Uit het leven van Dik Trom

Chapter 6

Chapter 64,332 wordsPublic domain

"Wel Dik, hoe is het thuis?" vroeg Jan Vos.

"Gelukkig veel beter, maar Moeder is nog erg zwak, Jan."

"Ze is zwaar ziek geweest, niet waar?"

"Ja, ernstig ziek, maar zeg, jongens, we moesten nu eens een of ander spelletje doen. Eigenlijk heb ik net een gevoel, of ik...."

"Of je ook ziek bent?" viel Jan Vos hem in de rede.

"Ha, ha!" lachte Piet van Dril, "Dik ziek? Dat kun-je aan zijn dikken buik wel beter zien!"

"Hij heeft de eetkoorts!" riep Jan van Bakel.

"Neen, jongens," zei Dik, "ziek ben ik gelukkig niet, nooit geweest zelfs, maar toch heb ik een gevoel, of ik...."

"Nu, of je...."

"Of ik wel een appeltje zou lusten."

"Ha-ha-ha!" lachten de anderen. "Die is goed! Zoo 'n gevoel heb ik ook wel. Ik geloof, dat ik er zelfs wel twee zou lusten."

"Hé, dat is vreemd," lachte Dik. "Ik zou er ook wel twee lusten, als ze bijzonder lekker waren. Zeg, jongens, zouden die bellefleurtjes van Geurs al goed zijn? Verleden week waren ze nog een beetje wrang."

"Hoe weet jij dat, Dik?" vroeg Jan Vos lachend. "Ben je bij Geurs op visite geweest?"

"Ja, en ik moet zeggen, dat ik er een prettig tijdje heb doorgebracht," zei Dik met een onnoozel gezicht.

"En was Geurs vriendelijk?" vroeg Jan van Bakel.

"Dat weet ik niet, Jan, ik heb Geurs zelf niet gezien, maar het beviel me er toch zeer goed."

"Er was zeker niemand van de familie thuis, is 't wel?"

"Asjeblieft, ze waren allemaal thuis, maar dat hinderde niet."

"Zoo.--Ben je nog binnen geweest?"

"Neen, man, ik ben alleen maar in den boomgaard geweest. Eene andere boodschap had ik er niet."

"En hebben ze er niets van gemerkt?"

"Dat denk ik wel, want ik heb er goed mijn best gedaan, dat verzeker ik je, doch zoolang ik er was, heb ik niemand gezien. Ze bleven allen binnen, wat ik heel vriendelijk van hen vond. Willen we er nog eens heengaan, want ik heb wonder veel trek in zoo 'n bellefleurtje."

"Dat is goed; ik ga meê!" zei Jan Vos.

"Ik ook!" riep Piet van Dril.

"En jij, Jan?"

"Jongens, dat weet ik niet," zei Jan van Bakel met een bedenkelijk gezicht. "Geurs is lang niet pluis, dat beloof ik je, en ik weet zeker, dat hij tegenwoordig op de loer staat. Ik heb zelfs gehoord, dat hij bij den burgemeester geweest is, om over ons te klagen."

"Och kom, Jan, laat je niet bang maken. Geurs zal ons gerust niet opeten; wij zijn geen appelen. Nu, ga je meê, of durf je niet?"

"Niet durven? Je moet niet denken, dat ik bang ben, in 't geheel niet, hoor, maar als je nu vooruit weet, dat ze staan te loeren, dan...."

"Och, kom, gebruik je verstand toch," riep Dik. "Denk je dan, dat die man daar avond aan avond in den boomgaard staat? Hij zal wel wijzer wezen. En bovendien, 't is geen diefstal. We nemen enkel maar een paar appelen weg."

Dik verkeerde werkelijk in de dwaling, dat het ontvreemden van eenige vruchten geen diefstal was. Hij zou het ver beneden zich geacht hebben een gevonden halven cent, waarvan hij den eigenaar kende, voor zichzelf te behouden, en een onrechtmatig verkregen knikker brandde hem in zijn zak, maar hij zag er volstrekt geen kwaad in, zoo hier en daar, als hij er trek in had, uit een boomgaard wat appelen of peren te kapen.

"Dik heeft gelijk," zei Jan Vos. "Kom, zeg, ga maar gerust meê. Je bent in goed gezelschap, hoor."

