Uit Ons Dorp: Drie Verhalen voor Meisjes
Part 4
Met veel moeite bracht Anne haar nu aan ’t verstand, wat zij bedoelde, maar daardoor was het zoo laat geworden, dat zij naar huis moest.
„Nu, Betje, ik ga naar huis,” riep Anne; „moeder zei, dat ik niet te lang moest blijven, en bovendien ik verlang al om mijn kanarietje op mijn eigen kamertje te zien hangen. Dag, Betje!”
„Dag, Anneke,” zeide de oude vrouw, die haar nu meer begreep dan verstond, want al schreeuwde zij nog zoo, haar stemmetje was veel te fijn, dan dat de oude vrouw haar zou kunnen verstaan. Zij konden het echter altijd goed met elkaar vinden, want Betje hield veel van haar.
Toen zij thuis kwam, ging moeder met haar mee naar boven en hing de kooi op.
Haar vader was recht gelukkig, dat hij ’t kanarietje voor haar gekocht had. ’t Was hem heel toevallig in de handen gekomen en hij had er niet eens heel veel voor gegeven. Hij was namelijk bij een kennis geweest, wiens kanarie gebroeid had en die hem een der jongen voor weinig geld te koop aanbood.
„Dat wil ik graag aannemen,” had hij gezegd. „Maar dan moet ik eerst een kooitje koopen.”
En toen hij dat gedaan had, was hij bij zijn vriend teruggekomen; en deze had den mooisten vogel uit het nest uitgezocht, omdat het voor de lieve Anne was, en een mannetje, opdat het zou leeren zingen. Want de wijfjes-kanaries of poppen, zooals men ze noemt, zingen niet; ze piepen maar „pie, pie!” en anders hoort men van haar niet.
Nu werd de kooi in een rooden zakdoek gepakt, en verheugde de goede man zich al in de verrassing, welke hij zijn Anne bereiden zou. We zagen ’t, hoe gelukkig hij haar maakte en hoe ze met zijn geschenk in haar schik was. En ’t mooiste van alles was, dat het geen present was waar de aardigheid gauw af was, maar een, dat haar alle dagen liever zou worden. Den geheelen dag stond haar mondje niet stil van den kanarie; en haar moeder was blij, dat ze zoo’n afleiding had, want ze wist heusch niet hoe ze haar den geheelen dag bezig zou houden. Dat kon nu wel eens een paar uurtjes met haar pop gaan, maar toch den geheelen dag niet.
Met de oogen op haar kanarietje gericht viel ze in slaap, en zeker droomde ze ’s nachts wel van kanarietjes. En toen ze ’s morgens wakker werd en haar oogjes opsloeg, was ’t eerste wat ze zag, haar kleine lieveling, die haar met zijn „pie! pie!” goedenmorgen toeriep. Ze praatte met haar diertje, en dan was ’t net, alsof het haar antwoord gaf!
Van dien dag af verveelde Anne zich niet meer, en vlogen de dagen om, want elk oogenblik ontdekte zij nieuwe deugden in haar vogeltje, die zij dan aan haar moeder of aan de oude Betje ging vertellen.
II.
HOE ANNES KANARIETJE HET MAAKTE.
Annes ouders woonden op een dorp, waar haar vader timmerman was. Ofschoon een timmerman op een dorp niet zooveel verdient als in een stad, had hij toch een fatsoenlijk bestaan en woonden ze in een lief huis, waaraan de werkplaats in een groote houten schuur was gebouwd. Een aardig klein tuintje lag achter het huis, en in dat tuintje kon Anne zich best amuseeren, vooral des zomers, als er mooie bloemen in stonden. Annes kamertje zag op dien tuin uit, en ’s morgens scheen het zonnetje door haar raam, en als ze het dan openzette, hoorde ze de vogeltjes in de boomen kwinkeleeren.
