Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Part 4
Om iets schoons voort te brengen, moet men over meer gaven beschikken dan om het te genieten. Hiervoor is alleen smaak noodig, voor het eerste genie. Zeer mooie opmerkingen geeft Kant over het genie (voorzoover hij, in afwijking van het huidige spraakgebruik, daaronder niet het wetenschappelijk, maar alleen het artistiek genie verstaat). Genialiteit is een gelukkige aanleg, "waardoor de natuur de kunst regels geeft." Het genie is oorspronkelijk, scheppend: zijn werken kunnen tot navolging opwekken, zij kunnen niet nagebootst worden. De waarachtige kunstenaar is gansch onderscheiden van den werkman: die kan bepaalde voorschriften geven en naar vastgestelde regels handelen. Anders het genie. "Hoe het genie zijn product voortbrengt, kan hij zelf niet beschrijven of wetenschappelijk aantoonen, daarom heeft hij het ook niet in zijn macht, zijn scheppingen naar welgevallen en planmatig uit te denken en anderen dit in zoodanige voorschriften mede te deelen, dat zij daardoor in staat zijn, dergelijke producten voort te brengen."
Met deze opvatting van het genie staat Kant midden in zijn tijd, die de beteekenis der scheppende fantasie, der individueele begaving voor de kunst in helder licht had gesteld; een tijd ook, waarvoor genie soms ging beteekenen een mensch, met een zich ook in de levenspractijk uitlevende, ongebonden fantasie, met een zucht om de schoonheid ook in het leven te zoeken en te verwerkelijken, op van het burgerlijke fatsoen ver afliggende paden.
Te onderscheiden van het schoone is het VERHEVENE. Dit kan òf door zijn grootheid, of door zijn geweld, zijn kracht tot ons spreken (mathematische en dynamische verhevenheid). De laatste brengt ons in de stemming, waarvan de dichter zegt:
Betoovrend blijkt natuur, ook als zij daagt ten strijde. De blik bewondert, schoon hij beeft.
Aardbevingen, overstroomingen, stormen, kunnen dien invloed hebben.
In het gevoel voor het verhevene ligt iets neerdrukkends: de mensch gevoelt zijn eigen kleinheid. Maar tegelijkertijd ziet hij er iets in van de oneindigheid, die nergens waar te nemen is. Niet met het verstand, maar met de rede komt de fantasie nu in samenwerking; de oneindigheid immers is een rede-idee. Terwijl wij ons dus eerst als zinnelijke mensch klein gevoelen, worden wij weer opgeheven als rede-wezens.
Het gevoel voor het komische, eveneens verwant met, maar onderscheiden van dat voor het schoone, ontstaat wanneer een gespannen verwachting plotseling in niet overgaat [3]. Zoo worden we als 't ware voortdurend opgewonden en loopen plotseling af. Veel gewicht hecht Kant aan de hiermee gepaard gaande lichamelijke gewaarwordingen, die ons krachtiger levensgevoel geven.
§ 12. Kant's invloed.
Kant's invloed is overweldigend geweest.
Aanvankelijk begrepen zijn tijdgenooten hem niet. Niet tot een bepaalde partij behoorende, meende ieder in hem een vijand, zonder meer te zien. Reinhold zegt daaromtrent in zijn brieven over de Kantiaansche Wijsbegeerte, dat ieder hem voor een vijand aanzag: de dogmatici voor een scepticus, die alle zekerheid van 't weten ondergroef, de sceptici voor iemand, die een nieuw dogmatisch systeem wou opbouwen, de spiritualisten voor een materialist, de materialisten voor een spiritualist, enz.
Lang duurde die miskenning niet.
Op verschillende wijzen werkte Kant.
Zijn schoonheidsleer trok den grooten denker Schiller, en door dezen raakte ook Goethe met Kant bekend. Schiller heeft Kant's leer van het schoone verder ontwikkeld. Reinhold (1758-1823) heeft door zijn brieven veel gedaan tot populariseering der Kantiaansche wijsbegeerte. Gedeeltelijk afwijkende leer verkondigde Maimon, die zich met ongelooflijke moeite (hij was een Poolsche Jood) tot zoo'n hoogte had opgewerkt, dat Kant zei, dat niemand als hij zoo goed de hoofdzaak had verstaan.
Weldra werd aan alle universiteiten bijna het criticisme geleerd en leeraren, die zich tegen Kant verzetten, werden van geliefde en geachte meesters vergeten grootheden.
Van heinde en ver kwam men naar Koningsbergen om Kant te zien en te hooren.
Enkele uitdrukkingen kunnen aantoonen, welk een invloed men hem toeschreef.