"Nu, vooruit dan maar," zei Jan van Bakel.

Daar ging het viertal, de brug over en naar het schoolplein. Hier keken ze eerst behoedzaam rond, om te zien, of er ook onraad was, staken toen het plein over, en verdwenen in een elzenboschje. Dat liepen ze dwars door, en nu waren ze nog alleen door eene sloot van den boomgaard gescheiden, 't Was intusschen vrij donker geworden, en vooral daar, onder de boomen, was het moeilijk, om voor zich uit te zien.

"Zeg, jongens, er is immers geen kou aan de lucht?" fluisterde Dik.

"Ik hoor of zie niets," antwoordden de anderen even zacht.

"Dan er maar over," zei Dik.

Een oogenblik later stonden ze alle vier aan de overzijde van de sloot en dus in den boomgaard.

"Jongens," zei Jan Vos, "Dik moet maar beneden blijven, want hij kan het slechtst klimmen. Als wij in de boomen klauteren, kan hij de appels oprapen, en meteen een oogje in het zeil houden."

"Dat is goed."

Dik hielp hen met zijne krachtige armen vlug in een prachtigen appelboom, en al spoedig rolden de appels bij tientallen op den grond. Dik raapte, wat hij kon, maar nauwelijks had hij er acht in zijne diepe zakken geladen, of daar klonk de stem van Geurs.

"Ha!" schreeuwde deze. "Daar heb ik ze eindelijk, die appeldieven, die schelmen! Wacht, die kunsten zal ik je wel afleeren! Trijn, mijn geweer! Gauw!"

Doch Geurs wachtte de komst van de meid niet eens af.

Hij stoof naar binnen, en kwam met een geweer in de hand vloekend op de jongens af.

Maar dezen hadden gebruik gemaakt van het oogenblik, dat Geurs naar binnen ging. Dik wachtte de anderen op, tot ze weer in het gras stonden, want hij liet nooit een kameraad in den steek, al kon hij ook nog zoo gemakkelijk ontkomen, en als de wind repte het viertal zich naar het elzenboschje. Maar nog voor zij de sloot overgesprongen waren, hoorden zij Geurs al razend en tierend aankomen.

"O, hij zal schieten," steende Jan van Bakel, die de bangste was van de vier.

"Vooruit, niet zeuren!" riep Dik. "Er over!"

Wip! Jan Vos was aan den overkant. Wip! Wip! Dik en Piet van Dril waren er ook. Jan van Bakel sprong niet. Hij scheen verbouwereerd te zijn.

"Spring dan toch!" riep Dik.

Daar sprong hij; maar in zijn angst keek hij eerst nog even om, of Geurs al dicht achter hem was, en dat was zijn ongeluk. Hij nam nu zijn sprong te kort, en kwam midden in de moddersloot terecht.

"Paf!" Daar viel een schot. "Paf!" Nog een.

FIGURE ------

"O, o, ik ben getroffen!" kermde Jan, die naar den kant kroop.

"Geef me eene hand, dan zal ik je er uittrekken!" riep Dik, die hem zelfs niet voor een gouden tientje aan zijn lot zou hebben overgelaten. "Hier, gauw!"

"Wacht, jullie schelmen!" schreeuwde Geurs aan den anderen kant van de sloot. "Daar heb ik je eindelijk!"

Maar zoo ver was het nog niet. Dik en de anderen trokken Jan van Bakel uit de modder, en snelden het boschje in. Dik trok Jan met geweld voort, in de stellige meening, dat deze getroffen was. Achter de school hielden zij stand.

"Jan, waar doet het je pijn?" vroeg Dik.

"O, dat weet ik niet," huilde Jan, terwijl de modder hem van de kleeren droop.

"Maar als je getroffen bent, moet het je toch ergens pijn doen?" zeiden de andere jongens.

"Och ja, dat weet ik wel, maar ik ben zoo geschrokken," kreunde Jan.

"Dat is niet erg, als je maar niet getroffen bent. Je bent anders lang geen held, dat verzeker ik je. Dus hij heeft je echt niet geraakt?"

"Neen, geraakt niet, maar de kogels vlogen me toch om de ooren."

"Zoo," zei Dik. "Weet je wat, ga maar naar huis; dat is in elk geval het beste voor je."

