Uit den Indischen Archipel De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 3

Chapter 33,608 wordsPublic domain

De vaart was zeer belangwekkend, maar niet zonder gevaar; want de oevers der rivier zijn dicht bevolkt, en de bewoners van de streken langs de golf staan als zeer trouweloos en verraderlijk bekend. De daar gevestigde Papoeas waren in het bezit van vuurwapenen, welke zij door bemiddeling van kooplieden uit Ceram of Makassar, die op de westkust handel drijven, moesten verkregen hebben. De tien Papoeas, die Dr. Meyer van de Geelvinksbaai mede had genomen, werden vriendelijk behandeld; het kostte hem echter moeite, ze bijeen te houden. De Papoea is steeds genegen een feest aan te richten, dat uit dansen, zingen, het drinken van palmwijn en zooveel mogelijk eten bestaat, en dikwijls dagen achtereen wordt voortgezet. Ook des nachts blijven de feestgenooten bijeen op de galerij voor het huis; men slaapt op den grond en rust daarbij met het hoofd op een klein, kunstig gesneden houten blok, opdat het kapsel niet in wanorde gerake.

Bij de monding van den Jakati in de golf van Mac-Cluer, ligt een tamelijk dicht bevolkt eiland, waarvan de bewoners met die van den vasten wal in bijna onophoudelijke veete leven. Toen Dr. Meyer langs dit eiland heen voer, liet hij uit voorzorg, zoodra zich een inlander vertoonde, eenige schoten doen, en koos zich eerst eene ligplaats voor den nacht, toen hij zich in open water, midden in de golf, bevond. Des morgens ten twee, en nogmaals ten vier uur, werden onze reiziger en de zes hem vergezellende Maleiers door een vreemd geluid gewekt; zij meenden eerst schoten te hooren vallen, maar overtuigden zich spoedig, dat het gerucht veroorzaakt werd door het afbreken en omvallen van boomen. Later bleek, dat er eene sterke aardbeving had plaats gegrepen; daar echter de boot, waarin Dr. Meyer overnachtte, in een moerassiger bodem lag, zoo had hij de schuddingen niet gevoeld. Aardbevingen zijn in deze streek niet zeldzaam: hun brand- en uitgangspunt ligt meestal in het Arfakgebergte.

Nadat onze reiziger zijn doel, om de landengte in hare geheele breedte door te trekken, had bereikt, moest hij, wederom over land, naar de Geelvinksbaai terugkeeren, waar zijn schip lag. Aan de zuidzijde kon Dr. Meyer het Arfakgebergte niet bestijgen, omdat hij daar geene nederzettingen gevonden had. Eenige uren van Dorey verwijderd, ligt ten noorden van het gebergte, het dorp Andai; daar woont een hollandsche zendeling in de beste verstandhouding met de inlanders, doch zonder eenigen invloed op hen uit te oefenen. Van daar uit gelukte het hem, het Arfakgebergte tot eene hoogte van ruim zesduizend voet te beklimmen; nog niemand had voor hem dit gebergte bezocht, met uitzondering van den italiaanschen reiziger Albertis, die in 1872 het Arfakgebergte tot omstreeks drieduizend voet hoogte bestegen had. Meyer rekent, dat het hoogste punt niet veel boven de zevenduizend voet reikt. De bevolking is uiterst schaarsch, en leeft in diepe armoede en walgelijke onreinheid; in de bergen is het daar, zoo dicht bij den equator, vochtig en koud; in de dichte wouden wordt het eerst omstreeks zeven uren dag, tegen tien uur is alles weder in nevelen en wolken gehuld, en een tropische regen valt bij stroomen naar beneden, zelfs in het zoogenaamde droge jaargetijde. De Arfakis zijn daartegen gehard; maar voor Europeanen en Maleiers is een langer oponthoud hier onmogelijk.

Niet zonder belang zijn de volgende opmerkingen van een zoo kalmen en scherpzinnigen waarnemer, die met open blik en zonder eenig vooroordeel de verschijnselen, welke zich aan hem voordeden, heeft onderzocht. "Men verhaalt wel," zoo zegt hij, "van menschen met stroeve ongekroesde hairen, van maleische volkplantingen, van stammen met lichter huidkleur en meer dergelijke zaken. Van dit alles heb ik, op de proef, niets bewaarheid bevonden. Nergens op Nieuw-Guinea heeft men sporen van maleische nederzettingen kunnen aanwijzen, en er is geen grond om aan te nemen, dat zij immer bestaan hebben. Over het algemeen stelt men zich het verkeer tusschen de Maleiers en Papoeas te levendig voor; tot dusver hebben de Maleiers op Nieuw-Guinea nergens een blijvenden invloed uitgeoefend. Menschen met lichter kleur vindt men hier (in het Arfakgebergte) even weinig als aan de zuidkust; althans de berichten der reizigers kunnen moeilijk in dien zin worden verstaan, wanneer men op de plaats zelve de kleurschakeeringen bij de Papoeas bestudeerd heeft, en daarbij niet uit het oog verliest: vooreerst, dat zij inderdaad niet zwart zijn, zooals men meestal verkeerdelijk meent, maar bruin of hoogstens zwartachtig bruin; en ten andere, dat ook bij hen, als bij alle volken van den indischen archipel, eene zeer aanmerkelijke afwisseling en schakeering in de kleur der huid gevonden wordt." Uit eigene aanschouwing kan Dr. Meyer uitdrukkelijk de verzekering geven, dat de bewoners van het Arfakgebergte geheel en al tot denzelfden stam van Papoeas behooren, als de bewoners der kust. "Omtrent dit punt, zegt hij, kan niet de minste twijfel bestaan, en ik zou de mogelijkheid dat in het binnenland nog andere stammen wonen kunnen--voor welke bewering echter niet de minste grond aanwezig is--niet durven loochenen, wanneer wij thans niet in het bezit waren van waarnemingen op zoovele onderscheidene punten van Nieuw-Guinea gedaan, en die, wat de bevolking des lands betreft, in de hoofdzaak zoo geheel eenstemmig luiden."

III.

Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot de Etna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.

De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.

De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners der Arou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.

De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met hun tienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.

Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.

Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.

Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde, hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.

De stoomboot de Etna was nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17en weder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.

Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.

De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.

Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.

Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. De Papoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieƫn door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip de Coquille heeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.

De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.

Den 15en Mei stoomde de Etna eindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ik weinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.

Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam van Elaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort, Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. De Elaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort, Elaphomia alcicornis (met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met de Elaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort, Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.

De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.

Den 5en Juni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.

Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigen Ptiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.

Bij het vertrek van de Etna leed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.