Uit het leven van Dik Trom

Chapter 5

Chapter 54,247 wordsPublic domain

Dik begon te lachen.

"Niet durven!" zei hij. "'t Is ook nog al eene heldendaad, om zoo 'n oude vrouw kwaad te maken, vooral als je vooruit weet, dat ze je toch niet krijgen kan. Dank je, die grap is me te gewaagd."

"Nu, wat zou jij dan willen?"

"Wat ik wil? In elk geval, zoo 'n flauwe aardigheid niet. Neen, ik weet wat beters. Wie kan me eene speld en een klos zwart garen brengen?"

"Ik wel!" riep Jan Vos, en hij voegde de daad bij het woord. Een oogenblik later was Dik al in het bezit van hetgeen hij gevraagd had.

"En wat wil je nu doen, Dik?" vroeg hij.

"Wel jongens, dat zal ik je zeggen. Die speld steken we bij den een of den ander tegen een vensterruit in de stopverf, en den draad garen, met een steentje er aan, binden we er aan vast. We winden den draad zoover af, als we willen, en gaan er dan aan trekken. Jongens, dat is zoo aardig, want dan tikt het steentje telkens tegen het glas aan, en dan komen de menschen naar buiten, om te kijken, of er volk is."

"Ha, ja, die is mooi! Bij wien zullen we het doen?"

"Bij vrouw van Aken!" riep Bruin.

"Dank je!" zei Dik. "Weet je, bij wien? Bij den veldwachter. Dan hebben we er eer van. Dat is in elk geval geen oude vrouw."

"Maar dan ga ik niet meê," zei Bruin.

"Dat dacht ik wel!" riep Dik. "Jij plaagt liever oude menschen, niet waar? Ga jij maar naar huis, Boontje, jij hoort er ook eigenlijk niet bij.--Komt, wie gaat er meê?"

Dik ging vooruit, en alle jongens, behalve Bruin, volgden hem. Weldra waren zij, waar zij wezen moesten. Ze hielden zich doodstil, want voor den veldwachter hadden zij niet weinig ontzag. Hij was dan ook lang geen gemakkelijk heer. Kruipend voor zijn meerderen, was hij ruw tegen zijne minderen. In plaats van de menschen te waarschuwen tegen overtredingen, die zij uit onkunde of onnadenkendheid zouden begaan, spitste hij zich er op, om iemand te kunnen bekeuren. En door zijn leedvermaak, als hij daarin geslaagd was, had hij zich de minachting van zijn dorpsgenooten op den hals gehaald.

"Nu vooral doodstil zijn, hoor!" fluisterde Dik. Hij bond den draad met het steentje aan de speld vast, en sloop onhoorbaar zacht den tuin in. Er brandde al licht binnen, dus vandaar kon men hem niet zien. Hij naderde het raam, en stak de speld, zonder gedruisch, stevig in de stopverf. Toen rolde hij den draad af, en keerde even zacht weer naar zijne kameraden terug.

"Zeg jongens, nu moet je allen op een flinken afstand gaan staan, zoodat je dadelijk de vlucht kunt nemen, als de veldwachter buiten komt. Wanneer hij je dan hoort loopen, denkt hij natuurlijk, dat een van jelui de dader is. Op die manier heeft hij in mij geen erg, en jelui kan hij toch niet krijgen. Wat zal hij dan kwaad worden!"

"Goed, uitstekend! Maar waar blijf jij dan, Dik?"

"Ja, dat is het mooiste van de grap, jongens. Ik blijf doodbedaard in zijn eigen tuin tusschen de aalbesseboomen zitten, en zoo gauw hij weer binnen is, begin ik opnieuw te trekken. Vooruit nu!"

De jongens maakten, dat zij op een behoorlijken afstand kwamen, ver genoeg, om den veldwachter in de duisternis te kunnen ontloopen, en toch dicht genoeg bij, om te kunnen hooren en zien, wat er gebeurde. Dik sloop opnieuw den tuin in, en verschool zich tusschen de besseboompjes, waar hij bijna geheel onder kroop. Nauwelijks zat hij, of hij trok aan den draad.

"Rikketik, rikketik!" klonk het tegen de vensterruit.

