Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Part 2
Het zijn geen begrippen. Waarom niet? Nemen we bijv. het begrip zoogdier. Dit heeft onder zich andere begrippen en voorstellingen: bijv. knaagdier, roofdier, díe hond, mijn paard, enz. Wolff nu had gemeend, dat ruimte en tijd abstracte begrippen waren, verkregen, doordat we aan alle dingen ruimte, aan alle gebeurtenissen tijd waarnemen; zooals we bijv. het begrip zoogdier krijgen door aan vele dieren het zoogen der jongen, zeven halswervels, warm bloed, enz. waar te nemen en die kenmerken tot één begrip te vereenigen. Maar dit is onjuist. Immers de ruimte en de tijd hebben de afzonderlijke tijden en ruimten niet onder zich, maar dat zijn stukken van den éénen tijd, van de ééne ruimte. De afzonderlijke tijden en ruimten zijn in den tijd en de ruimte, er niet onder.
Alles wat wij waarnemen, nemen we dus noodwendig in de ruimte en in den tijd waar.
Dàt er ruimte en tijd is, ontdekken wij eerst met en bij de ervaring, maar de aanschouwingsvormen krijgen wij niet door de ervaring, zij zijn voor de ervaring, gegeven door de organisatie van onzen geest. Voor ónze ervaring hebben ruimte en tijd dus een werkelijk bestaan. Of ze ook buiten onze ervaring bestaan, en of anders georganiseerde wezens ook de dingen en gebeurtenissen tijdelijk en ruimtelijk geordend zouden aanschouwen, valt voor ons niet uit te maken.
Deze opvatting nu der ruimte maakt een verklaring mogelijk van de eigenaardigheden der wiskundige oordeelen.
Welke zijn die?
Nemen we een eenvoudig oordeel: De som der hoeken van een driehoek is 180°. We zijn overtuigd, dat dit niet anders kan. Het is noodzakelijk, dat dit zoo is.
Als gij zegt: dit boek is uitgegeven in de Wereld-bibliotheek, zegt ge óók een waarheid.
Maar 't zou best anders kunnen zijn.
Het zou ook uitgegeven kunnen zijn door Wolters of Van Looy of wie ook.
Maar de hoeken van een driehoek kunnen samen niet anders dan 180° zijn.
Eveneens zijn we overtuigd van de volstrekte nauwkeurigheid. Samen zijn die hoeken precies 180°. Met de oordeelen uit de natuurwetenschap is dat anders. Zeg ik: bij verwarming van 0° op 1° C. zet zich een gas 1/278 van zijn volume uit, dan ben ik niet zeker, dat, als ik nòg nauwkeuriger methoden van meting vond, ik niet een getal zou vinden dat, zij 't ook nog zoo'n beetje, grooter of kleiner was dan 1/278.
En eindelijk zijn de wiskundige oordeelen algemeen geldig. Ik ben er zeker van, dat de hoeken van een driehoek niet alleen hier, in Den Haag, maar ook in Maastricht, in Australië, maar ook op de maan, op elke willekeurige plek van het heelal 180° zijn.
Hoe zijn die drie kenmerken te verklaren? De ervaring geeft ons nooit noodwendigheid; alleen 't feitelijk gegevene is te aanschouwen. Honderden malen mogen we opmerken, dat met A B gepaard gaat, in ons geval, dat met het driehoek zijn gepaard gaat 't hebben van hoeken, die samen twee rechten zijn,--nimmer kunnen we het element van noodzakelijkheid waarnemen, dat het zóó móet zijn en niet anders. En de preciesheid kunnen we evenmin ervaren. We liggen met metingen bloot voor vergissingen niet alleen, maar bereiken nimmer absolute nauwkeurigheid. En met de algemeene geldigheid is het eveneens.
