Uit het leven van Dik Trom

Chapter 2

Chapter 24,290 wordsPublic domain

Een paar dagen later had het gesneeuwd, en geen beetje ook. De sneeuw lag wel een voet dik, en was hier en daar tot heele bergen opgewaaid. Dik vond het prachtig. Zoodra hij gekleed was en ontbeten had, ging hij naar buiten, wreef zich danig in, en sprong pardoes in een van de grootste sneeuwhoopen, om daar eens naar hartelust in rond te buitelen. Toen stond hij op, nam de beide handjes vol sneeuw, ging naar binnen en legde den geheelen voorraad op de boterham, die zijn vader bezig was op te eten.

"Daar!" zeide hij met verheugd gelaat.

"Wel, heb ik van mijn leven!" riep zijn vader. "'t Is toch een bijzonder kind,--dat is-ie!" Hij schudde de sneeuw van zijn brood en ging voort met eten.

Dik spoedde zich weer naar buiten. Ha, hoe genoot hij, toen hij een twintigtal jongens elkander met sneeuwballen zag gooien, dat de haren er bijna afvlogen; toen hij zag, hoe ze elkander in de sneeuw wierpen en inwreven, en hoe ze hem met hunne sleetjes in dolle vaart voorbijgleden. Fluks maakte hij zich van de kat meester en volgde het voorbeeld der knapen, totdat poes in allerijl de vlucht nam, wat hem zeer speet, vooral omdat hij er de reden niet van begrijpen kon. Daar hij echter zag, dat het beest niet terug kwam, besloot hij eene slede te maken. Hij vroeg Moeder om een touw, bond het eene einde aan een plankje, nam het andere einde in de hand, en liep er zoo snel als zijne kromme beentjes en zijn dikke buik hem dat veroorloofden, het huis mede om. Die bezigheid beviel hem vrij goed, maar toen hij na een poosje in de keuken kwam en daar een pasgeverfden kleerbak zag staan, was de aardigheid van het plankje af. Dien bak vond hij veel mooier en geschikter. Hij sleepte hem naar buiten, bond zijn touwtje aan een der ooren, en--daar viel plotseling zijne aandacht op een buitengewoon grooten hond, die doodbedaard vóór het huis op den weg lag, met zijn neus in de sneeuw. Dik trok zijn bak er heen, stak het touw door een lusje aan het losse einde, en deed het om den staart van het groote beest, dat nog altoos rustig bleef liggen. Toen ging hij zeer voldaan op den bak zitten, en riep:

"Huup paard!"

De hond hief bedaard zijn kop op en keek om, ten einde te zien, wie zoo brutaal was, zijne rust te durven storen, doch ziende, dat hij slechts met een klein kereltje te doen had, vond hij het geval niet de moeite waard, om er zich voor op te richten. Hij legde daarom zijn kop weer stilletjes in de sneeuw en kneep opnieuw zijne oogen dicht. Dat was echter volstrekt de bedoeling van onzen Dik niet. Deze wilde hem overeind en aan het loopen hebben; daarom schopte hij met zijne kromme beentjes zoo hard hij kon tegen den bak, en riep nog eens:

"Huup paard!"

Doch de hond verroerde zich in het geheel niet. Hij bleef kalm doorslapen. Nu nam Dik, die een eens gevormd plan niet gauw opgaf, het touw en begon er aan te trekken, nogmaals roepende:

"Huup paard!"

Dat trekken beviel den hond bitter slecht, want daardoor werd de strik, die om zijn staart zat, aangehaald en veroorzaakte hem tamelijk veel pijn. Het dier stond op en begon te brommen. Dik liet zich niet afschrikken. Hij rukte opnieuw aan het touw, en wel zoo hard, dat de hond opsprong en het één, twee, drie op een loopen zette, met den kleerbak achter zich. Dik sloeg van den schok achterover, doch richtte zich dadelijk weer overeind en hield zich met beide handen aan de kanten van den bak vast.

