Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Part 8
De groote mannen van den tijd der speculatieve filosofie waren Fichte, Schelling, Hegel. Met hen in sommige opzichten verwant, maar een andere waarde aan 't leven hechtend, was Schopenhauer, wiens hoofdwerk wel in dezen tijd verschijnt, maar wiens invloed in het midden der 19de eeuw begint. Fichte, en na hem Schelling en Hegel, knoopten aanvankelijk bij Kant aan, maar waren eigen wegen gegaan: zij hadden geacht, dat het mogelijk was het wezen der dingen, niet alleen hunne verschijningen te kennen. En daartoe geraakt men niet langs den weg der ervaring, maar langs dien der bespiegeling, die haar uitgangspunt vond in den mensch zelf. De bouwers dezer systemen waren koningen geweest in het rijk der gedachte. Hun roem had Schopenhauer overschitterd. Hun faam had der menigte zoo in de ooren geklonken, dat ook de namen van enkele anderen nauwelijks gehoord worden. Die denkers hier bedoeld, waren mannen, die zich met de richting van hun tijd niet konden vereenigen, die bezwaar hadden tegen "de modefilosofie" als een hunner zeide, die zich meer aansloten bij het criticisme van Kant.
Zij worden wel genoemd de mannen der oppositie tegen het constructieve idealisme. Zij vertegenwoordigen de critische onderstrooming in den idealistischen tijd.
Drie namen worden vooral genoemd: Beneke, Fries, Herbart. Liever, dan van alle drie iets te geven, blijven wij wat uitvoeriger staan bij Herbart. Hij is ongetwijfeld verreweg de belangrijkste van het drietal; hij is tevens in ons land en in onzen tijd een zeer bekend denker, vooral in de opvoedkundige wereld.
Leven.
Johan Friedrich Herbart werd als zoon van een rechterlijk ambtenaar den 4 Mei 1776 te Oldenburg geboren. Zijn jeugd was niet aangenaam: eigen lichaamszwakte, geen begrijpen van elkaar der beide ouders. In 1799 komt hij in Jena. Na veel moeite verkreeg hij van den vader, die liever een broodgevend beroep gekozen zag, verlof, om althans voor een jaar wijsgeerige colleges te volgen. Onder den indruk van Fichte, maar niet met blinde overgave. Critisch staat hij tegenover diens opmerkingen bij een door hem ingezonden stuk, dat vragen en zwarigheden behelsde. Schelling's leer wordt gecritiseerd. Na de universiteit huisonderwijzer in Zwitserland, waar hij Pestalozzi leerde kennen. Had noch het opvoedkundig ideaal der nieuw-humanisten, noch dat der aufklärung hem kunnen bekoren, was hij er tegen geweest, om den kinderen de zaak zoo gemakkelijk te maken, gelijk de Philantropijnen deden, in Pestalozzi's opvoedkunde zag hij meer. De kennismaking in Zwitserland is van blijvenden invloed geweest op Herbart's opvoedingsleer.
In 1802 vestigt Herbart zich als privaat-docent in Göttingen. Zijn leer is nu in hoofdtrekken klaar. Hij doceert niet alleen wijsbegeerte maar ook paedagogiek. In 1805 wordt hij--geleerdheid en bekwaamheid van doceeren stonden in goeden roep--buitengewoon hoogleeraar met 300 thaler salaris. Dan in 1809 naar Koningsbergen. Hier hoogleeraar op Kant's katheder. Bemoeienis niet alleen met de theoretische opvoedkunde, maar ook met practische opleiding van aanstaande leeraren. In 1833 keert Herbart naar Göttingen terug als gewoon hoogleeraar. Zich bezig houdend met zijn colleges en studies, in 't bizonder vervuld van zijn opvoedkundig streven, bemoeide de in de politiek conservatief gezinde denker, zich weinig met andere dingen.
In 1841 stierf hij. Herbart was een scherpzinnig denker, een groot geleerde, een hoogstaande, nuchtere, bezonnen persoonlijkheid. Koel en hoog op 't eerste gezicht. Afkeerig van verkondigen van subjectieve meeningen. Begaafd met groote liefde voor de waarheid, een leven leidend van strenge plichtsbetrachting.
Uitgangspunt.
