Uit Ons Dorp: Drie Verhalen voor Meisjes

Part 3

Chapter 34,359 wordsPublic domain

„Ja maar, vergeet niet dat wij kersen zouden gaan eten, en dat zij dus die smulpartij is misgeloopen,” gaf Cato ten antwoord. „’t Spijt me nu eigenlijk wel, dat we niet wat kersen voor haar hebben meegebracht, want ze houdt er dol veel van.”

„Als we er maar aan gedacht hadden,” fluisterde Sijtje; „we hadden ze best in onzen zakdoek kunnen knoopen: ik had een schoonen in mijn zak.”

„’t Is dom van ons, en eigenlijk niet aardig ook,” zeide Cato met zelfverwijt. „Jansje is nog al mijn vriendin, en dus had ik haar dat pleiziertje wel aan kunnen doen.”

„Meisjes, stilte!” werd er nu geroepen, en dus durfden zij het gesprek niet langer voortzetten; zij namen zich echter voor, om dadelijk na schooltijd Jansje naar de oorzaak harer bedruktheid ronduit te vragen. Nauwelijks waren de lessen dan ook afgeloopen, of Cato en Sijtje stonden naast Jansje.

„Zeg eens, Jans,” begon Cato, „ben je boos, omdat ik laatst niet op je gewacht heb? Zeg het me dan maar ronduit, want ik vind het naar, als je er over loopt te pruilen.”

„Ja, Jans,” viel nu Sijtje in, „’t spijt ons erg, dat wij er niet aan gedacht hebben om wat kersen voor je mee te brengen! Maar heusch, meidlief, wij hebben er niet aan gedacht.”

„Och, Sijtje, och Cato, ik ben zoo ongelukkig,” barstte Jansje nu los.

„Omdat je geen kersen hebt gehad?” riepen de vriendinnetjes verwonderd uit.

„Ik denk niet om de kersen,” antwoordde Jansje snikkende; „daarom ben ik volstrekt niet boos, dat weet jelui toch ook wel. Maar boos ben ik ook niet, of ’t moest op mezelf zijn! O! ik wou dat ik netter was, ik wou dat ik niet zoo’n akelig, slordig schepsel was!”

„Wat is er dan?” vroeg Cato belangstellend. „Kom Jans, vertrouw ons je verdriet toe. Sijtje en ik zullen je zooveel mogelijk troosten.”

„Ja, vertel het gerust, Jans! Of wil je het liever aan Cato alleen zeggen; dan zal ik wel op zij gaan,” zeide Sijtje goedhartig.

„Je moogt het ook wel hooren, Sijtje; dan zul je eens begrijpen, wat een verdriet ik heb, en dan zie je me misschien nooit weer aan,” zeide Jansje treurig. „Begrijp eens: je weet immers wel, dat ik na vaders dood zoo’n beelderig ringetje heb gekregen, met een juweelen steentje er in en vaders haar er omgevlochten? Nu, dat ringetje ben ik kwijt en ik kan het nergens vinden. Misschien is het uit het raam gevallen, en dan vind ik het nooit terug.”

„O, Jansje, hoe kon je daar zoo slordig op zijn!” riep Cato verwijtend uit.

„Zie je wel, daar heb je het al,” riep Jans wanhopend uit. „Zeg, Sijtje, hoe vind jij het wel?”

„Erg aardig kan ik het nu niet vinden,” antwoordde Sijtje, „maar ’t is misschien zoo erg niet, als je denkt. Heb je wel goed overal gekeken, in alle hoekjes en gaatjes gezocht?”

„Ik weet wat, Jans,” zeide nu Cato; „laten wij beiden met je mee gaan zoeken: zes oogen zien meer dan twee. Wat zeg jij er van, Sijtje?”

„Mij goed,” antwoordde deze, „als ten minste Jans het goedvindt en juffrouw Klimveld er niets tegen heeft.”

„Ik zal het even aan moeder gaan vragen,” zeide nu Jansje, die weer een weinig hoop begon te koesteren.

In een oogenblik was zij weerom met de tijding, dat moeder het heel goed vond. Zij gingen met haar drieën naar binnen, en nu bedacht Jansje eensklaps, hoe gelukkig het was, dat moeder haar kamertje juist had opgeredderd, want, als haar vriendinnetjes in zulk een vreeselijken rommel hadden moeten komen, als het den vorigen dag was geweest, dan zou zij zich de oogen uit het hoofd geschaamd hebben.