We spreken dus iets uit over de ruimte dat we niet uit de ervaring hebben en we zijn zeker, dat onze uitspraak doorgaat. Dat nu kan begrepen worden, als wij inzien, dat wij, de waarnemende subjecten, de ruimtelijke ordening aan de gewaarwordingen geven, dat de ruimte de noodzakelijke vorm is, waarin wij de dingen aanschouwen.
Verduidelijke een eenvoudig beeld dit nog. Iemand zet een blauwen bril op. Hij kan nu van te voren zeggen, dat hij, waar hij ook komt, de dingen, onverschillig welke, blauw getint zal zien. Dit ligt niet in de dingen, maar in de organisatie van het zintuig, dat nu met een blauwen bril is voorzien.
Zoo treden wij tot de dingen, zoodanig georganiseerd, dat wij alles tijdelijk en ruimtelijk geordend waarnemen.
Aan den inhoud, aan de stof voegen we dus nog een vorm toe. Subject en object werken samen bij het ontstaan van kennis: van het eerste de vorm, van het tweede de inhoud.
Merken we nu ten slotte op, dat het eigenaardig karakter, door Kant aan ruimte en tijd toegekend, niet hetzelfde is als het karakter der secundaire kwaliteiten. De roos is niet rood, de suiker niet zoet. Dat zijn opvattingswijzen van het subject, waarop de prikkels der buitenwereld inwerken. Zij zijn verschillend bij de individuen onderling, worden bepaald door de inrichting der zintuigen. De ruimte en tijdaanschouwing is iets algemeen-menschelijks, is noodzakelijk.
§ 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning.
In de ruimte en in den tijd aanschouwen we nu de dingen. Nemen wij de dingen waar, zooals ze ons verschijnen, of zooals ze zijn? Wij krijgen alleen verschijningen der dingen. Daar ligt een boek voor u. Ge krijgt indrukken van witachtig papier, stevige zwarte letters. Dit boek nu, dat ge waarneemt, betrekt ge op iets buiten u, dat de verschijning boek veroorzaakt. Hoe dat ding op zichzelf is; niet voor u? Wij weten 't niet. We nemen aan, dat het er is. Maar de kennis ervan ligt buiten onze ervaring. Het is een grensbegrip. Zoo spoedig we zoover zijn, dat we het begrip vormen van het ding, niet zooals voor óns bestaat, maar zooals het voor zich bestaat en op zich zelve is, zijn we aan de grenzen van het rijk der ervaring, en willen we meer van dit begrip zeggen, dan gaan we buiten ons bereik.
We hebben dus alleen onze ervaringen van verschijningen. Maar, men houde wel in 't oog, dat deze niet hetzelfde zijn als schijn.
Hierin ligt allereerst het verschil van Kant met de echte idealisten.
De Eleaten hadden ook van het zijnde en een wereld der verschijningen gesproken. Het zijnde konden wij aanschouwen noch kennen, en wat wij waarnamen was schijn, doxa. (I, pag. 31).
Uitdrukkelijk wijst Kant er op, dat zijn leer niet met dit idealisme mag gelijk gesteld worden. De verschijningen zijn geen schijn, maar werkelijkheid. Het boek dat ge ziet, is een verschijning, maar een realiteit, die er niets minder werkelijk om wordt, dat ze de verschijning is van een niet nader te kennen op zich zelf staand ding.
Het Kantiaansch begrip van verschijning onderscheide men dus wel van het physische. Een natuurkundige noemt de regenboog bijv. een verschijnsel, omdat hij als zoodanig niet bestaat: het verschijnsel ontstaat door de lichtbreking der zonnestralen in de waterdropjes. Werkelijkheid zijn voor den natuurkundige aethertrillingen van het licht, de waterdroppeltjes. Maar die droppeltjes zijn voor Kant óók verschijning, verschijning van een op zichzelf staand ding.
