Uit het leven van Dik Trom

Chapter 9

Chapter 93,897 wordsPublic domain

"Dat is waar, Moeder, doch droog uwe tranen, want binnen enkele dagen zal ik u geld genoeg verschaffen, om den winter verder door te komen. Ik ben met vrouw Boon in onderhandeling getreden, om haar winkeltje over te nemen. Voor tweehonderd gulden word ik eigenaar van de geheele zaak, en...."

"Maar jongen, hoe heb ik het nu met je?" vroeg Moeder, die hem in de grootste verbazing aanstaarde, terwijl Vader bedenkelijk het hoofd schudde. "We hebben immers geen cent in huis? Hoe zouden we die som ooit kunnen betalen?"

"Dat zal ik u aanstonds meedeelen, Moeder. Zeg nu eerst maar eens, hoe u het zou vinden, om in dat zaakje te komen."

"Ach, kind, daar is immers geen denken aan! Wat zou het anders heerlijk wezen! Er gaat wel niet zoo erg veel om, maar toch nog wel genoeg, om er van te kunnen leven, dat is zeker. Vroeger was het zelfs een best zaakje, en dat zou het wel gebleven zijn ook, als die vrouw Boon maar niet zoo 'n ruw, onhebbelijk mensen was. Ik geloof zelfs, dat het zaakje wel weer druk zou worden, als er knappe menschen in kwamen. Och ja, wat zou het heerlijk wezen, als wij het eens koopen konden, Jan. Dan konden we de toekomst onbezorgd te gemoet gaan, en dan behoefde je ook niet meer te werken, ten minste niet harder, dan je krachten het toelaten. We zouden gered zijn, Jan,.... maar och, dat ongelukkige geld!"

"Welnu, Moeder," zei Dik, "ik weet een middel, om aan geld te komen."

"Welk middel dan?" vroeger Moeder nieuwsgierig, maar toch vol angst, daar zij wel begreep, dat er heel wat voor gevergd zou worden.

Dik keek haar een oogenblik aarzelend aan. De goede jongen zag er tegen op, haar zijn besluit mede te deelen.

"Toe Dik, zeg het dan, of is het zóó erg? Ik brand van nieuwsgierigheid."

"Ja, Dik," zei Vader, "ik ook,--dat doe ik."

"Welnu, Moeder, ik zal het u zeggen. In de West...."

Moeder liet hem niet uitspreken. Met tranen in de oogen sprong ze op en sloeg hem hare armen om den hals.

"Wou je weggaan, mijn Dik, mijn jongen?" snikte ze. "Wou je je moeder verlaten en je vader, Dik? Begrijp je dan niet, hoe lief we je hebben? O, Dik, we hebben immers niets op de wereld dan jou?"

Dik gaf zijne moeder een kus en maakte zich zacht uit hare omarming los. Ook hij voelde het hart week worden, want het kostte hem veel moeite, om van zijne ouders te scheiden, maar toch wilde hij zijne lieve moeder niet toonen, dat het hem zwaar viel.

"Moeder," zeide hij, "luister, 't Is het eenige middel, om u en Vader voor gebrek en zorg te behoeden. Hier blijven kan ik toch niet; ik mag u niet langer tot last zijn, en dat wil ik ook niet. Viel er hier nog wat te verdienen, dan zou ik er niet over denken om weg te gaan, maar nu zit er niets anders op. Weken lang loop ik al zonder werk rond, en 't is de vraag, of dat niet nog maanden zal duren. Maar toch, Moeder, al gelukte het mij nu, hier of daar eene betrekking te vinden, dan zou dat u toch nog bitter weinig baten, want veel zou er nooit van kunnen overschieten. Vader is zwak; hij kan in de eerste jaren stellig niets verdienen, en hoe zou u dan in het levensonderhoud voor u beiden moeten voorzien? Neen, Moeder, 't is beter, dat ik ga. Ik behoef mij slechts te verbinden voor drie jaren en ik ben gezond en sterk. Vierhonderd gulden krijg ik vooruit, Moeder, vierhonderd gulden! Dat is geene kleinigheid. We kunnen er het winkeltje voor koopen, en u houdt nog tweehonderd gulden over om alles netjes in orde te brengen. Denk eens, wat een genot! Vader koopt een hit en een wagentje, om buiten het dorp te gaan venten, en u zorgt voor den winkel. Is 't niet prachtig, Moeder? Wat zegt u er van, Vader?"