„Hier de trap op,” zeide Jansje, „en dan de deur links, dat is mijn kamertje.”

Een uitroep van verrassing ontglipte aan Sijtjes lippen, toen zij binnentrad. ’t Zag er dan ook lief uit. De zon scheen zoo vriendelijk naar binnen en de bloempotten, die nu sedert een paar dagen water hadden gehad, lachten haar tegen. Alles zag er zoo gezellig en prettig uit dat het geen wonder was, dat Sijtje zoo verrukt was.

„Wel, Jansje, wat heb je hier een allerliefst kamertje!” riep Sijtje uit. „Hè, als ik er ook eens zulk een had!”

„Heb jij geen eigen kamertje?” vroeg Jansje verwonderd. „Je bent toch even oud als ik.”

„Ja maar, jij bent alleen, en wij zijn met ons zevenen,” antwoordde Sijtje vroolijk. „Wij mochten wel een paleis hebben, als wij allen eigen kamertjes hadden. Ik slaap met Keetje en Mina in een tusschenkamer, — je weet wel, die het licht uit dat steegje krijgt,” voegde zij er bij.

„En wat ziet alles er keurig netjes uit,” riep Cato uit. „Jansje, ik geloof heusch, dat je je verbeterd hebt!”

Jans zuchtte diep, zoo diep zelfs, dat Sijtje, die voor het raam stond, er van opkeek.

„Wel Jans, dat is geen reden om te zuchten,” zeide zij lachend. „Je moest integendeel van louter pret over die verbetering dansen. Maar neen,” voegde zij er ernstiger bij, „ik kan me wel begrijpen, dat je daar nu geen pleizier in zoudt hebben. Laten wij nu maar eens gauw aan ’t zoeken gaan.”

„Ja,” zeide Cato. „Weet je wat we nu moesten doen? Ieder moet om de beurt in een hoek of la zoeken, wat de een niet ziet, ziet de ander misschien. Ik zal de bovenste la nemen, en Sijtje bijvoorbeeld de schoorsteenmantel; dan komen we er vanzelf. Ik beloof je, dat ik alles weer even netjes in de la zal leggen.”

„Neen, de la behoef je niet na te kijken,” zeide Jansje nu, „want die heb ik gisteren al met moeder opgeredderd; daarom is zij zoo netjes: gisteren zou je er mij geen prijsje voor gegeven hebben.”

„Nu, dan zal ik onder de chiffonnière kijken,” zeide Cato vol moed.

„En ikzelf zal eens in dien hoek bij de bedstede zoeken,” zuchtte Jansje.

Weldra waren zij alle drie druk aan ’t zoeken.

„Hè, dat is om warm te worden,” zeide Cato blazend. „Hier zie ik hem niet; misschien ligt hij tusschen de bloempotten. Wacht laat ik eens kijken. — Wat is dat?” riep zij eensklaps uit.

„Heb je hem?” werd er nu in koor door de beide anderen geroepen.

„Ach, neen, maar ik dacht het heusch,” zeide Cato. „Zie eens, dat gele blaadje lag half onder den pot, en toen de zon er op scheen, dacht ik heusch, dat het de ring was, zoo glinsterde het.”

„Ja, maar ik vrees, dat jelui evenmin den ring zult vinden als ik,” zuchtte Jans. „Laten wij maar eens naar den tuin gaan, want hier is hij toch niet.”

„Nu, dan maar naar beneden,” zeide Sijtje. „Ik zou hier wel den geheelen dag kunnen blijven zitten, zoo lief vind ik het hier,” voegde zij er bij. „Wel meisje, wat ben jij een gelukskind, dat je zoo’n lief mooi kamertje hebt!”

„Ik, een gelukskind!” zeide Jansje. „Nu dat meen je niet. Ik ben ten minste op ’t oogenblik zoo diep ongelukkig, als je maar denken kunt.”

„Maar ik begrijp niet, hoe je den ring verloren hebt,” zeide Cato. „Is hij van je vinger gegleden?”