Jan van Bakel droop in een dubbelen zin af, en de andere jongens wandelden het dorp weer in. Plotseling zei Dik:

"Ik begin te gelooven, dat we ons leelijk bang hebben laten maken door niemendal."

"Hoe dan?" vroegen zijne makkers.

"Wel, je begrijpt toch, dat Geurs geen hagel op ons durft afschieten; hij zal wel los kruit gebruikt hebben."

"Jongen, Dik, dat weet ik nog zoo net niet. Als hij nuchter was, dan wel, maar een dronken mensch doet wel meer dingen, daar hij later spijt van heeft, en Geurs is niet dikwijls nuchter."

"Dat is waar," zei Dik. "Doch hoe het ook zij, aan zijne appeltjes zullen we ons niet ziek eten. Hier heb ik ze; er zijn er acht. Dat is voor ieder twee."

"Dan schieten er twee over, Dik," zei Piet, "wie moet die dan hebben? We zijn immers met ons drieën."

"En Jan van Bakel dan?" vroeg Dik.

"O, die is er niet, en bovendien zal zijn vader nu wel een ander appeltje met hem schillen. Ik wed, dat hij er geen eens trek meer in heeft."

"Ja, dat geloof ik ook wel, maar toch, eerlijk is eerlijk. Ik vind, dat we ze voor hem moeten bewaren. Ze komen hem eerlijk toe."

"Je hebt gelijk, Dik, die appels zijn van hem. Laten we ze hier bij dezen boom neêrleggen, met een weinig zand er over, dan kunnen we ze hem morgenochtend geven."

"Goed," zeiden Piet en Dik.

Zij begroeven de twee appels op de aangeduide plaats en wandelden weer verder, terwijl ze de geroofde waar met ijver naar binnen werkten.

"Nu, smaken ze niet goed?" vroeg Dik op den toon van iemand, die er trotsch op is, anderen eene weldaad te hebben bewezen.

"Of ze!" zei Piet van Dril. "Ik wou, dat ik er nog maar een stuk of wat had."

"En ik!" riep Jan Vos. "Hoewel, ik moet eerlijk zeggen, dat ze toch lang zoo lekker niet zijn, als de perziken van den burgemeester."

"Perziken?" vroeg Dik. "Heeft de burgemeester dan een perzikboom? Dat wist ik niet."

"Een mooien, hoor. Ik geloof zeker, dat er wel meer dan tweehonderd aanzitten," zei Jan.

"Hoe weet je dat?"

"Wel, toen we laatst den veldwachter zoo geplaagd hadden, ben ik bij den burgemeester nog even in den tuin gaan kijken, en zoo heb ik het gemerkt. Jongen, jongen, wat waren ze lekker; ik heb er drie opgepeuzeld."

"Dus je weet er goed den weg, hè?" vroeg Dik.

"Ja, waarom?"

"Wel, dan moesten we er, dunkt me, ook eens van proeven. Het zou toch al wonder toevallig zijn, als we daar weer gesnapt werden."

"Mij goed," zei Jan Vos, "ik durf wel."

"Ik weet het niet; 't lijkt wel, of de schrik er bij mij een beetje in zit," sprak Piet van Dril.

"Den moed niet zoo gauw opgeven, Piet," zei Dik. "Willen we het doen?"

"Nu, vooruit dan maar weer!"

"Vooral voorzichtig wezen, jongens," zei Dik, "want we komen nu in het hol van den leeuw."

"Ik zou ten minste niet graag gesnapt worden, Dik,--en jij?"

"Dank je hartelijk!"

Spoedig bereikten de jongens het raadhuis. Daar naast woonde de burgemeester. Tusschen de beide gebouwen in lag een grasveld, dat met boomen beplant was. Dat veld overstekende, kwamen ze aan eene breede, dichte haag, welker scherpe dorens hun het doordringen onmogelijk maakte.

"Gaat maar meê, jongens," fluisterde Jan Vos. "Achteraan is een gat, waar we gemakkelijk doorheen kunnen kruipen."

De jongens liepen de haag langs, tot aan de achterzijde van den tuin.

"Hier is het," fluisterde Jan. "Ik zal er wel het eerst doorgaan; volgt me maar."