De veldwachter zat aan de tafel te schrijven, en was in die bezigheid zoo verdiept, dat hij het getik niet hoorde. Maar zijne vrouw, die kousen zat te stoppen, hoorde het wel.

"Flipsen," zei ze, "ik denk, dat er volk is. Er wordt, geloof ik, aan de ruiten getikt."

"Zoo? Ik heb er niets van gehoord. Nu, dan moeten ze nog maar eens tikken."

De veldwachter ging voort met zijn schrijfwerk.

"Rikketik, rikketik!" klonk het opnieuw.

"Hoor je wel?" riep de vrouw.

"Ja, nu hoor ik het ook. Waarom tikt dat volk niet aan de deur, zou je zeggen?--Is daar iemand?" riep hij, zonder van zijn stoel op te staan.

Er volgde geen antwoord.

"Ik denk, dat het een vogeltje is, vrouw, of een takje van een boom. Ik krijg ten minste geen antwoord."

De veldwachter schreef verder, en zijne vrouw stak haar arm weer in de kous, om met stoppen voort te gaan.

"Rikketik, rikketik!"

"Wel, wat drommel, daar heb je het weer! Wie is daar?"

Geen antwoord volgde.

"Kom anders maar binnen, hoor!" riep de veldwachter; maar er kwam natuurlijk niemand. Dik, die alles duidelijk kon verstaan, lag onder de besseboomen te lachen, dat zijn dikke buik er van schudde.

"Hij is nogal stoelvast," dacht Dik, "maar ik zal hem wel overeind krijgen."

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

"Duizend bommen en granaten!" riep Flipsen, die vroeger in dienst was geweest. "Daar heb-je dat getik weer! Vrouw, ga eens kijken, of er ook iemand is."

De vrouw stond op, en deed de voordeur open.

"Is er volk?" riep ze.

Alweer geen antwoord.

"Is er volk?" riep ze nog eens, met verheffing van stem. Doodelijke stilte. Ze deed de deur dicht, en ging weer naar binnen.

"Er is niemand," zei ze, "en het is erg donker."

"Zoo, dat dacht ik wel."

Flipsen en zijne vrouw gingen weer aan den arbeid. Maar nauwelijks waren ze bezig, of.....

"Rikketik, rikketik, rikketik!" klonk het weer.

De veldwachter vloog overeind, greep zijne pet, en stoof naar de voordeur.

"Wie is hier?" schreeuwde hij. "Kun-je niet behoorlijk aan de deur tikken, in plaats van aan de ramen? Nu, kom dan voor den dag! Waar blijf je dan toch? Wat moet je?"

Maar het bleef stil, doodstil, daarbuiten.

"Wat drommel, spreek dan!" schreeuwde de veldwachter, die buiten zichzelven geraakte van kwaadheid. Doch geen antwoord volgde. Loerend keek hij in de duisternis rond, maar daar hij niets zag, ging hij weer naar binnen, en zette zich met een boos gezicht aan 't werk. Hij was echter nog geen twee minuten aan den gang, of daar ging het weer:

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

Fluks tilde hij het gordijn op en drukte zijn gelaat tegen het glas, om naar buiten te kijken, wat zoo'n dwaas schouwspel opleverde, dat de jongens het uitgierden van pret. Hij zag natuurlijk niets, en liet spoedig het gordijn weer vallen.

"Daar begrijp ik niets van, vrouw!" zei hij, en nauwelijks had hij uitgesproken, of opnieuw vernam hij:

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

"Wel heb ik van mijn leven!" riep hij, terwijl hij zich naar buiten spoedde. "Nu moet ik weten, wat dat beteekent, al zou de nikker er meê spelen!"

"Wie is hier toch? Wat moet je?" schreeuwde hij zoo hard hij kon. "Houdt iemand me soms voor den gek, of hoe is het? Kom voor den dag, als je durft, dan zal ik je mores leeren!"

Maar het bleef nog altijd even stil. Flipsen liep langs de ramen, maar hij zag niemand, en in den draad had hij geen erg, omdat Dik dien vlug zoover had afgekluwd, dat hij slap neêrhing. Toen liep Flipsen den tuin in, en keek overal nauwlettend rond, maar Dik, die doodbedaard eenige late bessen oppeuzelde, zag hij niet.