Voor Kant bestaan dus:
1. De dingen op zichzelf, grond van de door ons te kennen verschijningen.
2. De verschijningen.
3. Onze voorstellingen van die verschijningen, opgevat naar onzen aard.
We zouden dit schematisch dus kunnen voorstellen:
X (ding op zich zelf) | Y (verschijning) | Z (onze voorstelling).
Van de verhouding van X tot Y kunnen we niets zeggen.
De verhouding van Y tot Z te onderzoeken, is juist de taak der kennisleer: we hebben gezien, dat Z ontstaat door de inwerking van Y op een waarnemend subject, dat die inwerking op eígen wijze ontvangt. Allereerst door alle waarneming in ruimte en tijd geordend op te nemen. Maar ook op andere manier nog. Hoe, zien we in de volgende §.
Opmerking. Kant gebruikt graag vreemde, moeilijke termen. Om het overzicht te vergemakkelijken, is in het voorgaande dit gedeelte zoo eenvoudig mogelijk weergegeven. Wij vatten het nu kortelings samen in Kant's terminologie.
Het eerste gedeelte der "Kritiek der Zuivere Rede" is de transcendentale aesthetiek, de waarnemingsleer naar de logische wetten. Kant gebruikt hier transcendentaal, wel te onderscheiden van het later te bezigen transcendent. Aesthetiek wordt hier in zijn eerste beteekenis genomen: niet in die van schoonheidsleer. (Aisthènomai = ik neem waar).
De transcendentale aesthetiek leert, dat ruimte en tijd aprioristische aanschouwingsvormen zijn van het waarnemende Subject. Wij nemen de verschijningen waar: ons is alleen gegeven de phenomenale wereld. (Gr. phainomai = verschijnen). Onttrokken aan onze waarneming blijve de dinge an sich, de achter de verschijning liggende noumenale wereld.
§ 6. Verstand en Zinnelijkheid. Kategorieën.
Wij leerden in deel I Berkeley kennen. Locke had als drager van een aantal kwaliteiten, als daaraan te gronde liggend substraat een zelfstandigheid, een groote X, aangenomen. Berkeley had critiek uitgeoefend op dat substantiebegrip en het verklaard voor niet noodig en inconsequent. Hij was, de stoffelijke wereld ontkennend, gekomen tot z'n: zijn is waargenomen worden.
Is dat waar, dan bestaat iets voor den mensch, zoolang hij 't waarneemt. Dit boek bestaat dus niet voor u, als ge uit de kamer gaat, als ge uw oogen sluit en 't niet in de hand houdt, enz.
Maar het normale menschenverstand is toch wel overtuigd, dát het boek blijft bestaan. Locke had het substantiebegrip gemaakt tot het substantieprobleem.
Berkeley had het voor de zinnelijke substanties doen verdwijnen, door de substanties te ontkennen. Hume, dit voortzettend op geestelijk gebied, had ons bewustzijn als een steeds wisselenden stroom van impressies en ideeën beschouwd, en de geestelijke substantie ontkend. Tegelijkertijd had de groote Schotsche denker een nieuw probleem ontdekt: het causaliteits-probleem. Helder had hij ingezien: dat de waarneming ons nooit meer geeft dan feiten, nimmer het noodzakelijk verband daartusschen.
Kant stond ook voor deze feiten en vragen, en aan hunne oplossing wijdt hij een der moeilijkste gedeelten van zijn onderzoek. Zijn oplossing in 't kort gezegd is deze:
De zinnelijkheid geeft ons waarnemingen. Voor de wetenschap krijgen deze eerst beteekenis wanneer het verstand er ervaringen van maakt.
Het verstand doet dat, door de aanschouwingen in bepaalde vormen op te vatten. Die vormen vóór de ervaring, zijn aprioristisch. Zij heeten kategorieën. De belangrijkste daarvan zijn substantie en causaliteit. De door ons verkregen, tijdelijk en ruimtelijk geordende gewaarwordingen kunnen nu, doordat ze passen in een kategorie, b.v. die van causaliteit of substantie, tot wetenschappelijke kennis worden.
