Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2

Part 3

Chapter 33,495 wordsPublic domain

Kant behandelt die tegenstellingen ook en tracht ze op te lossen. Merkwaardig is, wat hij zegt van de laatste. De mensch is burger van twee werelden: als verschijning is hij onderworpen aan de natuurwetten, als "ding an sich" is hij vrij. In de phaenomenale wereld heerscht alleen causaliteit naar natuurwetten. In de intelligibele wereld is de mensch vrij. In zijn causaal bepaald karakter, zooals dat in de phaenomenale wereld uitkomt, weerspiegelt zich echter zijn intelligibel karakter en daarom ook is hij verantwoordelijk.

Op de idee God berust de SPECULATIEVE THEOLOGIE, die eveneens door Kant wordt verworpen. Geen der drie bewijzen voor het bestaan van God acht hij houdbaar. Allereerst verwerpt hij het door hem met onderscheiding behandelde bewijs, dat Gods bestaan uit de doelmatigheid der wereld afleidt. Het physisch-theleologisch bewijs is o. a. daarom niet houdbaar, wijl het alleen maar verklaren kan dat de bouwmeester van het heelal zeer machtig en wijs, niet almachtig en alwijs kan geweest zijn.

Het kosmologisch bewijs stelt God als de eerste oorzaak. Maar omdat wij een eerste oorzaak willen aannemen, ja, bijna moeten, om tot eenheid van kennis te geraken, daarom mogen wij aan die hypothetisch gestelde oorzaak, die buiten de grenzen der ervaring ligt, geen werkelijk bestaan toekennen.

Het ontologische bewijs (Deel I, pag. 189), dat uit het begrip God zijn bestaan afleidt, wordt verworpen, wijl het bestaan niet tot de kenmerken van een begrip behoort. "Honderd werkelijke daalders bevatten niets meer dan honderd gedachte." Het bestaan zegt hoe een ding zich tot onze kennis verhoudt, het moet bij een begrip gevoegd worden en dan krijgt men een oordeel, waarin een bestaan wordt uitgesproken. Uit God als begrip kan ik niet zijn bestaan halen. Ik moet dan zeggen: God is. In het begrip God zijn dan echter geen meer kenmerken gekomen, het is als bestaande gezet [geponeerd].

Zoo is dus de speculatieve theologie ook afgebroken. Het voordeel is ook weer hier, dat daarmee meteen aan de godloochening het wapen uit de hand is geslagen. Men kan ook niet bewijzen, dat God er niet is. Er is dus plaats voor geloof. En gelóóft men eenmaal aan God, dàn kan de speculatieve idee het Godsbegrip louteren en zuiveren, en daaruit alle elementen verwijderen, die er niet in hooren.

Opm. Dit gedeelte behandelt Kant in de transcendentale DIALECTIEK, die dus den schijn moet behandelen, niet de waan, die individueel is en òf door slordig waarnemen òf slordig nadenken ontstaat, maar de waan in den mensch, die natuurlijker wijze ontstaat. De rede ontwerpt hier begrippen, die wij ideeën kunnen noemen. Zij zijn niet konstitutief, maar regulatief. Drie dezer ideeën zijn er: ziel, wereld, God.

Deze ideeën liggen buiten het gebied der ervaring: ze zijn transcendent (wel te onderscheiden van transcendentaal, wat Kant zelf helaas niet altijd heeft gedaan). Door deze transcendente ideeën als objecten voor kennis te behandelen, heeft men de rationeele psychologie, kosmologie en theologie gekregen. De eerste brengt tot alogische redeneeringen, tot paralogismen, de tweede tot de vier beroemde antinomiën, waarin these en antithese beide gerechtigd schijnen, de derde tot de drie, niet houdbare bewijzen voor 't Godsbestaan.

Overblikken wij nu de kritiek der zuivere rede.

Onze zinnelijkheid geeft ons waarnemingen, door de aanschouwingsvormen van ruimte en tijd, die aprioristisch zijn, geordend. Ons verstand voegt de waarnemingen onder de kategorieën door middel der schema's.