Herbart sluit aan bij Kant. Hij erkent ook, dat wij alleen de verschijningen der dingen hebben. Het dogmatisme is door Kant voor eeuwig vernietigd. Maar achter de verschijnselen ligt een ding an sich. Voor Kant is dat een grensbegrip, voor Herbart is het iets meer. Uit onze gewaarwordingen besluiten we tot het zijn. Zooveel verschijning, zooveel verwijzing naar een zijn. Dat zijn, dat werkelijke bestaat, er is iets werkelijks, iets "reaals." Herbart staat dus niet geheel op 't zelfde standpunt van Kant, hij noemt zich zelf ergens een Kantiaan van het jaar 1828: er was vooruitgang sedert Kant.
Tegenstrijdigheden.
De taak, die Herbart voor de filosofie acht weggelegd is bearbeiding onzer begrippen. Deze zijn vol tegenstrijdigheden. Die moeten verwijderd worden. En dit kan alleen door de leer van de realen. Toonen we dit aan voor een paar begrippen, waarin Herbart tegenstrijdigheden meent te ontdekken: verandering, ik, inherentie.
Daar is water. Dat bevriest en morgen is datzelfde water ijs. Hier ligt een tegenspraak. Wij zeggen: er is hetzelfde water, A = A. Wij nemen hier het identiteitsbeginsel aan. Maar tegelijkertijd zeggen wij: A is vandaag water, morgen is A ijs, m. a. w. A is vandaag A, morgen niet A. Dit strijdt tegen het grondbeginsel der contradictie: Iets kan niet tezelfder tijd wèl iets en niet iets zijn.
Er ligt dus in alle verandering een tegenstrijdigheid.
Neem een horloge. Ge ziét het. Leg het voor uw oor. Ge hóórt het. Betast het. Ge krijgt gewaarwordingen van koude en gladheid. Ge hebt dus verschillende gewaarwordingen. Ge betrekt die op één ding, het horloge. Dit is tegelijk tikkend, glad, wit en koud. A is B, en C, en D. Het ding bezit een veelheid van eigenschappen. Hier ligt een tegenstrijdigheid: het inherentieprobleem.
Wij praten van onze ziel als van een eenheid. Het Ik denkt, doet, begeert, voelt, enz.
Ook hier eenheid en veelheid. En wat is dit ik eigenlijk? Het ik stelt zichzelf voor. Bepaal nu eens dat zichzelf, enz. Dat is weer dat, wat zichzelf voorstelt. Om dus het ik te bepalen, moeten we tot in het eindelooze teruggaan..
Ook hier dus weer tegenstrijdigheden.
Verandering-, inherentie- en ik-probleem eischen oplossing.
Oplossing.
Herbart neemt aan een "reale." Als taak der filosofen stelt hij, de tegenstrijdigheden uit de begrippen te verwijderen.
Laat ons zien, hoe hij deze weet te doen verdwijnen door zijn leer der realen.
Ziehier de grootsche hypothese, die herinnert aan de Eleaten, Democritus en Leibniz.
De wereld bestaat uit ondeelbare, eeuwig gelijk blijvende, niet verder deelbare, zichzelf handhavende "realen," die ieder weer hun eigenaardige eigenschappen hebben.
Niet oneindig, maar zeer groot, is het aantal realen.
Voor Democritus hadden er ook atomen bestaan. Maar hun verschil was er een geweest van vorm en grootte. Het onderling verschil tusschen de "realen" van Herbart is een qualiteitsverschil, een hoedanigheidsonderscheid. Vandaar dat hij zijn leer betitelt als qualitatief atomisme. Gevoeglijk zou zij ook te vergelijken zijn met de leer der Eleaten. Dezen hadden het eenige, onveranderlijke zijnde tegenover de wereld der verschijnselen gesteld, de wereld waarvan we géén waarachtige kennis, slechts doxa, meening hadden. Ook Herbart stelt eenige, onveranderlijke realen, geen zijnde, maar zijnden. Zijn leer zou meervoudig Eleatisme kunnen heeten.
Die realen handhaven zich zelf. Zij willen blijven bestaan tegenover storingen van andere verschijnselen. Alle gebeuren is een reeks zelfhandhavingen van realen die met elkaar in betrekking komen. Wat is nu verandering? Ik zie vandaag A, morgen A1, van A door een verschil onderscheiden. Een reaal verandert niet. Maar tegelijk met A neem ik nu het reaal B waar, en daardoor ontstaat het verschil. Verandering bestaat dus eigenlijk niet. Alleen kan een mensch zich met één reaal verschillende andere samendenken. Vertoont zich een ding dus achtereenvolgens als A, A1, A2, A3, dan moet er telkens een andere samenvoeging van realen zijn die ik waarneem.