"Ik denk, dat ik met den een of anderen kwâjongen te doen heb," mompelde hij eindelijk, terwijl hij weer naar binnen ging, "maar ik zal hem wel krijgen, wacht maar!"

Zoodra hij in huis was, zocht hij een dikken stok, en legde dien bij zich op de tafel.

"Zie je ook niets?" vroeg zijne vrouw.

"Neen, nog niet, maar ik zal hem wel krijgen!"

Hij bleef bedaard wachten, en het duurde ook niet lang, of het begon weer.

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

Hij greep den stok, en vloog naar buiten. Eerst langs de ramen, maar daar was niets; toen den tuin door en den weg op.

"Daar is hij! Daar is hij!" klonk het plotseling aan alle kanten, en zoo hard zij konden, stoven de jongens uit elkaar. De veldwachter snelde hen na.

"Ha, rakkers," schreeuwde hij, "nu is het mijne beurt!"

Maar de goede man had zich misrekend. In een oogenblik sprongen de jongens hekken en hagen over, en verborgen zich in alle hoeken en gaten, en door de duisternis kon Flipsen hen niet vinden. Ze waren spoorloos verdwenen. Neen, wacht, daar hoorde hij er een heel zacht aankomen. Snel verborg hij zich achter een boom. Het geluid kwam al nader, en eindelijk klonk het vlak bij hem. Hij sprong pijlsnel vooruit, en greep den ondeugd bij den kraag.

"Ha, schelm!" schreeuwde hij, "dat had-je niet gedacht, hé? Wacht, vriend, ik zal je die grappen eens en voor altijd afleeren!"

"O, neen, neen," huilde de jongen, die niemand anders was dan Bruin Boon, "ik heb het niet gedaan, echt niet!"

Nu, dat was waar. Bruin had echt niet meêgedaan, want hij durfde niet. Doch toen de jongens zoo lang wegbleven, was hij langzaam naderbij gekomen, om te kijken, of ze er nog waren. Maar ongelukkig geloofde Flipsen er geen woord van, en in zijne kwaadheid legde hij Bruin over de knie, en begon er met zijn stok geducht op los te kloppen.

"Daar! daar! daar!" riep hij bij elken slag.

"Au, au, houd op! Au, au, ik heb het niet gedaan! O, o, au, au, houd toch op!"

"Daar! daar!" riep Flipsen, wiens woede nog niet bekoeld was. Eindelijk liet hij Bruin los, en riep:

"Probeer het nu nog eens, kwajongen, om me voor den gek te houden, als je durft!"

"Au, au, o wat doet het zeer, en ik heb het niet eens gedaan!" huilde Bruin, terwijl hij zich met beide handen op de pijnlijke plaatsen wreef.

"Ja, dat begrijp je!"

"Neen, echt niet, gerust niet! O, wat doet het zeer!"

"Niet gedaan? Nu, wie dan? Zeg jij dan eens, wie het wèl gedaan heeft. Gauw wat, of...."

"O, o, ik heb het niet gedaan. Dik Trom en de andere jongens deden het, maar Dik het meest. Ik heb het gerust niet gedaan."

"Zoo, zoo, deed Dik Trom het? Nu, weet je, wat jij dan doen moet? Geef dat pak slaag dan maar aan hem, en als je niet genoeg hebt, kun-je nog meer krijgen, begrepen? En dien Dik zal ik het zelf ook nog wel eens betaald zetten, beloof hem dat maar."

Nu, dat was niet noodig, want Dik had alles gehoord.

"Die lafaard!" zei hij tegen de andere jongens, die, toen de veldwachter in huis gegaan was, weer uit hunne schuilhoeken te voorschijn kwamen, "die lafaard!"

"Nu Dik, maar we hebben toch pleizier gehad, en Bruintje heeft zijne straf al te pakken."

"Dat is zoo!" zei Dik. "Jongens, wat kreeg hij een zeldzaam pak slaag. Maar nu gaan wij naar huis; ik denk, dat het al laat is."

Een oogenblik later was alles stil op het dorp.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

FLIPSEN WORDT NOG BOOZER.