Zuivere wiskunde is mogelijk en ontleent haar algemeen geldig en volstrekt karakter aan de aprioriteit van tijd en ruimte. Uit de aprioriteit der kategorieën volgen enkele aprioristische grondregels, waarnaar wij onze ervaring opbouwen. De dingen schikken zich naar ons. Het substantie- en causaliteitsbegrip zijn hier het voornaamste. Gaan wij de ervaring overschrijden, dan brengt de rede ons tot de ideeën van ziel, wereld en God, die ons verborgen blijven en geen eigenlijk voorwerp van kennis zijn. Het zijn grensbegrippen.

Onze kennis, die dit eerst wordt, als we ervaringen (geen waarnemingen) hebben, blijft beperkt tot de wereld der verschijnselen. De achter de phaenomenale wereld gelegen noumenale wereld blijft ons verborgen. We weten alleen dat ze bestaat. We moeten ons hoeden voor de dwaling, verschijning als schijn op te vatten. Ook de verschijningswereld is werkelijk.

Opm. We geven hier nog een kort schema.

KRITIEK DER ZUIVERE REDE.

Transcendentale Transcendentale Transcendentale aesthetiek. analytik. dialectiek.

-- -- -- Ruimte en tijd. Kategorieën. De redebegrippen of Ideeën. Aprioristische Zuivere -- aanschouwingsvormen. verstandsbegrippen. Phaenomena. -- Ziel. Noumena. Deductie. Paralogismen der psychologie. Ding an sich. -- Wereld. Transcendentaal Antinomiën. (theses en schematisme van 't antitheses) der verstand. rationeele kosmologie. Grondstellingen van 't God. verstand. (o. a. analogieën der ervaring.) De substantie blijft. De drie bewijzen der speculatieve theologie. Causaliteit.

HOOFDSTUK III.

PRACTISCHE FILOSOFIE.

§ 8. Zedeleer.

Evenals in de kennisleer heeft Kant in de zedeleer ook een ontwikkelingsgang van jaren doorgemaakt, voor hij tot de vaststaande opvattingen van de kritiek der practische rede (1788) kwam. Aanvankelijk oefende Wolff grooten invloed. Later maakten de Engelsche moraalfilosofen, (Shaftesburry, I, pag. 309) en Rousseau grooten indruk. Ten slotte bouwde ook hier de denker een eigen trotschen bouw, die de tijdgenooten nog meer imponeerde, dan zijn theorie der kennis. Hij vertoont daarmee groote overeenkomst.

De kritiek der zuivere rede zoekt aprioristische beginselen te vinden, ook wel transcendentale of formeele genoemd, die ten grondslag lagen aan de kennis van wiskunde, natuurwetenschap en metafysica.

Die beginselen waren als vorm scherp onderscheiden van den inhoud der waarnemingen en ervaringen.

Op het gebied der ethiek nu zocht Kant ook naar een zuiver beginsel, naar een vorm, waaronder zich alle zedelijk voorschrift laat brengen. "Niet een nieuw beginsel, maar een nieuwe formule der zedelijkheid" wordt in de Kritiek der Practische Rede opgesteld.

Autonomie.

De vorm van ons willen wordt ons niet opgedrongen, maar voorgeschreven. De wet voor den wil is geen natuurwet, die zegt dat dit en dat zoo ìs en niet anders kàn, maar dat dit en dat zoo behóórt. De wet echter stamt uit onze practische rede evengoed a priori als de natuurwet uit de zuivere. Zooals daar het verstand de natuur de wetten voorschrijft, zoo hier ook. Daarom is Kant's zedeleer AUTONOOM: niemand anders, niets anders schrijft ons de zedewet voor. Wijl autonoom, kan de zedeleer niet berusten op Gods wil, niet op den lust, niet op het algemeene welzijn. Verworpen worden dus de moraalsystemen, die uitgaan van Goddelijk gebod, van den lust (hedonisme), van het meegevoel, van de sympathie, (zie I, pag. 84 en pag. 323). Niet op den wil van een ander, niet op den lust (waarvoor ieder al genoeg uit zichzelf zorgt, en dat dus niet voorgeschreven behoeft te worden) niet op de sympathie, d. i. op den onvasten bodem van het gevoel, kan de zedeleer berusten, die in haar opperste beginsel van absolute geldigheid voor ieder en voor allen tijd is.

De goede wil.