"Huup paard!" riep hij, terwijl hij vergenoegd naar den staart van den hond keek, waar het touwtje al vaster en vaster omheen klemde. De arme hond, die volstrekt niet begreep, wat dat vreemde toestel achter hem beteekenen moest en maar al te goed bemerkte, dat het hem pijn deed, vloog als een razende langs den weg, tot groot genoegen van den kleinen Dik.

"Huup paard! Huup paard!"

Voort vloog het! De menschen, die het zonderlinge voertuig en den kleinen koetsier met verbazing aangaapten, moesten in allerijl op zijde springen, wilden zij den bak niet tegen de beenen krijgen. Plotseling sprong er een man midden op den weg, om den hond tot staan te brengen. Het was Diks vader, die vol angst over den afloop van dit avontuur zijn zoontje had zien aankomen. Doch de hond, door den bak en Dik gevolgd, kwam met zooveel kracht tegen hem aan, dat hij wel twee meters ver door de sneeuw rolde. Het ging hoe langer hoe harder, want de hond werd steeds angstiger, en trachtte door een snellen loop dat wonderlijke gevaarte achter zich te ontvluchten. Dik vond het heerlijk, zoo heerlijk dat hij het uitgierde van de pret. Toch liep hij gevaar, dat het slecht met hem zou afloopen, want de bak slingerde geducht heen en weer, en kon elk oogenblik tegen een boom of een paal terecht komen. Maar Dik zag geen gevaar.

"Huup paard! Vooruit!" schreeuwde hij.

En voort ging het, in dollen galop. Daar stoof het de brug over, nu den hoek om, en... krak, daar brak het touwtje! De hond vloog vooruit, zonder dat hij zelf wist waarheen, en Dik bonsde met zijn hoofd tegen een boom, dat hij er een blauwe plek van kreeg, zoo groot als een stuiter.

Zijn vader was hem nagesneld en bereikte hem spoedig. Dik stond teleurgesteld bij den bak, en keek met treurigen blik overal naar den hond rond. Toen zijn vader bij hem kwam, zei Dik:

"Wat ging dat mooi. Waar is de hond?"

"Heb-je je niet bezeerd, Dik,--heb-je niet?"

Dik gaf geen antwoord. Daarom nam zijn vader hem en den bak op, ging naar huis en zei tegen zijne vrouw, toen hij binnen kwam:

"'t Is toch een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie."

VIJFDE HOOFDSTUK.

DIK ONDERGAAT EENE GEDAANTEVERWISSELING EN BLIJFT TOCH DEZELFDE.

Toen Dik ruim drie jaren oud was, achtte zijne moeder het oogenblik gekomen, waarop hij de jurk uit- en de broek moest aantrekken. Bij die gedaante-verwisseling liet hij dat eigenaardige gesnor hooren, dat steeds getuigde van zijne bijzondere tevredenheid. Moeder, die door hare liefde voor den kleinen dikzak niet zoo verblind was, om te meenen, dat zijne kromme beentjes geschikt waren om zijne schoonheid te verhoogen, had, om ze wat rechter te doen schijnen, de pijpen heel wijd gemaakt, zoo wijd, dat een Volendammer visscher er mede in zijn schik zou zijn geweest. Twee draagbanden, of galgen, zooals Moeder ze noemde, zorgden er voor, dat hij zijne broek niet zou verliezen. Een lakensche jas, gesneden uit een afdankertje van Vader, bedekte dat gedeelte van zijn lichaam, dat tusschen hals en middel gelegen was, terwijl twee korte slipjes, elk van een knoop voorzien, van achteren nog eventjes over zijne broek neerhingen. Onder dat jasje droeg hij een blauw geruit boezeroentje, en op zijn hoofd eene pet, waarvan de klep gewoonlijk naar zijn rug wees.