Jan kroop er door, toen Dik, en daarna Piet. Nu stonden ze in den tuin van den burgemeester, 't Was pikdonker geworden, zoodat Dik en Piet bijna niet konden zien, waar Jan liep. Niemand had er ook erg in, dat Flipsen aan den anderen kant van de haag langzaam naderbij sloop.

"Blijft maar dicht achter me," zei Jan Vos zacht. "Hier is een smal pad. Je merkt toch geen onraad?"

"Ik zie niets," zei Dik. "Maar waar staat nu die boom?"

"Tegen den muur van het huis, vlak bij den regenbak."

"Jongens, wat is het hier donker; zouden we maar niet terugkeeren?" vroeg Piet van Dril, die zich niet op zijn gemak gevoelde.

"Wel neen, Piet," zei Dik. "We zijn er nu zeker dadelijk, is 't niet, Jan?"

"Ja, zoo aanstonds! Nu dezen kant op. Hier hebben we hem!"

"Ha, wat een prachtige boom! Hier heb ik al wat!" fluisterde Dik in verrukking. "Plukken, hoor, haast je je niet, dan heb-je niet!"

Nu, de drie jongens deden hun best. In een oogenblik waren Dik's zakken meer dan vol; de perziken vielen er haast uit. Bij Jan en Piet evenzoo.

"Ben je klaar?" fluisterde Dik.

"Dadelijk, wacht nog heel eventjes," zei Piet, wiens moed begon te herleven, en die er het zijne nu eens goed van wilde nemen.

Doch dat oogenblik wachten werd hun noodlottig, want achter het huis kwam de veldwachter op de teenen aansluipen. Behoedzaam verborg hij zich achter den regenbak.

"Hoor ik daar niets?" vroeg Jan Vos.

"Ik meende ook iets te hooren," zei Dik. "Laten we ons in elk geval uit de voeten maken."

Zacht namen zij den terugtocht aan, maar toen zij langs den regenbak kwamen, sprong plotseling Flipsen uit zijn schuilhoek te voorschijn.

"Wacht, deugnieten, nu heb ik...."

Pof, daar viel hij, zoo lang als hij was, voorover op den grond. Zijn voet was in den ketting van het akertje verward geraakt.

"Au!" riep hij. "Verwenschte jongens!"

Hij krabbelde overeind, en snelde de knapen na, die al bijna het gat in de haag hadden bereikt. Jan Vos en Piet van Dril, die vlugger konden loopen dan hun makker, kropen er het eerst door, waarvan het gevolg was, dat Dik een oogenblik moest wachten, en zich door den veldwachter bij den kraag voelde grijpen.

"Ha, hier heb ik er een! Wie ben jij? Wacht, ik zie het al, net de rechte! Nu is het mijn beurt, manneke!" Maar vóór Flipsen er erg in had, rukte Dik zich onverwachts los, en zette het op een loopen. De veldwachter hem na! Dik liep den tuin door, het huis om en den weg op, in de richting van zijn ouderlijk huis, maar ongelukkig kon hij niet snel genoeg uit de voeten, en weldra hoorde hij Flipsen weer achter zich. Al meer en meer won deze op hem, en eindelijk werd Dik voor de tweede maal gegrepen.

"Nu zal je me niet meer ontsnappen, baasje. Allo, meê, onder het raadhuis! Voort! Daar mag-je appels en peren stelen, zooveel je maar wilt, en aan de ruiten tikken ook! Sla ze maar niet stuk, ha-ha-ha!"

Dik sprak geen woord, en liet zich gewillig meêvoeren. Spoedig hadden zij de deur der zoogenaamde gevangenis bereikt. Flipsen opende haar, en duwde zijn gevangene naar binnen. Flap, de deur sloeg dicht,--en Dik was alleen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

HOE DIK OP VRIJE VOETEN GERAAKTE EN EEN GOED BESLUIT NAM.

