Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2

Part 9

Chapter 93,250 wordsPublic domain

De zedeleer is een onderdeel der aesthetica. Wij vonden sommige daden belangeloos, schoon. Er zijn vijf beginselen, waarnaar onze zedelijk-aesthetische oordeelen tot stand komen. Daaruit volgens vijf beginselen voor de staatsleer.

Op ethiek, die het doel aangeeft en psychologie die de middelen aanwijst, is de opvoedkunde gebouwd, welke door onderricht, dat alzijdige belangstelling wekt, langs den weg van gewenning en regeering den leerling tot de tucht en daardoor tot ware zedelijkheid brengt.

Herbart heeft vele navolgers gevonden. Allereerst zijn er vele zielkundigen geweest, die zich bij hem aansloten en door degelijke leerboeken en studies bijdroegen tot de beoefening en vooruitgang dier wetenschap. Het zou hier te ver voeren, die namen te noemen en wij bepalen ons tot enkele. Drobisch en Waitz zijn als zielkundigen meer bekend. Vooral een werk van den laatste, waarin hij handelt over de statistiek der moraal in verband met wilsvrijheid is interessant en nu nog opmerkelijk.

Lazarus en Steinthal hielden zich bezig met taalstudies en hebben op 't gebied der taalkunde besliste verdienste. Zij stichtten een belangrijk tijdschrift voor taalwetenschap en volkszielkunde. In het "Tijdschrift voor filosofie en paedagogiek" vindt de Herbartsche school in Duitschland haar orgaan.

Ook de opvoedkundige ideeën werden verder ontwikkeld. Met name is hier te noemen Tuiscon Ziller (1817-'82), die voor de practijk de beginselen van den meester uitwerkte. Rein, hoogleeraar te Jena, onder wiens leiding een groote encyclopaedie der opvoedkunde verschijnt, (thans in 2den druk) en die in Jena een middelpunt van veel paedagogisch streven is, kan thans gelden als het hoofd der Herbartiaansche paedagogen. Met eere is hier ook te noemen Strümpell, die door een degelijk werk over de niet-normale kinderen (Paedagogische Pathologie) den grondslag lei, en de stoot gaf voor belangwekkende studie's op dit gebied.

In ons land wordt de Herbartsche school voornamelijk vertegenwoordigd door J. Geluk en H. de Raaf.

Geluk, vroeger hoofd der school te Dinteloord, was een man van groote kennis, veelzijdig weten, die zich door eigen studie een groote kennis van talen en wijsgeerige vraagstukken had eigen gemaakt en wiens Herbartiaansch standpunt hem niet verhinderde, ook met de psychologie der Engelschen en Franschen op de hoogte te zijn. Hij schreef een uitnemend werk over "Herbart's Opvoedingsleer," een zeer degelijk "Woordenboek voor opvoeding en onderwijs" (Groningen 1882) en verder tal van artikelen.

H. de Raaf, tot voor korten tijd directeur der kweekschool voor onderwijzers te Middelburg, gaf eerst een eenvoudige zielkunde voor onderwijzers naar Herbart's beginselen, stichtte met Geluk een Nieuw Tijdschrift voor paedagogiek, sedert herdoopt in Opvoedkundig tijdschrift, en heeft later de leer van Herbart hier ingang willen doen vinden door bewerkingen van zijn leer. Eerst gaf hij Herbart's Paedagogiek (Groningen 1903) een vertaling van een der meer populaire werken over opvoedkunde van Herbart, toegelicht met aanhalingen uit andere werken van den schrijver, en voorafgegaan door een goed geschreven levensschets, die van piëteit tegenover en kennis van den meester getuigt. Daarop volgde Herbart's Metafysica, Psychologie en Ethiek, (Groningen 1905) voorzien van een oriënteerende inleiding. Aan de psychologie en aethica gaan eveneens inleidingen vooraf.

Beide boeken zijn, door hun helderen vorm, uitnemende inleidingen op Herbart en zullen hem, die dezen denker nader wil leeren kennen, goed te stade komen.

Buiten de kringen van de beroepsopvoeders schijnt in ons land Herbart's leer weinig aandacht getrokken te hebben.

De paedagogiek als wetenschap in Nederland.