Den volgenden morgen stapte Flipsen met zijn verkeerde been uit bed. De man was meer dan knorrig; hij was kwaad, door en door kwaad. Zijne vrouw zag het hem al aan, zoo gauw hij zijn neus buiten de bedgordijnen stak en met een verstoord gelaat in de kamer rondkeek.

"O jé," dacht zij, "hij heeft de bokkepruik weer op. Ik zal me maar doodstil houden."

"Vrouw, heb je ook heele kousen voor me?" vroeg hij gemelijk. "Gauw een beetje, want ik heb haast. Door die verwenschte jongens heb ik gisteravond mijn schrijfwerk niet half afgekregen, en aanstonds moet de burgemeester het al hebben".

"Heele kousen, man, neen, die heb ik niet. Je begrijpt...."

"Niet? Moet ik dan met gaten in mijne kousen loopen? Ik heb je gisteren toch gezegd, dat ze stuk waren? Of moet ik ze misschien zelf stoppen?"

"Neen, Flipsen, dat weet je wel beter, maar door dat leven van gisteren tegen de ruiten...."

"Wat drommel, wat hebben die kwâjongens met mijne stukkende kousen te maken? Je zeurt leelijk, hoor!"

"Zoo?" zei de vrouw, die nu ook boos werd, "en wat hebben dan die kwâjongens met je schrijfwerk te maken, dat je ook niet afhebt? Je hebt immers evenmin kunnen werken als ik?"

"Ja, dat is heel wat anders!" bromde Flipsen, uit zijn bed stappende. Hij trok de kousen van den vorigen dag weer aan, stapte met zijn rechterbeen in zijn linker-broekspijp, wat hem slecht beviel, want zoo kon hij zijne broek niet anders dan achterste-voor aankrijgen, en dat was zijne bedoeling niet,--wiesch en kleedde zich, en zette zich aan tafel, om te ontbijten. Doch het ontbijt stond nog niet klaar, want zijne vrouw had zich dadelijk aan het werk gezet, om hem nog heele kousen te bezorgen, vóór hij de deur uitging.

Flipsen keek gramstorig rond, en zeide:

"Moet het brood nog gebakken worden, of zijn er geen bakkers meer in het land?"

"Wou je je boterham hebben, Flipsen?" zei zijne vrouw opstaande, om het noodige daarvoor uit de kast te halen.

"Wel neen, vrouw, ik kan best van den wind leven, net zoo goed ten minste als jij."

Zijne vrouw koos de verstandigste partij, en zweeg. Flipsen gebruikte zijn ontbijt zoo haastig mogelijk, en zette zich aan zijn schrijfwerk. Doch nauwelijks was hij daarmede bezig, of er kwam eene boodschap van den burgemeester, dat hij dadelijk op het kantoor moest komen.

"Daar heb je 't nu al, met je getalm en je gezeur. Nu moet ik dadelijk op het kantoor komen, en mijn werk is nog niet half af. Daar zal weer wat voor me opzitten, hoewel dat jou zeker wel koud zal laten, dat kan ik me best begrijpen."

"Maar, Flipsen," zeide zijne vrouw, "is het nu mijne schuld, dat jij gisteravond je werk niet hebt kunnen afmaken? Neen, man, je weet zelf wel beter! Maar weet je, wat je doen moet? Zeg maar ronduit tegen den burgemeester, dat die jongens het je zóó lastig gemaakt hebben, dat je onmogelijk hebt kunnen werken."

"Wel, nu nog mooier!" riep Flipsen schamper lachende uit. "Zoo onnoozel heb ik het nog nooit gehoord! Dus ik, de veldwachter, zou aan den burgemeester moeten vertellen, dat de jongens zóó weinig ontzag voor me hebben, dat ze me in mijn eigen huis voor den gek komen houden? Ha, ha, dommer kan het al niet. Neen, dat nooit! Ik zal ze die grappen wel afleeren, en goed ook, geloof dat maar, en bij den burgemeester moet ik er me maar doorslaan. Ik ga. Goeden morgen."

Eenige minuten later klopte hij aan de deur van 's burgemeesters kamer. Hij had zijn schrijfwerk onder den arm.

"Binnen."