Het was daarbinnen pikdonker. Dik kon geen hand voor oogen zien. Hij bleef eerst een oogenblik bij de deur staan, en deed toen een paar stappen vooruit. Weldra bemerkte hij, dat hij nog niet in de eigenlijke cel aangekomen was, maar eerst nog eene trap moest afdalen. Nu, dat afdalen was nog al te doen want de trap, die geheel van steen was, telde maar vijf treden. Dik ging op den tast naar beneden, en kwam nu in een duf hok, waarin slechts een enkel venster was, maar natuurlijk zonder glas. Het was een vierkant gat met een dikken, ijzeren bout er voor, die hem alle hoop benam, om te ontvluchten. In den hoek stond een steenen bankje. Een paar bossen stroo op den grond verspreidden een muffen geur en konden Dik volstrekt niet verleiden, zijne dikke ledematen er op uit te strekken. Hij ging op de steenen bank zitten.

"Jongen, Dik," zei hij, "die Flipsen is toch handiger, dan je dacht, 't Is een leelijk geval. Wat zal Moeder schrikken, als ze merkt, dat ik niet thuis kom. 't Zou me wat waard zijn, als ik hier goed en wel weer uit was. En Moeder is nog zoo zwak; het is best mogelijk, dat zij weer zieker wordt, als zij hoort, dat ik hier opgesloten zit. Ik hoop maar, dat Jan en Piet het bij mij thuis verteld hebben, en dat Vader het voor Moeder verzwijgt. Doch neen, dat zal wel niet kunnen, want Moeder zal wel geen rust hebben, voor zij het naadje van de kous weet. 't Is een leelijk geval. 'k Wou, dat ik die heele historie maar niet begonnen was, dan zat ik nu misschien kalm en wel thuis. Als het nu met Moeder erger wordt, heb ik het op mijn geweten. Zouden ze nog proces-verb...."

"Dik, zit je hier?" hoorde hij plotseling heel zacht vragen. Het geluid kwam door het venstergat.

"Ja! Ben jij daar, Jan?"

"Ja, Piet ook. Ben je niet bang?"

"Neen, bang niet, maar wel ongerust, over Moeder, weet je. Ze is nog zoo zwak, en zal zeker hevig ontstellen, als zij het hoort. Ik ben erg blij, dat je me niet in den steek laat. Heb-je het bij me thuis verteld?"

"Neen, nog niet. We hebben gewacht, tot Flipsen naar huis ging, en zijn toen dadelijk hierheen gekomen."

Jan en Piet lagen plat op den grond, met hun hoofd voor de tralie. Het venster was laag bij den grond, ongeveer zoo lag als een keldervenster. De gevangenis was trouwens niet veel meer dan een kelder, en diende alleen, om bedelaars of dronkaards voor ten hoogste één nacht op te sluiten.

"Ik zit hier leelijk, hè? Hoe laat zou het al wezen?"

"'t Is half negen. De klok heeft pas geslagen," zei Piet.

"Zeg Dik," zei Jan, "als die tralie er maar niet was, dan kon je best door dit gat kruipen, en naar huis gaan."

"Ja," zei Dik, "maar die tralie is er."

Piet van Dril, wiens vader smid was, vatte het ijzer aan, en begon er met kracht aan te trekken.

"'t IJzertje zit goed vast, hè Piet?" vroeg Dik.

"Niet erg!" antwoordde deze. "Ik kan het gemakkelijk heen en weer bewegen. De bout is sterk genoeg, maar het kozijn niet. Dat is al tamelijk vermolmd. Heb-je geen mes?"

"Of ik," zei Dik, wiens moed begon te herleven, "en een goed ook. Hier! Zou je het los kunnen krijgen?"

"Dat zullen we probeeren, Piet!" riep Jan Vos vol vuur. "'t Zou me wat waard zijn, om je er uit te krijgen, jô! Wacht, ik heb ook nog een mes. Kijk, het wordt lichter ook. De maan komt op."

Jan en Piet togen met moed aan het werk. Dik volgde met de grootste belangstelling al hunne bewegingen, en begon onderwijl eene perzik op te eten.

"Ik geloof, dat jelui prachtig opschiet," zei hij, terwijl hij het sap van zijne kin veegde. "Dat maantje komt ons nog bij tijds een handje helpen."

"'t Gaat best, Dik, 't gaat uitstekend!" riep Piet van Dril op gedempten toon. "Kijk maar, de stang zit al losser. Over tien minuten kunnen we haar er uit halen."

"Hoera!" riep Dik, terwijl hij van pleizier in het rond sprong. "Wat ben ik daar blij om, vooral om Moeder, en wat zal die Flipsen morgen raar kijken, als de vogel gevlogen is!"