„Neen; ik geloof, dat hij weg is geraakt, onderwijl ik mijn handen wiesch,” antwoordde Jansje. „Ten minste ik kan het mij anders zelf niet begrijpen; hij was mij niets te wijd, maar paste precies.”

Onderwijl waren de vriendinnetjes in den tuin gekomen.

„’t Zal een werk zijn om hem te vinden, als hij hier is,” merkte Sijtje aan. „Jongens, als hij tusschen het gras is gevallen, zie ik er geen kans op, maar ’t is te probeeren.”

Weer begonnen de meisjes ernstig en ijverig te zoeken, maar natuurlijk zonder gevolg. Nu zult ge het misschien niet aardig van juffrouw Klimveld vinden, dat zij Cato en Sijtje zooveel noodelooze moeite liet doen, en dat speet haar ook wel; maar wat kon ze er aan doen? Als zij het aan de meisjes gezegd had, dan zou zij haar plan op hebben moeten geven, en zij wilde zoo graag Jansje verbeteren.

Na een poosje zeide Cato:

„Hoor eens, Jans, ’t spijt me wel, maar ik moet naar huis, want straks is het etenstijd, en je weet wel, dat moeder graag heeft, dat ik precies op mijn tijd thuis kom.”

„’t Is mijn tijd ook,” voegde Sijtje er bij. „Ik zal straks nog eens weeromkomen, om weer te zoeken, en dan komt Cato zeker ook mee.”

„Wel zeker,” zeide deze. „Nu tot straks, Jans; eet lekker. Misschien vind je den ring in dien tijd wel.”

Zij lekker eten! Neen ’t was alsof de stukken haar in de keel bleven steken. Moeder vroeg haar, wat haar mankeerde; maar zij kon niet antwoorden. Eindelijk kreeg het medelijden toch de overhand bij de goede vrouw, en zeide zij:

„Ik geloof, dat het om den ring is, dat je niet kunt eten, Jansje.”

„Ja, Moe,” antwoordde deze haperend. „O, ik vind het nu zoo verschrikkelijk, dat ik hem verloren heb. De gedachtenis van mijn lieven vader!”

„Nu, Jansje,” zeide haar moeder, „ik zal je dan maar uit de ongerustheid helpen. Ik zie wel, dat je er wezenlijk en oprecht spijt van hebt. Griet heeft hem in den tuin gevonden. ’t Was waarlijk een geluk, dat ze hem zag liggen; want als dat niet het geval geweest was, dan was hij onder de aarde geraakt en weg geweest. En nog een geluk, dat hij niet voortgerold is, want dan was hij onder ’t gras terechtgekomen en nooit weer teruggevonden.”

„O, hoe gelukkig, Moe!” riep Jansje uit. „Waar is hij?”

„Hou wat, Jansje!” hernam haar moeder. „Aan kinderen, die zoo slordig zijn als jij, vertrouwt men geen juweelen ringen toe. Tot hiertoe heb ik je maar met je slordigheid laten begaan, daar ik zag, dat al mijn vermaningen toch niet hielpen. Je hebt gisteren gezien, waartoe de slordigheid leidt; en ik verzeker je, dat het maar een klein proefje is van ’t geen er uit kan voortkomen. Slordigheid is niet alleen een hatelijke en afzichtelijke ondeugd, — ze is ook hoogst gevaarlijk, want menigeen is door haar tot armoede vervallen. Zeg nu: wil je doen, wat je reeds gisteren beloofdet en van nu af aan beginnen, je op orde en netheid toe te leggen?”

„Ja, Moe! als u me helpen wilt,” zeide Jansje.

„Welnu, dat wil ik doen,” antwoordde haar moeder.

„Elken morgen, eer je naar school gaat, gaan we samen je kamertje bekijken en brengen terstond in orde wat maar eenigszins verkeerd ligt. Zoodra je thuis komt, maak je je werk en leer je lessen voor de school, en dan worden de boeken, welke je den volgenden morgen mee naar school moet nemen, behoorlijk klaargelegd. Het minste torntje in je goed wordt terstond gemaakt; een torn of een winkelhaakje, dat men laat zitten, wordt een groote scheur. Beloof je me dat?”

„Ja, Moe!” zeide Jansje, terwijl ze haar moeder een kus gaf.