Er is ook maar één ding te waardeeren: den goeden wil. Alle z.g. goede dingen kunnen verkeerd aangewend worden. Dapperheid, een deugd, kan door boozen wil verkeerd worden aangewend; evenzeer verstand, bekwaamheid, enz. Waar het dus bij de zedelijke beoordeeling op aankomt, is niet de verrichte daad, maar de wil die voorzat. Niets in of zelfs buiten de wereld is te denken, wat onbeperkt als goed geacht kan worden, dan de goede wil.

Legaal en moraal.

Er zijn daden, die op zichzelf niet zijn af te keuren, maar die eigenlijk toch geen voorwerp van zedelijke waardeering zijn.

De koopman, die zijn klanten eerlijk behandelt, om de klandisie niet te verliezen, de werkman, die zijn plicht stipt vervult, om niet ontslagen te worden, zij handelen beiden wettig, legaal. Wij waardeeren deze handelwijze, maar vinden ze niet zedelijk-goed. (Natuurlijk ook niet kwaad!) Men kan ook uit neiging, uit gevoel, uit sympathie, uit welwillendheid, den arme weldoen, den vriend bijstaan, uit eerzucht zich beijveren. Maar ook dit is nog legaal. Slechts wanneer men iets doet, dat men zijn plicht acht, zelfs tègen zijn neiging in, dan wordt de handeling moreel. De zedewet te gehoorzamen uit plichtbesef, dat is de ware zedelijkheid.

Rigorisme.

Op deze laatste onderscheiding (v.g. ook I, pag. 142) is veelvuldig aanmerking gemaakt. Men heeft over 't geheel gemeend, dat Kant aan de goede handeling uit neiging en sympathie te weinig waarde toeschreef. Het is zeer goed mogelijk, dat men iemand bijstaat, zoowel uit plichtbesef als uit sympathie. Schiller, die overigens niet tegenover Kant stond, drukte dit uit in zijn bekend versje:

Gaarne dien ik den vriend, doch ik doe het helaas nog met neiging. En daarom kwelt het mij vaak, dat ik de deugd niet bezit. Daar is geen andere raad: probeer het, hem te verachten, En doe met afschuw dan, wat de plicht u gebiedt.

Maar vragen wij nu: wat schrijft de plicht, in wiens opvolging alleen ware zedelijkheid ligt en wiens formule uit ons zelf stamt, dan voor?

Het antwoord daarop geeft de kategorische imperatief. "Handel zoo, dat het richtsnoer van úw wíl tegelijk als voorschrift voor een algemeene wetgeving kan gelden." [2] Telkens, wanneer er dus een bepaalde daad verricht dient te worden en wij twijfelen, of ze goed is, kunnen wij vragen: Wanneer ieder naar mijn beginsel handelde, wat zou er dan van de menschheid worden? Nemen we maar één practisch voorbeeld. Wij kunnen ons geen samenleving voorstellen zonder vertrouwen; bestond dit niet, alle beschaving, alle maatschappelijk samenleven hield op. Vertrouwen schenden is dus verkeerd, omdat onmogelijk gewenscht kan worden, dat iedereen dit doet.

Deze stelregel is de KATEGORISCHE IMPERATIEF van Kant. Een imperatief is het, omdat de regel gebiedend optreedt, objectief geldig is (imperare = gebieden). Een imperatief moet onderscheiden worden van een maxime, een subjectieve meening van een bepaald individu. Kategorisch is de imperatief, omdat ze niet aan voorwaarden gebonden is, maar algemeen geldig. Ze staat tegenover de hypothetische imperatief (als ge dokter wilt worden, moet ge in de medicijnen studeeren) die een gebod behelst, dat slechts onder bepaalde voorwaarden geldt.

De toepassing van den kategorischen imperatief op de verschillende levensomstandigheden hangt van vele omstandigheden af. Hij is dus een algemeen, a. h. w. ledig beginsel, maar kan in een andere formuleering wat concreter kleur bekomen. Die formuleering hangt samen met de onderscheiding van doel en middel. Men kan nl. onderscheiden, dingen, die middel zijn, (bijv. voedsel, kleeding, woning, kunstgenot), en die door andere te vervangen zijn en eerst van beteekenis worden, als ze tot iemands behoeve worden aangewend, en dingen en personen, die doel zijn, die geen prijs hebben, maar waarde. Dit zijn bijv. de zedelijke gezindheid en de mensch. "Zedelijkheid en de menschheid, voorzooverre zij geschikt is, zedelijkheid te hebben, zijn het eenige wat waarde heeft." En hieruit vloeit een andere formuleering van den kategorischen imperatief.

