Uit het leven van Dik Trom

Chapter 8

Chapter 84,119 wordsPublic domain

Op eenmaal werd Mulder doodsbleek en keek hij met strakke oogen naar het vuur. Langzaam zag hij wat naar beneden vallen, en plotseling werden de geel-roode vlammetjes van het haardvuur onnatuurlijk groot, en wat hem nog het meest deed schrikken, helderblauw. Tegelijkertijd klonk er zulk een schrille kreet door den schoorsteen, dat hij op zijn stoel zat te beven.

"O, o," kermde hij, "daar is ze al, o, o, wat moet ik beginnen.--Hu!"

Opnieuw klonk er een akelige kreet uit den schoorsteen, en een geweldige slag tegen de achterdeur deed hem het bloed in de aderen stollen. De blauwe vlammen in den haard, die langzamerhand kleiner geworden waren, flikkerden opnieuw hoog op. Het vuur siste.

"O, o, genade!" kermde de vrek.

"Hier is de heks,--de heks,--de heks!" gilde eene hooge stem, als van eene vrouw, door den schoorsteen. "Ze moet haar huis uit, de heks,--de heks,--de heks!"

"Ssss!" siste het, en nu zagen de vlammen groen.

"Vreeselijk!" kermde Mulder, "wat zal me nu overkomen? Genade, genade! O, je behoeft het huis niet uit; je moogt er wel altoos in blijven wonen, voor niemendal wel. Genade!"

"Hier is de heks, de heks op den bezem!" gilde het daar boven, en er werd geweldig tegen de luiken gebonsd. "Hier is de heks met zwavel en salpeter! De heks op den bezem! Hi-i-i-i!"

De vrek viel kermende op de knieën. In doodsangst keek hij naar den schoorsteen, waardoor, naar hij vreesde, de heks zou binnenkomen.

"O, heb medelijden, genade!" kermde hij. "Ach, ach, kom toch niet hier; ik zal het je nooit weer lastig maken!"

Plotseling flikkerden de vlammen, die blauw en groen zagen, weer hoog op, het gebulder werd heviger en het gegil in den schoorsteen klonk in één woord ontzettend. Het angstzweet brak den vrek uit. Hij was radeloos. Daar zag hij, hoe een ijzeren bak, waaruit ook kleine blauwe vlammetjes opstegen, langzaam aan een ketting naar beneden zakte, en boven het vuur bleef hangen.

"Geld! Geld!" klonk het daarboven gillend. "Hier is de heks met salpeter en zwavel, geld, geld, de heks met den bezem, de vleermuizen en de hagedis! Geld, geld, hi-i-i-i!"

"O, geld!" kermde de oude gierigaard, met een wanhopigen blik op zijn schat. "Ook dat nog! Genade, genade!"

"Hier is de heks, de heks met den bezem! Wat moet zij maken van den ouden woekeraar? Moet hij eene vleermuis worden, of..."

"O, neen, neen, genade, geen vleermuis!" kreunde Mulder, terwijl hij in doodsangst twee handen met geldstukken in den bak wierp, waaruit opnieuw groote blauwe vlammen opstegen.

".... Of moet hij een nachtuil worden, die over het kerkhof vliegt?"

"Neen, neen, o neen, geen nachtuil, o, goede heks, vergeef het mij!" riep Mulder, terwijl hij opnieuw een aantal geldstukken in den bak wierp.

".... Of een slang met giftige tanden, of een draak met zeven koppen? Ja, een draak, een draak! Hij wordt een draak! Hier is de heks, ze komt om het geld, om het geld van den vrek! Ze komt, ze komt met zwavel en salpeter! Waar is de woekeraar? Hi-i-i-i!"

"Help, help, o genade! Hier is mijn geld, dáár, dáár!" En de oude man wierp sidderend handenvol geld in den bak. "Ach, genade! Laat me toch asjeblieft geen draak worden! O, o!"