Een dergelijke oplossing nu wordt gegeven van het inherentie probleem. Een ding, waarin ik verschillende eigenschappen waarneem, is een verzameling van realen, elk met zijn eigen hoedanigheid.
Wat is ons ik? Niet anders dan een verzameling, een complex, evenals een ding. Het ik-probleem valt onder het inherentieprobleem. "In het ik is velerlei bijeen: deels een samengestelde voorstelling, die echter niet nauwkeurig bepaald is, van datgene wat tot het ik behoort, deels een nog veel grooter en meer en meer aangroeiende kring van voorstellingen van andere zaken; en deze onderscheiding geeft aanleiding om te spreken van een ik en van een niet ik."
En wat blijkt hieruit voor ons onderzoek? Dat men het ik kan beschouwen als eene verbinding van vele en velerlei kenmerken; dat het dus hoort in de rij der vroeger beschouwde dingen met vele, veranderlijke kenmerken en dientengevolge valt onder het logisch hoogere begrip van het ons bekende probleem der inherentie.
De geheele werkelijkheid bestaat dus uit realen die bij storingen van buiten zich zelf handhaven. Alle gebeuren berust daarop. Alle geschieden, alle verandering hangt dus af van de betrekking, waarin het eene reaal staat tot het andere.
En door die verschillende betrekkingen aan te nemen, zijn tegenstrijdigheden op te lossen, zijn de begrippen te bearbeiden. Het doel der wijsbegeerte is bearbeiding der begrippen. Haar methode die der betrekkingen.
Wij zagen dus, dat, wanneer een ding ons morgen anders schijnt dan gisteren, wanneer het verschil vertoont, dat dit komt, omdat het in betrekking is gekomen tot andere realen. Maar gisteren en vandaag is er dan toch een reaal geweest, uitgangspunt als 't ware der reeksen die ik zie, die gelijk is gebleven. Die reale is de substantie. Zoo is er, op geestelijk gebied ook een reaal, een substantie: de ziel. Die ziel komt met andere in betrekkingen, er ontstaan een reeks zelfhandhavingen: dat zijn de voorstellingen. Maar die moeten niet opgevat worden, in gewonen zin, zoo als wij spreken van de voorstelling van een huis, een park, enz. Want deze voorstellingen zijn niet enkel. Herbarts voorstellingen zijn de enkelvoudige gewaarwordingen, bijv. één toon [10].
En hiermede gaan wij over tot Herbarts psychologie.
Psychologie.
Aan deze wetenschap kent Herbart een zeer voorname plaats toe en hij is een harer uitnemendste vertegenwoordigers. Hij weet van zijn zielkunde een samenhangend, stelselmatig geheel te maken, dat de zielkundige verschijnselen niet als een meer of minder los naast elkaar staande groep van verschijnselen opvat, maar er verbinding in weet te brengen door ze te ordenen onder algemeene beginselen. Maar ook is Herbarts zielkunde niet aan ervaring, menschenkunde, scherpen blik gespeend. Menige pagina zijner werken getuigt van voortreffelijk waarnemen.
Wat is het groote beginsel, vanwaar uit Herbart de psychologie beschouwt? Het hangt samen met zijn metafysica.
Het bewustzijnsleven is resultaat van het werken der voorstellingen. Deze werken op elkaar in naar bepaalde wetten. Zooals er voor de buitenwereld een mechanica is, die de wetten der beweging opspoort, zoo moet er een mechanica van voorstellingen komen. Dit heeft doen spreken van Herbarts voorstellingsmechanisme. De disparate voorstellingen kunnen verbindingen aangaan, bijv. de woordklank roos, het gezichtsbeeld roos, de geur, enz. Zijn voorstellingen gelijksoortig, dan vindt er versmelting plaats, bijv. het waarnemingsbeeld van een roos met het herinneringsbeeld. Zijn voorstellingen, die elkaar tegen gesteld zijn, tegelijk in 't bewustzijn, dan belemmeren ze elkaar, bijv. twee kleuren.
Er is dus verbinding, versmelting, belemmering. Bij ná elkaar komen ontstaan rijen (bijv. van een gebeurtenis) bij gelijk zijn groepen (beeld van een plein of kamer bijv.)
Elke voorstelling nu handhaaft zich zelf, ze verdwijnen dus niet. Is zij niet in het bewustzijn, dan komt dat, omdat ze belemmerd wordt. In haar zelf vindt ze een kracht, om naar boven te komen, om te stijgen. Reproductie, opnieuw bewust worden van voorstellingen kan door associatie ontstaan, maar dus ook spontaan: als de belemmeringen wegvallen.