Lichten we dit nader toe.
Daar ligt een steen, waarop de zon schijnt. Ik voel den steen. Hij is warm. Ik zeg nu, de steen is warm, de zon beschijnt hem.
Dat is een waarnemingsoordeel.
Maar nu zeg ik: de zon verwarmt den steen. Dat is een ervaring. Ik deel nu niet twee feiten mee, zooals eerst, los en op zich zelf staande, maar een algemeene, noodzakelijke waarheid. Zij geldt ook voor morgen en overmorgen, voor Nederland en België als voor Rusland. Ik ben overtuigd dat 't moet. Ervaringsoordeelen nu vormen de eigenlijke wetenschap.
De zinnelijkheid geeft mij niet dat algemeen, noodzakelijk geldende. Die biedt mij niets dan gewaarwordingen, tijdelijk en ruimtelijk geordend. Het is mijn verstand, dat die gewaarwordingen opvat in bepaalde vormen.
De zinnelijkheid had hare aprioristische aanschouwingsvormen: tijd en ruimte. Het verstand heeft zijne aprioristische begrippen, vormen, waarin alle kennis gebracht wordt. Die vormen, die zuivere verstandsbegrippen, heeten kategorieën. Zonder aanschouwingen zijn zij leeg, gelijk zonder hen deze laatste blind zijn.
Trachten we nog een heel eenvoudig, aanschouwelijk beeld te vinden, om dit toe te lichten.
De expeditiezaal van een groot postkantoor.
Door vele poorten komen brieven in, uit de bus aan 't hoofdkantoor, uit de bussen in de stad, uit de bijkantoren. Die brieven hebben alle een adres. Dit maakt het mogelijk, hen te behandelen. Zonder adres weet men er geen raad mee.
Nu zijn er verschillende loketten en vakken, waarin ten slotte alle brieven terecht komen. Die vakjes zijn er al, maar hun beteekenis, hun dienst blijkt eerst, als er de brieven in komen. Anders zijn ze leeg. En de brieven kunnen pas verzonden worden als ze in de afdeelingen zijn, zijn ze daarin niet, dan zijn ze ongeordend. Wanneer de treinenloop anders was, wanneer er andere communicatiemiddelen waren, zou zoo'n zaal er heel anders kunnen uitzien, maar nú heeft ze zóó'n indeeling en alle brieven komen zóó ingedeeld terecht! Maar we zouden ons kunnen voorstellen, dat in een anders ingerichte zaal heel wat anders uit die brieven zou worden.
Brengen we deze beeldspraak over.
Onze zinnen voeren ons gewaarwordingen toe reeds "van een adres voorzien." Ze zijn al tijdelijk geordend en daar de tijd aprioristisch is, is er al een element à priori in onze aanschouwingen. Dat element nu maakt het mogelijk, om de aanschouwingen onder te brengen in de aprioristische vakjes, ze te rangschikken onder de verstandsbegrippen. Onze geest heeft nu eenmaal een bepaalde inrichting. We kunnen ons wel denken, niet voorstellen, dat een andere geest heel anders zou zijn georganiseerd en dus van dezelfde noumenale wereld een heel anderen indruk zou kunnen krijgen, evenals in een anders ingerichte zaal de brieven anders zouden terecht komen.