„Welnu,” zei de moeder. „Morgen over drie maanden word je twaalf jaren. Wanneer je dan een knappe, nette meid bent, krijg je vaders ring terug en laat ik een van zijn portretten in een lijstje zetten, en dat mag je dan op je kamer hangen!”

„O, heerlijk!” riep Jansje uit. „Nu, Moe! u zult eens zien, of ik mij niet verbeter!”

Van dien dag af begon Jansje zich werkelijk te verbeteren. Maar ’t ging niet zoo gemakkelijk, als ze ’t zich wel had voorgesteld. De slordigheid was reeds te diep in haar geworteld.

Doch dat haar moeder haar hielp, was een groote steun. De eerste morgens was er nog al wat te verbeteren, maar langzamerhand kreeg alles zulk een vaste plaats, dat ze ’t wel in het donker kon vinden. Als ze soms thuis kwam en weer dadelijk uit wilde gaan, was het:

„Jansje! Je weet, wat de afspraak is: eerst je werk maken en je lessen leeren!”

In den beginne had Jansje er wat spijt van, dat ze die afspraak gemaakt had, maar langzamerhand vond ze het toch veel pleizieriger, dat ze eerst haar werk afdeed en haar lessen leerde; want het was of ze nu veel lichter was en meer pleizier had. Ook op haar kleeding bleef ze nog eenigen tijd slordig, maar moeder hield voet bij stuk en zette haar terstond aan ’t herstellen.

’t Was een heele tijd, drie maanden: dertien weken! Maar er was ook een heele tijd toe noodig. En toen eindelijk Jansjes verjaardag kwam, en ze ’s morgens haar oogen opendeed, — toen hing daar ’t photographisch portret van haar lieven vader in een mooie vergulde lijst, en op dat portret hing de juweelen haarring aan een keurig lint.

Spoedig sprong Jansje uit haar bed, kuste portret en ring, wiesch zich, kleedde zich netjes aan en wilde juist naar beneden snellen, toen haar moeder de deur opendeed en haar in heur armen sloot.

„O, Moe! Ik dank u! Ik dank u!” zeide Jansje. „Wat hebt u mij gelukkig gemaakt!”

„Je bent het nu waard, Jansje,” zeide haar moeder, „want je hebt er schik in gekregen om alles in orde te houden.”

„O, ja! dat heb ik! En ik vind het vrij wat pleizieriger om netjes te zijn en ordelijk, dan slordig!”

„Geloof me, lieve: daar zul je je altijd wel bij bevinden,” hervatte de moeder. „En is ’t niet veel pleizieriger, dat de menschen op het dorp tegenwoordig tegen mij zeggen: „Juffrouw Klimveld, wat heb je een nette, knappe dochter,” dan dat ze je vroeger met vingers nawezen en je nariepen:

JANSJE DE SLODDERVOS!”

[Illustratie]

ANNES KANARIETJE.

I.

HOE ANNE AAN HAAR KANARIEVOGEL KWAM.

Ze was zeven jaren oud, de kleine Anne, en ze had nooit een broertje of zusje gehad. Dit had haar, toen zij nog klein was, nooit gehinderd of verdriet gedaan, maar toen zij zoo langzamerhand zeven jaren werd, vond zij het toch wel akelig dat andere kinderen broertjes en zusjes hadden en zij niet. Zij verlangde erg naar den tijd, dat zij naar school zou gaan en dan vriendinnetjes zou krijgen, en menigmaal vroeg zij dan ook aan haar moeder, wanneer dat zou gebeuren.

„Ja, lieve Anne,” zeide de goede vrouw dan, „als de zomervacantie voorbij is, zul je naar school gaan. Maar ik vind het niets prettig, dat mijn lieve meisje dan den geheelen dag de deur uitgaat.”

„En waarom niet, Moe?” vroeg zij.

„Wel, bedenk eens, dan ben ik den heelen langen dag alleen, en heb zoo’n aardig snapstertje niet om mij heen.”

„Dat is wel zoo, Moe,” zeide Anne nadenkend, „maar ik kom toch thuis om te eten en dan den geheelen avond ook; en wat is dat dan niet een vreeselijk lange tijd!”

„Nu, Anneke, ’t doet mij pleizier, dat je er naar verlangt om te gaan leeren,” zeide haar moeder. „Want daar verlang je toch zeker ook naar, niet waar?”

