Uit den Indischen Archipel De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 4

Chapter 43,661 wordsPublic domain

Den 6en Juli keerde de Etna te Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor ons levensonderhoud verschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingen hebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen de Papoeas eene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.

Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel der Papoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, en zij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.

Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerust op eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.

Den 22 Juli voer de goelet Esther-Helena de haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.

De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.

Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.

IV.

Gedurende de maanden September tot November 1856, hield de heer Wallace zich in het eiland Celebes op.

Het was mij, zoo zegt hij, eene ware voldoening, toen ik te Makassar voet aan wal zette.

De vlakke lage kust is, in dit gedeelte des eilands, omzoomd door boomen en dorpen, die slechts op enkele punten een blik in het binnenland vergunnen: dan ziet ge eene eindelooze uitgestrektheid van kale en moerassige rijstvelden. Op den achtergrond verheffen zich heuvelen van geringe hoogte; de voortdurende nevel, aan dit jaargetijde eigen, maakte het mij onmogelijk de hooge bergen, die zich in het midden van het schiereiland verheffen, of de beroemde piek van Bantaëng, aan de zuidpunt, te onderscheiden.

Op de reede lag een wachtschip, een fraai fregat met twee-en-veertig stukken, benevens een kleine oorlogsstoomboot, en drie of vier kotters, om jacht te maken op de zeeroovers, die deze wateren zeer onveilig maken. Ook lagen hier eenige koopvaardijschepen met vierkante zeilen en een dertigtal prauwen van verschillende grootte. Ik had brieven van aanbeveling bij mij voor een Hollander, den heer Mesman, en voor een deenschen koopman; beiden spraken engelsch, en beloofden, dat zij mij behulpzaam zouden zijn in het vinden van een geschikt verblijf, waar ik mijne studiën zou kunnen voortzetten. Daar er in de stad geen hotel te vinden was, begaf ik mij inmiddels naar de dusgenoemde sociëteit, waar ik voorloopig mijn intrek nam.

Ik had nog nooit eene hollandsche stad gezien: en Makassar scheen mij zuidelijker en fraaier dan alle steden, die ik tot dusver in het oosten bezocht had. Het koloniaal bestuur heeft onderscheidene zeer heilzame maatregelen verordend. Alle europeesche huizen moeten dikwerf met kalk gewit worden; ten vier uur des namiddags moet ieder bewoner den weg vóór zijn huis met water laten begieten: de straten worden goed onderhouden en van vuilnis gereinigd; het vuile water en alle andere onreine stoffen worden door buizen naar breede overdekte riolen gevoerd, waar het zeewater bij vloed wordt ingelaten en bij eb weder uitstroomt, alle onreinheden met zich mede voerende. Evenwijdig met het strand loopt eene lange straat, die of door de winkels en bazars der inboorlingen of door de kantoren en magazijnen der hollandsche en chineesche kooplui wordt ingenomen. Die straat strekt zich meer dan twee mijlen ver naar het noorden uit, en is eindelijk ter wederzijde omzoomd door inlandsche hutten, die er dikwijls armoedig en vervallen uitzien, maar toch altijd in rechte lijn nevens elkander staan en bijna altijd door vruchtboomen omringd en overschaduwd zijn. In die straat beweegt zich van den morgen tot den avond een groote schare van Boegineezen en Makassaren, gekleed met een zeer korten katoenen broek, die tot halverwege de dij reikt, en met den onvermijdelijken maleischen sarong met zijne sprekende kleuren, die om de heupen gewonden of over den schouder geslagen wordt. Twee kleine straten, die evenwijdig met de groote loopen en met twee poorten kunnen gesloten worden, vormen de oude hollandsche stad. Ten zuiden vindt men het fort en de kerk; langs een weg, die met een rechten hoek naar het strand loopt, verrijzen het hôtel van den gouverneur en de woningen der voornaamste ambtenaren. Voorbij het fort, dicht bij de zee, loopt nog eene andere lange straat, omzoomd door inlandsche hutten en door de buitenverblijven en villas der kooplieden. Overal in den omtrek strekken zich, zoo ver men zien kan, rijstvelden uit: anders een onafzienbaar groen tapijt, nu, in dezen tijd des jaars, kaal, leelijk, bedekt met bestoven stoppels en weelderig onkruid. Het dorre voorkomen dezer velden, in dezen tijd des jaars, vormde een zeer sterk contrast met dat der rijstvelden op Bali en Lombok, waar de oogsten elkander het gansche jaar door geregeld opvolgen. Toch is het klimaat hetzelfde, en is de grond hier niet minder goed; maar het bewonderenswaardig stelsel van besproeiing, dat op Bali en Lombok wordt in praktijk gebracht, schenkt dezen eilanden welhaast de zegeningen van een eeuwige lente.