Dik was met zijn nieuwe pak bijzonder in zijn schik. Zoodra hij het aan had, stak hij zijne vuisten in zijne broekzakken, duwde ze zoover mogelijk van zijne beenen af, om er maar erg breed uit te zien, trok zijne klompen aan en stapte naar buiten. Hij was op dat oogenblik uitermate trotsch. Onophoudelijk keek hij naar beneden, om zichzelf te bewonderen, en daarbij nam hij stappen als een dragonder. Dat had hij niet moeten doen, want daardoor merkte hij niet, voor het te laat was, dat hij tegen een muur liep. Bom! Het kwam geducht aan; hij kreeg er sterretjes van voor zijne oogen en eene blauwe plek, die zijne schoonheid sterk verminderde, onder zijne pet. Gelukkig was er niet dikwijls wat van te zien, want hij zette zijne pet nooit af, dan als hij naar bed ging. Hij stond eenige oogenblikken beteuterd te kijken, zette zijne pet weer goed, dat wil zeggen, met de klep naar achteren, en wandelde toen den weg op. Daar stond bij een boom een meisje, dat ongeveer van denzelfden leeftijd was als hij. Dik liep naar haar toe en keek haar geruimen tijd strak aan, wat zij op dezelfde wijze beantwoordde. Toen draaide hij met de handen in de zakken langzaam om haar heen, ten einde haar goed aan alle zijden te bekijken. De uitslag scheen bevredigend te zijn, want hij bleef weer vóór haar stilstaan, zweeg nog eenigen tijd, en zeide toen:

"Dag."

Het kind gaf geen antwoord, maar stak den vinger in den mond en bleef hem onbeweeglijk aankijken.

"'k Heb eene broek aan!" vervolgde Dik met trots.

"En ik heb suikerballetjes. Die heb jij niet, lekkertjes," was het antwoord van de jonge dame, terwijl ze haar hoofd langzaam op en neer bewoog.

"Laat eens zien? Zijn ze lekker?" vroeg Dik, die een liefhebber was van alles, wat goed smaakte.

"Neen, ik houd ze zelf. Hoe heet jij?"

"Dik."

"Ik niet, ik ben Anneke."

"En waar zijn de suikerballetjes?" vroeg Dik, die er grooten trek in had.

"In mijn zak, maar je krijgt ze niet."

"Laat ze eens zien? Ze zijn toch niet eens lekker," meende Dik.

Anneke tastte in den zak en liet den schat zien. Diks oogen blonken van begeerigheid, en terwijl hij de hand uitstak, zeide hij:

"Ik wil ze hebben. Toe, dan mag je met me spelen."

Anneke vond dat aanbod nog al aannemelijk. Ze stak een balletje in den mond, beet het in twee stukken, en gaf een ervan aan Dik, die het dadelijk opat.

"Van wien heb je ze?" vroeg hij.

"Gekocht, dààr, voor een cent."

Dik volgde met zijne oogen de richting van haar vinger. Daarop stak hij de handen weer in zijne zakken en ging regelrecht op den winkel af. Hij stapte naar binnen, en zei tegen de vrouw, die achter de toonbank kwam:

"Voor twee centen suikerballetjes."

De vrouw nam een blikken trommel, deed het deksel eraf en legde een tiental balletjes op de toonbank. Dik nam ze op, deed zijn mond zoover open, alsof die nooit weer dicht moest, stak er eenige balletjes in, en wilde met de rest doodbedaard den winkel verlaten, toen de vrouw zeide:

"Ho, ho, ventje, waar zijn de centen?"

"Centen?" vroeg Dik met een vollen mond en een tevreden uiterlijk.

"Ja, waar zijn je centen?"

"Ik heb geen centen, wel balletjes," zei Dik, die niet recht begreep, wat zij bedoelde.

"Geef ze dan maar weer gauw terug, kwâjongen. Dat gaat zoo niet! Als je wat koopen wilt, moet je centen meebrengen."

"O," zeide Dik, die haar nog maar half begreep.

Hij legde de rest van de balletjes weer op de toonbank en ging met een vollen mond naar buiten, waar Anneke op hem stond te wachten. Uit dankbaarheid nam hij een balletje uit zijn mond en gaf het haar. Van toen af waren zij vriendjes en speelden altoos met elkander.