"Handel zoo, dat gij de menschheid, zoowel in uw eigen persoon als in den persoon van ieder ander immer tegelijk als doel, nooit bloot als middel beschouwt."

Een werkgever mag dus zijn werknemers niet bloot als middelen, om zijn zaak te drijven, beschouwen, een veldheer zijn soldaten niet als "kanonnenvleesch" en meer niet, aanzien.

In hoeverre hebben we nu, ons zelven en de menschheid als doel beschouwend, te letten op eigen zedelijke volmaking, op het geluk van anderen! Bij sommige systemen staat het eene, bij andere het laatste meer op den voorgrond. Ook hier treedt Kant, als in de kennisleer, overbruggend op. Maak eigen volkomenheid en anderer geluk tot doel van uw handelingen. Een ander kan ik niet volkomen maken: de volkomenheid bestaat in de gezindheid en die kan ik een ander niet schenken. Eigen geluk te verzorgen is geen zedelijke plicht, dat streef ik van zelf al na.

Wij hebben dus plichten tegen ons zelven (volmaking van lichamelijke en geestelijke kracht) en tegenover anderen (hulpbetoon). Medelijden als gevoel verwerpt Kant: het is een vermeerdering van lijden; wat hij eischt, is medelijden als daad, de klaarstaande hulpvaardigheid. De vriendschap wordt zeer hoog geacht, in haar is evenwicht van achting en genegenheid. (Voor de groote, ook zedelijke beteekenis van het huwelijk had Kant weinig oog).

Vatten wij het gezegde kort samen, dan krijgen wij:

Er is een aprioristisch formeel ethisch beginsel, niet steunend op iemand of iets anders.

Het verstand geeft zichzelf de wet: onze zedeleer is autonoom. Dat zuivere zedelijk beginsel is de kategorische imperatief. Waarachtig zedelijk, moreel, handelt alleen, wie zijn plicht doet tegen zijn neiging in. Legaal handelt hij, die uit neiging of uit nuttigheidsoogpunt handelt. Voorwerp van zedelijke waardeering is alleen de goede wil.

De kategorische imperatief eischt, dat wij onze persoonlijke zedelijke inzichten, onze maximen zóó stellen, dat zij algemeene objectieve zedelijke beginselen kunnen zijn; dat wij nooit eenig mensch alleen als middel behandelen.

De bijzondere plichten zijn plichten tegen ons zelven (eigen volmaking) en anderen (hun geluk).

§ 9. Theologie.

Kant had de speculatieve theologie verlaten. De idee God was een waan gebleken, een wel natuurlijkerwijze ontstaan idee, maar desniettemin een grensbegrip, onze ervaring te boven gaand. De bewijzen voor het bestaan Gods waren gewogen en te licht gevonden. Verdween daarmee ook het geloof aan God? En was, met de afbraak der rationeele psychologie ook het geloof aan 's menschen onsterfelijkheid vernietigd? Neen. Noch het geloof aan God, noch dat aan vrijheid en onsterfelijkheid was te loor gegaan. Als geloof waren zij behouden.

Waarop bouwde zich dat? Had het grond?

Ja, die was te vinden in het zedelijk bewustzijn!

Wij geven ons zelven de wet, dus vrij zijn wij. Onomstootelijk vast staat de zedewet. En van dat feit uitgaande, weet de mensch zich burger van een intelligibele wereld, waar vrijheid heerscht. Met de zuivere rede bewijs ik die vrijheid niet, maar als postulaat vloeit ze onmiddellijk voort uit de praktische rede, die ons de zedewet oplegt. In de kennisleer is aangetoond, dat het aannemen der vrijheid niet tégen de rede strijdt. Daar is de ruimte gemaakt voor de postulaten, die de practische rede stelt. En kunnen wij ons geen aanschouwelijke voorstelling maken van de andere wereld, wij mogen toch een andere causaliteit veronderstellen voor de wereld der "dingen an sich".

Het geloof AAN DE ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL is eveneens een postulaat der practische rede.

