Uit Marokko De Aarde en haar Volken, 1906

Part 4

Chapter 4 780 words Public domain Markdown

Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen en begaf mij naar het feestterrein, de _Meschwar_. Daar steeg ik af en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst vormde om den in 't midden opengestelden vierhoek van soldaten. In het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode sjasjia van de moorsche askari's, omwikkeld met een schitterend witten tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders, een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van 't fijnste, witte mousseline.

Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep: "Allah moge onzen heer de zege verschaffen!" _allah ianssar ssidna_, die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij, hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.

Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met het woord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten: _la bass, la bass_ d.i. het doet er niet toe.

NASCHRIFT.

Dr. Genthe's Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in Marokko den dood gevonden.

In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.

Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd; maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.

Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden, maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.

De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe's persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt; maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.

Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken, 't geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den laatsten tijd vaker Marokko's schatkist aangesproken. Voor eenige maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in 't begin van Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.

AANTEEKENING

[1] Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.