Den dag na mijne aankomst ging ik een plechtig bezoek afleggen bij den gouverneur, in gezelschap van mijn vriend den deenschen koopman, die zeer goed engelsch spreekt. Zijne Excellentie ontving ons zeer vriendelijk, en was bereid, mij, op mijne reizen door het land en bij mijne wetenschappelijke nasporingen, alle mogelijke hulp te verleenen. Het gesprek werd gevoerd in het fransch, in welke taal de meeste hollandsche ambtenaren zich zeer gemakkelijk weten uit te drukken.

Daar het verblijf in de stad zeer kostbaar en tevens lastig was, verhuisde ik in het laatst van de week naar de kleine bamboezen woning, die de heer Mesman mij welwillend afstond, en die den naam voerde van Mamajan. Zij lag eenige mijlen van de stad, op eene kleine koffieplantage, en ongeveer een kwart mijl verwijderd van de villa van den heer Mesman zelven. Mijne woning bestond uit twee kamers, zeven voet boven den beganen grond; de ruimte daaronder, het onderhuis, was gedeeltelijk open en diende deels voor het ontleden en prepareeren van vogelhuiden, deels voor het bergen van rijst. En schuurtje werd als keuken gebruikt; rondom lagen verscheidene hutten, die door inboorlingen, in dienst van den heer Mesman, bewoond werden.

Nadat ik eenige dagen in mijne nieuwe woning vertoefd had, was het mij reeds voldoende gebleken, dat ik hier mijne collectie niet belangrijk zou kunnen vermeerderen. De rijststoppels deden mij denken aan onze akkers in den herfst, na afloop van den oogst; en op deze kale rijstvelden waren al even weinig vogels of insecten te vinden. De eenige plaatsen, waar ik nog hopen kon iets te zullen vinden, waren de inlandsche dorpen, door de vlakte verspreid, en zoo wegschuilende tusschen hunne vruchtboomgaarden, dat zij, van verre gezien, op bosschages geleken. Maar al vrij spoedig had ik alles wat zij aan nieuwe soorten bezaten, uitgeput. Om het binnenland te bezoeken, had ik de toestemming noodig van den Rajah van Goa, wiens grondgebied zich tot op een mijl afstands van Makassar uitstrekt. Ik begaf mij dus naar het bureau van den gouverneur, en verzocht een brief van aanbeveling, die mij dadelijk werd ter hand gesteld; men gaf mij zelfs een bode mede, om den brief aan den Rajah ter hand te stellen.

Mijn vriend Mesman leende mij een paard, en vergezelde mij ook op mijn bezoek bij Zijne Majesteit, met wien hij persoonlijk zeer goed bekend was. De Rajah zat voor de deur van zijn paleis, en hield toezicht bij den bouw eener nieuwe hut; zijn geheele bovenlijf was naakt, en hij droeg geene andere kleeding dan de korte nationale broek en den sarong. Er werden twee stoelen voor ons gebracht; de hoofden en de andere inboorlingen zetten zich op den grond. De bode, voor de voeten van den Vorst neerhurkende, haalde den brief voor den dag, die in een lapje gele zijde genaaid was. Dit pakje werd aan een der voornaamste ambtenaren ter hand gesteld, die het omhulsel openscheurde, en den brief aan den Rajah overreikte. Deze las den brief, en toonde hem aan den heer Mesman, die de landtaal volkomen machtig is; mijn vriend deelde uitvoerig mede wat mijn verlangen was. Zijne Majesteit schonk mij onmiddellijk vergunning om naar goedvinden zijne staten te doorreizen; maar gaf den wensch te kennen dat ik hem zou waarschuwen indien ik ergens langen tijd wilde vertoeven, ten einde hij de noodige bevelen zou kunnen geven, zoodat niemand mij eenigen overlast zou aandoen. Er werd nu wijn gepresenteerd, en daarna walgelijke zoetigheden en afschuwelijke koffie; ik heb nergens slechter koffie gedronken, dan juist in het land, waar zij gekweekt wordt.

Ik ondernam menigen tocht door het land, om eene geschikte plek voor de jacht op vogels en insecten te zoeken. Eenige mijlen landwaarts in, zijn de dorpen verstrooid te midden van boschland: de overblijfselen van een groot oorspronkelijk woud, waarvan het oude geboomte thans hoofdzakelijk heeft plaats gemaakt voor vruchtboomen, met name voor bamboes, en voor den grooten areng-palm (Arenga saccharifera), die wijn en suiker oplevert, benevens grove zwarte vezels, waarvan men touw vervaardigt.