Dit beeld geeft o. a. aanleiding tot één groot gevaar: dat men meent, dat er een opvolgend proces plaats vindt, dat achtereenvolgens verschillende bewerkingen plaats vinden en dat de vakjes, de verstandsbegrippen a. h. w. klaar staan en men zich van hun bestaan helder bewust zou zijn, zooals men ook de vakjes in onze zaal ziet staan. Dit is niet zoo. Wij kunnen onze ervaringen ontleden in elementen, maar zij blijven een geheel. Er is niet een oogenblik, dat we alleen nog maar gewaarwordingen hebben zonder ruimte en tijd, dan nog maar alleen aanschouwingen, die nog niet onder verstandsbegrippen ondergebracht zijn. Hier zou men met een ander beeld kunnen zeggen: als wij vloeistof putten uit een vat, brengen wij den vorm mee, maar zoo spoedig we iets hebben, hebben we de stof ook in den vorm van het ding, waarmee wij scheppen. Inhoud en vorm zijn gelijkertijd gegeven. Ook moeten we niet meenen, dat die verstandsbegrippen ons helder voor den geest staan. Zooals iemand altijd kan hebben geademd met zijn longen, zonder ooit van zijn longen gehoord te hebben, zoo kan iemand ook altijd zijn verstandsbegrippen aanwenden, zonder ze zich bewust te maken.
Ook de kategorieën moeten dus vooral niet verward worden met de ingeboren begrippen, zij zijn geen bezit van den geest, geen bewustzijnsinhoud, maar de werkwijze, de organisatievorm van ons bewustzijn.
En dit laatste nu maakt het juist zoo moeilijk antwoord te geven op die vraag: welke zijn dan die kategorieën? Over welke zuivere verstandsbegrippen beschikken we? Het denken staat dus hier voor de moeilijke opgave, zichzelf tot voorwerp van onderzoek te maken en te letten op die dingen, die hem 't meest gewoon zijn, wijl altijd weer aan gebruikt zonder extra inspanning. (Met veel eenvoudiger dingen gaat dat gewoonlijk al zoo. Dat iets een eigenaardige gewoonte is in zekeren levenskring, merkt men soms pas, als men uit dien kring komt en andere ziet. Zoo herinner ik me nog een jong meisje van 16 jaar, dat met groote verbazing hoorde, dat er ook menschen waren, die nog niet eens f 20.000 hadden.)
Kant heeft, om de kategorieën te vinden, den empirischen weg verlaten en heeft een kunstig stelsel van kategorieën opgebouwd. Vrijwel algemeen wordt het gekunstelde hiervan erkend. Gevoegelijk slaan we dit dus over.
We zagen nu, dat er kategorieën zijn, en dat alle waarnemingen volgens de kategorieën opgenomen worden. Ervaring ís er dus eerst door de kategorieën: zij maken de ervaring, en omdat zij dat doen, gelden zij voor de ervaring. Waarom kunnen we van te voren zeggen, dat alle brieven hun plaats zullen vinden en zóó en niet anders verdeeld worden? Omdat die indeeling ligt aan de vakjes, niet aan de brieven.
En nu kunnen we komen tot de groote stelling van Kant:
dat de dingen zich richten naar ons, en wij ons niet richten naar de dingen.
Ziehier het tegendeel, van wat tot dusver geleerd was. De dingen, op ons inwerkend, geven afdrukken in onze ziel, onze kennis is een weerspiegeling dier dingen. Kant zegt: neen, wij maken de dingen zóó, als ze zijn, ons bewustzijn is niet bloot ontvangend en lijdelijk: het is actief, het heeft spontaneïteit.
Kant heeft zichzelven dan ook met Copernicus vergeleken. Deze had, tegen den zinnelijken schijn in, geleerd, dat de aarde zich om de zon bewoog. Kant leerde, dat de dingen zich schikten naar den mensch, niet de mensch naar de dingen.
Hoe kan men nu de waarnemingen, die tot de zinnen behooren, rangschikken onder de kategorieën? Is er iets gemeenschappelijks? Waarom kan ik een tafelbord onder den cirkel rangschikken: het is rond. Hebben de waarnemingen nu ook een kenmerk, dat eveneens de kategorieën toekomt? Ja!