Maar ’t liefste van alle vogeltjes was haar kanarietje, dat haar elken morgen begroette, en nu niet meer met zijn „pie! pie!” O, neen, ’t begon langzamerhand al wat te zingen, nog wel niet veel en lang na elkander, maar toch van week op week al mooier. Haar vader zei, dat het diertje heel mooi zou zingen, als het oud genoeg was, en werkelijk deed het er zijn best genoeg toe om zich te oefenen en ’t was soms, als luisterde het naar de in den grooten boom bij ’t huis zingende vogels, om te hooren, hoe die het wel deden.
Van al haar speelgoed was haar kanarietje haar toch het liefst, en haar moeder had haar geleerd, hoe ze het kooitje schoonmaken moest, ’t water uit het fonteintje doen, en er versch ingieten, en hoe ze het zaadbakje schudden en afblazen en er weer nieuw zaad bijvoegen moest. En ’t was, alsof het diertje haar kende, want het deed niet zooals andere kanaries, die als men ze schoonmaakt blazen en bijten en hun veeren opzetten, — o, neen ’t was, alsof het zich dankbaar betoonde, dat Anne zijn kooitje weer zoo lekker frisch maakte en ’t versch water en nieuw zaad gaf. Eenmaal ’t weeks en wel des Zaterdags maakte zij het schoon, en moeder had een vasten dag daarvoor gesteld, opdat ze ’t niet vergeten zou. Dan kreeg ze ook van moeder een klontje witte suiker, en daar was ons kanarietje zoo mee in zijn schik; daar pikte het in en dan was ’t net, alsof hij met zijn kopje knikte, en of hij zei: „Dank je wel, lieve Anna! O, wat ben je toch goed op mij!”
Maar ’t werd hoog tijd, dat Anne wat zou leeren en naar de dorpsschool zou gaan.
Anne was er, zooals wij weten, wat mee in haar schik, want zoo’n heelen dag spelen beviel haar al lang niet meer, en ze zou nu met de andere meisjes van haar leeftijd naar school gaan en bij haar zitten. En moeder vond het ook heel prettig, want ze merkte wel, dat Anne zich van tijd tot tijd begon te vervelen. Geen wonder ook voor een meisje van zeven, bijna acht jaren, dat geen broertje of zusje heeft om mee te spelen. ’t Werd voor haar een toer, om den geheelen dag door te brengen, en daarom was ze heel blij, toen haar vader tot haar zeide: „Anne, je gaat morgen naar school!”
„O, dat vind ik heerlijk, Pa!” zeide zij. „Ik heb er al naar verlangd. Dan zal ik vragen of Suze en Keetje en Betje mij ’s morgens komen halen; en wat zal dat aardig zijn, als ik daar dan bij al de meisjes van ons dorp zit, en lezen en schrijven leer.”
Den eersten dag vond ze het toch al heel vreemd op school; want, al kende ze ook de meesten der dorpsmeisjes, ze zat, omdat ze nog geen _a_ voor een _b_ kende, onder veel kleinere kinderen dan zij was. ’t Kwam omdat ze zoo achteruit was. Maar Anne was een slim en vlug kind. Ze vroeg aan den meester, om het leerboek mee naar huis te nemen en toen verzocht ze haar moeder, om bij haar te mogen opzeggen en de volgende les te leeren. Als ze dan op school kwam, zei ze tegen den meester: „Meester, ik ken die les al,” en dan was de man er geducht over verwonderd. Het gevolg daarvan was, dat ze heel spoedig zoover was, dat ze in een andere klasse werd overgeplaatst en nu bij meisjes zat, die meer met haar in leeftijd overeenkwamen. Dat vond ze recht pleizierig; en, nu ze eens begonnen was, met zoo haar best te doen, kon ’t niet anders of ze bleef goed vorderen, zoodat ze zeker een van de beste leerlingen der school was.
