner mooiste deuntjes aanhief.

Anne was zoo gelukkig, dat ze het lieve beestje wel aan haar hart had willen drukken. Doch eensklaps bedacht zij zich.

[Illustratie]

„Je bent mijn eigendom niet meer, lieveling, en als ik je hield, zou ik een diefstal begaan. Emmie heeft je eerlijk van mij gekocht, en ’t is zeker bij ongeluk, dat je weggevlogen bent. Hoe lief ik je ook heb, — ik mag je niet houden!”

Dit zeggende, deed ze den kanarie weer in den rooden zakdoek en snelde er mee naar ’t huis van den burgemeester, waar ze weder in de ontbijtkamer moest komen. Daar zag ze het ledige kooitje of tafel staan.

„Emmie,” zeide ze, „mijn — neen, uw kanarievogel is bij mij komen invliegen. Ik breng je hem hier terug. Een geluk, dat hij juist bij mij is gekomen; anders was hij misschien weg geweest.”

„Mijn zusje had zijn kooi opengezet, terwijl ’t raam openstond, en toen is hij weggevlogen,” zeide Emmie. „Ik was al bang, dat het lieve dier weg zou zijn en nooit weerom zou komen.”