Uit de verhoudingen der voorstellingen ontstaat het gevoel, het streven, de wil. Deze zijn nu geen afzonderlijke vermogens der ziel. Heftig bestrijdt Herbart de vroeger heerschende vermogenstheorieën, die aan de ziel aparte vermogens, b.v. voorstellingsvermogen, gevoelvermogen, begeervermogen toekende.
Zooals Herbarts metafysica in innig verband staat met zijn zielkunde, leidt deze weer tot de opvoedkunde. Het karakter van den mensch hangt af van bepaalde overheerschende voorstellingsmassa's.
Hoe langer die bestaan, hoe meer invloed ze uitoefenen en hoe sterker gewoonten ontstaan, die andere in toom houden. Onze wil wordt bepaald door onze voorstellingen, van deze hangt ons handelen af. Herbart is een voorstander van het determinisme. Zonder dit ware opvoeding onmogelijk. Hoe zou, als er geen inwerking mogelijk was, als de voorstellingen niet bepalend werkten, ooit iets gedaan kunnen worden met hoop op resultaat?
Ook aan de afwijkende verschijningen op het gebied van 't bewustzijnsleven alsmede aan het psychisch leven van groepen wijdt Herbart eenige aandacht, zij het lang niet in die mate als thans het geval is bij de zielkundigen.
Ethica.
Doch de zielkunde is niet de eenige hulpwetenschap voor de opvoedkunde. Zij geeft de middelen aan. Het doel wordt aangewezen door de zedekunde. Op welk ethisch standpunt staat Herbart?
De ethica is een onderdeel van de aesthetica. Wanneer wij bijv. een goed klinkend accoord, een samentreffen van eenige bij elkaar passende tonen hooren, vinden wij dat onwillekeurig mooi, tegenover een wan-klank. Onze belangen, onze wil blijven buiten die beoordeeling. Onwillekeurig schenken wij onze goed- of afkeuring. Dit belangelooze is het kenmerk van aesthetische oordeelen. Nu kan het oordeel ook gegeven worden over een menschelijke handeling. Ook deze kunnen we karakteriseeren als mooi of leelijk, en tengevolge daarvan kan het voornemen ontstaan om zich eveneens te gedragen. Begeeren wij iets, zien wij daden van anderen, dan kunnen wij beoordeelen, of die opkomende begeerte, die verrichte daad in overeenstemming is met dat voornemen. Dan ontstaat een zedelijk oordeel. Ter laatster instantie berust dit op een schoonheidsoordeel. Zooals Kant en Fichte nu een algemeen zedelijk beginsel gezocht hebben, tracht Herbart ook beginselen te vinden, waarnaar de zedelijk-ethische waardeering plaats vindt, en die ons als richtsnoer kunnen dienen in bizondere gevallen. Van deze beginselen kent Herbart er vijf: de vijf practische ideeën, die, ook in overeenstemming met zijn methode, berusten op betrekkingen. Zij zijn de idee der innerlijke vrijheid, der volkomenheid, der welwillendheid, van het recht, der billijkheid. En uit haar vloeien vijf ideeën voort voor de maatschappij, voor de samenleving der individuen. Wat is de inhoud dezer tien ideeën?
De idee der innerlijke vrijheid leert ons, dat dit handelen goed is, hetwelk geschiedt overeenkomstig ons zedelijk inzicht: zij heeft dus betrekking op de verhouding tusschen inzicht en wil. We zouden hier kunnen spreken van een wetgevenden wil en een uitvoerenden. De overeenstemming tusschen beide is de zedelijke vrijheid.
Het komt er echter niet alleen op aan, dat we willen zooals ons inzicht voorschrijft, maar ook, dat we krachtig, energiek willen, dat ons willen veelzijdig (zonder versnippering) zij, dat er harmonie bestaat tusschen de verschillende richtingen van den wil. Het krachtige, rijke, gezonde (harmonieuse) willen behaagt en dit vindt zijn uitdrukking in de idee der volkomenheid.
Maar--de wil van den mensch kan niet alleen in betrekking staan tot eigen inzicht, tot eigen wil (in anderen tijd, in andere omstandigheden) maar ook tot den wil van anderen. En hieruit ontspringen de overige drie ideeën.