Wat eischt de zedewet? Dat wij er volkomen naar zullen handelen. Maar in dit korte leven vindt die volkomen overeenstemming tusschen wet en leven niet plaats. Zoo hopen wij op een voortdurend bestaan, opdat wij hoe langer hoe meer het zedelijk ideaal zullen kunnen naderen.

Eveneens zijn we gerechtigd, en dit is het derde postulaat, aan God te gelooven.

Deugd en gelukzaligheid moeten samengaan, maar in dit leven zien wij dit dikwijls anders. Zoo moeten wij aannemen, dat alleen een àl-wijs, àl-goed, àl-machtig wezen, dat de zedelijke wereld regeert, dat de natuur geschapen heeft, recht zal doen en de juiste verhouding zal herstellen.

Op het zedelijk zelfbewustzijn bouwt Kant dus de drie groote religieuze beginselen, die hij steeds aanhing: vrijheid, onsterfelijkheid, God. Niet op den godsdienst berust de moraal, zooals zoo dikwijls geleerd was. Ook hier keert Kant om. Aan de zekerheid van de zedewet en aan hare majesteit ontspringt ons geloof.

Hoe is nu de verhouding tot de geopenbaarde religies? De inhoud der eigenlijke religie valt samen met die der moraal. De rede heeft nu na te gaan, welke van de bijzondere toevoegselen, die de bestaande historische godsdiensten voegen bij het zuivere redegeloof, te rechtvaardigen zijn. Daarbij mag men niets van te voren aannemen, noch verwerpen.

Kant zelf waardeert den bijbel zeer hoog en tracht vele christelijke leerstukken een wijsgeerige beteekenis te geven, bijv. den zondenval, de wedergeboorte, de Christusidee, de kerk. Veel meer, dan de denkers der aufklärung, weet Kant de historische roeping der kerk te waardeeren. Zij was het werktuig om de zuivere religie in hare vormen te verbreiden. Het wonderengeloof acht hij tegen de wetten der ervaring en niet noodig voor onze zedelijke verheffing. Voor den theoloog als geleerde eischt Kant vrijheid--op den kansel heeft hij de gebruikelijke symbolen, waarin de waarheid zich hult, te eerbiedigen.

§ 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer.

De zedewet eischt de gezindheid, het recht, de wet van den Staat vraagt niet meer dan de handeling. Degene, die de wet overtreedt, ontvangt straf. Deze wordt niet gegeven, opdat niet gezondigd wordt, noch tot verbetering der misdadigers, maar als vergelding: ieder moet dàt krijgen, wat hij verdient.

Den besten regeeringsvorm acht Kant, die zoowel den Amerikaanschen vrijheidsoorlog als de Fransche revolutie met groote belangstelling volgde, en democratisch gezind was, een constitutioneele monarchie. De wetgevende macht hoort bij het volk, de uitvoerende bij den koning, de rechtspraak bij door het volk gekozen rechters. Erfelijke adel behoort er niet te zijn. Vrijheid van gedachtenuiting bevordert het algemeen welzijn.

Men mag met grond hopen, dat de menschheid vooruitgaat, zoowel in zedelijk als in verstandelijk en technisch opzicht. Geloofde men niet aan dien vooruitgang, dan zou men zijn plicht, aan dezen mede te werken, niet kunnen vervullen.

Ook de ervaring spreekt er voor. Wel schijnen de steeds meer gehoorde klachten over den achteruitgang van het menschelijk geslacht daar tegen in te gaan, maar deze bewijzen slechts, dat de menschheid haar ideaal hooger heeft leeren stellen.

Er is dus hoop, dat de menschheid meer en meer den toestand van eeuwigen vrede nadert. Dit is het doel der geschiedenis: uit den "noodstaat" tot den "redestaat" (Vernunftstaat) te komen.

Eigenbaat, die zekerheid wenscht voor handel en verkeer, werkt samen met de ontwikkeling van het zedelijk bewustzijn. Scheidsgerecht zal misschien eenmaal den oorlog vervangen. Dit optimisme voor de toekomst maakte Kant niet blind voor de vele gebreken van den mensch zooals die nu is en zoo sterk treden die soms in 't licht, dat men wel in Kant een voorlooper van 't pessimisme heeft willen zien.