Opm. Het is hier de plaats, om een enkel woord te wijden aan de opvoedkunde in Nederland. Zij deelt niet in de belangstelling, welke zij in Duitschland geniet. Academische docenten in de paedagogiek zijn daar velen, en de paedagogiek pleegt daar opgenomen te worden in den kring der wijsgeerige wetenschappen. Sommige denkers, bijv. Paulsen, Ziehen, toonen levendige belangstelling in paedagogische vraagstukken. In Engeland en Amerika verheugt zich de kinderzielkunde en in verband daarmee ook wel de opvoedkundige studie in bloei. (James: zielkunde en opvoedkunde, ook in het Hollandsch vertaald; Stanley Hall, Monroe.) Ten onzent wordt van den aanstaanden opvoeder, voor zoover academisch opgeleid, geenerlei vorming voor zijn beroep geëischt, theoretisch noch practisch. In ons land is er slechts één privaat-docent in de opvoedkunde (Dr. Gunning [11]), die zich over het geheele terrein der paedagogiek beweegt, maar de meeste liefde voor de geschiedenis der opvoedkunde schijnt te gevoelen.

Van de vier hoogleeraren in de wijsbegeerte (die trouwens, vergeleken bij andere landen, reeds een te groote hoeveelheid vakken hebben te doceeren) geeft geen, voorzooverre mij bekend, college's in paedagogiek. Alleen bezitten we van de hand van prof. Ritter te Utrecht "Paedagogische fragmenten."

Meer belangstelling hebben de psychiaters getoond voor de opvoedkundige vraagstukken. Van de hand van eenige medici bezitten wij artikelen of brochures of dissertaties over proeven met schoolkinderen. Van vele dezer onderzoekingen lag de prikkel in het feit, dat er vrij algemeen over "overlading" wordt geklaagd.

Bij hen, die het lager onderwijs dienen, is veel grooter lust tot studie der paedagogiek. Het Ned. Onderw. Genootschap heeft een voortreffelijke paedagogische bibliotheek ondergebracht in de A'damsche universiteitsbibliotheek. Verder verschijnen een menigte boeken, tijdschriftartikels, voordrachten over allerlei onderwerpen. Toch laat ook hier de beoefening der paedagogiek dikwijls nog te wenschen over.

Gelukkig--dat met dezen slechten stand der theoretische paedagogiek een bloeiend schoolwezen gepaard gaat, dat, groote gebreken vertoonend, toch over 't geheel niet behoeft onder te doen voor dat van de meeste cultuurlanden van Europa.

Algemeene samenvatting.

Zoo kunnen wij dus dit tweede gedeelte eindigen. De tijd der speculatieve filosofie is het eerste derde deel der 19de eeuw. Aanvangend bij Fichte, loopt de groote idealistische strooming over Schelling naar Hegel, die een school nalaat, welke, zich splitsend, overgaat in het positivisme.

Een tijdlang daarna werden de idealistische systemen min of meer vergeten. In 1890 nog schrijft Heymans, dat het geslacht dergenen die nog in hun waarheidsgehalte gelooven, uitsterft of uitgestorven is. "Voor het denken van dezen tijd hebben deze systemen alle beteekenis verloren. Zij zijn dood; en het dient tot niets ze telkens weer uit hunne graven te voorschijn te halen, om te bewijzen, dat zij dood zijn."

Thans echter openbaart zich in ons land een sterke belangstelling in Hegels leer, toe te schrijven aan het optreden van Bolland.

Omstreeks het midden der 19de eeuw begint het pessimisme van Schopenhauer aandacht te trekken, na eerst een tijdlang onopgemerkt verkondigd te zijn.

Aansluitend bij Kant komt Herbart, die de vader wordt van een belangrijke ziel- en opvoedkundige school, die tot op dezen tijd vooral op de theorie der opvoeding haar invloed doet gelden, en in ons land in De Raaf en Geluk haar vertegenwoordigers vindt. Herbart is de scherpzinnigste onder de denkers die tijdens het idealisme een critische onderstrooming vormden. Schematisch geven we nog even een overzicht. De toelichtende jaartallen, die wij voor het gemak naast het schema laten drukken, moeten den tijd, waarin de denkers leefden en hunne werken verschenen, aangeven. Zij zijn in drie groepen verdeeld:

I. De denkers. II. De bij hun leven verschenen en in hun tijd verschenen werken. III. De werken na dezen tijd verschenen, die aangeven, hoe door den loop der 19de eeuw invloed bleef uitgaan van de wijsgeeren uit dezen tijd.