Maar met al haar leeren vergat ze toch haar kanarievogeltje niet. Dat bleef vóór en na den schooltijd haar uitspanning en genoegen. Niet alleen, dat het beestje prachtig zong, zoodat kenners haar vader verzekerd hadden, dat het zeven gulden waard was, maar het diertje was zoo mak, dat ze zijn kooitje openzette. Dan kwam het er uit en ging op haar hand zitten en pikte de kruimeltjes brood of de zaadjes er uit, en als het dan genoeg gegeten had, dan sprong het op haar schouder en beloonde haar met een alleraardigst deuntje. Ze hield dan ook zooveel van het diertje, dat ze het voor alles ter wereld niet zou hebben willen missen. ’t Zal u dan ook zeker niet verwonderen, dat ze er alle zorg voor droeg en dat het nooit aan iets gebrek had.
Onder de menigte vriendinnetjes, die zij op school gemaakt had, behoorde ook Emmie, het dochtertje van den burgemeester. Van haar hield Anne het meest van allen, en dikwijls, als ze samen van school kwamen en ze vóór haars vaders deur stonden, moest Emmie mee naar boven, om haar kanarievogeltje te zien. En dat deed Emmie graag, want ze hield ook veel van dieren. Maar zulk een lief kanarievogeltje had ze nog nooit gezien. Ze hadden thuis wel een paar kanarievogels, die heel mooi zongen, maar dat waren zulke nijdige dieren. Als men maar bij hun kooi kwam, dan zetten ze hun veeren op en waren erg boos. En als de meid hen schoon wilde maken, dan beten ze haar, net alsof ze hun kwaad wou doen, en toch meende ze ’t goed met hen.
„O, o, wat is je kanarietje toch een lief dier!” zeide Emmie. „Ik heb er nog nooit zoo’n lief gezien.”
„Ja, Emmie,” zeide Anne. „Je zult er ook op de geheele wereld geen zoo vinden. En hoe aardig, dat het diertje voor jou ook niet bang is. Maar dat komt, omdat je zoo’n lief meisje bent. Dat weten die diertjes ook wel.”
„Maar het wil toch niet op mijn hand gaan zitten,” zeide Emmie.
„Nu, dat is ook geen wonder,” hernam Anne. „Al is hij niet bang voor je, dan kan hij toch zoo familiaar niet met jou zijn als met mij. Want ik ben zijn beste vriendin en daarenboven zijn meesteres.”
„Ik zou zoo graag ook zulk een kanarievogeltje hebben,” hernam Emmie. „Mama zegt echter: we hebben al genoeg aan twee. Nu, als ze aan ’t zingen zijn, kunnen ze ook leven genoeg maken, dat verzeker ik je!”
Zoo praatten onze beide vriendinnetjes meermalen over Annes kanarietje; ook anderen die het zagen vonden het een allerliefst beestje, en natuurlijk deed dit Anne goed, want ze had graag, dat men het prees. En wie heeft dat niet gaarne van een diertje, dat hij liefheeft!
Toen nu de winter aankwam, zei Annes vader, dat het op haar kamertje voor haar kanarietje te koud zou worden, en dat ze het dus in de huiskamer moest hangen. En Anne, die niet eigenwijs was zooals sommige kinderen, begreep zeer goed, dat haar vader gelijk had.
„De kanaries,” zeide hij, „zijn oorspronkelijk geen vogels die in dit klimaat thuis behooren; vandaar, dat men ze ook nooit hier in ’t wild vindt, zooals de musschen, vinken, sijsjes, meezen en andere vogels. Lang, heel lang geleden zijn ze van de Kanarische eilanden, dicht bij de kust van Afrika, hier te lande gebracht, en sedert zijn ze hier langzamerhand zóó aan het klimaat gewend, dat ze ook in deze koudere luchtstreek gezond blijven. Maar tegen een vinnige kou zouden ze slecht kunnen. En daarom is ’t veel beter, dat je je kanarietje van den winter in de huiskamer brengt, waar ’t voortdurend warm is.”