Over opvoeding heeft Kant hier en daar meeningen geuit, terwijl er ook een verzameling van aanteekeningen bestaat over dit onderwerp. Het is belangrijk er op te wijzen, dat hij de tegenvoeter is van Locke--Rousseau en Basedow ten opzichte der zedelijke opvoeding. Absoluut is hij er tegen, om de voorschriften der zedeleer door belooning aanlokkelijk te maken, om door 't opwekken van 't eergevoel een naijver tot zedelijke inspanning te voeren, om door de gevolgen af te schrikken van de ondeugd. Het kind moet langzamerhand bewust worden van het zedelijk grondbeginsel, dat hij in verschillende omstandigheden ziet toegepast. Men moet het kind over bijzondere gevallen doen nadenken. De natuurlijke straf van Rousseau laat het kind opkomen voor de gevolgen van zijn daad. Kant wil, dat het de schande, niet de schade van zijn ondeugd inzie. Evenmin is hij er voor, sterk op het gevoel van het kind te werken. Door gewenning en intooming moet het kind gedisciplineerd worden, als voorbereiding voor de eigenlijke wilsopvoeding.

Ondanks dit diepe theoretische verschil, had Kant groote sympathie voor Basedow's inrichting te Dessau, die hij als een proefschool beschouwde. Die sympathie hing ook hiermee samen, dat Kant weinig voordeel ziet in het oprichten van scholen door den staat en de vorsten; deze zullen met hun onderricht geen algemeen-menschelijke vorming nastreven, geen wereldburgers kweeken, maar slechts eigen bizondere doeleinden najagen. De stichting van scholen is beter toevertrouwd aan weldenkende, verlichte menschen.

Dat Kant, die door een verstandige levenswijze zich zelf bij zwak lichaamsgestel vrij gezond had weten te houden, de lichamelijke opvoeding niet ongenegen is, behoeft nauwelijks vermelding; evenmin dat de denker, die op de ontwikkeling der rede zoo grooten nadruk lei, zich ergerde aan een vormendienst kweekend godsdienstonderwijs, dat veel onbegrepens liet van buiten leeren.

HOOFDSTUK IV.

SLOT.

§ 11. Schoonheidsleer.

De leer van het schoone (daar Kant aesthetica gebruikt in den zin van waarnemingsleer, is het beter hier het woord aesthetica te vermijden) wordt in de derde critiek behandeld, die in indeeling zooveel overeenkomst met de eerste vertoont, dat de stof geperst wordt in ondoelmatige vormen. De critiek der zuivere rede behandelde hoofdzakelijk de werking van 't verstand. Die der practische rede ziet, met haar zedeleer, op den wil. De critiek der oordeelskracht betrekt, met hare behandeling van het schoone, ook het gevoel in den kring der Kant'sche onderzoekingen.

Ook ten opzichte van het schoone neemt Kant een standpunt in tusschen empirisme en rationalisme. Voor de Engelschen (Burke, I, pag. 324) was het mooie een zinnelijk welgevallen geweest. Baumgarten (I, pag. 357), uit de school van Wolff, had het schoone gelegen geacht in het ding, het schoonheidsgevoel als een lagere, minder heldere kennis beschouwd.

Ook hier weer toont Kant de werkzaamheid van het waarnemende subject aan. Het schoone is niet gelijk met het ware, dat een voorwerp van kennis is. Het schoone wordt ook niet begeerd, vanwege zijn nuttigheid of zijn zedelijke waarde, zooals nuttige en goede dingen, maar het wordt beschouwd. Het schoone wordt niet, als aangename spijze of drank zinnelijk genoten, het wordt niet practisch gebruikt.

Het schoone behaagt ons dus, bevalt ons, zonder dat wij er belang bij hebben, het wekt een "belangeloos welgevallen." Dat welgevallen ontstaat, als wij, bij de waarneming van eenig voorwerp, fantasie en verstand in evenwicht kunnen laten werken. Waar wij iets gemakkelijk opvatten, is het voor ons doelmatig. Zien wij bijv. een mooie figuur, wier lijnen wij zonder moeite volgen, dan past dat aan bij onze opmerkzaamheid; zonder dat die figuur een doel heeft, en wij het doel er van vragen, is er toch iets doelmatigs in, voor òns. De aanschouwende mensch maakt de schoonheid en het is juister te zeggen, dat iets schoon gevonden wordt, dan dat iets schoon is.