"Ja, jongen, 't zou mooi wezen,--dat zou het."

"En voor dat alles behoef ik slechts een paar jaartjes in de West te gaan doorbrengen, Moeder, 't Is toch waarlijk zoo erg niet."

Moeder keek langer, tijd peinzend voor zich, terwijl nu en dan een paar groote tranen op haar voorschoot rolden. Eindelijk stond ze op en omhelsde Dik opnieuw.

"Dik, 't moet! Ga, m'n lieve, goede jongen, ga, en dat God je bescherme!"

Schreiënd verliet ze de kamer. Trom volgde haar.

"Ach, Jan," zeide ze snikkend, "wat heeft hij toch een braaf hart!"

"Ja Griet, 't is een bijzonder kind,--dat is-ie, en dat heb ik altoos wel gezegd,--dat heb ik."

Dienzelfden middag nog trok Dik zijne beste kleeren aan, om zich naar de stad te begeven.

"Ach Dik, m'n kind," zuchtte zijne moeder, "moet het nu al zoo gauw gebeuren? 't Scheiden valt me zoo zwaar."

"Ja, Moeder, 't is hier ook: hoe eer, hoe beter, We hebben geen cent meer in huis, en ik krijg toch nog eenigen tijd verlof. Wat vind ik dat heerlijk, Moeder. Dan kan ik u helpen verhuizen en alles in orde brengen, en voor Vader een hit koopen en een wagentje. Neen, Moeder, 't is beter vandaag, dan morgen. Ik heb geen rust, voor dat u goed en wel in het winkeltje woont."

't Was een teêr afscheid, bijna alsof hij reeds voor goed wegging.

"Kom, Moedertje, nu flink, hoor! Morgen of overmorgen kom ik weer terug. Tot zoolang dus!"

Dik maakte zich uit hare omarming los en snelde de deur uit. Wat had hij zich in de tegenwoordigheid zijner ouders goed moeten houden, om niet in tranen uit te barsten, want nooit had hij sterker gevoeld, hoe lief hij hen had, dan nu op het oogenblik, dat hij weldra voor goed van hen zou moeten scheiden. Voor goed, ja, want 't was bekend, hoe weinigen er terugkeerden uit dat verre, vreemde land, waar wreede vijanden en nog wreeder koortsen zoo menigeen een vroegen dood deden vinden.

Nauwelijks had hij dan ook het laatste huis van zijn dorp achter den rug, of de brave jongen barstte in tranen uit, en wrong zich in vertwijfeling de handen.

"O, wat is het hard! Wat is het hard! Ik heb hen zoo lief!" mompelde hij, terwijl de tranen hem langs de wangen vloeiden. Doch opeens bedwong hij zich. Hij wierp nog eenmaal een blik op zijn geboortedorpje, dat hem zoo lief was, zocht met zijne oogen nog eenmaal het roode dak van de kleine woning, waar hij zooveel jaren gelukkig was geweest en waarin hij achterliet, wat hem het dierbaarst was op de geheele wereld, en toen vervolgde hij zijn weg naar de stad.

In diepe, smartelijke gedachten verzonken liep hij voort, het voorhoofd gefronst en met een droevigen trek om den mond. Een gure wind woei hem vlak in het gelaat, maar hij voelde het niet. Hij liep met gebogen hoofd, en nu en dan prevelde hij overluid.

"'t Kan niet anders," komt hem afgebroken over de lippen, "'t Moet! Vader en Moeder mogen geen broodsgebrek lijden, zoolang ik er ben, en 't zou schande wezen, als ik anders handelde, dan ik doe.--Wat zullen mijne vrienden vreemd opkijken, als ik als koloniaal terugkom, want dat verwacht zeker niemand van me. Toch zal het een troost voor me wezen daar ginds in het verre Westen, te weten, dat Vader en Moeder het goed hebben, en dat zij op hun ouden dag vrij zullen wezen van zorgen en broodsgebrek. En daarom--'t moet, hoe hard het ook is!"

Dik was zoozeer in zijne gedachten verdiept, dat hij niet eens bemerkte, dat hem een rijtuig achterop reed. Hij ontdekte dat pas, toen het vlak achter hem was, en een glimlach verhelderde zijn gelaat, toen hij den breeden molenwagen herkende, beladen met zakken, en bestuurd door den eigenaar zelven. Hierover verheugde hij zich nog het meest, want de molenaar was een oud vriend van hem, voor wien hij zijn hart eens kon uitstorten.