DE TIJD DER SPECULATIEVE FILOSOFIE WAS

In den staat: Tijd van reactie. Onderdrukking van het liberale beginsel: Heilige Alliantie der vorsten.

In de literatuur: Tijd van romantiek. (Tieck, Novalis, Hölderlin, Schlegel.) Jena is het brandpunt.

In de filosofie: Tijd van idealisme en pessimisme met een critischen onderstroom.

IDEALISME. PESSIMISME. ONDERSTROOM. | | | +-----------+----------+ | | | | | | | Fichte Schelling Hegel. Schopenhauer. Herbart. | | | | { Schleiermacher. } | Mainländer. School. { Krause. } | { Hartmann. } { Wagner. } | { Nietzsche. } Psychologen: | { Wagner. } Drobisch. | Lazarus. +-------------+---------------+ Steinthal. | | | Waitz, etc. Rechterzijde. Centrum. Linkerzijde. | | historici en Godsdienstwijsbeg.: Paedagogen: aesthetici: Strauss. Ziller. Erdman. Feuerbach. Strümpell. Zeller. Rein. Vischer. Economen: Geluk. Kuno Fischer. Lasalle. De Raaf. Marx. Bolland.

EENIGE TOELICHTENDE JAARTALLEN.

1760-1814. Fichte. 1775-1854. Schelling. 1772-1831. Hegel. 1778-1860. Schopenhauer. 1776-1841. Herbart.

1794. Fichte's Wissenschaftslehre. 1798. Schelling, Van de wereldziel. 1799. Schleiermacher, Toespraken over den godsdienst. 1807. Hegel, Phaenomenologie van den Geest. 1812-1816. Hegel, Logica. 1813. Herbart's Inleiding in de Philosophie. 1816. Herbart's Leerboek der Psychologie. 1819. Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling. 1821. Hegel's Rechtsfilosofie. 1829. Herbart's Algemeene Metafysica. 1834-1853. Joh. E. Erdmann's Geschiedenis der wijsbegeerte. 1835. Strauss, Het leven van Jezus. 1839. Zeller's studies over Plato. 1841. Feuerbach, Het wezen van het Christendom. 1841. Schopenhauer's ethiek. 1842. Drobisch, Zielkunde. 1847-1852. Zeller's Geschiedenis der Grieksche wijsbegeerte. 1849. Waitz, Zielkunde als natuurwetenschap. 1846-1858. Vischer, Aesthetica. 1857. Kuno Fischer begint zijn geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte. 1867. Marx, Het Kapitaal. 1869. Hartmann, Filosofie van het onbewuste. 1872. Strauss, Het oude en het nieuwe geloof. 1876. Mainländer's filosofie der Verlossing. 1881. Dood van Tuiscon Ziller. 1882. Geluk's Woordenboek. 1896. Bolland, hoogleeraar te Leiden. Het wereldraadsel. 1904. Bolland, Zuivere Rede. 1905. De Raaf, Herbart's Metafysica. 1908. Dood van Ed. Zeller.

DERDE AFDEELING.

DE TIJD VAN HET POSITIVISME.

§ 27. Inleidende Opmerkingen.

Het begin der 19de eeuw is op literair gebied de tijd der romantiek. Op wijsgeerig gebied die van 't idealisme. Na den bloei dezer richting komt een tijd van inzinking. Men is gedesillusioneerd. Men wendt zich af van de groote systemen. Men keert zich naar de detailwetenschappen. IJverig onderzoek op elk gebied wordt de leus, onderzoek naar feiten en samenhang van feiten, op welk gebied dan ook. Maar wat men ook mag zoeken, géén metafysica. Misschien, dat men nog erkennen wil, dat er iets achter de ons gegeven verschijnselen ligt, dat er méér ligt in de gegeven dingen, dan wij meenen; maar dan is het toch onkenbaar en doen wij dwaas, daaraan tijd en kracht te geven. Als leeuwen opgesloten in een kooi, moeten we niet trachten, de ijzeren tralies te buigen of te vermorzelen; dat zal ons toch niet gelukken. Laat ons liever probeeren, de kooi te leeren kennen, het in die kooi zoo gezellig mogelijk te hebben.