Een dag of wat later kwam Vader thuis met een paar groote snoeken. Hij hielp aan het leggen van eene brug, en had met andere werklieden een gedeelte van het breede kanaal, dat midden door het dorp liep, droog gemaakt, bij welke gelegenheid de arbeiders vrij wat visch hadden gevangen. Zoo was hij aan snoek gekomen. Hij legde ze in de keuken neer en ging naar binnen. Dik vond de dieren heel mooi. Hij streek er met zijne vingers over, trok aan hunne vinnen, en stak ten slotte zijn wijsvinger in een van de wijdgeopende bekken. Maar och, wat beviel hem dat slecht. Pas zat zijn vinger er in, of de bek sloot zich en de tanden van het dier drongen hem aan alle kanten in het vleesch. Hij schrikte er geducht van; zijne dikke wangen werden zelfs bleek, en zeer zeker zou hij het op een schreeuwen gezet hebben, indien hij van die bezigheid niet zoo 'n onoverwinnelijken afkeer had gehad. Intusschen zat hij geducht in de knel. Hij begon het dier met zijne vrije hand op den kop te slaan, in de meening, dat het hem dan wel zou loslaten, doch het hielp niets, want he beest was al sedert een paar uur dood, en voelde er dus bitter weinig van. Dik was ten einde raad. Bewegen durfde hij zich niet, want elke beweging deed hem pijn, zoodat hij er stellig nog zou gestaan hebben, indien zijne ouders het niet bemerkt en hem verlost hadden.

"Waar wonen de snoeken?" vroeg hij, toen de eerste schrik wat voorbij was.

"Waar de snoeken wonen, jongen," zei zijne moeder, "wel, ze zwemmen in het water."

Dik stapte de deur uit, en ging Anneke halen.

"Ga-je meê snoeken vangen?"

"Ja, waar zijn ze?"

"In de sloot, achter het huis."

Welgemoed ging het tweetal op weg. Ze liepen den tuin door en kwamen aan eene sloot, die ongeveer 2 meter breed was.

"Hier zijn ze," zei Dik, op het water wijzende. "Geef me eene hand."

"Ik niet. Vang jij ze maar, dan zal ik er op passen."

"Goed. Daar ga ik."

Dik zette één been vooruit, en stapte pardoes te water. Hij zakte dadelijk een eind in de modder, zoodat het water hem tot aan de borst kwam en in de ademhaling belemmerde.

"I-i-ik z-zie-ze ni-niet," stotterde hij.

"Ik ook niet," zei Anneke.

Dik stapte heen en weer, en greep met beide handen links en rechts in het water, maar snoeken ving hij niet. Juist wilde hij zich wat verder in de sloot begeven, toen zijn vader hem kwam zoeken, om te komen eten. Toen hij Dik daar door de sloot zag wandelen, kon hij van schrik bijna niet spreken. Hij liep naar den kant, zwaaide met beide armen wanhopig in het rond, en riep:

"Dik, wat-wat doe je, w-wa-wat moet dat? Kom h-hi-hier, jongen, je-zult-je verdrinken--dat zul-je. Kom gauw!"

"Ik vang snoeken!" zei Dik, naar den kant stappende. Vader greep hem bij de hand en hielp hem op het droge. Toen trok hij hem voort naar huis, en riep tegen zijne vrouw:

"Griet, 't is toch een bijzonder kind,--dat is-ie." Dik werd uitgekleed en te bed gelegd.

ZESDE HOOFDSTUK.

HOE DIK UIT VAREN GING.

Dik werd met den dag ouder, dikker en ondeugender. Dat hij ouder werd, kon niemand helpen; dat hij dikker werd, was de schuld van zijne moeder, die hem altoos reusachtig groote boterhammen liet opeten, en dat hij ondeugender werd, was de schuld van zijn vader en moeder samen. De laatste hield dolveel van haar dikken jongen, zoo veel, dat zij hem in alles toegaf, hem nooit iets verbood, en, pakte een of ander verkeerd met hem uit, hem nog voorsprak en beklaagde op den koop toe. 't Was dus geen wonder, dat hij met den dag ondeugender werd en, zooals de menschen zeiden, opgroeide voor galg en rad. Zijn vader hield ook veel van hem, maar de man sprak geen tien woorden op een dag en vond alles, wat Dik deed, heel mooi. Waarschuwden de menschen hem er soms al eens voor, dat het nooit goed met Dik zou afloopen, dan haalde hij de schouders slechts op, en zeide:

"Och ja, wat zal ik er al aan doen; 't is een bijzonder kind,--dat is-ie."