De wagen hield stil.

"Meêrijden, Dik?" klonk het hem toe. De molenaar was geen vriend van veel woorden. Hij sprak gewoonlijk zeer weinig, maar hij had een goed hart.

Zwijgend stapte Dik op het krat, en zwijgend vervolgden zij hun weg.

Dat had zoo eenige minuten geduurd, toen de molenaar, die van terzijde zijn jongen vriend al eens een paar malen had aangekeken, plotseling vroeg:

"Wat scheelt er aan? Ben je ziek?"

"Neen, Van Dijk, niet ziek, maar toch--lang niet vroolijk. 't Is armoê thuis, armoê, Van Dijk, en nog eens armoê! Er mòèt een einde aan komen!"

De molenaar zei niets. Hij floot iets tusschen de tanden en zag weer van terzijde Dik aan, die met moeite een traan terugdrong. Ook Dik zweeg.

Zoo gingen weer enkele minuten voorbij. Toen zei de molenaar:

"Armoê thuis? En welk einde moet er aan gemaakt worden, jongen?"

"Ik ga naar de stad, om te teekenen als koloniaal. Ik ga naar de West. Vierhonderd gulden handgeld zijn voldoende om het zaakje van vrouw Boon over te nemen, die naar de stad wil verhuizen, zooals u wel weten zal. Als u dan het huis zou willen verhuren aan Vader, waren zij uit den nood. Maar dat wilt gij wel, niet waar?"

De molenaar keek stijf op de ruggen van zijn twee paarden. Hij knikte bevestigend, terwijl hij weer iets tusschen de tanden floot.

"En hoe vindt je moeder dat, Dik?" vroeg hij na eene pauze.

"Zij vindt het hard,--erg hard."

Weer volgde eene pauze.

"Ja, 't is hard!" klonk het eindelijk naast Dik.

Zij waren nu eene boerderij genaderd, waar Van Dijk het erf opreed.

"Wacht even, Dik, dan gaan we straks samen verder," zei de molenaar, terwijl hij van het krat afsprong, en de zakken naar binnen ging dragen.

Dik was geen jongen, die van toekijken hield, als er gewerkt moest worden. Dadelijk nam hij ook een zak op den schouder en volgde den molenaar. Spoedig was de wagen afgeladen, en waren 's molenaars zaken met den boer afgedaan.

Zij namen weder plaats op het krat en reden het erf af. Tot Diks verbazing sloeg de molenaar echter den weg in naar huis, wat hij niet verwacht had. Hij legde zijne hand op den schouder van Van Dijk, en zeide:

"U gaat naar huis terug, en..."

"Ja, dat weet ik wel. Wat zou dat?--Huup paarden!"

"Dan scheiden hier onze wegen, want..."

"Niet waar.--Huup paarden!"

"Ja wel, ik moet naar de stad, om..."

"Huup paarden! Huup!--Dat moet je niet, Dik! Je gaat meê naar huis."

"Onmogelijk, onmogelijk, Van Dijk! Ik móét, want ik kan niet anders. Laat mij hier afstappen."

"Jij stapt niet af, en je gaat niet naar de stad, heb je mij begrepen, Dik? Ik zou me schamen, jongen, schamen, als ik jou voor een ellendige vierhonderd gulden naar de West liet gaan, om daar een graf te vinden. Je gaat naar huis, zeg ik je. Dat geld kun-je van mij wel krijgen,--begrepen? Je ouders kunnen je niet missen."

De molenaar keek Dik aan en knikte hem nog eens met eene krachtige beweging toe. Hij had al veel meer gesproken dan hij gewoon was, en meende er verder ook geen woord meer over te verspillen. De zaak was afgedaan, naar hij meende.

O, wat werd het Dik plotseling licht en vroolijk te moede. Weg was als met een tooverslag al zijn zorg en al zijn verdriet, en in gedachten zag hij reeds, hoe zijne lieve Moeder zou schreien van vreugde, als zij het hoorde.

"Wil u mij dat geld leenen?" vroeg hij opgetogen, en elk woord klonk als een juichkreet.

Van Dijk knikte.

"O, ik wist, dat u een edel hart bezat, maar nu--nu maakt u drie menschen tegelijk gelukkig. Wat ben ik u dankbaar!"

Weer knikte Van Dijk.

"'t Is goed, hoor," sprak hij. "Praat er nu verder maar niet over. De zaak is beklonken.--Huup paarden!"