Anna keek een beetje op haar kleine neusje. Daar had zij nog niet aan gedacht, dat zij dan op school moest leeren. Zij vond alleen het vooruitzicht maar zoo heel erg prettig, dat zij dan vriendinnetjes zou krijgen. Eensklaps zeide zij echter:

„Ja, Moe, ik wil heusch graag wat leeren; dan kan ik u misschien wel eens een verhaaltje voorlezen. O, wat zal dat aardig zijn!”

„Of het aardig zal zijn,” zeide haar moeder glimlachend.

„En wat zal zoo aardig zijn?” vroeg een stem in de deur.

„O, Pa, is u daar!” riep Anna vroolijk uit. „Ik had u niet binnen hooren komen.”

„Maar vertel me toch eens, wat er zoo aardig zal zijn,” vroeg haar vader weder. „Zal ik het ook zoo aardig vinden, of is het iets tusschen mijn kindje en haar moeder?”

„Wat dunkt u, Moe?” zeide Anne, schalksch tegen haar moeder knipoogend. „Mag Pa er ook bij zijn?”

„’k Zou er Pa ook maar bij laten komen,” antwoordde de goede vrouw opgeruimd.

„Welnu, dan zal ik ’t u zeggen,” zeide Anne, naar haar vader toegaande. „Ik zei tegen Moe, dat ik, als ik op school ben en lezen kan, haar verhaaltjes zal voorlezen, en daar mag u dan ook bij zijn!”

„Dat vind ik heerlijk,” antwoordde haar vader. „Nu, Anne, ik verlang al, dat je zoo ver bent.”

„Ja, Anne zelf verlangt er ook al naar,” zeide haar moeder. „Zij wou zoo graag vriendinnetjes hebben, omdat zij zoo alleen is.”

„Na de zomervacantie gaat zij er heen; tot zoolang moet zij nog geduld hebben. En dat wil mijn Anneke ook wel, niet waar?” vroeg haar vader.

„Ja, Pa, maar verbeeld u eens, ’t is nu pas April. Hoe komen al die weken om!” zeide Anne zuchtend.

„Nu daar zal ik misschien wel wat op weten te bedenken,” zeide de goede man troostend.

„Weet u wat?” vroeg Anne nieuwsgierig. „Wat dan?”

„Daar moet ik mij eerst op beslapen,” zeide haar vader lachend. „Dan droom ik misschien wel iets.”

Zoo gingen er een paar dagen voorbij, en Anne dacht bijna niet meer om hetgeen haar vader haar gezegd had. ’t Was in ’t einde van April, en prachtig mooi weer, een van de zomersche dagen, zooals men dat noemt. Anne had achter in den tuin wat gespeeld en kwam nu binnen om eens een beetje te babbelen.

„Zeg, Anne, zou je lust hebben om een eindje met mij te gaan wandelen?” zeide haar moeder, die wel zag, dat het meisje uitgespeeld was.

„Hè ja, Moe, wat graag! Gaan wij dan achter de buitenplaatsen? Daar groeien zooveel mooie bloemen in ’t wild,” vleide Anne.

„We kunnen dien kant wel opgaan, Annelief,” antwoordde haar moeder, „maar veel bloemen zul je nog niet vinden, want ’t is nog veel te vroeg en er zijn te weinig warme dagen geweest.”

„Nu dat hindert dan ook niet; laten wij toch dien kant maar opgaan, dan weet ik van den zomer goed de plekjes, waar ze kunnen staan.”

„Zet je hoed dan maar gauw op, en doe je manteltje om, want ’t is nog geen weer om zonder mantel uit te gaan; de wind is te scherp,” zeide haar moeder.

Hoe gauw was Anne niet gekleed en gereed! Zij moest nog even op haar moeder wachten, want die moest nog ’t een en ander in het huishouden beredderen. Weldra echter waren beiden op weg, en Anne was zoo vroolijk, dat zij dansende en springende vooruitliep. Na een uurtje gewandeld te hebben, gingen zij weer naar huis, want het werd zoo langzamerhand etenstijd. Na het eten ging Annes vader uit en kwam een poosje later heel geheimzinnig met iets terug. Hij droeg het in een doek en zeide tegen zijn dochtertje:

„Je klaagdet er laatst over, dat je zoo alleen waart, en daarom heb ik gemeend, mijn Anneke een kameraad te moeten meebrengen, die haar gezelschap kan houden, als ze alleen is, en haar vermaken zal door zijn lief gezang.”