"Dat begrijp je!" lachte Jan Vos. "Hij zal razend wezen!"

"Toe, Jan, niet babbelen," riep Piet, "voortwerken, zoo hard we kunnen. Kijk ik al eens een grooten hoop molm hebben, 't Lijkt wel turf. Zeg, Dik, je opvolger zal zoo gemakkelijk niet ontsnappen, want ze zullen het morgen wel wat sterker maken, denk ik."

"Ja, maar ik ben er ook nog niet uit! Zou het echt gelukken?"

"Wacht nog maar een oogenblik. Kijk, de stang zit al los."

Jan schudde haar nu al met gemak heen en weer, wat Dik zoo 'n pleizier deed, dat hij opnieuw begon te springen. De jongens werkten ijverig voort. De hoop molm werd voortdurend grooter, en eindelijk zei Piet:

"Laten we 't nu eens probeeren, Jan. Eerst zoo hoog mogelijk opschuiven, en dan het ondereinde uit de gleuf lichten. Een--twee--drie!"

Zij spanden al hunne krachten in, en krak!....

"Hoera, Dik, 't is gelukt! Kom er nu maar gezwind uit!"

"Prachtig, heerlijk!" riep Dik. "Maar zeg, ik ben er nog niet uit. Mijne armen en mijn hoofd kan ik er wel doorsteken, maar meer niet. Ik heb hier niets, waarop ik staan kan."

"Kom maar, we zullen er je wel uittrekken, maar 't zal wel pijn doen, vrees ik."

"Dat hindert niet; voor een paar schrammen ben ik niet bang."

Dik stak zijne armen en zijn hoofd door de opening. Jan en Piet pakten hem stevig beet, en trokken hem naar boven, 't Was een tamelijk zwaar vrachtje, en de opening bleek nauwelijks groot genoeg. Dik vulde haar geheel met zijn lichaam.

"Hè-hè! Dat is zwaar! Ik moet even rusten," zei Jan.

Dik hing nu halverwege buiten het kozijn. Zijne beenen hingen nog in de donkere ruimte achter hem.

"Kom Piet, vooruit maar weer!"

"Trekt maar, zoo hard je kunt," riep Dik. "Doet maar gerust, of je thuis bent; je behoeft me niet te ontzien."

De jongens trokken uit alle macht, maar toch ging het den slakkengang. Dik was te dik, en daarbij zaten zijne zakken zoo vol perziken, dat hij nog dikker was dan gewoonlijk.

"Trekken, trekken!" riep hij.

"Daar komt volk aan!" riep Jan Vos plotseling, "'t Is Flipsen. Maak, dat je wegkomt, Piet!"

In een oogenblik waren zij verdwenen. Ze kropen achter eene haag, dicht bij het raadhuis, vanwaar ze alles konden hooren en zien. Flipsen kwam naderbij met nog een bos stroo en eene kan water. Daar viel zijn oog op Dik, die niet achter- of vooruit kon. De andere jongens had hij niet gezien.

"Ha-ha!" riep hij lachend. "Daar kom ik juist van pas. Wou je me ontsnappen, m'n jongen? Wacht, ik zal je helpen. Ik ben zoo kwaad nog niet, als je wel denkt."

Hij pakte Dik beet en trok zoo hard hij kon, maar de perziken hielden den gevangene tegen. Hij kon er Dik onmogelijk doorkrijgen.

"Zoo, baasje, je hebt je daar leelijk vastgewerkt. Die tralie was voor jou niet noodig, merk ik wel. Je kunt er toch niet uit. Ha-ha-ha! Dat is grappig! Wacht, m'n beste jongen, ik kom bij je; dan zal ik je aan den anderen kant wel helpen. Hier heb ik meteen een bed voor je. Ha-ha-ha!"

De veldwachter nam het stroo weer op, ontsloot de deur en trad het hok binnen. Nauwelijks was hij daar, of Jan Vos sprong voor den dag, en zei:

"Kom Piet, we moeten Dik niet aan zijn lot overlaten. Laten we probeeren, wie het hardst trekken kan, Flipsen of wij."