Plotseling werd het gegil nog heviger en akeliger, en groote blauwe en groene vlammen stegen van het haardvuur op. Het gebulder tegen de luiken duurde onophoudelijk voort. Vol ontzetting bedekte Mulder zijne oogen met beide handen en kroop in den donkersten hoek onder de tafel, waar hij voorover op den grond ging liggen. Elk oogenblik verwachtte hij de heks te hooren binnenkomen.

Doch neen, langzamerhand werd het stiller; eindelijk hoorde hij nog een gil, en toen niets meer. Toch durfde hij nog niet opkijken, maar toen hij eindelijk gedurende een geruimen tijd geen verdacht geluid meer hoorde, kwam hij voorzichtig uit zijn schuilhoek te voorschijn en keek in de kamer rond. Gelukkig, er was niets geheimzinnigs meer te zien; het vuur was weer gewoon, zelfs bijna uitgedoofd, en geen verdacht geluid trof zijne ooren. Hij bekeek en betastte zich aan alle zijden, om te onderzoeken, of hij ook betooverd was, doch dat onderzoek stelde hem gerust. Hij bevond zich nog onveranderd en ongedeerd.

"Maar het heeft me geld genoeg gekost," zuchtte hij, met een treurigen blik op zijn geldkist. "Laten de menschen me nu nooit weer zeggen, dat er geen heksen zijn, hu, hoe akelig! Ik weet er nu alles van!"

Nog over al zijne leden bevende, borg hij zijn schat weer weg en legde zich te bed, waar hij den ganschen nacht door akelige droomen werd gekweld.

Had de man geweten, dat de heks niemand anders was geweest dan Dik, die door de kachelpijp heen al dien onzin naar beneden had getoeterd, terwijl zijn makker Piet de deur en de vensters beukte, dan zeker zou hij niet zoo gemakkelijk afstand hebben gedaan van zijne geliefde goudstukken. Den volgenden morgen keek hij telkens naar den haard, om te zien, of er nog blauwe en groene vlammen uit opstegen, doch de stukjes zwavel en salpeter, die Dik uit de apotheek had meegenomen en op het vuur geworpen, waren al lang verbrand.

Niemand was echter meer verbaasd dan de heks, toen zij 's morgens wakker werd. Op de tafel namelijk lag eene beurs gevuld met goudstukken, die zeker door de gebroken ruit heen daar was neergelegd. En in die beurs zat een briefje, waarop met duidelijke letters geschreven stond:

"Een geschenk van Mulder aan de heks van den Achterweg, die levenslang voor niet haar huisje mag blijven bewonen."

O, wat lachte die Mulder vreemd, toen de oude vrouw hem met tranen in de oogen bedankte voor de weldaad, die haar bewezen was,--net als een boer, die kiespijn heeft.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN ONGELUK KOMT ZELDEN ALLEEN.

Zes jaar lang had Dik zijn heer trouw en eerlijk gediend, toen een treurig voorval hem zijne betrekking deed verliezen. In een kouden herfstnacht werd hij gewekt, om dadelijk in te spannen. Haastig kleedde hij zich aan en begaf zich naar de dokterswoning, in de stellige meening, dat een zieke buiten het dorp onverwachts de hulp van zijn heer had ingeroepen, zooals dat al zoo menigmaal gebeurd was. Doch neen, dat was het niet. De goede jongen, die dolveel van zijn meester hield, kon van schrik bijna niet spreken, toen hij van het dienstmeisje hoorde, wat er gaande was.

"O Dik, ben je daar? Je moet dadelijk inspannen om dokter Marling uit de stad te halen, 't Is verschrikkelijk, Dik, o...."

"Dokter Marling halen? Voor wien? Kan de dokter dan zelf niet gaan?"

"Neen, neen, Dik, o neen! 't Is verschrikkelijk! Gauw, maak voort...."

"Maar wat is er dan toch aan de hand? Je staat daar maar te huilen en te jammeren, en je zegt niets!"

"Ach, 't is toch zoo erg, Dik. O, ik ben er heelemaal akelig van. De dokter.... o, o!"

"Maar spreek dan toch! Is de dokter ziek?"

"Ja, Dik, 't is vreeselijk....eene beroerte...."