Anne kwam dus, zoodra het koud begon te worden, met haar vogeltje beneden, en haar vader hing het kooitje daar aan den wand. ’t Was Anne wel een heel gemis, dat ze haar lieve kanarie niet meer op haar kamertje had, en ’t was haar in den beginne of ze minder pleizierig wakker werd, nu ’t lieve diertje haar geen vroolijken morgenzang toezong, maar spoedig was ze er aan gewoon en haastte ze zich om zich te wasschen en aan te kleeden. En als ze dan in de huiskamer kwam, dan was ’t alsof haar vogeltje haar bemerkte, want dan begon het terstond uit volle borst te zingen en wel zoo schel, dat men elkander schier niet verstaan kon. En dat duurde dan zoolang, totdat Anne op een stoel klom, het kooitje opendeed en het er uitliet, waarna het op haar hand kwam zitten en de kruimeltjes van haar ontbijt oppikte. Als het dan genoeg gegeten had, plaatste ’t zich op haar schouder en dan hief ’t een zijner schoonste liederen aan.
Daarna sloot ze het weer in zijn kooitje en begaf ze zich naar school, waar ze nog maar altijd even braaf en vlijtig leerde en daarbij zoo goed met de andere meisjes kon omgaan, dat allen veel van haar hielden. En dat was vooral pleizierig voor haar, omdat ze geen broer of zuster had, met wie ze spelen kon. Daar was ze wel eens verdrietig over, want hoe goed vriendinnetjes ook zijn, — ze zijn niet te vergelijken met broeders of zusters, die van den morgen tot den avond bij ons zijn, en ons lief en ons leed met ons deelen. Ze was echter nog te jong, om dat in zijn geheele uitgestrektheid te gevoelen, en daarom treurde ze er ook niet over en gevoelde zich heel gelukkig in de liefde harer ouders en in de toegenegenheid harer vriendinnen.
Zoo ging er een gedeelte van den winter om, en ’t was een koude winter ook, zoodat Anne maar heel blij was, dat ze haar kanarietje in de huiskamer gebracht had. ’t Beestje bleef dan ook heel frisch en gezond en steeds even vroolijk. Doch toen ’t voorjaar aankwam, begon ’t minder lustig te zingen en zette het tusschenbeide zijn veertjes op. Anne bemerkte dat en maakte er zich vrij ongerust over. Ze vroeg er haar vader naar.
„Maak je maar niet ongerust, lieve Anne,” zeide hij. „Je kanarietje is aan ’t ruien, en dat is nu voor ’t eerst; daarom is het heel erg. We zullen een roestigen spijker in zijn drinkglas leggen; dat is er goed voor, zooals ik wel eens gehoord heb.”
„Maar zou ’t geen kwaad kunnen, Pa?” vroeg Anne.
„Geen nood, kindlief! Alle vogels ruien om dezen tijd, dat wil zeggen, ze verliezen wat van hun oude veeren en krijgen er nieuwe.”
„O, dat is aardig,” zei Anne.
„Ja, wel aardig en zeer opmerkelijk,” zeide Annes vader. „Zoo krijgen ze van moeder natuur alle jaren een nieuw rokje, en blijven altijd even mooi en keurig; want, in plaats van de oude vederen die zij verliezen, krijgen zij er nieuwe voor in de plaats.”
„Nu, dat is goedkooper dan wij,” zeide Anne. „Want als onze kleederen versleten zijn, moeten wij er nieuwe koopen en nog maken ook.”
Langzamerhand verloor Annes kanarietje minder veeren en zat het minder bol; spoedig begon het weer te zingen en ’t was toen, of het zijn scha wenschte in te halen en nog eens zoo mooi als vroeger zong. En toen de winter over was en de lieve, zachte lente weer aankwam, bracht Anne haar lieveling weer op haar kamertje en werd ze ’s morgens weer wakker van zijn luid gezang, dat hij even opgewekt en prettig als vroeger deed hooren.
„O, Moe,” zeide ze, „wat ben ik gelukkig, dat mijn lieve diertje nu weer geheel beter is. Ik was wezenlijk zoo bang, dat het sterven zou.”