Wanneer A den wil van B kent of zich dien voorstelt en dat willen goedkeurende, onberispelijk vindende, bevrediging van B's willen begeert, dan is er welwillendheid aanwezig. Deze doet zonder meer aangenaam aan. Het kan zijn, dat de welwillende door gebrekkige kennis, door onwetendheid verkeerd handelt: het willen van B kan slecht zijn, de middelen, gekozen om hem te helpen, ondoelmatig of verkeerd, maar daaronder lijdt niet de waardeering der gezindheid. Noch behaagt de daad, die uit welwillendheid zou kunnen voortgekomen zijn, maar haar motieven in iets anders vindt, (bijv. ijdelheid, berekening). Letten wij goed op: de gezindheid alleen is reeds voorwerp van waardeering: zij behoeft nog niet tot handelen te komen.
De verhouding bestaat hier ook niet tusschen twee werkelijke, in de buitenwereld optredende willen, maar tusschen een voorstellende, en een voorgestelde wil.
Waar twéé willen in de buitenwereld optreden, waar A zich bijv. richt op Q en B ook, waar tusschen A en B strijd ontstaat over Q, daar treedt een andere verhouding op. Wij vinden dien strijd leelijk, wij keuren hem af. Hij moet dus vermeden worden. Men kan hem ontgaan door de welwillendheid, (een of beide doet afstand) maar gewoonlijk worden er afspraken gemaakt, waaraan zich te houden, recht is. Het eerbiedigen van de afspraken, het blijven binnen de gestelde grens, wekt waardeering. Hier hebben we de idee van het recht.
Eindelijk billijken wij het, wanneer hij, die wel doet, wèl ontvangt, en omgekeerd. Er is verstoord evenwicht, als een daad onvergolden is.
Op deze waardeering bouwt Herbart de idee van de vergelding, waaronder ook de begrippen schuld, opzet, vallen.
Welke regelen gelden nu voor het leven van gemeenschappen? Hier gaan wij de omgekeerde volgorde. Met de vergeldingsidee komt overeen die van het loonsysteem, het onrecht wordt in de samenleving gestraft. Daar is het noodig, regelen te treffen, die, daar de strijd ontbranden kan, dien kunnen voorkomen, door rechtsregelen te treffen.
Met de idee van het recht correspondeert de rechtsstaat. Maar het is eveneens noodig, dat er in die samenleving zooveel mogelijk geluk voor allen zij. Met de idee der welwillendheid komt het beheersysteem overeen. Zooals voor het individueele leven de idee der welwillendheid het voornaamste is en buiten haar om recht en vergelding niet mogen uitgeoefend worden of toegepast, zoo moet in de maatschappij nooit bij vergelding, bij straf dus en bij rechtsregelen het geluk van allen vergeten worden; mag het beheersysteem niet uit het oog verloren worden. Maar de gemeenschap als geheel, moet ook trachten, tot zoo krachtige en zoo groot mogelijke ontvouwing van alle krachten te komen. Zooals het individu geleid wordt door de idee der volkomenheid, heersche in de gemeenschap het beschavingssysteem. Ten slotte moet ook in de maatschappij overeenstemming zijn tusschen inzicht en wil: er moet getracht worden de vier zooeven genoemde ideeën ingang te doen vinden.
In de bezielde maatschappij is dus de afgeleide idee gegeven, die overeenstemt met de zedelijke, de innerlijke vrijheid van den enkeling.
De politiek heeft nu tot taak de regelen te geven voor de wijze, waarop de staat en de maatschappij moeten gebracht worden tot opvolging der ideeën. De paedagogiek doet hetzelfde voor het individu.
§ 26. Opvoeding. De Herbartsche School.
Het is de verdienste, de zeer groote verdienste van Herbart geweest, dat hij een systeem gegeven heeft van opvoedkunde. Naast de theoretische wijsbegeerte, die vraagt naar het zijn, en die kénnen wil, staat de practische, die voorschriften voor handelen zoekt. Beurtelings zagen we een van beide overwogen. Tijden, dat de filosofie alleen levensleer was, waren geen eigenlijke bloeitijdperken voor het denken. Kant had, met zijn scheiding van theoretische (zuivere) en practische rede beide deelen van de wijsbegeerte recht gedaan. Ook hierin is Herbart een Kantiaan. Ook hij heeft theoretische en practische wijsbegeerte gescheiden. En in deze laatste sluit hij bij Kant aan in zijn bepalen van het schoone als een belangeloos beoordeelen, in het niet aan de ervaring ontleend zijn der ethische grondbegrippen.