Dit zeggende, deed hij den doek van ’t pak af; en Anne zag een allerliefst kooitje en daarin — een prachtigen, gelen kanarie. Haar vader zette de kooi voor haar neder, en Annes oogen schitterden van blijdschap.

„Is die kanarie voor mij?” vroeg ze, want ze kon niet gelooven, dat dit waar kon zijn.

„Ja, Anne.” antwoordde haar vader. „Die kanarie is je eigendom, en ik hoop, dat je er goed op zult passen ook.”

„O, wat een lief diertje!” riep Anne uit, terwijl ze het bekeek. „Hartelijk dank, Pa, hartelijk dank!”

En ze sloeg haar armpjes om zijn hals en kuste hem.

„Dat is een aardig speelkameraadje!” zeide ze. „En kan het zingen ook?”

„’t Is nog een jong beestje,” antwoordde haar vader. „Maar spoedig zal het leeren zingen, en dan zul je eens hooren, hoe mooi het dat doet.”

„O, Moe! kijk eens, wat een fijn bekje!” riep Anne uit. „En wat een heldere, dottige oogjes! Is ’t niet, alsof het mij aankijkt!”

„Ja, Anne,” zeide haar moeder. „En ik denk, dat het je wel gauw zal leeren kennen.”

„O, en dan zal ik het leeren, om uit zijn kooitje te komen en de kruimels uit mijn hand te pikken, net als ’t kanarietje van Klaartje hiernaast doet. Dat vliegt de heele kamer rond, en als ze ’t raam openzet, vliegt het er niet eens uit.”

„Dat laatste zou ik toch vooreerst maar niet wagen, en ook zelfs niet om zijn kooi open te zetten, want het mocht eens wegvliegen, en dan was je ’t kwijt,” zei haar moeder.

„En mag ik het nu zelf schoonmaken en eten geven?” vroeg Anne.

„Wel zeker, Anne,” antwoordde haar moeder. „En dan mag het op jou kamertje hangen.”

„O, dat is heerlijk! Dat is prettig!” riep Anne uit.

„Maar dan moet je ook maar alles doen, wat moeder zegt,” zeide haar vader.

„Nu, dat beloof ik u, Pa!” antwoordde Anne, die haar oogen niet van haar kanarietje kon afhouden.

’t Was dan ook werkelijk een allerliefst diertje. Geel als goud, van dat mooie heldere geel, en zoo’n lief glad kopje. En dan die vriendelijke dottige oogjes, en dat fijne, ivoorwitte bekje, waarmee ’t zoo aardig langs zijn stokje streek, als wou ’t het schoonmaken, of het zaad oppikte dat aan den eenen kant van ’t kooitje in een bakje was, terwijl aan den anderen een glazen fonteintje met helder water hing. ’t Beestje was nu nog wat schuw; maar dat zou wel spoedig beter worden, zei haar vader, als het eerst Anne maar wat kende.

„O, wat een lief kooitje, Pa!” zei Anne, terwijl ze de woning van haar kanarietje bekeek.

„Niet waar, Anne?” zei haar vader. „Zoo’n lief kanarietje moet ook in een lief kooitje zitten, dacht ik.”

„En mag ’t nu hier in de kamer blijven, zoolang als ik op ben?” vroeg Anne.

„Wel zeker. Ik zal even een hamer en een spijker halen, en dan zullen we het daar ophangen. Als je dan aan tafel zit, dan kun je er vlak op zien.”

„O, dat is aardig! Als ik nu ’s morgens wakker word, is ’t eerste wat ik zie, mijn kanarietje. En als het dan zingen kan, is ’t eerste wat ik hoor een morgengroet, net of het wil zeggen: Goeden morgen, Anne! Heb je goed geslapen?”

„Als het je maar niet wakker zingt,” zeide haar vader. „Want de kanaries worden zoo vroeg wakker. Reeds met het eerste krieken van den dag.”

„Nu, dat zijn vlugge diertjes,” zei Anne. „Zoo vlug ben ik niet. Als het me dan wakker zingt, ga ik deftig weer slapen.”