"Wat?" riep Dik ontsteld. "Wat zeg je, heeft de dokter eene beroerte gehad! En hoe is het nu met hem?"

"O, Dik, zoo erg. Hij is geheel bewusteloos. Mevrouw heeft gezegd, dat je zoo hard moest rijden, als je kunt, en niet zonder dokter thuiskomen."

"Dat spreekt vanzelf," bromde Dik. In een oogenblik had hij het beste paard uit den stal voor het rijtuig gespannen, en nu ging het in dolle vaart het erf af, naar de stad, die hij een uur later binnenreed. Hij hield voor het huis van dokter Marling stil, wierp een dekkleed over zijn dampend paard, dat hijgde van vermoeienis, en trok aan de schel. Spoedig werd de deur geopend, en Dik deed zijne boodschap.

"Ik zal den dokter wekken," klonk het antwoord.

"Voortmaken!" riep Dik, die vol angstig ongeduld bij zijn paard heen en weder liep. Nu, er werd ook voortgemaakt, want er waren nog geen tien minuten verloopen, toen dokter Marling reeds geheel gekleed naar buiten kwam en in het rijtuig stapte.

"Vooruit maar, koetsier, zoo hard je paard kan!"

"Laat dat maar aan mij over, dokter," zei Dik. "Het beest heeft anders al een heeten rit achter den rug."

"Dat wil ik wel gelooven. Hoe was het met den ouden heer, toen je wegreedt?"

"Hij was geheel buiten kennis, dokter. Eene beroerte is zeer gevaarlijk, niet waar?"

"Meestal wel."

"Voort, Zwart, voort!" riep Dik, en het scheen wel, of Zwart begreep, dat er iets ernstigs plaats had. Het beest liep, of het vleugels had, en nog geen vol uur, nadat zij de stad verlaten hadden, kwamen zij alweer op het dorp aan. Dokter Marling begaf zich naar binnen, waar de zieke nog geheel in denzelfden toestand lag. Dik bracht zijn paard op stal, wierp het nog een paar dekens op den rug, en begaf zich toen naar de apotheek, om af te wachten, wat hij verder zou moeten doen. Hij was bedroefd, want de berichten omtrent den zieke werden voortdurend ongunstiger, en eindelijk, 's morgens om zes uur, kwam de tijding, dat de oude dokter overleden was.

Dat bericht schokte Dik zeer, want hij had altoos evenveel van den dokter gehouden als deze van hem. Zonder een woord te spreken, spande hij een ander paard voor het rijtuig, en bracht dokter Marling naar de stad terug.

Drie dagen later reed Dik zijn heer voor het laatst, doch het was nu een treurige rit, want--hij voerde naar het kerkhof.

Dik was dus zijne betrekking kwijt, en het bleek al spoedig, dat een tweede niet zoo gemakkelijk te vinden was. Eerst hoopte Dik nog, dat de nieuwe dokter hem in dienst zou nemen, doch dat gebeurde niet, omdat die heer zich in de eerste jaren geen eigen paarden aanschafte, doch zich door een stalhouder liet rijden. Dat was eene groote teleurstelling voor Dik. Toen deed hij moeite, om hier of daar op eene buitenplaats als koetsier aangesteld te worden, doch tevergeefs; men was overal voorzien. Dat speet hem erg, want hij was ijverig van aard en leegloopen stond hem niet aan. Hij verveelde zich van dat hij opstond, totdat hij naar bed ging, en daarbij hinderde het hem geducht, op kosten van zijne ouders te moeten leven. Wel had zijn vader vast werk, doch 't was winter, de dagen duurden maar kort, en daarmede hielden de verdiensten gelijken tred.

"Moeder," zeide hij dikwijls, "wat is het toch verdrietig, zoo gezond en sterk te zijn, als ik ben, en niets te kunnen verdienen."

"Kom jongen," kreeg hij dan gewoonlijk ten antwoord, "je moet den moed niet zoo gauw laten zakken; er zal wel eens hier of daar wat open komen, en we lijden toch gelukkig nog geen gebrek."