Toen Dikje vier jaar oud was, had hij wel al tienmaal in het water gelegen, en tweemaal was hij er zelfs bewusteloos uitgehaald. Eénmaal was hij van het dak gevallen, waarop hij geklommen was om vogeltjes te vangen. Hij had een beetje zout in de hand, om hun dat op den staart te leggen en ze dan te grijpen. Dat had de molenaar hem wijs gemaakt. Bij die gelegenheid had hij een beentje en een ribje gebroken. Tweemaal had hij een steentje in zijn neus gestopt, en wel zoo diep, dat hij het er niet meer uit kon krijgen. Hij had er niets van gezegd, maar toen zijn neus begon op te zetten en eindelijk zelfs eene onrustbarende grootte kreeg, zoodat de dokter bijna niet wist, wat hij er aan doen zou, en alle drankjes en pillen niet hielpen, zei hij:

"Er zit een steen in."

En het was maar goed ook, dat hij het zeide, want anders zou hij zijn neus waarschijnlijk kwijt geraakt zijn, daar de dokter al over eene operatie begon te spreken. Nu was die gelukkig niet noodig. De dokter haalde met een tangetje het steentje er uit, en weldra was de neus weer tot zijne gewone grootte teruggekeerd.

Driemaal was hij overreden geworden. Eens door een gewoon rijtuig, waarvan een wiel hem over den linkerarm ging, hetgeen hem veel pijn deed en ten gevolge had, dat hij dien arm drie weken lang in een doek moest dragen,--eens door eene hondenkar, waar hij lachend onder vandaan kroop, en eens door een draaiorgel, waaronder hij was gaan liggen om het beest te zien, dat er, naar zijne meening, inzat en dat zoo verbazend schreeuwen kon, als de man aan zijn poot draaide. Hij zag namelijk den slinger van het orgel voor den poot van een dier aan, dat er in opgesloten was.

Dikje was dus een tamelijk woelige jongen, die zijne goede moeder dikwijls veel last veroorzaakte en haar soms door zijne gevaarlijke ondernemingen het angstzweet deed uitbreken.

Op zekeren dag had zij het verbazend druk, want zij moest de groote wasch doen. Het liep haar echter volstrekt niet mede. Eerst kon ze, wat ze ook deed, geen groot vuur krijgen. De schoorsteen wilde in het geheel maar niet trekken, en toen daar verbetering in kwam, en ze gauw de kopjes ging wasschen, terwijl het water dan vast aan de kook kon gaan, brak zij door te groote haast haar mooien koffiepot, wat haar zeer speet. Eindelijk was haar werk af en kon ze aan de wasch beginnen. Ze spoedde zich naar de keuken, maar, o wee, het water was nog maar ternauwernood warm. Dikje was binnen gekomen, en toen hij het groote vuur had gezien, was hij er telkens een kopje water op gaan gooien, omdat het dan zoo mooi siste. Maar daardoor was het groote vuur al kleiner geworden en eindelijk geheel uitgedoofd. Dik zat op eene stoof vóór den haard trouw te wachten, tot het weer aan zou gaan, om dan zijn spelletje voort te zetten.

"Akelige jongen," riep zijne moeder, met tranen van spijt in de oogen, "wat heb je nu weer gedaan? Nu kan ik nog in geen uur aan de wasch beginnen!"

"'t Ging sss-sss-sss," zei Dik. "'t Ging mooi."

"Zoo, ging het mooi! Ga maar gauw naar buiten; je komt vooreerst niet weer binnen, hoor je. Voort, gauw!"