Jan en Piet pakten Dik opnieuw beet, en trokken wat zij konden. De veldwachter nam hem bij de beenen, en trok ook uit alle macht. Het gevolg was, dat Dik bleef, waar hij was, en het mooiste was nog, dat Flipsen niet eens merkte, dat Dik daarbuiten helpers had. Hij zette zijne beide beenen tegen den muur, en trok met geweld aan Diks broekspijpen, die nog altijd bijzonder wijd waren.

"Laat me eventjes los, jongens," fluisterde Dik, die een nieuwen inval kreeg, en niet zoodra had hij zijne handen vrij, of hij maakte met groote behendigheid de draagbanden los, waaraan zijne broek was bevestigd.

"Trekt nu!" zei hij, zijne handen uitstekende.

Dat geschiedde, en wel met het zotte gevolg, dat Flipsen met Diks broek in de hand achterover tegen den muur bonsde, en Dik zonder broek naar buiten gleed.

"Hoera!" riep hij. "Nu zit de oude rat zelf in de val!"

Vlug liep hij naar de deur, en vóór Flipsen zich nog goed van den schrik hersteld had, trok Dik de deur op slot, en maakte zich met zijne trouwe helpers uit de voeten.

"Nu naar huis toe, jongens!" riep hij, "voor we ten derden male gesnapt worden!"

Vijf minuten later stond hij voor zijne woning. Toch scheen hij nog geene lust te hebben, om naar binnen te gaan, althans, hij opende de deur niet.

"Zou Moeder niet schrikken, als ik zoo half gekleed thuis kom?" mompelde hij. "Als ze gezond was, zou ze zeker om het voorgevallene lachen, maar nu--neen, nu gaat het niet. En dien Flipsen kan ik daar toch ook niet laten zitten. Ik weet nu bij ondervinding, hoe onaangenaam het er is. Neen, dat gun ik den man toch niet, al is hij een beetje lastig. Ik zal hem er weer uitlaten. Zijne vrouw maakt zich anders misschien ook nog ongerust, en zij is een goed mensch. Zij heeft Moeder in de laatste dagen dikwijls hare belangstelling getoond. Alleen reeds daarom zou ik Flipsen er uitlaten."

Dik keerde naar het raadhuis terug. In de verte hoorde hij Flipsen al om hulp roepen.

"Help, help!" klonk het. "O! die rakkers! Die schelmen! Help!"

"Hier ben ik al, Flipsen!" zei Dik, zich voor het gat plaatsende. "Als je mij belooft, dat ik vrij naar huis mag gaan, zal ik je verlossen."

"Vrij?" schreeuwde Flipsen. "Dat nooit, nooit, versta-je? Jou aartsschelm! Wacht maar, ik zal je wel krijgen!"

"Nu, Flipsen, dan blijf je er in, dat begrijp je. 't Spijt me wel, want ik zou je graag vrijlaten. Ik ben met dat doel alleen teruggekomen. Maar als je niet wilt, moet je het zelf weten. Goeden avond."

Dik keerde zich om, en wilde vertrekken.

"Ho, ho, Dik, zoo bedoel ik het niet!" riep Flipsen, die nu begreep, dat het Dik ernst was. "Ik dacht, dat je gekomen waart, om den spot met me te drijven, maar als je het werkelijk meent, is het wat anders."

"Ik meen het," zei Dik ernstig. "Ik weet nu bij ondervinding, hoe onaangenaam het daarbinnen is, en zie je, ik kan het niet van me verkrijgen, om je hier den geheelen nacht te laten zitten. Maar eerst moet ik mijne broek hebben."

"Hier is ze, Dik," zei Flipsen, haar door het gat stekende. Dik trok haar dadelijk aan.

"Laat mij er nu uit, Dik," vroeg Flipsen.

"Maar wie waarborgt mij dan, dat je me niet dadelijk weer zult opsluiten? Je kunt veel harder loopen dan ik."

"Ik beloof het je, Dik. Een anderen waarborg kan ik je niet geven. Toe, laat mij er nu uit."

"Kun-je de deur van binnen openen, als ik je den sleutel geef?"

"Ja, geef maar hier."

Dik haalde den sleutel uit het slot, en wond er een dun touwtje om, dat hij stevig vastknoopte.

"Hier heb-je hem, Flipsen. Eer je het touwtje er af hebt, ben ik thuis."