In elke waarneming is iets tijdelijks, dus iets aprioristisch. Zeer vernuftig wordt nu aangetoond, dat elke kategorie ook overeenkomt met iets tijdelijks. (De kategorie-veelheid b.v. is na elkander komen van een eenheid: 4 is 1 + 1 + 1 + 1; veelheid en eenheid hooren tot het schema van de tijdrij). De tijd is het gemeenschappelijke: Uit deze schema's nu worden weer de zuivere verstandsregelen afgeleid, welke aan onze wetenschappelijke natuurkennis ten grondslag liggen. Er zijn dus evengoed aprioristische oordeelen voor de natuurwetenschap als voor de wiskunde. Een dier beginselen b.v. is:
Bij alle wisseling der verschijnselen blijft de substantie onveranderd.
Kant ziet in de substanties iets blijvends, dat noch verminderd noch vermeerderd wordt. Zelfs in het vuur gaat niets te loor. Dit beginsel past--desnoods zonder er zich rekenschap van te geven--de natuurkundige altijd toe. Hang bijv. aan den arm eener balans een magneet en daaraan ijzervijlsel. Maak evenwicht. Verbrand het ijzervijlsel. De balans slaat door. Het blijkt dat het ijzervijlsel zwaarder is geworden.
Nu zegt de natuurkundige: bij dat ijzervijlsel is wat gekomen: het is zwaarder. Hij weet thans, dat dit de zuurstof uit de lucht is, die zich met het ijzervijlsel heeft verbonden.
De stof blijft en wordt niet vermeerderd.
Zet een schaaltje water in een kamer en weeg het precies of meet het.
Kom er na een poos bij. Er is minder water. De natuurkundige is overtuigd, dat er niet maar zoo water is verdwenen. Hij neemt aan, dat dit water ergens is gebleven. Waar? Het is uiterst fijn verdeeld in de lucht. Er is een gedeelte verdampt.
Wij zien dus, dat Kant hier een aprioristisch substantie-begrip aanneemt, dat voor hem de substantie het blijvende is. Eveneens beschouwt hij het causaliteitsbeginsel als aprioristisch. Met Hume erkent hij ten volle, dat het niet gegeven is in de waarneming der feiten, maar, zegt Kant, het is een grondstelling van het zuiver verstand, dat alles geschiedt naar de wet van oorzaak en werking.
Dat wij dus, als wij A en B oorzaak en gevolg achten, het optreden van A veronderstellen, als wij B zien en omgekeerd, B verwachten, als wij A zien, schrijft Kant niet toe aan een door gewenning, door associatie ontstane verwachting, zooals Hume doet, maar hij acht dit een der regelen, waarnaar wij ervaren.
Ge komt op een avond in uw kamer en het gas is aan. Nu twijfelt ge er niet aan, of iemand moet de gaskraan opengezet hebben en de lamp aangestoken.
Stel, dat uw huisgenooten het zouden willen ontkennen, dan zoudt ge zeggen: maar het gas is toch òp en met onweerstaanbaarheid moet ge aannemen, dat iemand, wie dan ook, het, op welke wijze dan ook, opgestoken heeft. Ge ziet B en ge veronderstelt A.
Ge komt op uwe kamer, steekt een lucifer aan, draait de kraan open: na verwacht ge zeker, dat het licht op gaat. En doet het dit niet, dan zoekt ge dadelijk naar de oorzaak: de hoofdkraan was dicht, er was lucht in de gaspijp, er is een lek of zoo iets. A was aanwezig, ge rekent op B. Blijft B uit, dan zijt ge overtuigd, dat er andere omstandigheden, die er anders nièt zijn, aanwezig zijn.
Opm. Het hier behandelde is de TRANSCENDENTALE ANALYTIEK, die de zuivere verstandsbegrippen opspoort, zooals de transcendentale aesthetiek de aprioristische aanschouwingsvormen zocht. Deze moet aantoonen, dat er zuivere wiskunde is, gene, dat er zuivere verstandsbeginselen zijn voor de natuurwetenschap. Kant behandelt eerst de begrippen: de kategorieën, waarvan hij er twaalf (4 × 3) aanneemt.