Haar vader ging nu een hamer en een spijker halen en kwam spoedig terug. Hij sloeg den spijker in den muur en hing er ’t kooitje aan.

„Kijk, Anne,” zeide hij, „nu kun je den kanarie precies zien. Is ’t zoo nu niet goed?”

„O, heerlijk!” riep ze uit. „Ik denk zeker, dat ik morgen heel vroeg wakker ben, uit nieuwsgierigheid om mijn kanarietje te zien. =Mijn= kanarietje. Wat een aardig idee is dat, =mijn= kanarietje! Ik ben nog nooit zoo rijk geweest. Slaat u nu ook een spijker op mijn kamertje?”

„Dat beloof ik je, en zoo, dat je het uit je bedje zien kunt.”

„En nu zet u het toch weer op de tafel, niet waar? Want ik wou het vandaag graag dicht bij mij hebben, om het goed te kunnen zien.”

„Wel zeker, Anne.” antwoordde haar vader. „Als het voor je staat, kun je het des te beter bekijken.”

’t Was een heel pleizier voor ’t lieve kind, haar kanarietje te zien, en ’t was of ze er telkens iets nieuws aan opmerkte. Zoo vond ze onder andere, dat het diertje zulke lieve, fijne pootjes en zulke aardige nageltjes had; kortom, ze werd niet moede het te bewonderen.

Zij zou haast eten en drinken vergeten hebben, maar daar dacht moeder wel om, want als Anne het eten had vergeten, dan zou zij niet veel pleizier van haar vogeltje hebben gehad.

„Moe,” zei zij, toen zij er zich een heelen tijd mee geamuseerd had, „Moe, zou ik het vogeltje niet even aan Betje hier naast laten zien? U weet wel, die oude vrouw; ze is wel doof, maar ze kan toch heel goed zien, hoe mooi geel het is, en het zingt toch nog niet.”

„Ga voor mijn part je gang,” antwoordde haar moeder vriendelijk; „’t oude mensch zal er misschien wel schik in hebben. Maar zet je hoed op, want ’t is veel kouder, dan het geweest is.”

„Hé, Moe, voor dat kleine eindje, niet meer dan een voetstapje!” riep Anne uit.

„Dat is wel zoo, maar in dat oogenblikje kun je toch best kou vatten, en ik zou niet graag willen, dat je ziek werd,” antwoordde haar moeder. „Daar is je hoed, en nu dit dasje om. Zie zoo, maak nu maar gauw, dat je wegkomt, maar blijf niet te lang, want je weet dat bedtijd niet zoo ver af is.”

„Ik zal er aan denken, Moe,” riep Anne vroolijk en sprong met haar kooitje in de hand de kamer uit.

Toen zij bij de oude vrouw kwam, werd zij erg vriendelijk ontvangen, want deze had wat graag, dat zoo’n lief, vroolijk meisje haar eens op kwam zoeken.

„Wel, kind, daar doe je goed aan, dat je eens over komt wippen. En wat heb je daar? Een kooitje met een kanarie er in, wel, wel! Of vader en moeder ook gek met hun Anneke zijn,” zeide de oude vrouw.

„Ja, Betje, vind je het geen lief diertje?” riep Anne zoo hard ze kon, want Betje was immers doof. „Ik heb het van vader gekregen, die het voor mij heeft gekocht.”

„Hing het beestje in den tocht? Daar moet je vooral op passen,” zeide de oude vrouw hoofdschuddend. „Bedenk, dat die diertjes heel teer zijn.”

„’t Hing niet in den tocht, Betje; ik zei, dat vader het voor mij gekocht heeft,” riep Anne nu.

„Zoo, heeft je vader het gekocht?” zeide de oude vrouw. „Ja, zie je, kind, ik ben een beetje hardhoorend.”

„Vind je het niet een mooi beestje?” vroeg Anne luid. „Hoe zacht en geel zijn de veertjes; en vader zegt, dat het mooi zal gaan zingen ook!”

„Zingt het, al hangt het in den rook,” zeide Betje, die haar weer half verstond. „Dat is er toch niet goed voor; breng het diertje dan liever bij mij: het rookt hier nooit. Of ik zou het maar op mijn eigen kamertje hangen; daar is toch geen schoorsteen,” riep het oude mensch.