"Neen, Moeder, gelukkig niet. Als dat ook het geval was, zou ik anderen raad schaffen."

"Nu, wat dan?"

"Och, dat weet ik niet. 't Is gelukkig nog zoover niet."

Neen, dat was waar, doch 't zou toch zoover wel komen, en spoediger dan zij dachten. Op zekeren morgen was Dik van verveling het dorp ingeloopen en had zich naar zijn vader begeven, die met andere werklieden bezig was, een huis te verbouwen. Het binnenwerk werd bijna geheel weggebroken en moest door een nieuwe binnenbetimmering vervangen worden. Het oude geraamte was blijven staan en werd door een groot aantal palen ondersteund, opdat het niet zou invallen. Ook de zolder was onderschraagd door groote balken en dwarsliggers. De werklieden hamerden er lustig op los, en de jongeren onder hen deden hun arbeid met een vroolijk gezang gepaard gaan. Daar kwam de baas binnen.

"Jongens," riep hij, toen hij eenige oogenblikken rondgekeken had, "die zolder is niet genoeg ondersteund. Als we storm krijgen, komt de boel naar beneden. Daar moet onmiddellijk werk van gemaakt worden. Me dunkt, Trom en Bakker konden dat wel doen, dan kunnen de anderen mij buiten even helpen. Er is een karweitje in de schuur te doen."

Allen, behalve Trom en Bakker, gingen met den baas meê. Dik ook, en dat was gelukkig, want nog geen vijf minuten later viel met een donderend geraas het voorste deel van het huis in. Het gaf een geweldigen slag, die door het geheele dorp gehoord werd. Iedereen snelde naar buiten en spoedde zich naar de plaats des onheils. Baas Meyer en zijne knechts meenden eerst, dat de schuur, waarin zij zich bevonden, inviel, en sprakeloos staarden zij elkander aan. Niemand bewoog zich; de schrik had hen als het ware verlamd. Dik was de eerste, die tot bezinning kwam.

"Het huis stort in!" riep hij, terwijl hij naar buiten snelde. "Vader,--Vader!--Laten we ons haasten!"

Allen volgden hem, en van alle kanten kwamen de menschen verschrikt toeloopen. 't Was eene vreeselijke ruïne. Balken, steenen, planken en pannen lagen tot een berg opeengestapeld, terwijl vier naakte, afgebrokkelde muren het geheel omringden. Dik, die bleek zag van angst en ontroering, liep overal rond, om zijn vader te zoeken. Nog altoos hoopte hij, dat deze niet onder het puin begraven zou zijn.

"Vader!--Vader!" riep hij met krachtige stem, terwijl hij zijn blik over de menigte liet ronddwalen. "Heeft iemand mijn vader ook gezien?"

"Neen, Dik, we hebben hem niet gezien. Is hij nog niet gevonden?"

"Neen, neen," zeide Dik zuchtend, zijne schreden weer naar elders richtende, om te zien, of hij daar ook was. Doch al zijn zoeken was vruchteloos; niemand had den vermiste ontmoet, en Diks vrees, dat zijn vader onder dien puinhoop bedolven zou zijn, werd met elk oogenblik grooter en kreeg meer schijn van zekerheid. Daar kwam ook zijne moeder aanloopen. Ook zij zag bleek en keek angstig rond.

"Er zijn toch geen ongelukken bij gebeurd?" vroeg ze, vol vrees, dat het antwoord voor haar eene Jobstijding zou zijn.

De menschen antwoordden niet; zij zagen er tegen op, de arme vrouw met haar ongeluk bekend te maken. Daar kwam Dik aan.

"Dik, waar is je vader?" vroeg ze met angstig ongeduld.

"Heeft u hem ook nog niet gezien, Moeder? Ik zoek hem al overal, doch vind hem nergens. Ik vrees, Moeder, dat...."

"O!" gilde de arme vrouw, "dan ligt hij onder het puin! O, Dik, mijn arme man!"