Mendelssohn sprak van den "alles vernietigenden Kant" en Jean Paul riep in geestdrift uit, dat Kant met zijn zedeleer géén licht had doen opgaan, maar zèlf een glanzend zonnesysteem was.
Ook in ons land vond de Kantiaansche wijsbegeerte belangstelling. Als aanhanger daarvan deed zich kennen Kinker (1764-1845), een geestig schrijver, die van 1817-1830 hoogleeraar in de Hollandsche taal aan de universiteit te Leuven was. Over hem als wijsgeer heeft Prof. v. d. Wijck uitvoerig gehandeld.
De Kantiaansche wijsbegeerte werd bestreden en het oude Christelijk geloof gehandhaafd door den dichter Rhijnvis Feith (1753-1824), die in 1806: "Brieven aan Sophie over den geest van de Kantiaansche wijsbegeerte" schreef, welke door Kinker in een vinnig geschrift: "Brieven van Sophie aan Feith," beantwoord werden.
Het verdere verloop der waardeering blijkt uit het vervolg.
TWEEDE AFDEELING.
DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.
§ 13. Voorloopige opmerkingen.
Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.
Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.
Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van het romantisme.
Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is. [4]
Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte, terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in de kunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat. [5] De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.
Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.
Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant's leer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, de intelligibele wereld.
Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met het denken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.
De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.
Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.
Drie groote speculatieve filosofen zijn er.
Fichte, de ethicus, die 't meest uitgaat naar de zedenleer.
Schelling, de kunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.
Hegel, de denker.
Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. "Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw" (Eucken). De school van Hegel vormt met haar linkerzijde den overgang tot het positivisme in Duitschland.
In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.
Dit gedeelte is genoemd de tijd der speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemen Herbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
HOOFDSTUK V.
FICHTE.
§ 14. Leven en Werken.
Leven.
De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht--hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!--vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant's wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die van Kant's boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem--hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden--te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: "Proeve eener critiek van alle openbaring". Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant's godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant's werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in 't ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe's toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.
Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.
Werken.
Fichte's werken zijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgang te ontdekken, maar geen totalen omkeer.
In 1794 verscheen de "Grondslag der geheele wetenschapsleer." In 1797 gaf hij daar nog "Inleidingen" op en in 1800 verscheen: "De Bestemming des menschen." Verder zijn te noemen: "De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L." (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).
Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) "De toespraken tot de Duitsche natie," "De bestemming van den mensch," "Systeem der Zedenleer" en "Feiten van het Bewustzijn" (1811).
§ 15. Theoretische filosofie.
Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid en duidelijkheid geen misverstand buitengesloten en was zoo--zij het onwillens--vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennis vorm en inhoud onderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.
Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:
Een stelsel te ontwerpen, dat alles uit één beginsel afleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maar den laatsten oorsprong zoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.
Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?
Tweeërlei is mogelijk.
Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.
En men kan zeggen:
Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is het absoluut idealisme.
Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is een daad, een wilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit 't bewustzijn worden verklaard.
Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is: het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. "Denk den muur en denk nu, die den muur denkt."
Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, een handeling. Maar--het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd: "In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik."
Het ik en niet-ik perken elkaar "in."
Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.
Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.
In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. "Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren."
Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met
1. een gewaarwording te hebben (bijv. van rood, geur);
2. komt tot de aanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,
3. vormt in tijd en ruimte een beeld (bijv. roos) van het aanschouwde,
4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu een voorwerp ontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).
5. De oordeelskracht is het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).
6. Het hoogste stadium, de rede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.
Maar nu kan ook gevraagd worden: hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het. Dàt het ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maar waarom dat niet-ik gesteld?
Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.
Wij moeten handelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.
Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.
§ 15a. Practische filosofie.
Zedeleer.
Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijn natuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moet komen tot handelen om der wille van het handelen, hij moet vrij zijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. De luiheid is het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, is geweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar ons geweten te handelen; ieder in zijn ambt en staat.
Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan "deugdgenieën", in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.
Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking van het ik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom--niet als doel maar als middel--bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen--zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik niet alleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, "een gemeenschap der heiligen."
Rechtsleer.
De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van het recht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.
Zoo is de algemeene rechtsregel:
"Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn."
In het begrip der persoonlijkheid liggen de "oerrechten" [6] van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.
Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dus dwangrecht. Maar om dit in 't werk te kunnen stellen, moet er een staatsrecht zijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.
Huwelijk.
In een aanhangsel van het "Natuurrecht" behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepen openstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.
Staat.
Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat ieder eigendom heeft en werken kan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z'n socialisme vele reaktionaire elementen.
Godsdienst.