Wat keken Jan Trom en zijne vrouw korten tijd later vreemd op, toen Dik onverwachts weer binnentrad, en o, wat verhelderden die gezichten, toen Dik vertelde, wat er gebeurd was. Hoe blonk de vreugde uit hunne oogen, hoe klonk in dit eenvoudige huisje hun vroolijke lach. De dagen van leed en droefheid waren voorbij, de armoede vloog het venster uit, en er was geen sprake meer van eene scheiding, die hunne harten dreigde te doen bersten.

Enkele weken later betrokken zij de woning van vrouw Boon, waar het hun weldra zeer goed ging. Trom nam den winkel waar, bij welke bezigheid zijne vrouw hem onvermoeid ter zijde stond, en Dik ging er dagelijks met paard en rijtuig op uit, om de klanten buiten het dorp te bedienen en er nieuwe bij te werven.

En het scheen wel, of men gaarne van hem bediend wilde wezen, want elke week werd zijn omzet grooter, en klommen zijne verdiensten. Al spoedig konden zij het geleende geld bij den molenaar aflossen, en na een paar jaren reeds moesten zij den winkel vergrooten. In korten tijd hadden zij de beste zaak van het geheele dorp, en elken Oudejaarsavond konden Trom en zijne vrouw een mooi sommetje ter zijde leggen van hetgeen zij hadden oververdiend.

Dan keken zij elkander dankbaar en gelukkig in de oogen, en zeiden:

"Voor onzen Dik!"

De zes volgende boeken zijn ware prachtwerken voor de jeugd, uitmuntende zoowel door inhoud als illustratie.

Prijs van ieder boek f 1.50, in prachtb. f 1.90.

Mijn Jongensjaren

door Koen van Dam, geïllustreerd met 50 platen door Joh. Braakensiek.

Weggeloopen

2e druk, door Adona, geïllustreerd met 60 platen door Cecil Alden.

Karel Vermeer

door Ch. Krienen, geïllustreerd met 50 platen door W. K. de Bruin.

Uit het leven van Dik Trom

6e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door Joh. Braakensiek.

Frits Wardland

3e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door Joh. Braakensiek.

De Twee Neven

2e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door W. K. de Bruin.

DE DRIE MATROZEN VAN MICHIEL DE RUIJTER

door Joh. H. Been,

geïllustreerd met 32 platen door J. H. Isings Jr.

Prijs f 2.50, in prachtband f 2.90.

De Nederlandsche Spectator van 26 Januari 1907 schrijft:

Een ware "De Ruijter" hulde.

In het stedeke Brielle waren nog de schimmen van onze zeehelden rond: Witte de Witt, de Trompen, Evertsen enz. en wie daar met een dichterlijken geest woont, wordt van hun geestkracht vervuld. De Brielsche Archivaris, de man in wiens hoofd dat heele prachtige verleden zich geconcentreerd heeft, de heer Joh. H. Been, heeft de mooiste "De Ruijter"-hulde denkbaar in dat kloeke boek van De drie matrozen van Michiel de Ruijter gegeven.

Gevoel voor het grootsche in deze persoonlijkheid, voor het roemrijke verleden samen met de gave van het boeien door echte, spannende romantiek en van zich indenken in het menschelijk gemoed in vele gevallen van karakterstrijd en onrust maken dit boek tot een hoog boek, een, waar een jongen, z'n idealen in vindt, en dat zaden in zijn gemoed zal strooien, die veel later welig zullen kunnen opschieten tot heil van hem zelf, van het vaderland.

Waarlijk, al is het een dik boek, misschien met z'n 379 blz. het dikste jongensboek dat we hebben, ik twijfel niet of het zal tot het eind gelezen, het zal her- en weer-herlezen worden, omdat er zooveel moois in is, dat meesleept, ontroert.

En het mooiste zal voor de jonge lezers dunkt mij, nog dit zijn: dat het alles waar gebeurd is, dat er werkelijk voor Algiers vijf Christenslaven op de door Been beschreven manier op de vloot gekomen zijn; dat werkelijk op de Goudkust drie matrozen samen gevochten hebben met de in het boek beschreven gevolgen, even goed als het in de steek laten van het zinkende Engelsche schip in de West de waarheid bevat. Gerard Brandt vertelt het in zijn leven van Michiel de Ruijter. De dichter heeft alleen de letters op papier leven ingeblazen. Tegen zooveel goeds vallen kleine fouten of liever oppervlakkigheidjes weg.