Een lichte aanval van intermitteerende koorts noodzaakte mij, gedurende eenige dagen mijne kamer op Mamajan te houden. Zoodra ik weder hersteld was, begaf ik mij, met den heer Mesman, nogmaals naar Goa, om den Rajah te spreken. De Vorst was in eene naburige schuur, waar een hanengevecht geleverd werd; maar hij verliet die onmiddellijk om ons te ontvangen, en wij bestegen met hem den hellenden planken vloer, die bij wijze van trap naar den ingang van het paleis voert. Dit paleis is eene ruime fraaie woning, met een bamboezen vloer en vensters met glasruiten; verreweg het grootste gedeelte wordt ingenomen door eene ruime zaal, in tweeën gescheiden door de palen waarop het dak rust. Nabij een der vensters zat de Koningin, neergehurkt op een ruwen houten armstoel, natuurlijk bezig met betèl te kauwen; naast Hare Majesteit stonden een koperen kwispedoor en een sirihdoos. De Rajah zette zich tegenover haar op een soortgelijken stoel; terwijl een kleine jongen, naast hem neergehurkt, dezelfde gereedschappen in de hand hield. Er werden voor ons twee stoelen gezet. De dochters van den Rajah en eenige andere jonge vrouwen, slavinnen, stonden in het rond; drie van haar waren bezig met het weven van sarongs.

Naar het voorbeeld van zoovele andere reizigers, moest ik hier eene schitterende beschrijving laten volgen van de bekoorlijkheden dezer dames, van de bevallige kostumen die zij droegen, van hare gouden versierselen, haar parelen en edelgesteenten. In zulk eene beschrijving zou natuurlijk geen jakje van purpergaas mogen ontbreken, de slanke gestalten omhullend, zonder ze te verbergen; ook zouden vonkelende oogen, gitzwarte lokken en andalusische voetjes daarbij geen slecht figuur maken. Maar, helaas! mijn eerbied voor de waarheid dwingt mij, zoowel van de menschen als van de dingen, niets anders te getuigen dan hetgeen ik werkelijk gezien heb. Het is zoo: de prinsessen waren verre van onbevallig; maar noch hare kleeding, noch haar gelaat had dat voorkomen van frischheid en zindelijkheid, zonder hetwelk de andere bekoorlijkheden niet tot haar recht komen. Alles zag er smerig, verlept, en, althans in de oogen van een Europeaan, zeer weinig koninklijk uit. De Rajah alleen onderscheidde zich te midden van deze omgeving, door de kalme waardigheid zijner manieren, en door den grooten eerbied dien allen hem betoonden. Niemand mag in zijne tegenwoordigheid blijven staan, en wanneer hij zich op een stoel zet, hurken alle aanwezigen (de Europeanen natuurlijk uitgezonderd) dadelijk op den grond neer. De hoogste plaats is hier nog in letterlijken zin de plaats der eere, het kenmerk van rang en aanzien. En deze regel, dat de hoogste plaats ook alleen den machtigste toekomt, duldt geene uitzondering. De Rajah van Lombok had eene berline uit Engeland laten komen: maar toen het rijtuig was aangekomen en de vorst zag dat de koetsier op den bok de hoogste plaats innam, wilde hij er volstrekt géén gebruik van maken. Het rijtuig werd in het koetshuis gezet, waar het nu als eene zeldzaamheid aan het volk getoond wordt.

Mijn bezoek bij den Rajah had ten doel, door zijne tusschenkomst te verkrijgen, dat men aan den zoom van het woud, waar ik mijne nasporingen wilde voortzetten, eene geschikte woning voor mij bouwde. De Rajah was aanstonds bereid mij te helpen; maar vond het beter, dat eene der bestaande woningen voor mij zou worden ontruimd, omdat met den bouw eener nieuwe te veel tijd verloren ging. Dit geschiedde dan ook op zijn bevel; van mijne zijde achtte ik mij evenwel verplicht, den inlander, die om mijnentwil tot deze onvrijwillige verhuizing gedwongen was, schadeloos te stellen. Overigens werd mijne verwachting, dat ik hier eene goede vangst zou maken, niet verwezenlijkt; terwijl ik bovendien, zoowel als mijn maleische bediende Ali, die mij bij het opzetten van vogels zeer behulpzaam was, door sluipkoortsen werd aangetast.

De levenswijze der bewoners van het dorp, waar ik nu mijn verblijf had gevestigd, kwam vrij wel overeen met die der Maleiers in het algemeen. De tijd der vrouwen werd bijna geheel ingenomen door het stampen en zuiveren der rijst voor het dagelijksch gebruik, het halen van brandhout en water, het verwen, spinnen en weven van het inlandsch katoen, waarvan zij sarongs vervaardigden. Het weven geschiedt op een handweefgetouw van hoogst eenvoudigen vorm, dat op den vloer wordt gelegd, en is een bij uitnemendheid vervelend werk. De mannen telen een weinig sirih en wat groenten; eens in het jaar beploegen zij met hunne buffels een klein stuk land, dat vervolgens met rijst wordt beplant, die tot aan den oogsttijd maar zeer weinig zorg vereischt. Nu en dan hebben zij het een en ander aan hunne woning te herstellen, en vervaardigen zij manden, matten of ander huisraad, maar het grootste gedeelte van hun tijd brengen zij in ledigheid door.