Maar Herbart gaat verder. Hij beantwoordt niet alleen de vraag: hóe zijn de regels voor ons handelen. Hij begrijpt, dat zich oogenblikkelijk daarop de vraag moet voordoen: Hoe voeden we dan onze kinderen op, hoe richten we een staat in? Die laatste vraag had van oudsher veel meer de belangstelling der wijsgeeren getrokken dan de eerste. Eigenlijk is Herbart de eerste, die een wetenschappelijk stelsel van opvoedkunde ontwerpt. Locke had waardevolle aanteekeningen gegeven, Rousseau geestdrift verwekt. Kant's meeningen zijn niet te minachten... omdat... ze van Kant zijn. Maar Herbart bouwt. Deze verdienste is hem noch door voor- noch door tegenstanders ontzegd. Natuurlijk blijft hier dan nog ruimte voor tweeërlei waardeering.
Wat is--los van alles--de waarde der opvoedkunde? Heeft zij niet geringe beteekenis, waar in de opvoeding opvoeder en opvoedeling beide individuen zijn, ieder met eigen aard? Is het daar mogelijk, algemééne of zelfs veelvuldig geldende voorschriften te geven? En aangenomen de waarde van de voorschriften op zich zelve, heeft het geven daarvan invloed op den opvoeder: zal het voorschrift op zijn daden invloed uitoefenen?
En dan de tweede vraag: is de paedagogiek van Herbart de juiste, verdient zij wijziging in de grondslagen, of alleen in onderdeelen en eischt zij verder voortbouwen op eenmaal gelegd fundament?
Maar Herbart's verdienste mag daarom grooter of kleiner worden; dat hij--de eerste en tot dusver eigenlijk de eenige--een paedagogisch stelsel gebouwd heeft, dat, in nauwen samenhang met zijn leer, toch ruimte bood voor verdere practische ontwikkeling, heeft hem invloed tot nu, bezorgd.
Aan de ethiek ontleent de paedagogiek haar doel. Dit moet zijn een zedelijk sterk karakter te vormen. Deugd is het einddoel. Middel geeft de psychologie, die leert, dat de wil door voorstellingen beheerscht wordt. Het onderwijs zelf is dus middel tot opvoeding mee, alle onderwijs zij opvoedend tevens. Door aanknooping aan 't bekende wekke het onderwijs belangstelling, door geleidelijke, streng methodische behandeling der leerstof moeten heldere begrippen ontstaan. Niet door kunstmiddelen, gelegen buiten het onderwijs, maar door de goede behandeling er van, door het inzicht, moet de belangstelling komen. En, opdat er bepaalde samenhangende voorstellingsmassa's ons willen zullen bepalen, moet de leerstof zooveel mogelijk met elkaar in verband gebracht worden: liefst om één middelpunt gerangschikt. Rijk zij het willen en daarom zij de keuze der leerstof veelzijdig, veelzijdige belangstelling opwekkend.
Bij de zedelijke opvoeding onderscheide men wel tusschen regeering en tucht. De eerste is slechts betooming van drift en natuurlijke ongebondenheid, moet brengen tot legaal handelen. Zij werkt met verschillende maatregelen (gebod, verbod, straf) en ten slotte wordt door de gewenning het kind gewoon betamelijk te handelen. Maar eerst als men tracht zedelijk inzicht aan te brengen, als gezindheid gekweekt wordt, is er echt zedelijke opvoeding. Dit is het gebied van de tucht. De autoriteit van den opvoeder treedt gaandeweg op den achtergrond.
Samenvatting.
Overblikken wij nog kort Herbart's leer:
Filosofie is bearbeiding der begrippen en zij doet dit door de methode der betrekkingen en valt uiteen in een aantal bijzondere wetenschappen. De werkelijkheid bestaat uit een niet oneindig aantal, qualitatief verschillende "realen," die zich nooit veranderen. Zij handhaven zich zelf. Alle gebeuren is niets anders dan zelfhandhaving der realen. De mensch kent éérst dat gebeuren, maar zooveel schijn, zooveel verwijzing naar een zijn: uit de ervaring klimt hij op tot de realen. Deze leer van het qualitatieve atomisme stelt in staat tegenstrijdigheden op te lossen die in de begrippen liggen. Met haar wordt het probleem der verandering verklaard, door haar het inherentie-probleem, waaronder het ik-probleem valt. De ziel is een der realen, haar zelfhandhavingen zijn voorstellingen. Deze zijn het primaire van alle bewustzijnsverschijnselen. Vermogens der ziel bestaan niet. Uit het spel der voorstellingen, uit hare betrekkingen ontstaan gevoel, begeerte, wil. De voorstellingen determineeren den wil.