G.

J. d. V.

IN DEN OPGANG

door Anna de Savornin Lohman. Geïllustr. door Willy Sluiter. Prijs f 2.50, in prachtband f 2.90.

Freule Lohman laat zich met dit vlot geschreven boek ook eens als schrijfster voor jonge meisjes kennen. En 't is haar gelukt. Zij heeft den toon te pakken, die in den smaak valt der vrouwelijke "aankomende" jeugd. De handeling heeft plaats in een Hollandsch provinciestadje en zeer raak is het leven op zoo 'n plaatsje getypeerd. De "draad" van het verhaal: een in schooltijd aangeknoopt vrijagetje van het mooie, oudste dochtertje der Langeveldts met een gymnasiast-baronnetje, voor wien zij, als onbemiddeld en niet-adellijk meisje, later blijkt, geen geschikte partij te zijn. Rita, die haar stille verloving als geheim bij zich ronddraagt, ontdekt de vernedering, als haar Govert, die in Leiden studeert, met de vacantie door zijn ouders naar een buitenverblijf wordt gestuurd. En zij lijdt onder de desillusie, alléén. Dan volgt de bekentenis aan moeder, die haar over alles heen helpt.

Daaromheen groepeeren zich de anderen, de openhartige zuster Mien, de goede broer Hein, de verwaande Sanny, de lieve moeder Langeveldt en niet te vergeten tante Poppie, de goedhartige, goedgeefsche, gezellige Indische. "In den Opgang", (bedoeld wordt in den opgang van den jongemeisjestijd naar het volwassen zijn) is, èn door de behandeling der stof èn door de strekking een aan te bevelen lectuur voor onze meisjes.

Telegraaf, 5 Dec. 1906

Zooeven verschenen!

OP VIJVERHOEK

door F. J. Hoffman.

Geïllustreerd met 26 platen door W. K. de Bruin.

Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.

Dat ook in den winter het buitenleven zijn aantrekkelijke zijden heeft, kunnen we uit dit boek bespeuren. Karel en Wim gaan in de Kerstvacantie bij oom Van der Horst, den Boschbaas op het buitengoed "Vijverhoek", te logeeren. Ze vermaken er zich best, maar niet alleen aan guitenstreken is hun tijd gewijd; onder leiding van hun oom, komen ze heel wat belangwekkends aan den weet van vogels vooral, maar ook van andere dieren, visschen bij voorbeeld, en van planten.

Aangrijpend is de passage van dien boer, die zijn hond zoo slecht behandelde, terwijl het trouwe dier, hem voor den brand in zijn hooiberg waarschuwde. Maar de man was te eigenwijs om op het geblaf acht te geven.

Ook de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van vogels zal de verschijning van dit boek met vreugde begroeten.

FLORIS DE VIJFDE

door E. Molt.

Geïllustreerd door H. C. Louwerse.

Prijs f 1.50, in prachtb. f 1.90.

Welke Hollandsche jongen kent niet uit de geschiedenis "Graaf Floris de Vijfde, der keerlen God", en zijn treurig einde?

Hij toch was het, die ten tijde der lijfeigenschap het voor den kleinen man opnam en de macht der edelen fnuikte, om later als slachtoffer zijner menschlievendheid door verraad te vallen.

Waar dan ook de schrijver zijn leven teekent, zonder opsmuk of overdrijving, is het een boek dat in afwijking der vele onmogelijke "jongenslectuur", met gerustheid der jeugd in handen kan worden gegeven en dat door hen zonder het hoofd op hol te brengen met graagte zal worden gelezen, terwijl het hunne kennis van den tijd der edelen blijvend zal verrijken.

Van een viertal zéér mooie illustraties door H. C. Louwerse voorzien, en in keurigen prachtband is het een aanbevelenswaardig geschenk voor de jeugd.

Dordrechtsche Courant, 26 Nov. 1906.

UIT DE GEDENKSCHRIFTEN VAN EEN SCHOOLJONGEN

door Joh. H. Been.

Geïllustreerd door Jan Bleys,

Bandteekening van R. W. P. de Vries Jr.

Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.