„Je ziet, dat je vader gelijk had,” zeide haar moeder. „Oudere menschen weten veel meer van die zaken dan kinderen. Daarom moet je ons ook altijd gelooven.”
„Doe ik dit dan niet, Moe?” vroeg ze haar vleiend.
„Ja, dat doe je, en dat is heel verstandig. Blijf het altijd doen, en je zult er je steeds goed bij bevinden. Eigenwijze kinderen komen doorgaans verkeerd terecht; daar kunnen ze op rekenen.”
Nu, eigenwijs was Anne niet, en dat was ook heel verstandig van haar.
III.
WAT ANNES MOEDER HAAR VAN OOM FRANS VERTELDE.
Zoo gingen er twee jaren om; Anne was intusschen tien en Emmie, de dochter van den burgemeester, elf jaren geworden. De burgemeester, een man die veel geld had en graag wenschte dat zijn dochtertje nog wat meer leerde dan ’t geen ze op de dorpsschool kon te weten komen, had besloten, dat Emmie naar een kostschool zou gaan. Reeds lang had Emmie dat geweten en ’t aan Anne verteld, en ze zag er wel tegen op om het dorp en ’t huis harer ouders te verlaten en onder vreemde menschen te gaan.
„O, Anne!” zeide zij meermalen, „wat zal het mij raar zijn, als ik daar bij die vreemde menschen ben, als ik daar ’s avonds naar bed ga, zonder Pa en Ma een nachtzoen te geven en ’s morgens hun bij ’t opstaan geen goedenmorgen kan zeggen.”
„O, ik zou ’t verschrikkelijk vinden!” riep Anne uit. „Ik zou ’t niet uithouden, dat kan ik je verzekeren. Trouwens, vader en moeder zouden ’t ook niet lang kunnen uithouden; ze zouden mij zeker gauw terughalen.”
„Geen wonder: jij bent ook hun eenig dochtertje, ja hun eenig kind, dus alles wat ze hebben. Wanneer ik Pa en Ma verlaat, dan houden ze nog mijn broertjes en zusjes over; dat maakt groot verschil. Maar weet je, wat ik nog erger vind, Anne! ’t Is, dat ik jelui verlaten moet en onder vreemde meisjes zal komen, die me niet kennen en me misschien uitlachen om mijn boersche manieren. Want de meesten zijn meisjes uit de stad en misschien wel erge nuffen.”
„O, je zult wel spoedig vriendinnen met elkander zijn,” zeide Anne. „En als je daar onder je nieuwe kornuiten bent, zul je je oude vriendinnen wel gauw vergeten en onder die deftige stadsdametjes zullen de boerendeerntjes van ons dorp weldra niet meer in tel bij je zijn.”
„Neen, Anne, daar hoef je niet bang voor te zijn,” zeide Emmie. „Ik zal jou en mijn lieve dorpsvriendinnetjes niet vergeten. Daarenboven kom ik tweemaal in ’t jaar over, — eens in de groote en eens in de kerstvacantie, en dan zoek ik je allen weer op, en dan zullen we, vooral ’s zomers, weer een heelen boel pret hebben, net als tegenwoordig.”
„Nu, dan verlang ik nu al naar de zomervacantie, ofschoon ik daar nog bijna een jaar op moet wachten; want je gaat juist na die vacantie naar de kostschool, niet waar?”
„Ja, en dat is over veertien dagen,” zeide Emmie. „’t Is dus al heel gauw, dat we van elkander scheiden zullen! Nog maar veertien dagen! En die zijn zoo gauw om!”
En ze waren gauw om, die veertien dagen, en Anne was heel bedroefd, toen Emmie haar voor de laatste maal bezocht, en ze klaagde haar verdriet aan haar kanarievogeltje, en ’t klonk haar net in de ooren, of het diertje veel treuriger zong. Maar dat was slechts in haar verbeelding; want hoe zou een vogel er gevoel van hebben, als de vriendin harer meesteres haar verlaat? Of zoudt ge misschien denken, dat de kanarie het aan Anne zag, dat ze bedroefd was? Een hond moge dat merken, en ik geloof, dat die wel ’t eenige beest is, hetwelk dit doen kan; maar van een kanarie, — nu, dat zou toch ook wel wat veel gevergd zijn.