Inderdaad doen in dezen tijd de speciale wetenschappen groote schreden. De physica ontwikkelde zich meer en meer, de scheikunde deelde in dien vooruitgang. Darwin stelde zijn grootsche ontwikkelingshypothese op, Robert Mayer vond de stelling, dat alle energie behouden blijft, dat er omzetting van vorm der energie moge plaats vinden maar géén vermeerdering of vermindering. Historische studies werden ijverig bedreven. Kleine tijdperken werden met ijver bestudeerd, grootere met minder voorliefde. De filologie spitste haar beste krachten op de critische behandeling van teksten. De theologie beoefende ijverig de bijbelcritiek, plukte en rafelde en twijfelde aan elk feit zoolang, tot de critiek soms in hypercritiek scheen te ontaarden. Groote schatten van kennis werden opgehoopt en verzameld.

In het onderwijs was de geest van Pestalozzi doorgedrongen. Kennis verspreidde zich in alle lagen der bevolking door goed ingericht volksonderwijs. Welk een betere organisatie bracht niet in ons land de onderwijswet van 1857 vergeleken met die van 1806. Voor de middenklasse, die geen academische vorming begeerde, kwamen Hoogere Burgerscholen, waar niet het verleden, maar het heden de leerstof zou leveren: moderne talen, wis- en natuurkunde werden er de hoofdvakken. Niet Latijn en Grieksch zooals op 't gymnasium.

Op politiek gebied verdween na 1848 de tijd der reactie gedeeltelijk. In Frankrijk en Engeland, in Duitschland in sommige staten, in ons land was de volksinvloed (een invloed van den nijveren of handeldrijvenden of grondbezittenden middelstand) op de regeering merkbaar.

Op maatschappelijk gebied brachten de vele uitvindingen der 19de eeuw geweldige veranderingen. De oude, vaderlijke verhouding tusschen werkgever en werknemer verdween bij grooter worden van het getal arbeiders, gevolg van grooter inrichtingen. Machines en installaties eischten meer geld dan het eenvoudige bedrijf van vroeger, er kwam opeenhooping van kapitaal in enkele handen. Daartegenover begon een stand van werkenden te komen, wien gering loon werd uitbetaald. Vrije concurrentie spoorde aan tot zoo zuinig mogelijk inkoopen van arbeidskracht.

De kerk begon terrein te verliezen. Het rationalisme der 18de eeuw was niet verdwenen, had sporen nagelaten. De rustige rust na Napoleons val had ook in de kerk invloed doen gelden. In ons land was het aanvankelijk pays en vree tot ook hier het modernisme doordrong, dat, in onbarmhartige critiek op het oude en overgeleverde, voor velen de kerk sloot. Voerende geesten wendden zich af van haar, zochten niet zelden anderen werkkring. Wel ontbrak ook hier niet de reactie en met name in het godsdienstige Nederland hield een niet gering deel der natie vast aan oude Calvinistische leerstellingen.

Dit alles duurt tot '60, '70. Dan komt een reactie die in ons land, dat de geestesstemmingen der groote cultuurlanden misschien iets later weerspiegelt, omstreeks '80 duidelijk wordt. Omstreeks '60 wordt in de wijsbegeerte de leus vernomen: terug naar Kant! Lange geeft zijn Geschiedenis van het materialisme, die onder doorloopende waardeering van wat gedaan is door de materialistische denkers, steeds de klip aantoont waarop alle materialistische levensverklaring moet vastloopen. De nood der arbeidende klasse grijpt aan, maar niet op idealistisch-utopistischen grondslag tracht men tot verandering te komen. Karl Marx wil het socialisme wetenschappelijk grondvesten. De regeeringen beginnen met sociale wetgeving. De literatuur verandert zich, brengt het hartstochtelijk zoeken naar het nieuwe, de behoefte aan dieper levensgevoel tot uiting, zoekt nieuwe vormen, nieuwe taal.