"Morgen, burgemeester."

"Goeden morgen. Heb je het schrijfwerk af? Laat eens zien."

"Ja, burgemeester, ziet u...."

"Heb je het niet af? Dan moet je geen "ja, burgemeester" zeggen. Hoe is 't? Heb je het af, of niet?"

"Ja, burgemeester, ziet u...."

"Ja?--Geef dan maar hier."

"Neen, burgemeester, af is het niet, ziet u. Ik...."

"En je zegt van wèl. Houd-je me dan voor den gek?"

"Volstrekt niet, burgemeester, maar...."

"Zeur nu maar niet langer, asjeblief. Dus je hebt het niet af?"

"Neen, burgemeester, af is het niet."

"Zoo, hoe komt dat? Je wist toch, dat er haast bij was?"

"Ja, burgemeester, maar ik ben bijna niet thuis geweest, want de jongens worden tegenwoordig zoo brutaal, dat het meer dan erg is, en daarom heb ik ze eens goed nagereden."

"Zoo," zei de burgemeester. "Dat is goed. Daar wilde ik je juist eens over spreken. En wat hebben ze gisteravond dan zoo al uitgevoerd? Vertel me dat eens haarfijn."

"Ja, burgemeester," zei Flipsen, die met zijne leugens in de klem begon te raken, "ziet u...."

"Laat dat "ziet u" nu maar weg, asjeblief. Ik zie nog zeer goed, dat beloof ik je. Ik zie nu zelfs duidelijk, dat je leelijk staat te liegen, is 't zoo niet?"

"Ja, burgemeester, ziet u, ik bedoel.... dat.... weet u...."

"Zwijg nu maar verder, Flipsen. Ik merk het al. Je bent eenvoudig te lui geweest, om te doen, wat ik je opgedragen had; je hebt waarschijnlijk dood op je gemak hier of daar eene pijp zitten rooken, en komt me nu met leugens aan boord, om je baantje weer schoon te vegen. Is 't zoo niet?"

"Neen, burgemeester, waarlijk niet! De jongens..."

"O, dus je hebt toch de jongens achterna gezeten?"

"Jawel, burgemeester."

"Zoo.--Zeg me dan maar eens kort en goed, waar ze het meest geweest zijn. Zonder omwegen, versta-je?"

"Eerst, burgemeester,--eerst zaten ze,--ziet u, hm, hm, ziet u,--in den boom op de markt, en dat had ik ze al zoo dikwijls verboden, dat, dat...."

"Zoo.--Eerst in den boom op de markt. En toen?"

"En toen.... en toen.... ziet u, toen later waren ze.... hm, hm, later waren ze bij de kerk, burgemeester."

"O.--En wat deden ze daar?"

"Bij de kerk, burgemeester?"

"Ja, daar waren ze immers, zeg je?"

"Jawel, burgemeester. Daar deden ze, hm, hm, ziet u, daar deden ze.... hm, hm, niets, burgemeester."

"Zoo, dat is een beetje.--En toen?"

"Toen zijn ze, hm, hm.... ik ben er verkouden van geworden, ziet u."

"Och kom,--en wat deden ze toen?"

"Toen zijn ze, ziet u, toen.... toen gingen ze naar huis."

"En welk kwaad hebben ze dus gedaan?"

"Eerst in de boom, ziet u, en later.... later niets meer."

"Zoo, zoo, Flipsen, je bent er daar leelijk ingeloopen, hoor, want ze hebben wel degelijk kwaad gedaan, en niet zoo heel weinig ook. Maar ik merk wel, dat jij er niets van weet, en dat je nog liegt op den koop toe. Dat gaat me slecht naar den zin, vriendje, dat kan zoo niet langer. 't Is een schandaal, zooals die kwade bengels hebben huisgehouden, en daar jij het niet gemerkt hebt, zal ik een veldwachter zien te krijgen, die wèl opmerkt, wat er voorvalt. 't Spijt me voor jou, maar...."

"Ach, burgemeester," viel Flipsen plotseling in, daar hij begon te vreezen, dat de burgemeester hem zijne betrekking zou ontnemen, "ach burgemeester! neem me niet kwalijk, dat ik het u niet dadelijk gezegd heb, maar waarlijk, ik weet maar al te wel, hoever de brutaliteit van die bengels gaat, en als ik me er niet zoo voor schaamde, zou ik het u wel dadelijk gezegd hebben."