Intusschen, Anne verbeeldde ’t zich, en dat was genoeg.
„Ja, lieveling,” zeide ze, „nu is Emmie weg, die zooveel van je hield en die je zoo graag hoorde zingen. Je zult ze in lang niet weer zien, de lieve Emmie; want ze komt in een heelen tijd niet terug!”
En ’t was haar, of haar kanarietje haar verstond, zoo keek het haar aan.
Anne was dien heelen dag niet in haar schik, en ’t was alsof haar ’t eten minder smaakte dan anders. Toen ze ’s avonds alleen bij haar moeder zat, want haar vader was nog op den winkel, waar ’t heel druk was, zag deze wel, dat Anne bijzonder stil was en in ’t geheel niet zoo opgewekt als anders.
„Lieve Anne,” vroeg ze, „wat scheelt je toch? Je bent zoo stil. Voel je je niet wel?”
„O, lieve Moe!” antwoordde Anne, „mij deert niets.”
„Dat moet je nu niet zeggen, kind! Ik heb het al den heelen dag aan je gemerkt; ook vanmiddag at je niet met zoo’n smaak als anders. Ik wou er je toen niet naar vragen, omdat vader zich dan maar ongerust maakt. Maar nu we alleen zijn, moet je ’t me eens vertellen, wat er aan scheelt.”
„Ach, Moe!” zeide Anne, — en de waterlanders kwamen voor den dag, — „ik ben zoo bedroefd, omdat Emmie naar de kostschool vertrokken is. Ze was zoo’n lief vriendinnetje voor mij.”
„Nu, je hebt toch nog vriendinnetjes genoeg onder de dorpsmeisjes,” zei Annes moeder. „Daar heb je Truitje en Keetje, en . . . . .”
„Maar geen een, van wie ik zooveel houd als van Emmie,” zeide Anne.
„Kom, kom, dat verdriet zal wel slijten, Anne,” zeide haar moeder. „En als Emmie dan eens met de vacantie overkomt, is het des te pleizieriger voor je.”
„Dat is wel waar, Moe,” antwoordde Anne. „’t Zou zeker erger zijn, als ik haar nooit terugzag.”
„Dat zou het,” antwoordde haar moeder. „Als ’t je bijvoorbeeld eens ging, zooals mij. Ik had een broer, die twee jaren ouder was dan ik, een allerliefsten jongen en van wien ik veel hield. Die is eens weggegaan, en nooit hebben we weer iets van hem gehoord; zoodat we niet weten, of hij leeft dan of hij dood is.”
„O, Moe! daar hebt ge me nog nooit iets van gezegd,” zeide Anne. „Hoe kwam dat?”
„Hoe dat kwam? ’t Is een treurige geschiedenis, Anne, maar ik wil je haar vertellen. Je moet weten, dat toen ik twaalf en mijn broer Frans veertien jaren oud was, we onze lieve moeder verloren. Dat was een heele slag voor vader en voor ons. Maar vooral voor Frans, die een levenslustige jongen was en dien ze met een vriendelijk woord kon regeeren.”
„Dan zal hij wel heel bedroefd geweest zijn, toen zijn lieve moeder stierf,” zeide Anne.
„Dat was hij,” hervatte Annes moeder. „Hij had ook zooveel van haar gehouden. En ’t zou zoo gelukkig voor hem geweest zijn, als hij haar behouden had.”
„Gij waart toch ook zeker wel erg bedroefd over haar dood?” vroeg Anne.