Dik stapte naar buiten. De goede jongen begreep zeer goed, dat hij het verbruid had, en toch had hij het niet met eene kwade bedoeling gedaan. Daarvoor hield hij te veel van zijne moeder.

Een beetje mistroostig ging hij naar Anneke, die een paar huizen verder woonde, en toen hij vijf minuten met haar gespeeld had, was hij het geval al weer vergeten. Hij bleef bij haar, tot zijne maag hem niet onduidelijk te kennen gaf, dat het tijd was, om zijn middagmaal te gaan gebruiken. Hij nam daarom op zijne gewone wijze afscheid, dat wil zeggen, zonder groeten, en begaf zich op weg naar huis. Toch duurde het nog een geruimen tijd, eer hij werkelijk thuis kwam. Langs den weg, dien hij volgde, liep een breed kanaal, dat evenwel niet zoo diep was als de breedte wel deed vermoeden. Vóór Diks huis was aan den oever eene houten stoep getimmerd, waarvan Moeder gebruik maakte, als zij wat te spoelen of te wasschen had. Dik zag nu, dat eene groote waschtobbe met een touwtje aan die stoep vastgemaakt was en in het water dreef. Waartoe dat diende, begreep hij niet, maar hij zag wel, dat het de tobbe van zijne moeder was. Hij besloot, de tobbe van naderbij te gaan bekijken, doch dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want het water stond vrij laag en de kant was zeer steil. Nu was niets moeielijker voor onzen Dik, dan in een boom klimmen of van eene helling afklauteren, want bij het klimmen zat zijn dikke buik hem in den weg, en voor het dalen was hij te topzwaar. Hij deed dan ook nauwelijks een paar stappen naar beneden, of hij verloor zijn evenwicht en tuimelde hals over kop naar beneden, terwijl hij zich al vallende verdiepte in allerlei gissingen, waar hij nu toch wel terecht zou komen. Dat pakte echter beter uit, dan hij had kunnen denken. Drie vierde van zijn lichaam viel op de stoep, en de rest, zijn linkerbeen, in het water. Hij was dan ook uitermate tevreden over den afloop en haastte zich, het natte vierdepartje ook op de stoep te trekken. Toen rolde hij zich op zijn buik en begon zich met de tobbe te vermaken. Het touwtje, waaraan deze bevestigd was, was tamelijk lang, zoodat Dik haar beurtelings van den kant duwen en naar zich toehalen kon. Soms pakte hij haar bij het oor en drukte haar met kracht naar beneden, zoodat zij bijna water schepte. Eindelijk trok hij haar zoo dicht mogelijk naar de stoep, en liet zich er in glijden. De vracht was wel wat zwaar voor de tobbe, zoodat zij eerst een poos geweldig heen en weer schommelde, maar zij bleef toch drijven. Nu had Dik eerst recht veel pleizier. Wel twintigmaal stuurde hij het kanaal in, zoover het touwtje reikte, en dan trok hij zich bedaard naar de stoep terug, om een oogenblik later weer van wal te steken. Dat spelletje duurde zoo lang, tot het touwtje brak, en Dikje met zijne tobbe, zonder dralen, naar het midden van het kanaal dreef. De wind had juist dezelfde richting als het kanaal, zoodat hij ongeveer in het midden van het water bleef voortdrijven. Zijn breed bovenlijf en zijne dikke wangen deden dienst als zeilen. Vlug ging het wel niet, maar Dik vond het toch alleraardigst. Dit onverwachte zeiltochtje was een buitenkansje, waarop hij niet had durven hopen, en zijne oogen straalden dan ook van genot. Hij bleef gelukkig rustig zitten, want had hij dat niet gedaan, dan zou zijn vaartuig zeker omgeslagen en hijzelf, zoo dik als hij was, verdronken zijn.

Intusschen zaten zijne ouders op hem te wachten met het middagmaal, want, hoe uithuizig hij anders ook was, met het eten zorgde hij altoos binnen te zijn. Hij begon gewoonlijk het eerst en hield het laatst op. Ditmaal liet hij zich, vreemd genoeg, wachten, zoodat zijne moeder ten laatste zei:

"Waar zou onze Dik toch zitten?"