"Ja, Moeder, 't zal wel zoo zijn, want hij was juist in het huis aan het werk. Ga nu naar huis, Moeder, dan zullen wij het puin wegruimen. Misschien loopt alles nog goed af. 't Is meer gebeurd...."

"Naar huis gaan, Dik?" zeide zijne moeder, de tranen wegvegende, die haar langs de wangen liepen. "Neen, jongen, ga jij maar helpen. Ik blijf."

Dik begreep, dat aan dit besluit van zijne moeder niets te veranderen viel. Hij drukte haar de hand en zeide, zich naar den puinhoop keerende: "Moed houden, Moeder, misschien leeft hij nog."

Dik voegde zich bij de werklieden, die onder toezicht van den baas al druk bezig waren, het puin weg te ruimen. Iedereen was er nu van overtuigd, dat zoowel Bakker als Trom onder den puinhoop lagen. Er werd ijverig doorgewerkt. Niemand sprak, want allen waren onder den indruk van hetgeen gebeurd was en verdiepten zich in gissingen, of de twee ongelukkigen nog in leven zouden zijn. Dik werkte voor twee, en zoodra er weer eene opening gemaakt was, wierp hij zich op de knieën en riep:

"Vader! Vader!"

Dan luisterde hij met gespannen aandacht, of er ook antwoord kwam, doch telkens tevergeefs. Hij kwam meer en meer tot de overtuiging, dat zijn vader dood zou zijn en Bakker ook.

"Vooruit maar weer!" riep de baas, en allen togen weer aan het werk. De puinhoop werd voortdurend kleiner. Eindelijk, na een paar uren van ingespannen arbeid, werden de beide ongelukkigen gevonden. Zij lagen als dooden, doch toen zij eenigen tijd de frissche lucht hadden ingeademd, kwamen ze weer bij. Bakker werd met een gebroken been en eene gapende wond aan het hoofd naar zijne woning gedragen. Trom had een zwaren balk tegen de borst gekregen; de arme man had het erg benauwd en leed verschrikkelijk veel pijn. Men droeg hem op een kleed naar huis, waar de dokter hem dadelijk in behandeling nam. Dik en zijne moeder stonden bij het bed.

"Wat dunkt u er van, dokter?" vroeg vrouw Trom angstig.

"Ik geloof niet, dat er gevaar is voor zijn leven," was het antwoord, "maar...."

"Nu, maar?"

"Ik vrees, goede vrouw, dat hij altoos een tobber zal blijven."

En zoo was het ook. In tegenstelling met Bakker, die na enkele weken zijn arbeid weer hervatten kon, bleef Trom langen tijd aan het ziekbed gekluisterd, en toen hij het eindelijk mocht verlaten, was er van hem niet meer overgebleven dan een zwakke, uitgeteerde man, die niet meer in staat was, het brood te verdienen voor zich en voor zijn gezin. 't Was wel eene groote ramp. Dik kon, hoeveel moeite hij er ook toe deed, maar geen betrekking meer vinden, en daar het midden in den winter was, viel er aan losse karweitjes ook bitter weinig te verdienen. De betrekkelijke welvaart, waarin Trom en de zijnen zich vroeger mochten verheugen, was verdwenen, en had plaats gemaakt voor bittere armoede, die zich te sterker liet gevoelen, omdat zij er in het geheel niet aan gewend waren. En met de welvaart had ook de vroolijkheid het huisje verlaten. Trom was verdrietig en gevoelde zich ongelukkig, nu hij, in plaats van kostwinner, een zwakke, hulpbehoevende sukkelaar geworden was. O, hoe bedroefde het hem, hamer en beitel niet meer te kunnen hanteeren, evenals vroeger,--doch die tijd was voor goed voorbij. Nimmer zou hij weer in staat zijn, het dagelijksche brood te verdienen.

En ook vrouw Trom ging diep onder haar leed gebukt. De vroolijke lach van vroeger, hare opgeruimdheid, haar gezellige toon,--zij waren verdwenen. De arme vrouw was neerslachtig en somber geworden. Ja, 't was wel eene vreeselijke ramp geweest!

Ook Dik was zoo vroolijk niet meer als vroeger. Het maakte hem verdrietig en stil, zijne goede ouders zoo ongelukkig te zien, en het ging hem aan het hart, de blozende wangen zijner lieve moeder bij den dag bleeker te zien worden. O, hoe verlangde hij er naar, haar nog eens te hooren lachen als weleer, doch--het gebeurde niet. Wel lachte zij hem soms vriendelijk toe, als zij bemerkte, hoe bedroefd hij haar nu en dan aankeek, doch dat was het niet, wat Dik wilde. Hij zou haar weer zoo graag vroolijk en gelukkig willen zien, als in de vroegere goede dagen. Maar de nood bleef voortdurend stijgen. Het gezin verviel tot bittere armoede, en eindelijk werd het zelfs zoo erg, dat op zekeren avond de tafel niet meer gedekt werd; voor de eerste maal van hun leven ontbrak hun het noodige voedsel. Somber en zwijgend begaven zij zich te bed, doch van slapen kwam niet veel. Allen waren te veel vervuld van den ongelukkigen toestand, waarin zij verkeerden. Dik wendde en keerde zich onrustig om en om, en voelde zich de tranen in de oogen komen, toen hij zijne moeder zacht hoorde snikken.

"Dat kan zoo niet langer," mompelde hij. "Mijn besluit is genomen. Morgen moet het er toe komen!"

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET SLOT VAN DE GESCHIEDENIS.

Den volgenden morgen stond Dik vroeg op en begaf zich naar Piet van Dril.

"Morgen, Dik! Al zoo vroeg hier?"

"Ja, Piet. Ik kom je hulp inroepen, 't Is nood bij ons, jongen, en dan gaat men het eerst naar zijne vrienden. Heb-je ook wat geld voor me te leen?"

"Geld?" vroeg Piet, terwijl hij zijn vriend met medelijden aankeek. "Hoeveel wil-je hebben?"

"Een paar dubbeltjes maar. Als ik gezond blijf, krijg je ze binnen enkele dagen terug."

"Ja, Dik, dat weet ik wel. Hier heb-je ze, en als je ze nooit teruggeeft, is het ook goed."

"Dank-je, Piet. Zooals ik gezegd heb: als ik geen ongeluk krijg, ontvang je ze binnen enkele dagen terug. En nu ga ik weer heen, want ik heb nog wat te doen. Dag, Piet, tot ziens."

"Gegroet!" zei Piet. "Arme menschen!" mompelde hij. "Ik wou, dat ik hen helpen kon."

Dik ging regelrecht naar den bakker.

"Jansen," zeide hij, zijn geld op de toonbank leggende, "wil u even twee brooden naar mijne moeder brengen? Maar liefst dadelijk; er is haast bij."

"'k Zal er voor zorgen, Dik."

Vandaar ging Dik naar vrouw Boon, die nog altoos in haar winkeltje woonde. Hij deed de deur open en stapte naar binnen.

"Goeden morgen, vrouw Boon."

"Goeden morgen! Hé, Dik, ben jij daar? Dat is, geloof ik, wel voor het eerst van je leven."

"Dat is ook zoo, vrouw Boon, maar ik wenschte u wel eens te spreken. Hebt ge een oogenblikje tijd?"

"Jawel, zeker, kom maar in de kamer. 't Is te koud, om in den winkel te staan."

"Ja, 't is koud," zei Dik, binnentredende.

Vrouw Boon gaf hem een stoel, en nam zelf ook plaats, tamelijk nieuwsgierig, wat Dik toch wel te zeggen zou hebben.

"Ik heb gehoord," begon Dik, "dat ge van plan zijt, het dorp te verlaten en in de stad te gaan wonen?"

"Ja, dat is te zeggen," was het antwoord, "als ik mijn boeltje hier naar mijn zin verkoopen kan. Ik ben niet van plan, om zoo maar weg te loopen."

"Neen, dat begrijp ik. Ik ben dan ook juist gekomen, om daar eens over te praten. U woont hier in een huurhuis, niet waar?"

"Ja, 't is een huis van den molenaar, en ik heb er nog zes jaar huur aan, doch ik mag de huur wel aan een ander overdoen, ten minste, als het een knap persoon is."

"Nu, wat dat betreft, zal de molenaar wel geen bezwaar maken, denk ik," meende Dik. "En hoe staat het met den winkel?"

"Alles, wat in den winkel staat, is mijn eigendom," antwoordde de weduwe. "Toonbank, weegschalen, gewichten, bakken en laden, kortom, al wat er in is, behoort mij."

"En dat wilt ge dus verkoopen?"

"Ja, voor driehonderd gulden is het te koop, maar dadelijk betalen, dat spreekt vanzelf. Borgen doe ik niet."

"Dat is ook niet noodig," zei Dik. "Als ik het koop, betaal ik contant, maar driehonderd gulden geef ik er niet voor. Als de winkel nog, evenals vroeger, beklant was, zou ik er misschien over denken, maar nu de zaak bijna verloopen is, bied ik er juist de helft voor, namelijk voor alles, zooals het reilt en zeilt, en dan nog op voorwaarde, dat ik pas over drie dagen behoef te zeggen, of de koop doorgaat of niet."

"Neen, Dik, dat gaat niet. Tegen de voorwaarde heb ik geen bezwaar, maar honderdenvijftig gulden is te weinig. Ga zelf maar kijken, of er niet voor meer waarde in staat. 't Is wel waar, wat je zegt, dat de zaak verminderd is, maar er gaat toch nog wel zooveel in om, dat een kleine burgerhuishouding er van leven kan. Als ik niet aan trouwen dacht, verkocht ik haar niet."

Dik en vrouw Boon gingen den winkel rond en namen alles nauwkeurig op. De voorraad van een en ander viel Dik meê, zoodat zij het eindelijk eens werden voor eene som van tweehonderd gulden.

"Maar à contant," zeide vrouw Boon, die maar niet begrijpen kon, waar Dik zooveel geld vandaan moest halen.

"Dat is afgesproken. Uiterlijk over drie dagen kom ik u mijn besluit mededeelen."

Dik vertrok en begaf zich naar den burgemeester, bij wien hij na een oogenblik wachtens werd toegelaten.

"Wel, Dik, wat is er van je dienst?"

"Burgemeester, ik heb gehoord, dat er in de West, om een oproer onder de negers, soldaten aangeworven worden. Zou u me daaromtrent niet wat nader willen inlichten?"

"Wel zeker, met genoegen. Of eigenlijk gezegd weet je er alles al van. Er is onder de negers in Suriname een oproer uitgebroken, dat met kracht van wapenen gedempt moet worden, en nu zijn er flinke jongens noodig. Waarom vraag je dat zoo? Je wilt toch zelf niet gaan?"

"Misschien wel, burgemeester. Hoeveel handgeld wordt er gegeven?"

"Vierhonderd gulden; dat is nog al een mooi sommetje, niet waar? Hoe oud ben je?"

"Achttien jaar, burgemeester, en goed gezond."

"Zoo, achttien? Dan heb je de jaren. Maar toch durf ik het je niet aanraden, Dik. 't Is een erg ongezond land. De meeste Hollanders gaan er weg aan de gele koorts."

"Ja, burgemeester, dat heb ik ook gehoord, maar--ik kan niet anders. Waar kan ik mij aanmelden?"

"In elke garnizoensplaats, Dik. Dus je bent er toe besloten?"

"Ja, burgemeester, de nood dwingt er mij toe. Ik dank u wel voor uwe inlichtingen."

Dik vertrok en ging naar huis. Hij vond zijne ouders in eene sombere stemming bij de tafel zitten. Er stond eene boterham voor hem klaar, welke hij dadelijk begon op te eten, want hij had grooten honger.

"Hoe ben je aan dat geld gekomen, Dik?" vroeg Moeder.

"Dat heb ik geleend, Moeder."

"Geleend? Waarvan moeten we het dan teruggeven? We hebben immers niets meer?" De ongelukkige vrouw kreeg tranen in de oogen.