„Dat kun je begrijpen. Daarenboven was mijn arme vader sedert moeders dood zoo terneergeslagen, dat hij steeds in sombere droefheid verzonken was. Hij kon zijn verlies maar niet verzetten! Hij had ook zooveel van haar gehouden! Daar ik nog te jong was, om zijn huishouden waar te nemen, nam hij een huishoudster. We troffen ’t slecht. Ze was geen pleizierige vrouw, juist het tegenbeeld van onze lieve moeder. Nooit kregen we een goed woord van haar, altijd bromde en knorde ze, en dat verveelde mijn broer Frans geducht, die nu zoo weinig mogelijk thuis kwam. Vader, die den geheelen dag in den winkel zat, — hij was horlogemaker, — merkte daar weinig van, vooral omdat ze jegens hem altijd vriendelijk was. Daarenboven, sedert moeders dood was hij zoo in zichzelf gekeerd, dat hij zich weinig of niet met ons bemoeide.”
„Die arme grootvader!” zeide Anne. „Was hij zoo bedroefd?”
„Ja, en ’t ergst van alles was, dat hij in ’t geheel niet op Frans lette, die nu langzamerhand kameraden kreeg, welke niet voor hem deugden. Ik wist daar niets van; anders had ik hem wel gebeden en gesmeekt, om die slechte kameraden te laten loopen; want het spreekwoord zegt niet tevergeefs: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet. Had vader op hem gelet en had de huishoudster ’t hem in ons huis pleizierig gemaakt, — het was nooit zoover met hem gekomen.”
„’t Was dan ook wel ongelukkig voor hem,” zeide Anne. „Maar klaagde oom Frans dan nooit bij zijn vader?”
„Hij had dit wel eens gedaan en ik ook; maar ’t hielp niet, en de ondeugende vrouw wist er altijd zooveel tegen in te brengen, dat vader haar wel moest gelooven en wij steeds de schuld kregen. Daar we nu zagen, dat het ons toch niet baatte en we altijd ongelijk kregen en daarbij bemerkten, dat vader er maar verdrietig onder werd, besloten we, niet weder te klagen en zwegen. ’t Ware te wenschen geweest, dat hij naar onze klachten geluisterd en ons geloofd had, — hij zou zich en mij vrij wat leed en verdriet gespaard hebben.”
„Die arme oom Frans!” riep Anne uit. „Hij moet daar vrij wat verdriet over gehad hebben.”
„’t Verdriet was nog het ergste niet, wel de omgang met zijn slechte kameraads,” hernam de moeder. „Had vader niet in zulk een treurige gemoedsgesteldheid verkeerd, zeker zou hij er op gelet hebben. Hoe ’t zij, op zekeren avond kwam je oom niet thuis. Vol onrust en angst wachtte ik den geheelen nacht; maar wie er verscheen, Frans niet. Later hoorden we, dat hij iets heel verkeerds gedaan had en uit angst voor de politie gevlucht was. Sedert hebben we nooit weer van hem gehoord.”
„En wat had hij gedaan, moeder?” vroeg Anne.
„’t Was geen zaak van zooveel belang,” antwoordde de moeder, „maar ze hadden hem bang gemaakt voor ernstige gevolgen, en toen was hij gevlucht. We hebben er nooit achter kunnen komen waarheen, hoeveel moeite vader ook heeft aangewend. Ach! ware hij slechts teruggekeerd; — alles zou met een kleine moeite zijn afgeloopen, en de zaak zou misschien tot zijn verbetering gestrekt hebben!”
„En wat zei grootvader toen wel?”
„De goede man was er wanhopig over, en zag nu maar al te goed in, dat hij zich door zijn droefheid te veel had laten beheerschen en meer acht op Frans had moeten geven. Maar ’t was nu te laat en er was niets meer aan te doen. Ik treurde nacht en dag over hem. Hij was inderdaad mijn eenige troost geweest in ’t verdrietelijke leven, hetwelk ik leidde, en dat nu des te verdrietelijker werd, omdat ik niemand had, aan wien ik mijn smart kon toevertrouwen.”
„En dus denkt gij, dat oom Frans dood is, moeder?” zeide Anne. „Als hij nog geleefd had, zou hij toch ten minste wel eens aan u geschreven hebben.”