"Ik weet het niet, vrouw,--dat doe ik."

"Hij komt anders altoos om twaalf uur thuis. Ik begrijp er niets van. Ik zal eens eventjes op den weg gaan zien."

Vlug liep ze de deur uit en keek overal rond, behalve naar het water. Ze zag hem dus nergens.

"Dik, eten!" riep ze, zoo hard als haar mogelijk was. Geen antwoord volgde.

"Dik! Di-i-i-k! Waar zou die jongen nu toch weer zitten? Hij zal toch niet in het water liggen?"

Haastig liep ze naar de stoep, en ze verschoot van kleur, toen ze zag, dat de tobbe verdwenen was, welk feit ze dadelijk met het wegblijven van Dik in verband bracht. Pijlsnel volgden hare oogen de richting van het water, en--daar ontwaarde ze tot hare groote ontzetting de verloren tobbe en daarin haar verloren zoon. Ze stak beide armen in de hoogte en gaf een schreeuw, die haar man deed opspringen en naar buiten snellen. Ook de buren kwamen toeschieten.

"Griet, wat doe-je? Wat is er?" vroeg Jan Trom.

"O, dáár! Kijk eens, midden in het kanaal!"

Aller oogen vestigden zich op den kleinen deugniet, die voortging met zich uitstekend te vermaken.

"Jan, blijf daar toch niet staan! Aanstonds slaat de tobbe om, en dan verdrinkt hij. Gauw, ga hem halen!"

"Ja vrouw, zie je, ik wil wel, zie je, maar...."

"Allo Jan, zeur nu niet, maar haal hem. Gauw wat!"

"Ja Griet, zie je, maar hoe? Ik wil hem wel halen,--dat wil ik, maar...."

"Nu, doe het dan, schielijk! Haal gauw het bootje van Teun, den visscher. Toe, maak voort, want aanstonds drijft hij onder de brug, en dan is het te laat."

"Teun is niet thuis, vrouw Trom, en zijn bootje ook niet," zeiden de buren.

"O, hemel!" schreeuwde Griet opeens, "daar gaat hij nog schommelen ook! Jan, te water, toe dan toch, ga hem halen. Gauw wat, er in! Vooruit dan!"

"Ja vrouw, zie je, maar het water is zoo nat,--dat is het, weet je."

"Nat? Vooruit, te water, ga hem halen! Kijk me nu dien bengel eens. Jan, zul-je gaan?"

Griet nam een kort besluit. Ze greep Jan bij den arm en duwde hem rechtuit het water in, en toen hij er eenmaal in was, stapte hij hijgende en hikkende op de tobbe los. Daar had hij haar bereikt. Hij nam Dik er uit, gaf de tobbe een duw, die haar naar den kant deed drijven, en sukkelde weer naar den oever. Bijna had hij dien bereikt, toen hij onverwachts in een gat trapte, en plotseling met Dik onder water verdween.

"O, hemel!" gilde Griet. "Ze verdrinken!"

Doch neen, na enkele oogenblikken kwam Jan, met Dik in zijne armen, weer boven, terwijl ze beiden voortdurend de oogen dichtknepen van het water, dat van hun hoofd afstroomde. Jan reikte zijn zoon over aan zijne vrouw, en zeide hikkende, terwijl hij den hoogen kant opkroop:

"Grie-iet, (hik), 't is to-toch (hik) een bij-bijzonder (hik) kind,--dat (hik) dat is-ie!"

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DIK GAAT NAAR SCHOOL.

Op den achtsten Februari was Dik zes jaar geworden, en op den eenendertigsten Maart daaraanvolgende stapte Jan Trom de kamer van den hoofdonderwijzer binnen, om dien te vragen, of zijn zoon den volgenden morgen op school zou kunnen komen.

"Goeden avond, meester."

"Goeden avond, Trom. Hoe gaat het? Ga zitten."