De politieke constellatie verandert. Frankrijk wordt een republiek, het herstelde Duitsche rijk gaat in economischen bloei snel vooruit, Italië wordt een eenheidsstaat.

De verachting der wijsbegeerte begint langzaam op te houden.

De tijd van het positivisme ligt derhalve zoo ongeveer in het tweede derde der eeuw.

Maar vóór we de afzonderlijke denkers bespreken, past drieërlei opmerking.

Het positivisme kon gaan bloeien, toen het idealisme uitbloeide. Maar onjuist is het, om het bloot als reactie daartegen te beschouwen. Reeds eenvoudige historische feiten bewijzen dit: Comte, de groote Fransche positivist leeft ten tijde van Schelling en Hegel. Leerzaam is het volgende tabelletje:

1798 Cabanis. Fichte. Verband tusschen lichaam en Wetenschapsleer. geest van den mensch. 1809 Lamarck. Schelling. Zoölogische wijsbegeerte. Over de vrijheid. 1830 Comte. Hegel's werken uitgegeven Positieve filosofie. (1832). 1834 Bentham's leer der moraal Fichte's nagelaten verschijnt. geschriften komen uit.

Wat is n.l. het positivisme? Het wil uitgaan van de werkelijkheid, van de gegevens, zooals die zich objectief aan ons voordoen. En dan van onderen op wil het stijgen tot een omvattende kennis der geheele realiteit, evengoed als het idealisme dat wou van boven af. En evenzeer als dit, zoekt het in de geschiedenis en wil in deze, naar Kant's programma, de leidende beginselen, de stuwende krachten ontdekken, om zoo den loop der geschiedenis te leeren verstaan. Comte, evengoed als Hegel, stelt een ontwikkelingsgang op der menschheid, ziet lijn en verloop in de historie.

Ook het positivisme zet zich schrap tegenover het gebrek aan historischen zin der aufklärung. Veeleer dan een dochter van 't idealisme, die haar moeder 't leven rooft, is het positivisme een in Frankrijk geboren zuster, die weldra het Kanaal oversteekt, en, uit vrees van te vervallen in het idealisme der Duitsche, uit vrees voor verlies van 't ervarings-standpunt, duidelijke feiten van 't bewustzijnsleven over 't hoofd ziet.

Er past een tweede opmerking. Zooals er ten tijde van 't idealisme critische denkers leefden, die later hunne waardeering vonden en aanhang verwierven, zoo werken er in deze jaren van het midden der eeuw wijsgeeren, die nú hún jongeren vinden. Onder hen is vooral te noemen Gustaaf Theodoor Fechner.

Tot recht verstand kome een derde opmerking. De tijdgrenzen staan niet precies vast voor deze periode en het woord positivisme wordt als een titel gebruikt, die niet alles omvat wat in dit gedeelte gegeven wordt.

Wij gaan achtereenvolgens de Franschen na; zien, hoe daar in Comte het positivisme tot zijn hoogtepunt komt, na eerst voorbereid te zijn. In Engeland leeren we den strijd over de zedeleer kennen, de richting van het Utilisme vertegenwoordigd door de beide Mill's, van wie de zoon tevens was een uitnemend beoefenaar der logica. We zien Darwin zijn grootsche hypothese opstellen en maken kennis met de ontwikkelingsleer van Spencer.

In Nederland weerspiegelen zich deze bewegingen. Opzoomer wordt hier de verkondiger van de wijsbegeerte der ervaring, bij hem sluit zich aan zijn leerling Allard Pierson, en aanvankelijk ook Van der Wijck.

In de literatuur worden dan vele begrippen door Multatuli gepopulariseerd, die, door puntige, scherpe wijze van zeggen in ons land langen tijd een invloed kreeg, die oorspronkelijker en veel dieper denkers soms ontzegd bleef.

En, even als in 't begin der nieuwe geschiedenis gaat ook nu van Italië prikkelende kracht uit: een deel der positivistische school werpt zich op de leer van den misdadigen mensch.

In Duitschland wordt het materialisme verkondigd door Büchner, Vogt, Moleschott. De leer van kracht en stof doet opgeld.

HOOFDSTUK X.