Een geestig, prettig, mooi geschreven jongensboek. Men kan het niet anders dan met groote belangstelling lezen; men gaat een warme sympathie voelen voor Hein, den bengel met zijn eerlijk hart, z'n jongensstreken, zijn strijd tegen het leeren en zijn strijd tegen zijn fantastische denkbeelden, die hem zoo vaak hinderen in het nuchtere, praktische leven. Hoe mooi is hier beschreven, dat langzame lief krijgen van een vak, waar hij eerst niet van houdt, de eerbied en genegenheid, die de jongen gaat voelen voor den onderwijzer, die hem zoo taktvol door dien strijd heen helpt....

.... We zitten met hem in de benauwdheid voor het overgangsexamen, dat zoo meesterlijk beschreven is, en we juichen met hem, als hij "er door" is, als hij in de armen van zijn ouders vliegt, als hij even meneer Straalders, den helper in de booze wiskunde de hand gaat drukken en deze in zijn ontroering niet anders kan zeggen dan: "beste jongen, beste jongen...."

Dan hollen we met hem en z'n trouwe gezel "Lie", den hond, naar buiten--den zomer, de vroolijke kermis, de zalige vacantie, tegemoet!

Het is een boek vol eerlijke, gezonde, nobele denkbeelden, een in alle opzichten aan te bevelen werk.

Commissie ter beoordeeling van Kinderlectuur.

Van deze zalige vacantie vertelt het boek:

HEINTJE'S GROOTE VACANTIE

door Joh. H. Been.

Geïllustreerd door Joh. Braakensiek.

Bandteekening van R. W. P. de Vries Jr.

Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.

We durven een weddenschap aan te gaan, dat geen jongen "Heintje's Vacantie" zal gelezen hebben zonder, uit het diepst van een vol gemoed, te verklaren: in tijden heb ik zoo 'n prettig, aldoor boeiend boek niet gelezen. En als de ouderen 't overnemen, zullen zij het óók zeggen. Met ons zullen zij in hun hart den goeden schrijver dankbaar wezen die, zonder een oogenblik zwaar-avontuurlijke onwaarschijnlijkheden op te dienen, eigenlijk van allergewoonste dingen vertellend, zoo 'n geestig en zoo 'n spannend boek heeft kunnen leveren.

Wie zijn kinderen en zichzelven ter Sinterklaasgelegenheid waarlijk een tractatie bereiden wil, die nog wel tot tien Sinterklaasfeesten ver zal worden geproefd, koope Been's nieuwste jongensboek.

Rotterd. Nieuwsbl.

JUFFERTJE WILDZANG

door Bertha Clément,

prachtig geïllustreerd met meer dan 50 platen.

Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.

De Meisjesboeken van Bertha Clement zijn eveneens gunstig bekend. Ook in dit nieuwe werk vinden we zulk een frisschen geest, zulk een vroolijke ongedwongenheid, dat men wel van de heldin moet gaan houden en haar lotgevallen met dezelfde belangstelling volgt als waren ze aan een meisje uit onze naaste omgeving overkomen.

Bertha Clement is een vriendin van het jonge lezende publiek, en haar Juffertje Wildzang, waarvan bij P. Kluitman, te Alkmaar, een geïllustreerde uitgaaf in prachtband verscheen, zal zeker even gunstig worden ontvangen als hare vroegere verhalen.

't Is de geschiedenis van een vroolijk "juffertje Wildzang" in den grond een zeer lief meisje, dat ook wel iets van den ernst des levens leert en van hare verschillend geaarde vriendinnetjes. Een aardig, natuurlijk geschreven, onderhoudend meisjesboek.

Nieuws van den Dag.

IN DE VACANTIE

Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.

Prijs per deel f 0.90, in prachtband f 1.25

De boeken in deze serie zijn met bijzonder veel zorg uitgevoerd, met minstens 4 prachtige platen geïllustreerd en keurig gebonden.

A. voor Jongens:

1. Het Beleg van Alkmaar door P. Visser. Geïllustreerd door H. C. Louwerse.

2. Jaepie-Jaepie door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door A. Rünckel.

3. Frans van Dorentil door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door A. Rünckel.

4. Hollandsche Jongens door Chr. v. Abkoude. Geïllustreerd door A. Rünckel.

B. voor Meisjes:

1. De Zusjes van de Berkenhoeve. door Hermanna. Geïllustreerd door A. Rünckel.

2. Het Badreisje van Cor Slung door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door A. Rünckel.

3. De Beschermeling van het Viertal door L. van der Meer. Geïllustreerd met 55 platen.

Deze serie wordt vervolgd.

End of Project Gutenberg's Uit het leven van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet