Uit het leven van Dik Trom

Chapter 7

Chapter 74,337 wordsPublic domain

"Je behoeft me anders niet te wantrouwen, Dik, want eene belofte breek ik nooit. Maar zoo is het ook goed."

Dik gaf den sleutel en ging naar huis.

Toen hij binnentrad, lag Moeder in eene lichte sluimering, en Vader zat met de handen onder het hoofd bij de tafel te dommelen. Beiden ontwaakten door zijne komst. Dik ging naar het bed zijner moeder.

"Hoe is het nu met u?" vroeg hij.

"Veel beter, Dik, veel beter, maar nog zwak."

"O, dat zal elken dag wel wat beter worden. Wil u niet wat eten, voor we naar bed gaan?"

"Neen kind, dank-je, ik heb volstrekt geen eetlust. Alleen heb ik trek in een lekker, zacht peertje. Zouden de onze nog niet rijp zijn? Of zijn ze al opgegeten?"

"Neen, Moeder, zeker niet. We hebben ze juist voor u aan den boom gelaten. Wil ik er een paar halen? Er zitten er twaalf aan; ik heb ze van middag nog geteld."

"Ja, Dik, dat is goed. Ik heb er veel trek in. Mijn mond is zoo droog."

Dik ging naar buiten. In den tuin, achter het huis, stond een klein pereboompje, dat zijn vader daar een paar jaar geleden geplant had. Meer vruchtboomen bezaten zij niet. Het vorige jaar had het boompje nog geene vrucht gedragen, maar dezen zomer waren er twaalf heerlijke peren aan gegroeid. Dik had er al menigmaal een begeerigen blik op geworpen, maar hij had er toch geen van opgegeten, waar hij thans dubbel blijde om was, omdat zijne zieke moeder er nu zooveel genot van hebben kon.

Hij liep het huis om, en kwam in den tuin. Doch plotseling bleef hij staan. Hoorde hij daar geen geritsel in den tuin? Ja, zie, daar vlogen donkere gedaanten langs hem heen. Het waren jongens, die bij zijne komst de vlucht namen. Weldra waren ze in de duisternis verdwenen.

Dik vloog naar het pereboompje. Zouden de jongens die heerlijke peren gestolen hebben, juist nu zijne moeder er zulk eene behoefte aan had? Ja waarlijk, zij waren verdwenen. Hoe hij ook zocht, hij kon er geen enkele vinden.

Tranen van spijt kwamen hem in de oogen. Zoo gaarne zou hij Moeder die versnapering hebben aangeboden, en nu waren zij gestolen.

"'t Is gemeen!" riep hij met gebalde vuisten, "'t Is slecht, maar ik zal...." Doch plotseling zweeg hij, en het schaamrood bedekte hem de kaken. "Ik heb het zelf ook gedaan," mompelde hij. "Ik ben even slecht als zij, ik ben ook--een dief, een leelijke dief! O, ik gevoel nu eerst goed, hoe slecht het van mij was, en ik weet nu, dat stelen stelen is, onverschillig of het een gulden betreft of een appel. Maar het zal mij nooit weer gebeuren; een dief wil ik niet wezen!"

Met loome schreden ging hij naar binnen, en met neergeslagen oogen zeide hij, wat er gebeurd was. Voor de eerste maal van zijn leven durfde hij Moeder niet in de eerlijke oogen te zien, en hij gevoelde zich, alsof hij zelf haar de peren ontstolen had. Hij had zooveel berouw over hetgeen dien avond gebeurd was, dat hij er bijna den geheelen nacht niet van slapen kon. Na dien tijd stal hij nooit weer.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

PAARDEN EN EZELS.

In het volgende voorjaar ging Dik van school, en niet hij alleen, maar ook bijna alle kinderen, die gelijk met hem op school gekomen waren. Piet van Dril kwam bij zijn vader in de smederij, waar hij gewoonlijk met een zwart gezicht aan de blaasbalg stond te trekken, of zóó lustig met een zwaren hamer op het gloeiende ijzer sloeg, dat de vonken door de smidse spatten. Zijn vader beweerde, dat er een flinke smid van hem zou groeien.

Jan Vos kwam in de leer bij Langerijs, den metselaar. Zijn voornaamste werk bestond gedurende het eerste jaar in steenen aandragen en kalk maken. Deze bezigheid werd de oorzaak, dat hij altoos net zoo wit zag, als Piet van Dril zwart, 't Was dan ook een mal gezicht, als die twee soms samen over den weg liepen.

"Precies de dag en de nacht, die elkaar een handje geven," zei Dik dan, als hij hen tegenkwam. Doch hoe ze er ook mochten uitzien, zij waren degelijke jongens, die flinke mannen beloofden te worden.

Bruin Boon kwam bij zijne moeder in "de zaak", welke bestond uit een klein winkeltje in kruidenierswaren, bijna zonder klanten. Hij moest nu elken dag "den boer op", om nieuwe klanten te winnen en de zaak aldus uit te breiden. Zijne moeder kocht hem een ouden ezel, die bijna even lui was als haar veelbelovende zoon, liet eene kar maken en stuurde hem nu elken dag er op uit. Maar van zaken doen kwam niet veel. Hij dobbelde liever met de jongens, die hij tegenkwam, en ging al gauw in de kleine herbergen buiten het dorp zijn tijd verluieren, en het geld zijner moeder verkwisten. De ezel had een allertreurigst leven bij hem, want het arme dier kreeg veel meer slaag dan eten. Geen wonder, dat het beest op 't laatst zoo koppig werd, dat Bruin er niets meer van gedaan kon krijgen.

Dik, die volstrekt geen lust had om, evenals zijn vader, timmerman te worden, had eerst in het geheel niet geweten, wat hij worden zou. Niet alleen in het timmeren schepte hij geen behagen, maar er werd ook geen enkel ander vak op het dorp beoefend, dat hem aantrok. Eindelijk kreeg hij een baantje, dat hem aanstond. Hij werd door den ouden dorpsdokter in dienst genomen. Deze had zulk eene uitgebreide praktijk en zijne patiënten woonden zoover uit elkander, dat hij verplicht was paard en rijtuig te houden. Zijn paarden en rijtuigen moesten er altoos keurig netjes uitzien, daar was hij op gesteld. Wijl nu zijn oude koetsier sukkelend was geworden en hoogstwaarschijnlijk nooit weer geheel herstellen zou, zag de dokter zich genoodzaakt, andere hulp te zoeken, en omdat Dik uitstekend met paarden kon omgaan, had de dokter het oog op hem laten vallen. Nu had Dik een leventje naar zijn zin. 's Morgens moest hij eerst de rijtuigen schoonmaken en de paarden uit het land halen, of, als het winter was, den stal in orde brengen. Dan spande hij in, om den dokter naar zijne patiënten te rijden, die soms wel twee of drie uren buiten het dorp woonden, en als hij dan 's middags thuis kwam, hielp hij pillen en poeders, drankjes en zalfjes klaarmaken.

De dokter begon al spoedig veel van Dik te houden. Geen wonder ook! Dik was ijverig en flink, en bij alles wat hij deed, behulpzaam en beleefd. Hij stond altijd klaar om in te spannen, zelfs midden in den nacht, en het gebeurde nog al eens, dat de dokter dan geroepen werd. Bovendien was hij opgeruimd en vroolijk van aard, wat de dokter prettig vond, omdat hij het zelf ook was. Één ding beviel den ouden heer echter maar half, en hoeveel moeite hij ook deed, om het Dik af te leeren, het gelukte hem niet. Dik had namelijk de gewoonte om, als hij op den bok van het dokterskoetsje zat, tegen bijna iedereen een praatje te maken of eene grap te verkoopen, wat uit den aard der zaak niet fluisterend kon geschieden. Het ging den dokter dan ook veel te luidruchtig en maakte hem soms wel knorrig.

"Dik, geen praatjes maken op den bok, asjeblieft!" klonk het dan gewoonlijk. "Begrepen?"

"Jawel, dokter."

"Ik wil het nu volstrekt niet meer hebben, hoor-je? 't Staat in het geheel niet netjes."

"Ja, dokter."

"Ik heb het je nu al zoo dikwijls gezegd, dat je het wel eens onthouden mocht, dunkt me."

"Ja, dokter."

"Jawel, jij geeft me altoos gelijk, dat weet ik wel, maar een oogenblik later doe je het toch weer, en dat verkies ik niet langer."

Nu, Dik deed dan ook wel zijn best, maar het duurde nooit lang, of hij verviel weer in zijne oude gewoonte, vooral wanneer hij goede kennissen tegenkwam.

Eens op een schoonen zomer-namiddag reed Dik het dorp uit, om den dokter naar een zieke te brengen, die op grooten afstand van het dorp woonde. Het zonnetje blonk aan den blauwen hemel en deed het koper flikkeren, dat zich aan het tuig van het paard bevond. Lustig liet Dik zijne lange zweep door de lucht klappen, zoodat de musschen verschrikt uit de boomen opvlogen, en Zwart de ooren tot bijna op den nek terugtrok, en liep, wat hij loopen kon. Zoo ging het Dik volkomen naar den zin, en den dokter ook, want die hield ook wel van zoo 'n ritje. Het stof van den uitgedroogden weg dwarrelde boven de boomen uit.

"Vooruit, Zwartje, lustig hoor!" zei Dik, terwijl hij met de zweep de vliegen verdreef, die het paard blijkbaar als hunne zuigflesch beschouwden. "Maar wat zie ik daar? Wie is die hardlooper? Ha, ha! Kijk eens, dokter, daar aan den overkant van het kanaal rijdt de veearts met zijn nieuwen schimmel. Hij wil ons voorbij rijden. Toe Zwart!"

"Ik geloof het waarlijk ook, Dik," antwoordde de dokter door het geopende voorraampje. "'t Is een mooi beest en het loopt hard."

"Hard? Hard?" zei Dik. "Hij loopt niet harder dan de Zwart, dokter. Wil ik het eens probeeren?"

"Jongen, jongen, Dik, 'k weet het niet. Die schimmel loopt uitstekend, en...."

"Kijk eens, dokter," riep Dik plotseling met vuur, "kijk eens, hij wenkt met de zweep, om ons uit te lachen. Dat is tergen! Vooruit, Zwart, laat je niet van de vliegen steken. Huupla!"

Vroolijk klapte Dik met zijne zweep, en met vaste hand trok hij de leidsels aan. Klets, klets, klonk het boven het rijtuig. Zwart legde zijne ooren bijna in zijn hals en liep uit alle macht.

"Ha, dokter, ziet u wel, Zwart heeft zelfs geen tikje noodig. Als hij de zweep maar hoort, weet hij al, hoe laat het is. Vooruit, Zwartje! Houd-je goed, jongen! Die schimmel loopt best, dokter."

"Ja, Dik," zei de dokter, terwijl hij met genoegen bemerkte, dat zijn Zwartje niet voor den schimmel behoefde onder te doen, "ja Dik, hij loopt best, maar Zwart nog beter. Wij halen hem in, geloof ik."

"Gelooven, dokter? Ik weet het zeker! Ha, dat is flauw, hij gaat de zweep gebruiken. Neen, man, niet noodig, hoor, want hij loopt al zoo hard, als hij kan. Toe, Zwart, huupla, vooruit, huup Zwart!"

De zweep snorde opnieuw door de lucht, doch Dik zorgde er voor, zijn paard er niet mede aan te raken. Hij sloeg die beesten nooit, uitgezonderd als zij koppig waren. Dan alleen achtte hij het noodig.

"Voort, Zwart, nog eventjes, jongen! Kijk, dokter, we hebben hem al ingehaald. Toe Zwart; laat zien, wat je kunt. Hoera, we zijn voor!"

Dik keek triomfantelijk om en klapte met zijne zweep. Toen hield hij de teugels in.

"Bedaar maar weer, Zwartje. Je hebt je goed gehouden. Ho maar, m'n jongen, hij weet al, dat je hem de baas bent. Laat hem nu maar gaan."

Langzamerhand kwam Zwart weer tot bedaren, en Dik en de dokter zochten ook hun gemak. De laatste ging welbehaaglijk achterover in zijn koetsje leunen, en Dik zag met ergernis, hoe de veearts zijn paard bleef voortjagen.

"Flauw, man," mompelde hij, "'t beest kon immers niet harder. Als je zoo met hem wilt leven, zul-je niet lang pleizier van hem hebben."

Eindelijk kwamen zij, waar zij wezen moesten. De dokter verliet het rijtuig en Dik ging bij het paard staan, dat hij tevreden op den glanzenden nek klopte. Nog maar een paar minuten was hij van den bok af, toen hij in de verte Bruin Boon met zijn ezelwagen zag aankomen. En hij zag het niet alleen, maar hij hoorde het ook, want Bruin sloeg er met een dikken stok zoo geducht op los, en hij schreeuwde zoo luid, om zijn grauwtje vooruit te krijgen, dat men het wel vijf minuten ver hooren kon. En toch hielp al dat slaan en schreeuwen al bitter weinig; de ezel liep uiterst langzaam en bleef zelfs nu en dan geheel stilstaan. Dan had Bruin weer reuzenkracht noodig, om hem vooruit te doen gaan. Eindelijk, na veel schreeuwen en nog meer slaan, bereikte hij Dik, maar nu scheen de ezel er ook genoeg van te hebben. Hij bleef staan en wilde geen poot meer verzetten. Bruin sloeg er onbarmhartig op los en schreeuwde als een bezetene, maar niets hielp. Grauwtje bleef, waar hij was, en Dik ergerde zich geweldig.

"Zeg eens, dierenbeul," riep hij eindelijk, "als je dat beest nu nog langer slaat, krijg je met mij te doen, en dan zal het je niet meêvallen, geloof dat! Zie je niet, dat het arme dier niet meer kan. Kijk eens aan, 't is schande: het bloed staat hem op de huid. Geef het beest liever wat meer te eten; misschien dat hij je luie lichaam dan wel weer trekken wil. Zijne ribben steken bijna door zijn vel heen."

"Dat gaat jou toch zeker niet aan, wel?" riep Bruin, die echter toch te veel ontzag voor Dik had, om met slaan voort te durven gaan. "Hij krijgt eten genoeg; 't is niet anders dan luiheid."

"Ja, dat geloof ik wel," riep Dik. "Hij is bijna net zoo lui als zijn baas, ha, ha, en dat is geen klein beetje."

"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij den ezel aan het bit trok. Doch 't was moeite voor niet. Grauwtje zette zijne pooten zoover mogelijk van elkander en bleef als een standbeeld staan.

"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij nog harder trok. "Vooruit, ezel, allo!"

Maar jawel, 't hielp niets. Er was geen beweging in het dier te krijgen, en Bruin werd hoe langer hoe boozer, vooral toen Dik begon te schateren van lachen. Bruin liet den kop van den ezel los en begon van achteren tegen den wagen te duwen, al schreeuwende: "Vooruit, ezel, vooruit!"

Doch ook die moeite werd niet beloond. De dokter kwam terug, gevolgd door de meid en een paar knechts van de boerderij, en nu beproefde men met vereenigde kracht, den ezel aan het loopen te krijgen. Men duwde tegen den wagen en trok tegelijkertijd den ezel aan het bit voort, zoodat het dier wel moest toegeven, doch zoodra men hem losliet, bleef hij weer staan.

"Nog maar eens geprobeerd!" riep men, en voort ging het weer. Juist meende men den gang er in te hebben, toen de ezel op den grond ging liggen en zoo ten duidelijkste een bewijs van het tegendeel gaf.

"Ik denk, dat het beest ziek is," zei de dokter. "Wat is het dier verschrikkelijk mager."

"Ja, dokter," zei Dik, "hij krijgt meer slaag dan eten."

"Dat zal wel," riepen de omstanders, die elk oogenblik talrijker werden. "Hij heeft ook een besten baas. Ik geloof, dat de ezel nog beter is dan hij."

"Ho, hop! Hop!" riep men, doch het dier bleef liggen. Er was geen verwikken aan.

"Weet je, wat je doen moet, Bruintje?" riep Dik. "Span hem maar gerust af, want hij trekt toch niet meer vandaag. Dan zullen we je helpen, om hem op den wagen te leggen, en trek hem dan zelf naar huis; anders kom je er nooit."

"Ha-ha-ha!" klonk het overal. "Bruin, dan speel jij voor ezel; dat zal aardig wezen. Dan trekt de eene ezel den anderen!"

"Och, dat gebeurde toch al," zei Dik lachend. "Kom, Bruin, zullen we je helpen?"

"Hij moet wel," riep het volk. "Die ezel kan hier toch niet blijven liggen? Pakt maar aan, jongens!"

"Ja, er zit niet anders op," zei de dokter. "Help ook even, Dik, en dan rijden we gauw naar huis."

Alle man toog aan het werk. De tuigen werden losgemaakt, en de ezel werd met vereenigde kracht en onder luid gelach op den wagen gelegd. Dat gelach werd er niet minder op, toen Bruin het lemoen opnam, en met zijn viervoetigen passagier langzaam dorpwaarts toog.

"Goede reis, met je beiden!" riep de een.

"Wil ik den stuurman je stok geven?" vroeg een ander.

"Dat heeft hij wel verdiend!" meende een derde.

"Kom, Dik, we gaan," zei de dokter lachend, "'t Is een grappig gezicht."

Dik klom op den bok en reed weg. Hij kon echter niet nalaten, zoo nu en dan eens met een spottend gezicht om te kijken naar Bruin, die met dat warme weêr zijne handen vol had aan zijn vrachtje.

Toen hij een paar uur later de paarden naar het land bracht, zag hij juist, hoe Bruin, door een groot aantal jongens omringd, zijn intocht in het dorp deed. Het was een gejoel en gelach, zonder ophouden. Bruin mocht er niet over klagen, dat hij dien avond geen bekijks had, want het halve dorp keek hem lachend na, en aan grappen ontbrak het niet. Men gunde het hem, dat zijn grauwtje hem zoo had te pakken genomen, omdat hij het meer dan dubbel aan het dier had verdiend.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

HOE DIK DE HEKS VOORTHIELP.

Dik zal ongeveer zestien jaar geweest zijn, toen hij op een guren Novemberdag het huisje van de heks voorbij moest. 't Was vinnig koud. De wind gierde over de vlakte en joeg hem groote, natte sneeuwvlokken in het gelaat, die dan dadelijk in water overgingen, dat hem langs den hals tusschen zijne kleeren droop. Aan elk haartje, dat van onder zijne muts te voorschijn kwam, hing een druppel water. Zijne bolle wangen en zijne ooren zagen paars-blauw van de koude.

"Brrr, wat een weêr!" mompelde hij, zijne handen diep in de jaszakken stekende en het water van zijne lippen blazende. "Brrr, echt hondenweer! Wacht, nu komt de regen er ook nog bij, en de sneeuwjacht wordt er niet minder op. Weet je wat, ik moest maar even bij de heks gaan schuilen, anders word ik nog doornat."

Dik versnelde zijn pas, en bereikte weldra het hutje. Hij opende de deur en trad binnen.

"Hè, hè, wat een weêr! Mag ik even schuilen, moedertje?"

"O, Dik, ben jij daar? Kom er gerust in, hoor. Ga zitten, 't Is een verschrikkelijk weêr."

Dik nam plaats en droogde met zijn zakdoek gelaat en hals af.

"Wat zie ik?" zei hij plotseling, "ligt de oude man weer te bed? Is hij weer ziek?"

"Ach ja, Dik, 't is weer heelemaal mis met hem. 't Is zijne oude kwaal; aldoor maar hoesten, hoesten, hoesten."

"Zoo, zoo! Hoe lang ligt hij al?"

"Dat wordt morgen vijf weken, Dik. Ja, ja, 't is een bedroefde tijd."

De oude vrouw wendde het hoofd af en veegde zich een traan uit het oog. Dik keek haar vol medelijden aan.

"Arme ziel," zeide hij, "dan zal het er wel weer niet breed zitten, denk ik?"

"Armoê, Dik, armoê. Niets anders dan armoede en ellende. In vijf weken hebben we nu al geen cent ontvangen, en als er geen hulp komt, weet ik niet, waar het belanden moet. O, Dik, 't is verschrikkelijk!"

"Ja, zeg dat wel. 't Is verschrikkelijk! Maar waarom vraag je niet eens hier of daar hulp! Er wonen toch menschen genoeg in het dorp, die wel wat missen kunnen. Daar heb je bij voorbeeld Mulder, die alleen is rijk genoeg om...."

"Mulder?" riep de oude vrouw, "Mulder? Praat me niet van Mulder, want die kent geen medelijden. 't Is mijn eigen huisbaas, en van middag is hij nog hier geweest, om de huur van vijf weken te halen. Maar ik kon hem onmogelijk betalen en heb hem om uitstel gevraagd, met de belofte, dat we zullen betalen, zoo gauw we weer wat verdienen kunnen. Doch hij wil van geen uitstel hooren, en morgen moeten we dit huisje verlaten. 't Is verschrikkelijk, Dik, met dien zieken man, en ik weet nog niet eens, waarheen ik hem brengen moet. Vijfendertig jaar hebben we hier gewoond...."

De oude vrouw begon luide te snikken.

"Het huisje uit?" riep Dik verontwaardigd. "En dat met een zieken man? Maar dat is schandelijk! Dat mag niet gebeuren! Hoeveel geld moet hij van u hebben?"

"We betalen negentig centen in de week, dus dat is vier en een halven gulden in het geheel. 't Is geen groote som, Dik, maar als men zelfs geen vier en een halven cent in huis heeft...."

"Hier, pak aan," zei Dik, haar eenig kopergeld toestoppende, "'t is wel niet veel, maar ik heb niet meer. En als...."

"Dank je wel, Dik, als alle menschen waren, zooals jij...."

"Stil, niet danken, asjeblieft. Ik zal zien, wat ik voor je doen kan. In elk geval, die huishuur zal wel terecht komen. Bekommer je daar maar niet over. En nu ga ik verder; de regen is wat minder geworden."

Dik vertrok, en toen 's avonds zijn werk af was, liep hij het dorp in en ging naar Piet van Dril, die in de smederij aan het werk was.

"Piet, ik heb eene wijde ijzeren of looden pijp noodig, met eene bocht er in. Heb jij er een voor me te leen tot van avond?"

"Is eene kachelpijp goed? Hier heb ik er een met een elleboog. Wat moet je er mede doen, of--is het een geheim?"

"Neen Piet, 't is voor jou geen geheim, maar voor anderen wel. Voor jou is het dat niet, omdat je me helpen moet, weet je. Die kachelpijp staat me wel aan. Daar zal het wel mede gelukken."

"Nu, wat moet je dan doen?" vroeg Piet nieuwsgierig. "Eene grap?"

"Ja, zoo ongeveer wel. Luister, ik zal het je vertellen. Je kent toch de heks wel van den Achterweg?"

"Of ik! Weet je nog wel, Dik, hoe we jaren geleden nog eens op een avond naar haar huisje gegaan zijn, om haar bang te maken, en wat waren we toch eigenlijk zelf bang. Nu, ik geloof, dat er nog wel groote menschen bang voor haar zijn, want nog altoos staat ze in geen goed blaadje. Niet, dat ik het nog ben, volstrekt niet, hoor; ik geloof zulke dwaze praatjes niet meer, maar er zijn nog domme menschen genoeg, die ze wèl gelooven."

"Juist, Piet, dat denk ik ook, en ik wil van avond er de proef eens van nemen. Die arme vrouw lijdt tegenwoordig weer vreeselijk armoê; vooreerst is het winter, dus valt er weinig te verdienen, en bovendien is oude Willem nu al vijf weken ziek. Nu behoef je niet te vragen, hoe het met hen gesteld is. En tot overmaat van ramp komt daar die oude Mulder, die vrek, om de huishuur, en nu zij niet betalen kan, moet zij morgen met haar ouden, zieken man het huis uit. Is dat niet verregaand onbarmhartig?"

"Dat is het!" riep Piet verontwaardigd uit. "Die vrek! Wie weet, hoeveel geld hij heeft, en nu zulke arme menschen bij ziekte en kou op straat te willen zetten. 't Is onmenschelijk!"

"Juist zoo!" zei Dik. "Maar het zal niet gebeuren, Piet. Ik heb al dikwijls hooren vertellen, dat hij erg bang van aard is, vooral 's avonds, en op de heks heeft hij het in 't geheel niet begrepen. Nu ben ik van plan, om hem van avond zoo bang te maken, dat hij het niet zal durven wagen, haar morgen het huis uit te zetten."

"Maar welk plan heb je dan toch, Dik?"

"Ik ga van avond voor heks spelen, Piet, en als jij me helpt, zal hem het lachen wel vergaan. Doe je het?"

"Goed zoo; ik doe meê, dat beloof ik je!"

Mulder woonde in een van de kleinste huisjes van het dorp, aan den eenen kant naast de kerk en aan de andere zijde naast eene groote schuur. Vroeger was hij boer geweest, doch toen hij, na den dood van zijne vrouw, in de gelegenheid kwam, zijne boerderij voor veel geld te verkoopen, had hij dat gedaan, en was in dat huisje gaan wonen. Daar leefde hij, uit gierigheid, geheel als een kluizenaar. Hij veegde zelf den vloer aan en kookte zijn eigen potje. Dat het er dientengevolge tamelijk vuil bij hem uitzag, hinderde hem niet. Het leven was op deze wijze goedkoop, en dat was bij hem het voornaamste. De ijzeren geldkist, die onder zijne bedstede stond, was het eenige voorwerp op de wereld, dat hij liefhad. Zijn geld was zijn afgod. Het had hem moeite genoeg gekost, zoo 'n schat bij elkander te krijgen, en menige leelijke daad had hij daarvoor op zijn geweten genomen. Maar toch had hij het lief, zoo lief, dat hij het voor geen gerust geweten had willen ruilen. Elken avond, als deuren en vensters goed gesloten waren, zat hij te tellen, en dan glinsterden zijne oogen van begeerte en genot. Zoo ook op den avond, waarop Dik en Piet hem een bezoek zouden brengen. Hij zat voor den haard, waarop eenige glimmende kolen lagen. De tafel had hij naast zich geschoven. Een klein spaarlampje verlichtte de armoedige woning. Hij liet het goud door zijne vingers glijden.

"'t Is eene groote som," mompelde hij, "en zij zal nog grooter worden. Elk jaar komt er bij, en er gaat maar weinig af. Dat die leelijke heks me nu niet betalen kan! Maar ik waag het niet langer. Die man kan wel zoo lang ziek blijven en misschien wel sterven ook. Dan betaalt ze in het geheel niet meer, en word ik het kind van de rekening. Jawel, dat begrijp-je, daarvoor moet ze net bij Mulder wezen. Morgen zal ze het huis uit, ziek of niet ziek, daar geef ik niet om; wil hij doodgaan, dat moet hij weten. Zou ze waarlijk eene heks wezen? Brrr, dat zou akelig zijn! Ze kan me soms zoo vreemd aankijken, net of... Als ze nu eens plotseling door den schoorsteen kwam, hu, 't is om je dood te schrikken! Maar neen, 't is toch ook eigenlijk te mal, om er van te praten. Heksen! Wie gelooft er nog aan heksen? Maar er moet toch wel wat van waar wezen, want hoe komen zulke praatjes anders in de wereld? Ik heb er mijn vader zoo dikwijls over hooren spreken, vroeger; neen, 't is toch niet heelemaal weg te redeneeren. Als er vroeger heksen waren, zie ik niet in, waarom ze er nu niet meer zouden zijn. Verbeeld je, dat zoo 'n heks nu eens op een bezemstok door de lucht kwam aanvliegen, en hier door den schoorsteen...."