HET FRANSCHE POSITIVISME.

§ 28. Inleiding.

De psychologische school.

In de revolutie had de aufklärung gezegevierd. Condillacs wijsbegeerte werd de wijsbegeerte van Frankrijk. Bij hem sloten zich een aantal denkers aan. In 't bijzonder te noemen is hier de arts Cabanis, die met veel ijver het verband tusschen onze stoffelijke en geestelijke verschijnselen bestudeerde. Bizonder gewichtig is, dat hij in de zielkunde het begrip van het levensgevoel invoerde. Condillac had geleerd, dat alles in onze bewustzijnsverschijnselen tot waarneming, tot zinnelijke gewaarwording was terug te voeren. (I 334). Cabanis nu wijst er op, dat ons ook uit ons organisme, uit onze hersenen, gewaarwordingen toevloeien, ja, reeds voor onze geboorte. Deze vage "gevoelens" vormen het levensgevoel. Ondanks enkele zijner uitingen rekent men Cabanis niet tot de materialisten.

Napoleon was de leer van Condillac niet gunstig gezind. Met persvrijheid was het gedaan. De aanhangers van Condillacs leer, die vooral psychologen waren, trokken zich in engeren kring terug, schaarden zich in Auteuil om Cabanis. Tot dien kring hoorde ook Maine de Biran (1766-1824). Deze merkwaardige man, iemand van diep gevoel, bestudeerde zijn eigen zieleleven met de objectieve belangstelling van een theoreticus. Hem boeide vooral het probleem van de verhouding tusschen activiteit en passiviteit in onze ziel: in hoeverre wordt deze door de indrukken van buiten beheerscht, in hoeverre beheerschen wij deze.

'n Zeer belangrijken kijk op den denker, die geen groote activiteit bezat en er niet toe gekomen is, om zijn theorieën geheel uit te werken, geeft zijn: "Intiem dagboek" in 1857 uitgegeven. (Zijn werken werden eerst lang na zijn dood bekend.) Toch werd hij door zijn hartstocht voor psychologisch waarnemen de vader der nieuwe Fransche zielkundige school. Tot zijn vrienden en geestverwanten behoorde de beroemde natuurkundige Ampère, die in wijsgeerig opzicht dicht bij hem stond.

Het autoriteitsbeginsel.

Tegenover deze school nu stond een richting, die zoo van 1815-1830, toen onder de Bourbons de reactie in Frankrijk hoogtij vierde, in eere was. Zij wees terug naar het geloof als eenig heil, naar de autoriteit van staat en kerk als onontbeerlijk. Ondanks epigrammen, guillotine en sluitredenen stond de kerk nog rechtop. Het menschdom had afdoende bewezen, dat de rede geen leidsvrouw kon zijn. Het geloof bood een vast steunpunt. Reeds in 1802 had de letterkundige Chateaubriand zijn beroemd werk over het christendom (le genie du christianisme) geschreven en Joseph de Maistre werd de verkondiger van het autoriteitsbeginsel. Buig u voor koningen, edellieden, voor paus en kerkelijke autoriteiten. Laten zij beslissen wat waar, goed en nuttig is. Zelfs de natuurwetenschap moet het ontgelden. Als zij verklaart dat vloed en eb ontstaan door de aantrekkingskracht der maan, als ze beweert, dat water uit twee deelen waterstof tegen één deel zuurstof is samengesteld, dan noemt de Maistre dit "dogma's" die betwijfeld kunnen worden.

Ons verstand begrijpt toch niet alles. Tal van onverklaarde dingen doen zich aan ons op. De oorlog bijv. door het verstand vervloekt, blijkt door geheel de schepping heen een middel tot bewaring van 't leven. Zoek den vrede in de kerk. Laat de paus de wereld regeeren, hij is onfeilbaar. Het ongeluk voor de menschheid is begonnen met de Hervorming, een der grootste euveldaden! Het zette zich voort in de 18de eeuw, samenspanning tegen geloof en kerk, waarbij de godslasterlijke hansworst Voltaire voorging.

Zooals de aufklärung alles aan de kerk en de papen weet, alles toeschreef aan opzet en bedrog, zoo doet de Maistre het aan de aufklärung.

Cousin.