"Wel, wel, is het zoo erg? Nu, vertel dan maar op, en zonder omwegen of leugens, versta-je?"

"Jawel, burgemeester. Die rakkers ontzien zich zelfs niet, ons, autoriteiten en gezaghebbers, tot mikpunten voor hunne aardigheden te kiezen."

De burgemeester begon onbedaarlijk te lachen, zeer tot verbazing van Flipsen.

"Zoo, wat hebben ze dan gedaan?"

"Wel burgemeester, ik zat pas te schrijven, of daar begonnen die deugnieten bij me aan de ruiten te tikken, zonder ophouden, en zoo brutaal mogelijk. En als ik buiten kwam, was er geen jongen meer te zien. Dat heeft, tot mijne groote ergernis, den geheelen avond geduurd, zoodat ik bijna uit mijn vel sprong, mijn schrijfwerk niet heb kunnen afmaken, en ten slotte nog een onschuldige, die toevallig voorbijliep, een geducht pak slaag heb gegeven."

"Ha-ha-ha-ha!" lachte de burgemeester. "Die grap is in elk geval niet onaardig! En durfde je dat niet vertellen? 'k Vind het toch waarlijk zoo erg niet, dat ze jou ook eens in 't ootje nemen, of beschouw jij dat als majesteitsschennis?"

"Dat nu juist niet, burgemeester, maar dat ze zelfs bij autoriteiten en gezaghe...."

"Och wat, vent, jij met je autoriteiten en gezaghebbers. Ik vind de grap kostelijk, onbetaalbaar, dat moet ik zeggen, hoewel ik toch dacht, dat jij er den schrik beter in hadt. Maar ik heb je nog wat anders te vertellen. Er zijn klachten bij me ingekomen."

"Klachten, burgemeester?"

"Ja zeker, klachten, dat dacht je niet, hè? Eerst heb ik Geurs bij me gehad, en die klaagde steen en been, dat de jongens zijn boomgaard zoo plunderen. De man was door en door kwaad en vroeg, of er geen veldwachter op het dorp was, om te zorgen, dat ieder in het rustige bezit kon blijven van hetgeen zijn eigendom is. Hij wilde eene aanklacht tegen je indienen wegens plichtsverzuim, en dat is geen kleinigheid, Flipsen."

Flipsen vond dat ook, en daar hij er weinig tegen kon inbrengen, begon hij zich verlegen achter het oor te krabben.

"En dan is Mulder ook nog hier geweest met dezelfde boodschap. Die was ook al uit zijn humeur, en had heel wat noten op zijn zang. Dus je begrijpt, dat er een einde aan moet komen. Dergelijke klachten zijn voor mij zeer onaangenaam, vooral wanneer men ze voorkomen kan. Het dorp is zoo groot niet, of je kunt er wel voor zorgen, dat de jongens niet al te baldadig worden, begrepen? Dan moet je je maar wat meer moeite getroosten. Als het niet anders kan, moet je maar eens een van die knapen onder het raadhuis opsluiten, dan zal de schrik er wel voor een geruimen tijd inzitten. Liefst een van de belhamels, dat spreekt van zelf. Wie is de ergste?"

"De ergste, burgemeester? Dat is Dik Trom," zei de veldwachter, die blijde was, dat hij er toch nog wat van kon zeggen. "Dat is een door en door brutale jongen, die alles durft en de andere jongens tot allerlei kattekwaad overhaalt, maar hij is haantje de voorste."

"Zoo? Ik vind dien Dik anders zoo onaardig niet, maar dat doet er niet toe. Die kwaad doet, moet maar straf hebben, onverschillig wie het is. Je kunt nu je schrijfwerk gaan afmaken, en zorg dan verder, dat ik geene klachten meer ontvang. Maar daar valt me nog iets in: als je er nu toch achterheen zit, let dan wat op mijn tuin ook, want we hebben van morgen eenige perziken gemist, die gisteren nog aan den boom hingen."

"Jawel, burgemeester."