Daarna wijst hij in de DEDUCTIE aan, waarom die kategorieën passen voor de werkelijkheid ook buiten ons. Zij maken de ervaring, door haar algemeen-geldig en noodwendig karakter te onderscheiden van de waarneming. De waarnemingen passen in de SCHEMA'S en door hen kunnen de kategorieën op deze worden aangewend. Na het transcendentale schematisme van het verstand, behandelt Kant de grondstellingen van het zuivere verstand, waarvan wij twee noemden, die behooren tot de groep van analogieën der ervaring.
§ 7. Ziel, Wereld en God.
Nemen wij een sluitrede. Alle metalen zijn smeltbaar. Goud is een metaal. Goud is smeltbaar.
Het laatste oordeel grondt zich op de beide eerste. Maar nu kan ik ook weer vragen: hoe kom ik aan het eerste en tweede oordeel? En als ik dat aangewezen heb, kan ik weer verder vragen. Kan ik zoo eindeloos doorgaan? Neen! Ik wil ten slotte komen tot iets dat vaststaat, iets, dat de eerste schakel is in mijn keten van conclusies. Als zoodanige vind ik nu: ziel, wereld, God.
Deze begrippen zijn onafhankelijk, niet betrekkelijk, maar volstrekt; niet onvolledig, maar volledig. Zij vereenigen alle ervaringen in een eenheid. Zinnelijkheid deed ons waarnemen, het verstand gaf ons onze ervaringen, het is de rede, die ons tot deze hoogste eenheden voert, door Kant ideeën genoemd.
Alles, wat wij waarnemen en ervaren, betrekken wij op een ik, als het waarnemend en ervarend subject. Dit ik is het redebegrip der ziel.
Alles, wat ik waarneem in, ervaar van de natuur, beschouw ik als een deel van een al-omvattend geheel. Dit geheel is de wereld.
Dat àl, de wereld, wordt aangezien voor het werk van een allerhoogste Rede. Zoo kom ik tot de derde Idee: God.
Deze ideeën echter zijn niet in de ervaring gegeven: ze liggen buiten de grenzen van het kenbare. Ze lokken ons wel, leiden ons op den weg naar onderzoek en hebben als zoodanig waarde, maar ze stellen onze ervaring niet samen, zooals de verstandsbegrippen. Het is verkeerd om te meenen, dat wij kennis kunnen hebben van de objecten, die met hen overeenkomen. Het is een waan, (waaraan velen zich overgeven), dat dit kan, en uit dien waan zijn drie "zuivere wetenschappen" ontsprongen.
Op de idee der ziel heeft men de RATIONALISTISCHE ZIELKUNDE willen opbouwen. Kant echter kent alleen zielkunde, op ervaring gebouwd, op onderzoek van de gegevens van het bewustzijn berustend. De onstoffelijkheid, de eenheid en daarmee de onsterfelijkheid der ziel kan niet bewezen, doch ook niet wederlegd worden. Dit is een groot voordeel, want de zekerheid voor de onsterfelijkheid der ziel wordt ons wel anderwege gegeven. (zie pag. 45 v.v.).
De LEER DER WERELD berust op de idee wereld. Wanneer men over die wereld, over den kosmos gaat handelen, verstrikt het verstand in tegenstellingen. Men kan dan evengoed bewijzen, dat de wereld een begin, als dat zij geen begin moet hebben gehad; dat zij ruimtelijk zoowel onbegrensd als begrensd kan zijn, dat alle samengestelde zelfstandigheden uit enkele deeltjes bestaan, alsook dat er niets enkels is in de wereld.
Er is vrijheid, d. w. z. er zijn verschijningen, die niet volgens de wet der causaliteit kunnen verklaard worden; daar staat tegenover: er is geene vrijheid, maar alles geschiedt met noodwendigheid naar natuurwetten.