Flipsen ging in een ander vertrek zijn schrijfwerk afmaken. Hij was nu nog veel meer uit zijn humeur, dan toen hij opstond; dat standje van den burgemeester had er geen goed aan gedaan.

"Die verwenschte jongens!" mompelde hij. "Wacht maar, dat zal me geen tweemaal gebeuren. Snappen zal ik ze, al zou ik er drie nachten voor moeten opblijven. En die Dik Trom zal spoediger onder het raadhuis zitten, dan hij denkt. Dat beloof ik hem. Van avond zal ik me in alle stilte in een van die boomgaarden verschuilen, en als dan de vos niet in de val loopt, is mijn naam geen Flipsen. Daar kunnen ze op rekenen!"

DERTIENDE HOOFDSTUK.

BOONTJE KOMT OM ZIJN LOONTJE.

Toen het 's avonds donker geworden was, begaf Flipsen zich naar den tuin van Geurs, en verborg zich daar achter eenig kreupelhout. Het regende hard, doch daaraan stoorde hij zich niet.

"Die deugnieten zal ik snappen, al gaat het ook keisteenen regenen," mompelde hij, terwijl hij den kraag van zijne jas opsloeg.

Geduldig als eene kat, die op een muisje loert, bleef Flipsen drie uren lang in zijne schuilplaats. Hij had toen geen drogen draad meer aan het lijf. Daarom, en ook omdat de jongens nu wel niet meer zouden komen, besloot hij, naar huis te gaan.

Den volgenden avond vatte hij post in den tuin van Mulder, doch ook daar bereikte hij zijn doel niet.

Den derden avond verschool hij zich achter het huis van den burgemeester,--maar hij moest weer onverrichter zake naar huis terugkeeren.

De reden hiervan was, dat de jongens hun aanvoerder misten. Dik Trom had zich al drie dagen lang niet in het dorp vertoond. Hij had er geen lust in, want zijne moeder, die hij zoo innig liefhad, was ernstig ziek. Zij had eene longontsteking. Lang zweefde zij tusschen leven en dood. Zij leed vreeselijk. Dik verzorgde haar nacht en dag met de teederste liefde. Hij ontzegde zich zelfs de noodige rust, om te kunnen waken aan hare sponde. Hoe vreesde hij, dat hij zijne lieve moeder zou verliezen. Hoe zorgvol waakte hij over haar, met welk een angst bespiedde hij haar bleek gelaat, en met welk eene teederheid sprak hij haar aan. Doch zij hoorde hem niet; zij kende haar kind niet meer. Wat was het Dik bang om het hart! O, als hij haar eens moest verliezen! Bij die gedachte welden hem telkens de tranen in de oogen, en gaf zijn geprangde boezem zich lucht in een hevig snikken.

Doch dat vreeselijk lot trof hem niet; hij mocht zijne lieve moeder behouden. Na negen bange dagen en nachten zei de dokter, dat het gevaar geweken was.

"Dat heb je naast God aan je braven jongen te danken, moedertje," zei hij tegen vrouw Trom, terwijl hij Dik op den schouder klopte. "Hij heeft je onverbeterlijk opgepast en verzorgd. Maar nu moet hij zelf wat rust nemen en morgen maar weer eens flink met zijne makkers gaan spelen. Dat zal hem opfrisschen."

Toen de dokter vertrokken was, viel Dik zijn moedertje om den hals.

"O, Moeder, wat ben ik blij!" fluisterde hij aan haar oor.

Zijne moeder kuste hem.

"Je bent mijn lieve jongen," zei ze met zwakke stem, terwijl haar de tranen in de oogen kwamen. "Als je vader straks thuis komt, moet je naar bed gaan, mijn lieveling, anders word je misschien ook ziek."

Wat sliep Dik dien nacht heerlijk. In langen tijd had hij den nacht niet zoo rustig doorgebracht. Toch was hij 's morgens al weer vroeg bij de hand, want daar zijn vader naar de werkplaats moest, zou Moeder anders zonder oppassing geweest zijn. Doch toen Vader 's avonds van den arbeid teruggekeerd was, begaf Dik zich voor het eerst sedert de ziekte van zijne moeder naar zijne kameraden.